Primeur: eerste vacatures voor basisverpleegkundigen
De eerste vacatures voor basisverpleegkundigen verschijnen op de arbeidsmarkt – onder andere binnen het operatiekwartier. Dat is opmerkelijk, want het gaat om een gloednieuw profiel. De eerste lichting basisverpleegkundigen studeert dit academiejaar af.
De eerste vacatures demonstreren hoe zorginstellingen het nieuwe profiel concreet invullen binnen het wettelijk bevoegdheidskader. Basisverpleegkundigen nemen logistieke en ondersteunende taken op in het OK, begeleiden patiënten voor en na een ingreep en voeren gedelegeerde verpleegkundige handelingen uit volgens standaardprocedures of voorschrift. Het takenpakket is duidelijk afgebakend: voorbehouden handelingen voor bachelorverpleegkundigen blijven behouden binnen hun wettelijk kader.
De opkomst van deze eerste vacatures markeert een belangrijke stap in de implementatie van het nieuwe beroepsprofiel in het werkveld. De komende maanden zal duidelijk worden hoe zorgorganisaties dit profiel verder integreren in hun teams.
Voorwaarde bachelordiploma voor referentiepersoon palliatieve zorg geschrapt
De Vlaamse Regering keurde in mei 2025 een wijziging goed in de regelgeving rond de financiering van woonzorgcentra. Eén van de aanpassingen betreft de voorwaarden voor de referentiepersoon palliatieve zorg.
Tot nu toe moest de verantwoordelijke voor de palliatieve functie in het woonzorgcentrum beschikken over een bachelordiploma. Die diplomavoorwaarde wordt geschrapt. Voortaan kunnen ook andere medewerkers – zoals gegradueerde verpleegkundigen of zorgkundigen – deze verantwoordelijkheid opnemen. De specifieke opleidingsvereiste inzake vroegtijdige zorgplanning, palliatieve zorg en levenseindezorg blijft wel behouden. Het gaat hier niet om de zorgverlener die palliatieve zorg uitvoert, maar om de persoon die binnen het woonzorgcentrum verantwoordelijk is voor de palliatieve functie.
Psychiatrisch verpleegkundigen in Vlaanderen: op het kruispunt van zorg en samenleving
De geestelijke gezondheidszorg is volop in beweging. De organisatie van zorg verschuift, opleidingen veranderen, nieuwe wetgeving hertekent rollen en verantwoordelijkheden. Tegelijk stijgt de vraag naar mentale ondersteuning in de samenleving. In dat veranderende landschap werkt een grote groep verpleegkundigen dagelijks in psychiatrische ziekenhuizen, mobiele teams, beschut wonen en PAAZ-diensten. Maar wie zijn zij precies? Hoe groot is hun aandeel? Wat typeert hun expertise? En hoe toekomstbestendig is hun opleiding en positionering? De werkgroep Geestelijke Gezondheidszorg van NETWERK VERPLEEGKUNDE dook in de pen en werkte een lijvige nota uit.
De aanleiding voor de nota[1] lag in een combinatie van veranderingen en vragen. De hervorming van de verpleegkundige opleidingen betekende het einde van de specifieke GGZ-afstudeerrichtingen in de basisopleiding. Nieuwe wetgeving rond verpleegkunde trad in werking. En in het federale regeerakkoord verscheen een passage over de opwaardering van de psychiatrisch verpleegkundige. Tegelijk klonk, ook vanuit kabinetten, een opvallende vraag: wie zijn die psychiatrisch verpleegkundigen eigenlijk, hoeveel zijn het er en wat doen ze vandaag concreet?
Binnen de werkgroep GGZ van NETWERK VERPLEEGKUNDE werd duidelijk dat er geen helder, gebundeld overzicht bestond. “We merkten dat er veel over ons gesproken werd, maar dat we zelf geen duidelijke stand van zaken op papier hadden”, zegt Kris Vaneerdewegh, expert verpleegkunde in OPZC Rekem en lid van de werkgroep GGZ. Tijdens verschillende bijeenkomsten brachten de leden hun inzichten samen. Directieleden deelden cijfers, anderen reflecteerden over rol en opleiding. Vaneerdewegh nam de redactie op zich en verwerkte de input tot een eerste samenhangende tekst.
Een eerste stap: weten over wie we spreken
Een van de eerste vragen die de werkgroep zich stelde, bleek meteen ook de moeilijkste: hoeveel psychiatrisch verpleegkundigen zijn er vandaag eigenlijk in Vlaanderen? “Dat was verrassend genoeg niet eenvoudig te beantwoorden”, zegt Kris. “We hebben geen volledig en sluitend overzicht. Er bestaan verschillende registratiesystemen, maar nergens vonden we een duidelijke, up-to-date telling van wie effectief in de geestelijke gezondheidszorg werkt.”
In KCE-rapport 318 uit 2019[2] wordt voor België gesproken over 125,69 psychiatrisch verpleegkundigen per 100.000 inwoners. Omgerekend naar België komt dat neer op ongeveer 15.000 verpleegkundigen. Maar ook dat cijfer vraagt voorzichtigheid. Niet iedereen die in de GGZ werkt, heeft de opleiding psychiatrisch verpleegkundige gevolgd. En omgekeerd werken niet alle verpleegkundigen met zo’n diploma vandaag nog in de GGZ. “Het blijft dus een benadering. Maar je hebt wel een orde van grootte nodig. De macht van het getal speelt mee. Als je wil spreken over je positie in het zorglandschap, moet je eerst weten over wie je het hebt.”
