Indexering van het Zorgpersoneelfonds

De ministerraad keurde in november het voorstel tot indexering goed van de middelen van het Zorgpersoneelfonds voor de jaren 2025 en 2026. Er is wel een uitzondering voor de middelen die worden toegekend aan het BFM (Budget Financiële Middelen) van de ziekenhuizen. De indexering van het Zorgpersoneelfonds zou gaan om 3,34 procent voor 2025 en 2,72 procent voor 2026 op basis van de afgevlakte gezondheidsindex. Het voorstel ligt nu bij de Raad van State.


Verpleegkundig specialist op kritieke diensten: meerwaarde voor team en patiënt

De verpleegkundig specialist (VS) volgt patiënten op naar gelang diens specialisatie. Sinds 1 januari 2025 mag de VS klinische activiteiten en medische handelingen uitoefenen. Ook beslissingen nemen over de medische diagnostiek en behandeling, en over de opvolging van de totaalzorg van de patiënt behoren tot de taken. Toch is de functie nog lang niet door iedereen gekend. In het bijzonder op kritieke diensten. Om de functie beter in kaart te brengen nam de werkgroep Kritieke Diensten van NETWERK VERPLEEGKUNDE het initiatief met een bevraging.

De verpleegkundig specialist wordt vandaag nog vaak verward met een gespecialiseerde verpleegkundige. Voor die laatste functie is twee jaar expertise vereist in een bepaald domein. De verpleegkundig specialist is een academisch opgeleide verpleegkundig expert die werkt in een specifieke zorgcontext of een specialisatiedomein. De zorg is breder dan de verpleegkundige zorg en wordt geleverd vanuit een zelfstandige zorg- en behandelverantwoordelijkheid. Zo mag de verpleegkundig specialist autonoom verpleegkundige consultaties organiseren. Hoe krijgt deze functie vorm op spoed en intensieve zorg? Dat wilde de werkgroep Kritieke Diensten van NETWERK VERPLEEGKUNDE weten om de uitdagingen rond de implementatie en financiering van de functie in kaart te brengen.

“We merkten dat de verpleegkundig specialist nog niet vaak ingezet wordt op kritieke diensten”, zegt Caitlin Van Herzele, hoofdverpleegkundige spoed bij ZAS en lid van de werkgroep Kritieke Diensten. Zij begeleidde de bevraging bij verschillende spoedafdelingen in Vlaanderen en Brussel. “Vaak zijn verpleegkundig specialisten aan de slag op een andere afdeling in het ziekenhuis en consulteren ze dan op spoed of intensieve zorg. Ergens is dat logisch. Kritieke diensten is een zeer specifieke setting. Een ventilatieverpleegkundige of verpleegkundig specialist in katheterzorg kan je meer dienstoverkoepelend inzetten dan een verpleegkundig specialist fasttrack op spoedgevallen. De effectieve inzet van verpleegkundig specialisten op kritieke diensten is vandaag tracheale canulezorg, trauma, wondzorg, cardiale zorg en hemovigilantie. Al is het niet volledig duidelijk of daar niet verward wordt met de gespecialiseerde of referentieverpleegkundige. Respondenten geven aan dat ze de verpleegkundig specialist graag ingezet willen zien voor beademing, trauma, cardiale zorg, ziekenhuishygiëne en ECMO/perfusie. Algemeen zien we dat de verpleegkundig specialist meer ingebed is in universitaire centra, ongeacht het specialisatiedomein.”

Tussen administratie en klinisch werk

De verpleegkundig specialist neemt verschillende rollen op, verdeeld over generalistische en specialistische competenties. Daarnaast vraagt de functie om een specifieke patiëntenpopulatie om ervaring en expertise uit te bouwen. Deze factoren kunnen meespelen in de redenen waarom weinigen volgens de bevraging van NETWERK VERPLEEGKUNDE geloven in de snelle uitrol van de functie op kritieke diensten. Al denken ze daar in AZ Voorkempen anders over. Daar werken twee verpleegkundig specialisten spoed. Zowel Tom Thoelen als Elien Anthonissen startten er in maart 2024 als verpleegkundig specialisten spoed nadat ze al jarenlang actief waren op de dienst. “Daar ging een heel traject aan vooraf”, licht Elien toe. “We bestudeerden waar de verpleegkundig specialist op de afdeling het beste ingezet werd en ontwikkelden vervolgens een functiekaart voor hr.”

“Het klopt zeker dat onze rol nog relatief onbekend is”, vult Tom aan. “De verpleegkundig specialist op spoed wordt meestal ingezet voor administratieve rollen zoals beleid, kwaliteit of onderzoek. De invulling met klinisch werk zie je niet zo vaak. Bij ons is dat anders. Wij keken waar de verpleegkundig specialist een plaats heeft in de acute zorg en buiten een consultatieomgeving. Al wil dat niet zeggen dat we geen onderzoek, project of leidinggevende taken opnemen. Vandaag besteden we 20 à 30 procent van onze tijd aan meer administratieve rollen en 70 à 80 procent aan klinisch werk om onze knowhow en expertise te implementeren. Het is net die combinatie die ons toelaat alle rollen kwalitatief in te vullen.”

Hoogkwalitatieve zorg

Patiënten worden via een triageverpleegkundige aan de urgentiearts of aan de verpleegkundig specialist toegewezen. De verpleegkundig specialist wordt in AZ Voorkempen ingezet voor laag urgente zorg aan patiënten in de fasttrack zone. “Steeds onder supervisie van een urgentiearts”, zegt Elien. “Onze klinische ervaring op de spoedgevallendienst is een duidelijke meerwaarde. Het is een belangrijke rol om op te nemen en daarvoor ontwikkelen we momenteel binnen het ziekenhuis een kader: voor welke groep patiënten kan het autonoom en veilig, en voor welke groep patiënten onder supervisie?”

Het is dat een-op-eencontact met de patiënt dat gewaardeerd wordt. “Je begint altijd van nul en moet de achtergrond van wie je voor je hebt zeer snel opnemen”, vertelt Tom. “Daarnaast ben je degene die overlegt met andere disciplines en artsen, waardoor de patiënt altijd een vertrouwd persoon ziet die de informatie meedeelt. Dat stelt hen gerust.” En leidt tot positieve reacties? Maarten Luyts, hoofdverpleegkundige spoed in AZ Voorkempen: “Omdat de verpleegkundig specialist is ingebed in onze werking wordt de patiënt sneller behandeld met kwalitatieve zorg. In twee jaar tijd was er geen enkele incidentmelding, alleen positieve reacties. Die tevredenheidsscore van patiënten brengen we nu in kaart. Bovendien is ook het team tevreden. Een masterverpleegkundige is een interessant profiel op elke afdeling. Als we ze op spoed en aan het bed willen houden, moeten we ook de gepaste uitdagingen voorzien. Zowel Elien als Tom geven aan dat ze bijvoorbeeld af en toe graag eens met de mug meegaan. Zo’n hybride functie maken we dus mogelijk. Eén dienst per week werken ze als verpleegkundig specialist, met daarnaast een drietal shiften per week als spoedverpleegkundige.”

Ook de artsen op de afdeling ondersteunen de komst van de verpleegkundig specialist. “De combinatie van de verschillende functies heeft een versterkend effect”, zegt dokter Nicolas Léonard, medisch diensthoofd spoedgevallen AZ Voorkempen. “We willen geen mini-artsen, wel verpleegkundig specialisten. We begeleiden hen vanuit de medische staf en laten hen meevolgen op spoed en op andere diensten. Het is bijvoorbeeld waardevol dat ze ook op medische beeldvorming of orthopedie kennis opdoen. Wat mij betreft leveren we hier pionierswerk. Dat is altijd zoeken naar wat wel of niet kan. Wettelijk zijn er meer en meer mogelijkheden, maar tussen wet en praktijk staat een juridisch kader. We staan er bijvoorbeeld zeker voor open om de verpleegkundig specialist te laten voorschrijven en winnen daar actief advies over in.”

Meer bevoegdheden voor de verpleegkundig specialist?

Hoe de verpleegkundig specialist exact ingeschaald moet worden in IFIC is nog niet voor alle zorginstellingen gekend. IFIC beschrijft namelijk functies op het terrein, weegt ze en kent zo een verloningsklasse toe. Dat betekent dat zolang de functie niet in de wetgeving staat, en dus in het werkveld actief is, er geen definitieve uitspraken kunnen worden gedaan op basis van het functieclassificatiesysteem. Volgens de bevraging varieert dit van IFIC 15 tot 17. In AZ Voorkempen zitten Tom en Elien in IFIC 16. “Dat hangt echt af van ziekenhuis tot ziekenhuis en we weten dat sommige verpleegkundig specialisten in IFIC 17 worden ingedeeld”, zegt Tom.

Je moet stevig in je schoenen staan en de meerwaarde van je aanvullende expertise voor patiënt, team en de kwaliteit aantonen. En die meerwaarde blijkt volgens Caitlin zeker uit de bevraging: “Het is een aanvulling op de expertise van een specifieke dienst en een echte kwaliteitsinjectie op wetenschappelijke basis. Het zet ook de deur open voor innovatie en nieuwe technieken. Bovendien kijkt de verpleegkundig specialist nog altijd meer met een holistische blik, waar artsen vaak enkel het medische zien. Als verpleegkundige zie je het volledige plaatje van en rond de patiënt en bied je samen met het team next level zorg.”