Omdat er geen volledig Vlaams overzicht bestaat, koos de werkgroep voor een pragmatische aanpak. Twaalf organisaties uit verschillende provincies deelden hun personeelscijfers. Het ging om psychiatrische ziekenhuizen, psychiatrische verzorgingstehuizen, PAAZ-diensten en initiatieven beschut wonen. Samen vertegenwoordigt deze steekproef ongeveer een kwart van de residentiële capaciteit in Vlaanderen. Binnen die organisaties werken 1.816 verpleegkundigen: 916 bachelors en 900 HBO5-verpleegkundigen. Geëxtrapoleerd naar Vlaams niveau gaat het om ongeveer 9.019 verpleegkundigen voor 17.900 bedden en plaatsen. “Onze cijfers zijn niet perfect”, benadrukt Kris. “Het gaat om personen, niet om voltijdsequivalenten. En het blijft een extrapolatie. Maar het geeft wel een beeld.”
Wat daarbij vooral opvalt, is dat verpleegkundigen de grootste beroepsgroep vormen binnen de onderzochte voorzieningen. In dezelfde steekproef werden 299 psychologen geteld, wat geëxtrapoleerd neerkomt op ongeveer 1.227 psychologen in Vlaanderen. Dat betekent gemiddeld één psycholoog per 14,59 verpleegkundigen. “In gesprekken merkten we dat er niet altijd een duidelijk beeld is van wie waar aanwezig is. Deze cijfers helpen om dat beeld te verfijnen. Ze tonen dat verpleegkundigen in veel settings de grootste groep directe zorgverleners zijn.”
Ook in de mobiele teams is dat beeld herkenbaar. Van de 208 medewerkers (artsen niet meegerekend) zijn er 132 verpleegkundigen, goed voor 63 procent van het team. Een bevestiging dat verpleegkundigen ook de overstap naar mobiele en ambulante zorg mee hebben gedragen. Volgens de federale planningscommissie[3] telt Vlaanderen 112.638 verpleegkundigen tussen 20 en 65 jaar. Als de veronderstellingen kloppen, werkt ongeveer 8 procent van hen in de geestelijke gezondheidszorg. Kris: “Dat is geen kleine niche meer. Dat is een substantiële groep binnen de verpleegkunde.”
De relatie als kern van het beroep
Wanneer het gesprek in de werkgroep verschuift van cijfers naar inhoud, komt al snel één woord bovendrijven: relatie. “Wat ons typeert, kan je niet omschrijven in technische handelingen”, aldus Kris “Het zit in hoe we werken. In de geestelijke gezondheidszorg is de interpersoonlijke relatie het fundament van de zorg. GGZ-verpleegkundigen zijn in residentiële settings 24 uur per dag aanwezig. Ze delen de leefomgeving van mensen in crisis, in herstel, in twijfel, in terugval. Ze zien wat anderen niet altijd zien: hoe iemand reageert op een gesprek, op een groepsmoment, op een nacht zonder slaap.”
Dat maakt hun rol fundamenteel anders georganiseerd dan bijvoorbeeld een consultfunctie. Ze observeren continu, interpreteren gedrag in de context en toetsen hun inschattingen in het team. Ze sturen bij waar nodig. Dat proces herhaalt zich dag na dag. Het vraagt klinisch redeneren, maar ook zelfreflectie. “Je eigen persoon is je belangrijkste werkinstrument. Hoe je spreekt, hoe je aanwezig bent, hoe je grenzen stelt: dat heeft allemaal therapeutische impact.”
De nota verwijst daarbij naar internationale literatuur. Organisaties zoals WHO[4] en OECD[5] benadrukken dat verpleegkundigen wereldwijd de grootste beroepsgroep in de gezondheidszorg vormen en essentieel zijn voor toegankelijkheid en kwaliteit van zorg. In de GGZ vertaalt zich dat in continuïteit: verpleegkundigen zijn vaak het meest constante aanspreekpunt in het zorgtraject van mensen met een psychische kwetsbaarheid.
Ook onderzoek ondersteunt die stelling. De recent ontwikkelde Mental Health Nurse-Sensitive Patient Outcome-Scale (MH-NURSE-POS[6]) brengt 21 uitkomstindicatoren in kaart, verdeeld over vier domeinen: groei, expressie, controle en motivatie. Het instrument maakt zichtbaar wat in de praktijk al lang wordt ervaren: verpleegkundig handelen in de GGZ heeft meetbare impact, niet alleen op veiligheid of stabiliteit, maar ook op herstel en autonomie. “Het gaat over meer dan toezicht of medicatiebeheer”, benadrukt Kris. “Het gaat over mee vormgeven aan herstel.”
Een opleiding in transitie
Net op dat punt raakt de nota een gevoelige snaar. Want terwijl de praktijk vraagt om specifieke expertise, is de opleiding grondig veranderd. Tot voor kort konden studenten kiezen voor een afstudeerrichting psychiatrische verpleegkunde, zowel in de HBO5 als in de bacheloropleiding. Die trajecten boden een duidelijke inhoudelijke focus op geestelijke gezondheidszorg. Met de hervorming naar de opleiding basisverpleegkundige en de vierjarige bachelor verdween die specifieke afstudeerrichting. Vanaf februari 2026 studeren er geen verpleegkundigen meer af met een expliciete GGZ-afstudeerrichting in de basisopleiding.