Het KB van 14 april 2024 beschrijft de klinische activiteiten en medische handelingen van de verpleegkundig specialist. Dit werd met het KB van 16 januari 2025 gedeeltelijk uitgesteld tot 1 januari 2026. Voor de medische handelingen telt geen uitstel, wel voor de bevoegdheid om geneesmiddelen en gezondheidsproducten voor te schrijven, en om medische attesten op te stellen. De reden? Hoofdzakelijk het ontbreken van een uitgewerkt raamwerk en financieringsmodel voor de geleverde prestaties. Die gedeeltelijke uitstelling is inmiddels verlengd en vormt een belangrijke hindernis in de verdere uitrol van de functie en nurse-led zorgmodellen. Het beperkt de verpleegkundig specialist in diens klinische autonomie. “Het KB is een start-, maar geen eindpunt”, zegt Caitlin. “Erkenning, verloning en een duidelijke omkadering met structurele verankering van de functie zijn noodzakelijk.” Daar voegt Maarten graag nog aan toe dat ook het ziekenhuis zelf moet openstaan voor deze vorm van innovatie. “We krijgen heel veel ondersteuning, zowel vanuit de hoofdgeneesheer, CNO als ons medisch diensthoofd. De functie implementeren op kritieke diensten is een proces waar iedereen in mee moet. Onze verpleegkundig specialisten zijn echt bedreven in acute zorg en een duidelijke troef voor ons ziekenhuis, onze dienst, ons team en de patiënt.”

Wie is de verpleegkundig specialist?

De verpleegkundig specialist is minstens een verpleegkundige verantwoordelijk voor de algemene zorg (VVAZ), heeft een masterdiploma in de verplegingswetenschap en een bewijs van tewerkstelling in de laatste vijf jaren voorafgaand aan de erkenningsaanvraag van minstens 3.000 effectieve uren binnen een bepaalde zorgcontext of specialisatiedomein als VVAZ. Daarnaast zijn er overgangsmaatregelen voorzien voor wie een diploma VVAZ heeft, een master in de gezondheidswetenschappen, een bewijs van competenties eigen aan de verpleegkundig specialist en een bewijs van tewerkstelling voorafgaand aan 1 januari 2025 van minstens 3.000 effectieve uren binnen een bepaalde zorgcontext of specialisatiedomein waarin dezelfde bekwaamheden als de verpleegkundig specialist werden uitgevoerd. De erkenning kan nog aangevraagd worden tot en met 1 januari 2029 via het e-loket van het Departement Zorg.

Werkgroep verpleegkundig specialist

ACN, FNIB en KPVDB en NETWERK VERPLEEGKUNDE richten samen een werkgroep op voor de verpleegkundig specialist. Zo bestaat een Belgische koepel voor deze functie. Onder meer het ontwerp tot interprofessionele samenwerkingsovereenkomst (IPSO), opgesteld door de Juridische Adviesgroep van NETWERK VERPLEEGKUNDE, wordt daar verder besproken. Op de hoogte blijven kan via sites.google.com/view/cipabelgium.


Brochure bekwame helper in drie landstalen

De infobrochure en het attest over de bekwame helper, opgesteld door de Juridische Adviesgroep van NETWERK VERPLEEGKUNDE, is in samenwerking met acn en KPVDB nu ook beschikbaar in het Frans en Nederlands. De brochure is een handig naslagwerk vol praktische tips, do’s-and-don’ts, maar biedt vooral een leidraad over wat de bekwame helper wel en niet mag doen. Het schept een duidelijk kader rond wie de bekwame helper is ten opzichte van de Activiteiten uit het Dagelijkse Leven (ADL) en de mantelzorger. Bij de brochure zit ook een attest dat de verpleegkundige kan gebruiken om de handeling die de bekwame helper mag uitvoeren op papier te zetten.

Raadpleeg de brochure.


Nood aan fundamentele hervorming van personeelsnormen dringt zich op

In een nieuw standpunt vraagt de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG) een fundamentele hervorming van de personeelsnormen in woonzorgcentra. De huidige regels leggen vast hoeveel voltijdse medewerkers er per functie verplicht moeten zijn. Die zijn te strikt om in te spelen op wat bewoners vandaag nodig hebben en om realistisch om te gaan met de uitdagingen op de werkvloer. Stafmedewerker Emme Vandeginste legt de knelpunten en mogelijke oplossingen bloot.

Vandaag gelden in woonzorgcentra per functie en per zwaartecategorie strikte personeelsnormen over hoeveel voltijdse medewerkers (VTE) er per zorgzwaartecategorie aanwezig moeten zijn. De VVSG stelt in een nota, die in de zomer van 2025 verscheen, dat dit een personeelsbeleid op maat van de bewoners verhindert. “Het is tegelijk ook een pleidooi om de woonzorgcentra meer zuurstof en vertrouwen te geven”, zegt Emme Vandeginste, stafmedewerker ouderenzorg bij de VVSG. “Iedereen heeft het over maatwerk, over bewoners centraal zetten, over vrijheid en autonomie. Over samenwerken over sectoren heen, over creativiteit en innovatie. Maar in de praktijk botsen voorzieningen op een web aan regels. Die regels bepalen niet alleen wat je moet doen, maar vaak ook hoe je dat moet doen. Het woonzorgcentrum is vandaag een plek waar zorg, wonen en leven samenkomen in relatiegerichte zorg. De Vlaamse normen en regels hinken achter op deze realiteit en plaatsen te veel schotten tussen de drie domeinen. Hierdoor zet je de woonzorgcentra eerder vast en wordt het moeilijker om wendbaar in te spelen op de levensdoelen van de bewoners.”

De nota van de VVSG, ook onderschreven door haar Raad van Bestuur, is geschreven vanuit de inzichten van de stuurgroep ouderenzorg, na gesprekken met directeurs van woonzorgcentra en algemeen directeurs van welzijnsverenigingen. “Hun boodschap is helder: de vele centrale regels en voorschriften ontmoedigen de medewerkers en creëren continuïteitsproblemen. Met minder centrale regels zijn we tot meer in staat. Dit is een oproep aan de Vlaamse beleidsmakers om zuiniger om te springen met centrale regels en op dat vlak een efficiëntieoefening te maken.”

Ademruimte creëren

Voor de VVSG houden de bestaande normen te weinig rekening met de toenemende complexiteit en diversiteit van bewoners, de aanhoudende arbeidsmarktkrapte en het belang van wonen en leven, naast zorg. Voorzieningen hebben nood aan ruimte om keuzes op maat te maken. “De nood aan een verpleegkundige is bijvoorbeeld niet op elk moment hetzelfde”, licht Emme toe. “Waar is wie het hardste nodig en hoe versterken we elkaar? Niet elk moment vraagt eenzelfde aanwezigheid, maar elk moment vraagt wel verantwoordelijkheid.”

Verpleegkundigen zijn en blijven onmisbaar in woonzorgcentra. Net daarom moeten we hun expertise slimmer inzetten: op de juiste taken en op de momenten waarop ze het meeste verschil maken. Zo krijgen verpleegkundigen meer ruimte voor hun kerntaken en specialisaties. Hun job wordt weer leefbaarder en aantrekkelijker. Biedt het KB rond de Algemene Dagelijkse Handelingen (ADL) dan geen mogelijkheden? “Jawel, zeker in theorie. De evoluties in het verpleegkundige beroep zien we nog niet weerspiegeld in de huidige normen. De context verandert, maar de verpleegkundige norm is al heel lang even hoog. Het is een norm die uit een tijd komt waar de focus vooral lag op de medische zorg, gestoeld op een ziekenhuisdenken. Vandaag moeten we wonen en leven durven centraal zetten en dat opent terecht de deur voor andere profielen. Toch moeten voorzieningen nog te vaak ongewild de deur sluiten voor bepaalde profielen, niet omdat ze geen meerwaarde zijn en wel integendeel, maar omdat ze bijvoorbeeld niet meetellen voor de norm en niet het juiste diploma hebben. Ondertussen blijven voorzieningen zoeken naar wat werkbaar is. Ze investeren in opleiding en verkennen voorzichtig de ruimte die het KB ADL creëert. Ook dat vraagt tijd en vooral flexibiliteit.”

Interim- en zelfstandige verpleegkundigen als oplossing?

Sinds 2023 kunnen woonzorgcentra geen interim- of zelfstandige verpleegkundigen meer aanstellen binnen de huidige normfinanciering. Voor NETWERK VERPLEEGKUNDE is dat een groot struikelblok voor heel wat voorzieningen, die deze statuten vandaag wel tewerkstellen vanuit eigen middelen. Al dan niet door kamers te sluiten of door de kosten door te rekenen aan bewoners. “We vinden het belangrijk dat de keuzevrijheid van de individuele verpleegkundige wordt gewaarborgd”, zegt algemeen coördinator Ellen De Wandeler. “Voor sommige verpleegkundigen is het interim- of zelfstandigenstatuut de manier om te bepalen wanneer, waar en hoeveel ze werken. Artsen, kinesitherapeuten, psychologen, IT-personeel, … passen dit ook toe en worden wel erkend. Waarom mag een beroepsgroep die voor 98 procent geconventioneerd is dit dan niet? Het kadert bovendien ook binnen de andere nieuwe en verlengde maatregelen zoals flexijobs in zorgfuncties, het optrekken van werkuren die gepensioneerden mogen presteren en de relance-overuren die fiscaal onbelast zijn. De verschillende statuten om verpleegkundigen aan te werven nemen toe. Het beleid en werkgevers kunnen dit niet naast zich neerleggen.”

De huidige personeelstekorten bestrijden met enkel interim- of zelfstandige verpleegkundigen, dat zal niet gebeuren. Zeker niet op korte termijn. Bovendien moeten woonzorgcentra blijven voldoen aan die personeelsnorm, waarin deze statuten niet opgenomen zijn. “Is er nood aan duidelijke regels. Voor woonzorgcentra en andere zorginstellingen zijn interimverpleegkundigen en vaak ook zelfstandige verpleegkundigen duurder dan verpleegkundigen die in loondienst werken. Ze betalen namelijk niet alleen de verpleegkundige, maar ook een aanzienlijke bijdrage aan het bureau en het verdienmodel daarachter”, zegt Ellen nog. “Dat heeft een financiële en organisatorische impact. Daarbij moet je ook de deconventionering in acht nemen. Voor verpleegkundigen gaat het om slechts twee procent, maar het is een trend die zich bij andere gezondheidszorgberoepen duidelijker manifesteert. Ook hier moet het beleid rekening mee houden. Verpleegkundigen maken deel uit van de besprekingen voor een breder kader, maar zijn lang niet de enige hoofdrolspelers.”