De onderliggende gedachte is algemene inzetbaarheid. Elke verpleegkundige moet in principe in elke setting kunnen starten. De verdere specialisatie verschuift naar postgraduaten of masteropleidingen. Die trajecten zijn waardevol, maar verschillen sterk in inhoud en omvang. Bovendien volgen veel verpleegkundigen ze naast een voltijdse job. “Algemene inzetbaarheid is een begrijpelijke keuze, versta me niet verkeerd”, zegt Kris. “Maar we moeten ons afvragen hoe we de diepgang in gespecialiseerde settings blijven garanderen.”
Volgens de werkgroep is een grondige evaluatie van de vierjarige opleiding nodig. Terugkeren naar het verleden, dan? Dat niet, vindt Kris: “We moeten bekijken hoe geestelijke gezondheidszorg voldoende stevig verankerd blijft in de curricula. Vandaag verschillen de accenten tussen hogescholen sterk. Dat maakt het moeilijk om te spreken van een uniform startprofiel voor verpleegkundigen in de GGZ.
Verandering biedt ook ruimte
De nota blijft evenwel niet steken in bezorgdheid. De recente wijzigingen in de wetgeving rond verpleegkunde bieden ook kansen. Door de verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg (VVAZ) in te voeren en te werken met gestructureerde zorgteams verduidelijkt de rolverdeling binnen teams. Daarnaast ziet de werkgroep mogelijkheden om de expertise van GGZ-verpleegkundigen breder in te zetten. Denk aan consultrollen naar andere sectoren, zoals woonzorgcentra of de eerste lijn, waar psychische kwetsbaarheid steeds vaker voorkomt. Of aan het uitbouwen van nurse-led initiatieven en preventieve opdrachten op vindplaatsen van mentale problemen. Al vraagt dat een aangepast kader.
Het huidige financieringssysteem blijft sterk gekoppeld aan bedden en verblijf. Intussen evolueert de geestelijke gezondheidszorg naar meer ambulante, geïntegreerde en netwerkgerichte zorg. “Als de praktijk verandert, moet de financiering volgen”, oppert Kris.
Nood aan breder gesprek
Een ander punt dat in de nota wordt aangeraakt, is de formele positionering. Vandaag bestaat er geen aparte erkenning van de psychiatrisch verpleegkundige als GGZ-beroep. Ook is er geen vertegenwoordiging in de Federale Raad voor Geestelijke Gezondheidszorg. In een sector die sterk inzet op interdisciplinariteit is dat geen detail. Het roept vragen op over wie mee aan tafel zit wanneer het beleid voor de geestelijke gezondheidszorg wordt uitgetekend.
Toch is de insteek van de werkgroep vooral uitnodigend. De nota wil een onderbouwde basis leggen voor dialoog. Met beleidsmakers. Met onderwijsinstellingen. Met andere disciplines. En met de eigen beroepsgroep. In 2026 vindt in Mechelen het internationale Horatio-congres plaats, met als thema Rooted. Resilient. Ready. Die drie woorden vatten ook de ambitie samen die uit het gesprek met Kris naar voren komt: geworteld in een sterke relationele traditie, veerkrachtig in een veranderend zorglandschap en klaar om verantwoordelijkheid op te nemen voor de toekomst.
“Het zou jammer zijn dat de psychiatrische verpleegkundige uit beeld verdwijnt”, zegt hij. “We zijn er. We zijn met velen. En we dragen dagelijks mee de geestelijke gezondheidszorg. Met deze nota zetten we een duidelijke eerste stap in een gedeeld gesprek over de toekomst van de geestelijke gezondheidszorg.”
[1] NETWERK VERPLEEGKUNDE. Werkgroep Geestelijke Gezondheidszorg (2025). Visienota Geestelijke Gezondheidszorg: psychiatrisch verpleegkundigen in Vlaanderen. Intern document.
[2] Mistiaen Patriek, Cornelis Justien, Detollenaere Jens, Devriese Stephan, Ricour Céline. Organisatie van geestelijke gezondheidszorg voor volwassenen in België. Health Services Research (HSR). Brussel. Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE). 2019. KCE Reports 218A.
[3] FOD volksgezondheid. Jaarstatistieken met betrekking tot de beoefenaars van gezondheidszorgberoepen in België – 2024. HWF_STATAN_2024.xls
[4] World Health Organization. (2020). State of the world’s nursing 2020: Investing in education, jobs and leadership. WHO. https://www.who.int/publications/i/item/9789240003279
[5] Organisation for Economic Co-operation and Development. (2023). Health at a glance 2023: OECD indicators. OECD Publishing. https://doi.org/10.1787/7a1fca30-en
[6] The development and psychometric evaluation of the Mental Health Nurse-Sensitive Patient Outcome-Scale (MH-NURSE-POS) for inpatient psychiatric hospital settings. Karel Desmet (UGent), Veerle Duprez (UGent), Eddy Deproost (UGent), Dimitri Beeckman (UGent), Peter Goossens (UGent), Ann Van Hecke (UGent) and Sofie Verhaeghe (UGent). (2021) INTERNATIONAL JOURNAL OF MENTAL HEALTH NURSING. 30(4). p.988-1000
Vlaanderen richt medische reserve-eenheid op voor crisissituaties
De Vlaamse overheid maakt middelen vrij voor de oprichting van een medische reserve-eenheid die bij crisissituaties snel extra zorgcapaciteit kan inzetten. Het team zal in eerste instantie bestaan uit tachtig verpleegkundigen en twintig artsen die zich vrijwillig engageren. Op termijn kan dat aantal worden uitgebreid tot ongeveer driehonderd vrijwilligers.