Kader voor meer flexibiliteit voor zorg op maat

Een duidelijk kader is exact waar de VVSG naartoe wil. Vandaag bepaalt de regelgeving de financiering op basis van een gedetailleerde VTE-norm per functie en per zorgzwaartecategorie. Om financiële stabiliteit te waarborgen, vertrok de VVSG van diezelfde berekeningswijze. “De huidige normen blijven de basis voor de berekening van het budget voor een voorziening, maar ze spelen geen rol meer in de erkenningsregelgeving. Ze zijn er dus nog achterliggend maar zonder beperkend te zijn”, legt Emme uit. “Voorzieningen krijgen een globaal budget afgestemd op de zorgzwaarte van hun bewoners. Daarmee stellen ze hun team zelf samen op basis van hun visie, competenties en concrete bewonersnoden. Uiteraard koppelen we daar ook kwaliteitsgaranties aan, zoals een verantwoordelijke inzet van verpleegkundigen en zorgkundigen, voldoende competent personeel, een voldoende kwalificatiemix, … zonder die zaken al opnieuw vast te betonneren in rekenkundige regels. We laten ze bewust open, zodat woonzorgcentra een unieke leefwereld kunnen creëren waarin relatiegerichte zorg centraal staat.”

Het gevaar van detailregels

Als we alles tot in detail vastleggen, dreigt de focus te verschuiven naar in orde zijn met de regels in plaats van naar de bedoeling. “Te strakke normen kunnen de kritische houding van voorzieningen fnuiken”, zegt Emme. “Er blijft dan nauwelijks ruimte over voor de expertise en het inschattingsvermogen die in de huizen aanwezig is. Het beleid zegt vrijheid te willen geven, maar sluit die vrijheid tegelijk op in hokjes. Wie buiten die hokjes denkt, loopt vast.”

Zo dwingen deze regels voorzieningen vandaag soms tot keuzes die niet altijd in het belang van bewoners en personeel zijn. Een concreet voorbeeld is de nachtpermanentie. Vandaag moet altijd een verpleegkundige in de nacht aanwezig zijn. Dat is vaak een dure interimverpleegkundige die het huis en de bewoners niet kent. Dat komt de kwaliteit van zorg en de rust op de werkvloer niet altijd ten goede. De VVSG pleit daarom voor vrijheid om de nachtpermanentie anders te organiseren. “Laat bijvoorbeeld ruimte om een buurtsysteem uit te werken. Zo laat je de fysieke aanwezigheid van een verpleegkundige los, waar gepast. Die gedeelde permanentie tussen voorzieningen kan, op voorwaarde dat de verpleegkundige permanent bereikbaar en tijdig inzetbaar is.”

Angst mag niet de motor van beleid zijn

Pleiten voor minder regeldruk mag nooit ten koste gaan van kwaliteit. Het is dan ook belangrijk om bezorgdheden en tegenargumenten ernstig te nemen. Te vaak overheerst de vrees voor ‘cowboys’ die er de kantjes aflopen. Die angst mag niet de norm bepalen. Slechte leerlingen mogen nooit het referentiepunt zijn. Flexibiliteit betekent namelijk geen vrijblijvendheid, wel verantwoordelijkheid opnemen. Vandaag hebben we te maken met een cultuur van angst en wantrouwen. Veiligheid krijgt zo’n grote nadruk dat voorzieningen alle mogelijke risico’s moeten uitsluiten. Incidenten leiden telkens tot dezelfde reflex: wie is de schuldige en dit mag nooit meer gebeuren. “De uitkomst is voorspelbaar: nieuwe regels, strengere controles. Dat verstikt de sector, in plaats van haar vooruit te helpen”, zegt Emme. “Wie inzet op kleinschaligheid of autonomie van bewoners, botst daardoor als snel op de grenzen van het systeem. De regels werken lijdend in plaats van ondersteunend en creëren een spanningsveld tussen vrijheid en veiligheid. Negatieve berichtgeving in de media en de huidige manier van inspecteren en rapporteren versterken dat spanningsveld nog verder.”

Moet de manier van controleren dan niet anders? “Absoluut. We moeten niet alleen toezicht anders organiseren, we moeten ook onze maatschappelijke reflex herzien. De balans tussen vrijheid en veiligheid is zoek. Zorg op mensenmaat vraagt vertrouwen, niet wantrouwen. Flexibiliteit betekent niet dat kwaliteit of handhaving verdwijnen. Het betekent ruimte om echt in te spelen op wat bewoners nodig hebben, om personeel duurzaam en werkbaar in te zetten en om te vertrouwen in de expertise en het inschattingsvermogen van voorzieningen. Regelgeving moet daarbij ondersteunen in plaats van belemmeren. Vertrouwen is volgens de VVSG de voorwaarde om dit voorstel te doen slagen. Het is de enige manier om zorg toekomstgericht, menselijk en betekenisvol te houden.”


200 nieuwe studenten voor opleiding basisverpleegkunde

ZoWe verpleegkunde in Brugge en Oostende mochten aan de start van het schooljaar 200 nieuwe studenten verwelkomen in de opleiding basisverpleegkunde. Het gaat zowel om jongeren, als om zij-instromers. Dat is een hoog aantal en een positief signaal voor de instroom en aantrekkingskracht van ons beroep.


De actiepunten voor een duurzame, toekomstgerichte gezondheidszorg

Waarom Towards a future-proof health system in Belgium[1] een rapport is waar je als verpleegkundige meer over moet weten? Omdat het tien concrete inzichten voor de toekomst van het gezondheidssysteem in ons land koppelt aan vierendertig aanbevelingen en verantwoordelijke actoren over de brede gezondheidszorg heen. Van zorgberoepen en patiënten tot beleidsmakers op alle niveaus. Ook NETWERK VERPLEEGKUNDE hielp mee aan het rapport. Professor Lieven Annemans, gezondheidseconoom aan de UGent, legt ons de belangrijkste principes uit.

Al in 2021 werd professor Lieven Annemans gecontacteerd door de London School of Economics. Zij wilden een doorlichting van de gezondheidszorg in verschillende landen, ook België. Dat resulteerde in een 2023 in een rapport[2] met tachtig aanbevelingen om onze gezondheidszorg duurzaam te maken op alle vlakken. “Toch bleven we met de vraag zitten: wie moet die aanbevelingen nu uitvoeren? Daarom brachten we een dertigtal Belgische stakeholders opnieuw samen rond de tafel voor een korter en concreter rapport”, vertelt Lieven Annemans. “Hoe maken we onze gezondheidszorg toekomstbestendig, kwalitatief, toegankelijk en financieel duurzaam? En vooral: wie doet wat?”

Het resultaat is Towards a future-proof health system in Belgium: tien strategieën gekoppeld aan vierendertig aanbevelingen gericht naar de federale, regionale en lokale overheden, de beroepsorganisaties, de ministers van Gezondheidszorg en van Onderwijs, de universiteiten, … “De oplossing voor onze gezondheidszorg is in de eerste plaats onze gezondheid. Dat is de eerste strategie, en misschien wel de belangrijkste. Er moet ingezet worden op gezondheidspromotie op gemeentelijk niveau, met een gezondheidsfunctionaris die concrete initiatieven opstart. De eerstelijnszones leveren goed werk, maar ze staan net niet dicht genoeg bij de burger. Daarnaast ligt er een rol bij de zorgprofessionals zelf. Zie je als thuisverpleegkundige dat iemand niet zo evenwichtig eet, dan kan je misschien aanraden om naar een infoavond over gezonde voeding te gaan in de gemeente. Als gezondheidszorg en gezondheidspromotie best practices delen, dan zetten we grote stappen vooruit. Verbetert de gezondheid, dan daalt de werkdruk in de ziekenhuizen en kunnen we in het geval van een opname de ligdagen beter financieren. Een concreet voorbeeld: twintig procent minder opnames gepaard aan vijftien procent meer financiële middelen per opname.”

De patiënt voorop

Een tweede strategie uit het rapport is het investeren in het vroegtijdig detecteren van ziektes via AI en nieuwe technologieën. Die innovatieve technologieën en geneesmiddelen komen ook terug in de negende pijler. De informatie daarover moet namelijk transparanter verlopen voor patiënten. Bij vroegtijdige detectie kan bovendien sneller ingegrepen worden en dat komt de gezondheid van patiënten ten goede. Bovendien kost dit ook minder aan de gezondheidszorg en aan de maatschappij. “Verpleegkundigen staan dicht bij de patiënt. Zij vangen signalen op die andere zorgprofessionals niet zien”, zegt professor Annemans. “Dat is een cruciale rol die ook terugkomt in de vierde pijler van het rapport: het sociale aspect. Vaak kan een slechte gezondheid gekoppeld worden aan sociaal-economische factoren. Als je deze problemen herkent, kan je gericht doorverwijzen. In Canada polsen ze tijdens een routineconsultatie van een arts of verpleegkundige via standaardvragen al naar de situatie van de zorgvrager. Zo kan je meteen ingrijpen en de juiste hulp aanbieden. Al begrijp ik dat de werkdruk dit niet altijd toelaat. Dit type screening zal als eerste wegvallen. Daarom stellen we voor om dit eventueel gedurende een bepaalde tijd te vergoeden. Op lange termijn verdient zich dat terug.”

En de derde strategie? Dat is die van geïntegreerde zorg, door de denkgroep achter het rapport concreet gemaakt met de aanbeveling om duidelijke stappenplannen voor zoveel mogelijk ziekten op te stellen. “We hoorden van patiëntenverenigingen dat het nog te vaak onduidelijk is voor patiënten wie wat wanneer doet. Daarom vormt dit de basis van de stappenplannen. Toch mag je dit niet te rigide opvatten. De plannen moeten flexibiliteit toelaten zodat je transdisciplinair kan samenwerken, met kennis en begrip van elkaars expertise. En misschien zelfs met taakdelegatie, zoals in de gestructureerde zorgteams voorzien is.”