De eenheid wordt ingezet bij uiteenlopende noodsituaties, zoals natuur- en milieurampen, geopolitieke incidenten of grootschalige uitbraken van infectieziekten. De vrijwilligers kunnen onder meer ondersteuning bieden bij vaccinatiecampagnes, bron- en contactonderzoek of bij het garanderen van de continuïteit van zorg.
Voor de opstart maakt Vlaams minister van Welzijn Caroline Gennez 250.000 euro vrij. De coördinatie komt in handen van Rode Kruis-Vlaanderen, dat ook instaat voor opleiding en jaarlijkse simulatieoefeningen van de leden van de reserve-eenheid. Het initiatief moet ertoe leiden dat Vlaanderen bij crisissen sneller over extra medische expertise en capaciteit beschikt.
CLARITY-project krijgt AUVB-financiering
De Algemene Unie der Verpleegkundigen van België (AUVB) geeft financiële steun aan het onderzoeksproject CLARITY. Het project staat onder leiding van Arnaud Bruyneel, Dan Lecocq en Filip Haegdorens en onderzoekt hoe complex verpleegkundige zorg is in verschillende zorgomgevingen, zoals ziekenhuizen, woonzorgcentra en thuiszorg.
CLARITY vertrekt van het idee dat zorgcomplexiteit meer is dan alleen medische zorg. Ook de situatie van de patiënt, de organisatie van de zorg, psychosociale factoren en onzekerheid spelen een rol. Het onderzoek combineert literatuuronderzoek, gesprekken met verpleegkundigen en experts, een Delphi-studie en een proefproject in meerdere zorginstellingen. Het project moet een eerste meetinstrument, een praktische gids en aanbevelingen voor de AUVB over teambezetting, verpleegkundige autonomie en continuïteit van zorg opleveren. Het onderzoek loopt 18 maanden en heeft een budget van 46.200 euro.
Registratie verpleegkundig specialist gestart
Sinds 1 januari 2026 kunnen verpleegkundig specialisten een INAMI-nummer aanvragen met een specifiek IPA-attribuut. Dit betekent een belangrijke stap in de formele erkenning en positionering van de verpleegkundig specialist.
Tot nu toe zijn vooral Nederlandstalige IPA’s geregistreerd. De federale overheid vraagt daarom om deze informatie ook actief te verspreiden bij Franstalige verpleegkundig specialisten, zodat zij zich tijdig bekendmaken bij het INAMI. Deze registratie is essentieel voor de verdere uitbouw en zichtbaarheid van de rol van de verpleegkundig specialist binnen het zorglandschap.
HORATIO 2026: ben jij al ingeschreven?
Op 28 en 29 mei 2026 vindt in Mechelen het internationale GGZ-congres HORATIO Belgium 2026 plaats. De werkgroep Geestelijke Gezondheidszorg van NETWERK VERPLEEGKUNDE is mee inhoudelijk partner, samen met Thomas More Mechelen. Het congres staat in het teken van Rooted. Resilient. Ready. en brengt GGZ-verpleegkundigen en ervaringsdeskundigen uit heel Europa samen rond de fundamenten van geestelijke gezondheidszorg.
Goed om nog even te herhalen: leden van NETWERK VERPLEEGKUNDE genieten van een gereduceerd inschrijvingstarief. Meer info over programma en sprekers vind je hier.
Zorgkundigen in een veranderend zorglandschap
Hoewel het aantal zorgkundigen in België licht blijft toenemen, verschuift hun inzet over de sectoren nauwelijks. Dat blijkt uit de opeenvolgende rapporten Zorgkundigen op de arbeidsmarkt (2021–2023). Tegelijk voelen zorgkundigen, onderwijsactoren en verpleegkundigen op de werkvloer wel spanning: over rolafbakening, opleiding, stagekansen en toekomstperspectief. Wat zeggen de cijfers echt? En vooral: wat betekenen ze voor zorgteams en de zorg van morgen?
Uit de meest recente cijfers van 2023 blijkt dat 76.479 zorgkundigen effectief actief zijn in de zorg. Dat is een lichte stijging tegenover 2021. Hun inzet situeert zich in hoofdzaak in woonzorgcentra (58 procent), die veruit de grootste werkgever blijven. Opvallend is wel dat woonzorgcentra tussen 2021 en 2023 als enige sector geen groei laten zien, maar zelfs een lichte daling in het aantal zorgkundigen, terwijl de zorgnood er groot blijft. Ziekenhuizen nemen een beperkter maar licht stijgend aandeel in (16 procent), en hun aanwezigheid in de thuisverpleegkunde blijft structureel klein (3 procent). Ongeveer een kwart van de zorgkundigen is aan de slag in andere zorg- en welzijnscontexten, zoals gezinszorg, voorzieningen voor personen met een handicap en centra voor geestelijke gezondheidszorg. Van alle actieve zorgkundigen is ongeveer 75 procent actief binnen verpleegkundige teams. Logisch, want zorgkundigen vervullen een erkende verpleegkundige functie en vormen een onmisbare schakel voor duurzame, kwalitatieve zorg.