Communicatie op het juiste niveau

Kwalitatieve zorg zit niet alleen in de zorgplannen, maar is ook een must bij de dagelijkse communicatie. Dat doe je als zorgprofessional op het niveau van de patiënt. “Geletterdheid en zelfzorg vinden we dan ook een logische vijfde pijler”, licht de gezondheidseconoom toe. “Daar hoort ook digitale geletterdheid bij. Apps kunnen levens redden, maar iedereen moet mee zijn. Ga er niet zomaar vanuit dat iemand al dan niet met een app kan werken en neem de tijd om het uit te leggen. Daar kan eventueel een rol weggelegd zijn voor vrijwilligers. In ons land zijn zo’n 39.000 mensen[3] vrijwillig actief in de gezondheidszorg, vooral op het niveau van patiëntenorganisaties en ngo’s. Leid deze mensen op om zorgvragers te informeren en hen te stimuleren tot zelfzorg en zelfmanagement. Want zelfzorg bereik je niet als patiënt alleen. Ga bijvoorbeeld naar infoavonden of laat je ondersteunen door familie, vrienden en informele zorgverleners. Dat noemen we CASMA (Community Assisted Self-Management): het individu is actief en bewust bezig met zelfmanagement, ondersteund door hun directe netwerk en gezondheidszorgsysteem dat dit positief aanmoedigt.”

In ziekenhuizen kan dit tot uiting komen door aan de patiënt te vragen of alles duidelijk is. Werk- en tijdsdruk maken dat hier niet altijd ruimte voor is en toch is het belangrijk. “Dat noemen we de penny wise, pound foolish-redenering. Besparen op kleine zaken die eigenlijk op lange termijn een groot effect hebben.” Daarnaast ziet professor Annemans hierin een belangrijke rol weggelegd voor het onderwijs. “De curricula van opleidingen moeten aangepast worden zodat je als zorgverlener leert mensen te ondersteunen in de zelfzorg. Zo blijft het niet bij een modewoord.”

Informatie delen

Het rapport haalt als zesde strategie de nood aan een gezondheidsinformatiesysteem aan. Alle informatie maar één keer uniform ingeven op één plaats, met een automatische update van het elektronische patiëntendossier. “Ook dat laat toe om zorgverleners en zorgvragers beter te informeren”, zegt professor Annemans. “Je zit hier met de vraagstukken rond toegang en privacy. Daar hebben we het in de werkgroep ook over gehad. Concreet kies je dan tussen een opt-out- of opt-insysteem. Of iedereen heeft toegang, behalve de zorgverleners die je als patiënt niet wil (opt-out), of de patiënt geeft aan elke zorgverlener individueel toestemming (opt-in).” Opt-out is te verkiezen want minder omslachtig. Is zo’n ideaal informatiesysteem geen utopie? “Enkele jaren geleden zou ik ‘ja’ geantwoord hebben. Maar het is minder utopisch dan we denken. De Belgian Integrated Health Record (BIHR) staat ver en stimuleert dit gezondheidsinformatiesysteem. Het is de olie die nodig is om de motor van een performante, eerlijke en duurzame gezondheidszorg te laten draaien.”

De zevende pijler nam de verloning van zorgverleners op de korrel. Daarbij werd vooral gefocust op vergoeding per prestatie van artsen. Dat laat een snellere dienstverlening toe, maar stimuleert geen gezondheidspromotie. “Daarom stellen we een systeem van episodische betalingen voor op basis van de behandelplannen. Of het ook werkt voor de thuisverpleegkunde, dat is een denkoefening en een rekening die elk zorgberoep zal moeten maken.”

Zorg voor onze zorgprofessionals

De achtste strategie is volgens professor Annemans te lang onderbelicht gebleven: het welzijn van onze zorgprofessionals. Dat gaat enerzijds om capaciteit. “We moeten identificeren waar de noden in het zorgsysteem zitten. Welke profielen hebben we nodig en hoe stimuleren we jongeren om voor de zorg te kiezen? Daar is een interministeriële conferentie voor nodig, met de federale en regionale ministers van gezondheidszorg en de regionale ministers van onderwijs.” Anderzijds is een belangrijke taak weggelegd voor de zorgorganisaties. Zij moeten een charter welzijn op het werk introduceren. Dat vraagt een investering, ook om dit goed op te volgen. Op lange termijn rendeert dit, want je goed in je vel voelen, uit zich in beter zorg. “We kijken voor het welzijn van onze zorgprofessionals ook naar nurse led care: de verpleegkundige als coördinator van zorg zoals dat vandaag tot uiting komt in de gestructureerde zorgteams. Dat is het ABC om je goed te voelen op de werkvloer: autonomie, betrokkenheid en samenwerking met collega’s, en je competent voelen in wat je doet.”

Hoe de denkgroep deze negen actiepunten wil laten slagen? Door het samenvattende tiende hoofdstuk: een transformatiebureau dat toekijkt op de concrete uitwerking en opvolging ervan. “Dat kan binnen de schoot van het RIZIV, bijvoorbeeld. Toch gaan we zelf ook naar de betrokken partijen stappen. Het rapport is concreet, logisch en breed opgevat, maar iedereen moet er zijn schouders onder zetten. Een futureproof gezondheidszorgsysteem is een productiemodel dat streeft naar mensen gezond houden, vroegdetectie, genezen en erger voorkomen, en naar ongeneeslijk zieke mensen te ondersteunen. Daarom houdt dit rapport maximaal rekening met de patiënt. Voor alle vierendertig aanbevelingen noteren we erbij dat de patiënt steeds geconsulteerd moet worden via patiënt experten of patiëntenvereniging. Ook zij spelen een belangrijke rol om onze gezondheidszorg duurzaam en toekomstgericht te organiseren. Niets over patiënten zonder patiënten.”