“De cijfers tonen waar we werken, niet wat we doen”
Ann Van Coile, zorgkundige in het AZ Oostende en Sandra Domen, zorgkundige van opleiding en al vijftien jaar actief in het onderwijs, zijn beiden lid van BEFEZO en kennen de cijfers. Toch plaatsen ze er meteen een nuance bij. “De cijfers tonen aan waar we werken, niet wat we doen”, steekt Ann van wal. Dat verschil tussen registratie en realiteit is ook zichtbaar in bredere beleidsrapporten¹. “Op papier lijkt alles stabiel, maar dat zegt weinig over hoe onze job vandaag wordt ingevuld. In woonzorgcentra nemen zorgkundigen regelmatig logistieke taken op, vaak omdat die profielen verdwenen zijn door onder andere budgetkeuzes. Dat maakt dat je minder toekomt aan wat echt zorgkundig werk is.” Sandra herkent dat beeld: “Zorgkundigen zijn opgeleid voor zorg, observatie, rapportage en nabijheid bij bewoners en patiënten, maar worden in sommige settings ingezet als ‘vangnet’ voor alles wat moet blijven draaien.”
Ziekenhuizen: lichte groei, grote terughoudendheid
Volgens de cijfers stijgt het aandeel zorgkundigen in ziekenhuizen licht: van vijftien procent in 2021 naar zestien procent in 2023. Een kleine beweging, maar wel een positieve. Toch blijft de inzet van zorgkundigen in ziekenhuizen ongelijk. “Er zijn ziekenhuizen waar zorgkundigen een vaste plaats hebben in het team, maar evengoed ziekenhuizen waar ze nauwelijks nog worden aangeworven”, zegt Sandra. “Dat heeft weinig met onwil te maken, maar met onzekerheid: hoe zetten we zorgkundigen in? Hoe verhouden ze zich tot de nieuwe basisverpleegkundigen? En hoe organiseer je deze samenwerking op de werkvloer? Wat zeker is: ze zijn een onmisbare schakel binnen de gestructureerde zorgteams.”
Die terughoudendheid wordt versterkt door een gebrek aan stage-ervaring. “Veel leerlingen zorgkunde krijgen tijdens hun opleiding geen ziekenhuisstage”, vervolgt Sandra. “Dan kunnen ze zelf niet inschatten of een acute setting bij hen past, en kunnen ziekenhuizen dat ook niet beoordelen.”
Opleiding onder druk
Zowel Ann als Sandra leggen een duidelijke link met de hervorming van het secundair onderwijs. “Vandaag is de opleiding tot zorgkundige sterk geconcentreerd in het zevende jaar”, legt Sandra uit. “Zorgcompetenties die vroeger gespreid over meerdere jaren werden opgebouwd, moeten nu in één jaar worden aangeleerd. Tegelijk haken veel leerlingen al af na het zesde jaar. Zij verlaten het onderwijs na het zesde jaar met Beroepskwalificaties (BK) van huishoudhulp en logistiek assistent in de zorg, maar dus zonder de zorgkundige opleiding volledig te hebben afgerond. Daardoor zijn ze onvoldoende voorbereid op de realiteit van de zorg.”
Binnen het onderwijs ligt de focus doorheen alle graden van het secundair onderwijs bovendien vaak op huishoudelijke competenties zoals linnen wassen, koken, schoonmaken ,… en te weinig op kerntaken die zorgkundigen dagelijks uitvoeren binnen de meeste sectoren. Op het werkveld worden zorgkundigen vooral ingezet voor zorghandelingen en toevertrouwde verpleegkundige handelingen, een vraag die in de toekomst alleen maar zal toenemen, zeker met de vergrijzing.
Sandra wijst ook op de beperkte stage-ervaring. “Leerlingen moeten hun beroepskwalificatie behalen met slechts acht weken stage. Dat is onvoldoende om zorgcompetenties degelijk op te bouwen of om een realistisch beeld te krijgen van de job.”
Afstemming tussen opleiding en praktijk
Ann herkent die bezorgdheid. “Niet elke afgestudeerde zorgkundige is automatisch geschikt voor een ziekenhuissetting, en dat is oké. Maar vandaag hebben we te weinig instrumenten om dat vooraf goed te beoordelen. Meer en beter afgestemde stages zouden daar echt een verschil maken. Ook ziekenhuizen en thuisverplegingsdiensten zouden stageplaatsen moeten aanbieden aan zorgkundigen.” Daarnaast heeft ze kennisgenomen van enkele problematische situaties die op de werkvloer ontstaan. “Zesdejaars worden tijdens vakanties soms aangenomen onder een logistiek statuut, maar draaien volop mee in de zorg. Dat is niet veilig en niet correct. Het toont hoe onduidelijk het nog is wat we precies verwachten van zorgkundigen.”
Volgens Sandra raakt dit aan een fundamentele kernvraag: “We leiden mensen op voor een gezondheidszorgberoep, maar bereiden hen onvoldoende voor om effectief binnen de hieraan verbonden verwachtingen van de gezondheidszorg te functioneren. Zorgkundigen vormen een cruciale schakel in de ondersteuning van verpleegkundigen, maar krijgen te weinig kansen om net die competenties te ontwikkelen. Die spanning moeten we durven benoemen. Als opleiding en werkveld niet beter op elkaar afgestemd zijn, verliezen we toekomstige collega’s onderweg. Nochtans zijn die broodnodig.”
Tot slot benadrukt ze het belang van levenslang leren. Zorgkundigen moeten daarin, net als verpleegkundigen, kansen krijgen. Die mogelijkheid is voorzien binnen de regelgeving, maar in de praktijk krijgen ze daar niet altijd de ruimte voor.
Thuiszorg en welzijn: onderbenut potentieel
Opvallend in de cijfers is ook dat het aandeel zorgkundigen in de thuisverpleegkunde al jaren rond drie procent blijft hangen, ondanks de groeiende aandacht voor zorg aan huis. “Onbekend is onbemind”, zegt Ann. “Veel zorgkundigen weten gewoon niet dat er kansen liggen in de thuiszorg, of krijgen er tijdens hun opleiding geen stage.”
Daartegenover staat een gestage groei in de brede cluster maatschappij en gezondheid, die in 2023 goed is voor vijfentwintig procent van de tewerkstelling. “Werkbaarheid speelt hier zeker mee”, zegt Sandra. “Regelmatigere uren en minder nacht- of weekendwerk maken deze sectoren aantrekkelijk, zeker voor wie zorg wil combineren met een gezin.”
Ook verloning speelt een rol. De IFIC-inschaling van zorgkundigen wordt in alle sectoren waar zij tewerkgesteld zijn al langer als onvoldoende ervaren. In 2024 vond een herweging van de functie plaats, maar zonder bijkomende middelen om die herwaardering ook effectief door te vertalen naar hogere lonen. “Er is al jaren sprake van een herwaardering van de loonschalen”, zegt Ann. “Die is inhoudelijk erkend, maar zolang ze financieel niet wordt gedragen, blijft dat een knelpunt.”
Die spanning vertaalt zich ook in de cijfers. Uit het PlanKad-rapport blijkt dat in 2023 ongeveer 137.000 mensen over een visum als zorgkundige beschikten, terwijl slechts 65 procent effectief aan het werk was. Nog minder, zo’n 56 procent, oefende de functie ook daadwerkelijk uit binnen de gezondheidszorg. Dat wijst op een aanzienlijk onbenut potentieel. In combinatie met een hoge werkdruk en toenemende verantwoordelijkheden weegt dit op de aantrekkelijkheid van de functie en versterkt het een vicieuze cirkel. “We leiden zorgkundigen op en erkennen hun competenties, maar slagen er onvoldoende in om hen duurzaam aan boord te houden”, zegt Sandra. “Zolang opleiding, begeleiding en verloning niet in evenwicht zijn met wat we van hen verwachten, is het logisch dat zorgkundigen kiezen voor werkomgevingen met meer voorspelbare arbeidsvoorwaarden.”
Wat betekent dit voor verpleegkundigen?
Voor verpleegkundigen raken deze evoluties aan de kern van hun dagelijkse praktijk. “Als zorgkundigen oneigenlijke taken opnemen, schuift verpleegkundig werk opnieuw richting administratie en organisatie”, zegt Ann. “Dat is niet wat taak- en functiedifferentiatie zou moeten betekenen.” Ann en Sandra pleiten daarom voor heldere keuzes. “Zorgkundigen, verpleegkundigen en andere ondersteunende profielen hebben elk hun eigen expertise”, besluit Sandra. “Als we die duidelijk afbakenen en versterken via opleiding, stage en begeleiding, winnen zowel de patiënten als het team.”
De cijfers tonen stabiliteit, het werkveld voelt beweging. Die spanning hoeft geen probleem te zijn, zolang ze leidt tot dialoog en bijsturing. Meer en beter afgestemde stages, een herwaardering van de opleiding en duidelijke keuzes over de rol en inzet van zorgkundigen helpen deze beroepsgroep haar plaats te blijven opnemen in een zorgsysteem dat onder druk staat. Tegelijk groeit de erkenning: zorgkundigen ervaren vandaag meer waardering binnen alle verpleegkundige functies en in alle sectoren. Als BEFEZO wil men die samenwerking met verpleegkundigen verder verdiepen, in het belang van kwaliteitsvolle zorg en sterke teams.
Raadpleeg hier het volledige rapport ‘zorgkundigen op de arbeidsmarkt 2023’.
[1] FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu (2026). Blikvanger Gezondheidszorg. Brussel. D/2026/2196/5.
Aanbevelingen vanuit het onderwijs en werkveld
- Maak een duidelijke beleidskeuze over de rol van de zorgkundige binnen gezondheidszorg en welzijn.
- Herbekijk opleiding en stageopbouw, met voldoende blootstelling aan verschillende zorgcontexten, inclusief ziekenhuizen en thuisverpleging.
- Investeer in begeleiding en mentorschap op de werkvloer, zodat werkgevers geen individueel risico nemen bij aanwerving.
- Veranker taak- en functiedifferentiatie in de praktijk, met voldoende logistieke en administratieve ondersteuning.
- Verbind wetgeving aan realiteit, zodat ADL-hervormingen en taakdelegatie gedragen en werkbaar worden.
Hernieuwing mandaten FRZV in voorbereiding
De mandaten binnen de Federale Raad voor Ziekenhuisvoorzieningen (FRZV) worden vernieuwd. Begin 2026 werd de officiële oproep tot kandidaatstelling gelanceerd. De betrokken beroepsorganisaties bevestigen momenteel hun kandidaten en rollen (effectief of plaatsvervangend), met aandacht voor een evenwichtige Nederlandstalige en Franstalige vertegenwoordiging.