[1] Think tank on the future of healthcare” , gemodereerd door L. Annemans. https://www.ugent.be/ge/phpc/en/research/units/towards-future-proof-health-system-belgium

[2] Levy, M., & Annemans, L. (2023). Sustainability and Resilience in the Belgian Health System [PHSSR report]. Partnership for Health System Sustainability and Resilience. World Economic Forum. Beschikbaar via https://www3.weforum.org/docs/WEF_PHSSR_Belgium_2023.pdf

[3] Hustinx L et al. Het vrijwilligerswerk in België. Kerncijfers. Koning Boudewijn Stichting, 2015.


Emeritus professor Raoul Rottiers stopt als moderator van het Diabetessymposium

Em. prof. dr. Raoul Rottiers was endocrinoloog in het UZ Gent en is erevoorzitter van de Diabetes Liga. Daarnaast modereerde hij jarenlang trouw het Diabetessymposium samen met Marc Claeys, gewezen directeur onderzoek, dienstverlening en permanente vorming aan de Arteveldehogeschool. Vorig jaar was zijn laatste jaar als moderator van het symposium.

Toch hoeven de aanwezigen niet te treuren. Dokter Kristien Van Acker neemt zijn rol over. Ze is diabetologe, docente en stichtster van de eerste multidisciplinaire voetkliniek. Daarnaast staat ze gekend als grondlegster en voorzitster van Train-the-Foot-Trainer-projecten in binnen-, buiten- en ontwikkelingslanden. Bovendien publiceert ze rond Diabetes Foot en Chronic Disease Management en is ze voorzitster van de Workgroup on the diabetic Foot. De aangewezen persoon dus om het Diabetessymposium mee in goede banen te leiden.

Als beroepsorganisatie bedanken we em. prof. dr. Raoul Rottiers voor zijn jarenlange inzet als moderator van het Diabetessymposium. Hij bracht niet alleen kennis en expertise, maar ook warmte, enthousiasme en een persoonlijke toets om zo het symposium extra bijzonder te maken. Door zijn toewijding voelden sprekers en deelnemers zich altijd welkom en gehoord. Bedankt voor de mooie, inspirerende momenten.


Opstart werkgroep erkenning verpleegkundige structuur

De Federale Raad voor Verpleegkunde (FRV) zoekt kandidaten voor een werkgroep over de erkenning van de verpleegkundige structuur. Deze werkgroep maakt deel uit van de bredere adviesvraag rond deel drie van de erkenningen in cascade. NETWERK VERPLEEGKUNDE zal hiervoor de nodige leden afvaardigen.

De werkgroep zal in 2025 nog samenkomen om na te denken over de plaats in de ziekenhuisnormen van de basisverpleegkunde, gespecialiseerde verpleegkundige, de verpleegkundig specialist en de verpleegkundig klinisch onderzoeker. Zo wordt bekeken om de basisverpleegkundige op te nemen binnen de verpleegkundige permanentie.

Daarnaast wordt ook gekeken naar de vorige adviezen van de Federale raad voor Ziekenhuisvoorzieningen (FRZV) over de erkenningen in cascade. Die adviezen stellen namelijk dat de hoofdverpleegkundige geen verpleegkundige meer zou moeten zijn. Onder welke voorwaarden kan dit volgens de FRV? Op welke diensten en zorgafdelingen? De bijkomende vragen worden gesteld om te bepalen welke opleiding nodig is voor leidinggevende verpleegkundige functies, maar ook wat de nieuwe regels kunnen zijn voor de aanstelling van deze functies en hoe verpleegkundigen daarbij betrokken kunnen worden. Tot slot buigt de werkgroep zich over een herdefiniëring van de taken van elk niveau binnen de verpleegkundige diensten.


Verpleegkundige algemeen directeur AZ Sint-Blasius

Sinds begin augustus is Peter Van Puyvelde waarnemend algemeen directeur in het AZ Sint-Blasius Dendermonde. Hij werkt er al 19 jaar, onder meer als beleidsmedewerker en diensthoofd verpleegkunde en daarna als directeur van het verpleegkundig en paramedisch departement.


Taskforce gaat aan de slag met administratieve vereenvoudiging

Op vraag van minister van Volksgezondheid Frank Vandenbroucke start in september een taskforce voor administratieve vereenvoudiging. Via de AUVB vaardigt ook NETWERK VERPLEEGKUNDE een verpleegkundige af om met de nodige expertise en ervaring in de praktijk mee aan tafel te zitten. De taskforce moet concrete pistes identificeren en voorstellen formuleren om de administratieve werkdruk voor verpleegkundigen te verminderen.