De nieuwe samenstelling van de FRZV wordt later dit jaar verwacht. Er wordt bovendien onderzocht of het aantal mandaten in de toekomst kan worden uitgebreid.
Van ‘horrorstages’ naar sterk stageklimaat
In het najaar van 2025 verschenen opnieuw berichten over zogenaamde ‘horrorstages’ in de zorg. Studenten zouden afhaken door negatieve stage-ervaringen en het beroep daardoor de rug toekeren. Die koppen raken een gevoelige snaar, maar ze vertellen niet het hele verhaal. “Zulke berichten focussen op individuele stages, terwijl de daling van jonge verpleegkundigen breder verklaard moet worden”, zegt Veerle Schoeters, stafmedewerker Zorg bij het Wit-Gele Kruis Antwerpenlid van de werkgroep Begeleidingsverpleegkundigen en de raad van bestuur van NETWERK VERPLEEGKUNDE. “Bovendien zijn er heel wat sterke praktijkvoorbeelden. Die zijn misschien minder nieuwswaardig, maar wel cruciaal voor de toekomst van ons beroep.”
Van ‘uitbuiting in de zorg’ tot ‘studenten getuigen over horrorstages’: het zijn koppen die eind vorig jaar de media haalden en het stageklimaat opnieuw in een negatief daglicht zetten. Maar wie het debat eerlijk wil voeren, moet ook naar de bredere context kijken. De zorgvraag stijgt, terwijl een groot deel van het zorgpersoneel richting pensioen gaat. Vlaanderen kampt bovendien met een omgekeerde bevolkingspiramide[1]. “Voor elke honderd medewerkers die uitstromen, komen er de komende jaren maar tachtig in de plaats”, stelt Margot Cloet, directeur van Zorgnet-Icuro. “Er zijn simpelweg minder jonge mensen beschikbaar die de stap naar een zorgopleiding kunnen zetten. Die structurele druk voel je ook op de stagevloer, bij mentoren en bij studenten.”
Die realiteit maakt van stages meer dan een verplicht opleidingsonderdeel. In de beleidsnota ‘De eerste stappen tellen. Beleid voor een sterke stage en start in de zorg.’ benadrukt Zorgnet-Icuro dat stagiairs en starters een cruciale rol spelen in de toekomstige personeelsbezetting van de zorg. Stages worden daarin expliciet gezien als een hefboom voor duurzame instroom en behoud, in een context van aanhoudende personeelsschaarste.
Zijn er dan geen slechte stages? “Jammer genoeg wel”, erkent Veerle Schoeters, stafmedewerker zorg bij het Wit-Gele Kruis. “Maar die negatieve verhalen raken slechts een klein deel van de realiteit. In Vlaanderen bestaan talloze stageplekken waar studenten groeien in klinisch redeneren, verantwoordelijkheid en samenwerking. Net die voorbeelden tonen waar het verschil zit: in begeleiding, in een veilig leerklimaat en in duidelijke afspraken tussen onderwijs en werkveld.” Vanuit die overtuiging schoof de sector in 2025 een structureel antwoord naar voren: het stagecharter voor zorg en welzijn.
Stages als fundament van professionele groei
Stages spelen een bepalende rol in de ontwikkeling van studenten verpleegkunde. Ze leren er klinisch redeneren, omgaan met verantwoordelijkheid en zich positioneren binnen een multidisciplinair team. Een stage die uitdaagt, is daarom niet per definitie een negatieve stage-ervaring. Het verschil zit in de begeleiding en in de ruimte die studenten krijgen om te groeien.
“Studenten die zich welkom en gezien voelen, bouwen sneller vertrouwen op. Dat is rechtstreeks gelinkt aan hun paraatheid bij afstuderen”, zegt Veerle Schoeters. In haar lopend doctoraatsonderzoek aan de Universiteit Antwerpen, samen met Janne Vanuytrecht, onderzocht ze hoe professionele identiteit samenhangt met de overgang naar het werkveld. “We zien dat studenten met een sterkere professionele identiteit zich beter voorbereid voelen om te starten als verpleegkundige. Die relatie wordt bovendien versterkt wanneer studenten voldoende zelfvertrouwen ontwikkelen in hun klinische besluitvorming.”
Stages zijn dan ook veel meer dan een checklist van technische handelingen. Ze dragen bij aan de vorming van een professioneel kompas: een combinatie van kennis, vaardigheden, waarden en ethische overtuigingen die eigen is aan het verpleegkundige beroep. “Wanneer studenten tijdens hun stage kansen krijgen om te oefenen, beslissingen te nemen en daarover in dialoog te gaan, vergroot hun paraatheid voor het werkveld.”
Ook een ‘moeilijke stage’ kan in dat licht leerrijk zijn. Ze helpt studenten ontdekken welke zorgcontext bij hen past, of net niet. De zorgsector biedt namelijk een brede waaier aan mogelijkheden, van sterk technisch georiënteerde functies tot rollen met een uitgesproken zorgrelationele of beleidsmatige focus. “Het is aan ons om talent aan boord te houden, de juiste ‘fit’ te zoeken met een werkplek en studenten de ruimte te geven om verder te groeien en te professionaliseren. Dat vraagt tijd, inzicht en goede begeleiding.”
Die link tussen stage-ervaring en latere loopbaan wordt ook vanuit beleidsperspectief steeds duidelijker. In de adviesnota benadrukt Zorgnet-Icuro dat kwaliteitsvolle stages de kans vergroten dat verpleegkundigen zich duurzaam aan de sector verbinden. “De manier waarop studenten zich tijdens hun stage omkaderd voelen, bepaalt mee of ze op de lange termijn in de zorg blijven werken”, aldus Margot Cloet. “Investeren in stages is dus tegelijk investeren in instroom en behoud.”
Een sterker stagebeleid
Waar de publieke discussie vaak blijft hangen in individuele incidenten, zag het werkveld vooral een aanleiding om stages structureel te versterken. Dat resulteerde in de zomer van 2025 in het stagecharter voor zorg en welzijn: een sectorbreed kader met duidelijke engagementen rond voorbereiding, onthaal, feedback en leerveiligheid. Professioneel begeleiderschap vormt daarin een expliciete kernvoorwaarde.
Het charter maakt ook de rolverdeling binnen stagebegeleiding duidelijker. Begeleidingsverpleegkundigen bewaken het leerklimaat op organisatieniveau, stemmen leerdoelen af en vormen de brug tussen onderwijs en praktijk. “Die functie bestaat al jaren, maar wordt vandaag vaak opgenomen boven op de reguliere taken”, zegt Veerle Schoeters. “Met bijkomende financiering kunnen zorgorganisaties die rol structureel verankeren.”
Volgens Zorgnet-Icuro is dat structurele kader allesbehalve een overbodige luxe. “Goede begeleiding vraagt tijd, en die tijd moet je organiseren”, benadrukt Margot Cloet. “Dat betekent investeren in omkadering, administratieve ondersteuning en hulpmiddelen die mentoren en begeleiders toelaten zich te focussen op wat echt telt.” In de beleidsnota wordt daarom gepleit voor gerichte investeringen om begeleiding haalbaar en duurzaam te maken.
Dat pleidooi blijft niet zonder weerklank. “Rond mentorschap, begeleiding en instroom voelen we duidelijke erkenning”, vervolgt Margot. “Die thema’s liggen vandaag op tafel en worden ernstig genomen.” De aanbevelingen uit de nota maken intussen deel uit van lopende gesprekken, onder meer in het kader van het sociaal overleg. “Het engagement zal ook van zorgorganisaties moeten komen, maar zonder beleidsmatige ondersteuning in tijd en middelen blijft kwaliteitsvolle begeleiding moeilijk vol te houden.”
Een gedeelde verantwoordelijkheid
Hoewel gespecialiseerde rollen zoals begeleidingsverpleegkundigen en mentoren onmisbaar zijn, staat of valt het leerklimaat waarin studenten en starters terechtkomen met de inzet van het hele team. Studenten lopen mee met verschillende verpleegkundigen, waardoor elke collega bijdraagt aan de kwaliteit van de stage.
“Eigenlijk moeten we van alle verpleegkundigen verwachten dat ze studenten ontvangen zoals ze zouden hopen dat iemand met hun eigen kinderen omgaat op stage”, vindt Veerle Schoeters. “We hebben het allemaal druk, de zorgvraag is groot en personeel is schaars. Maar een stage is ook het ideale moment om nieuwe, gekwalificeerde en gemotiveerde collega’s aan te trekken. Als verpleegkundige heb je daarin mee de sleutel in handen.”
Respectvolle communicatie, ruimte om vragen te stellen en tijd voor feedback vormen het fundament van professionele socialisatie. Die houding sluit nauw aan bij de principes van het stagecharter, waarin respect, vertrouwen, openheid en samenwerking centraal staan. “Elke verpleegkundige is een rolmodel, of die dat nu beseft of niet.”
Kansen voor studenten en teams
Leerrijke stages zijn ten slotte niet alleen waardevol voor studenten. Ook teams en organisaties leren eruit. Het stagecharter vertrekt expliciet van dat wederkerige uitgangspunt: een stageplek is tegelijk een leerplek voor professionals. De vragen en feedback van studenten helpen om routines, werkculturen en zorgprocessen kritisch te bekijken en waar nodig bij te sturen. Veerle: “Studenten brengen frisse inzichten mee. We moeten kritische studenten dus niet de mond snoeren, maar hun ideeën omarmen.”
Zorgnet-Icuro trekt in haar nota die lijn door naar de startfase na afstuderen. Ze beschrijft stages en onboarding als één doorlopend traject, waarin goede begeleiding vanaf de eerste werkdag het verschil kan maken voor werktevredenheid, retentie en duurzame inzetbaarheid.
De conclusie? Ja, er zijn uitdagingen op het vlak van stages in de zorg. Maar talloze praktijkvoorbeelden tonen dat warme begeleiding, duidelijke structuur en toegankelijk mentorschap het verschil maken. “We moeten studenten de best mogelijke start geven, en dat kan alleen door samen verantwoordelijkheid te nemen”, besluit Veerle. “In Vlaanderen zijn er veel teams die daarin uitblinken. Het is tijd dat die goede voorbeelden eens het voorpaginanieuws worden.”
[1] bron: https://statbel.fgov.be/nl/themas/bevolking/bevolkingsvooruitzichten#panel-14_17 oktober 2025
Lees meer
Lees hier meer over het stagecharter in (gezondheids)zorg en welzijn.
De volledige nota ‘De eerste stappen tellen Beleid voor een sterke stage & start in de zorg.’ van Zorgnet-Icuro lees je hier.




