Een open blik op obesitas bij mensen met diabetes

Overgewicht en obesitas zijn bekend als duidelijke risicofactoren om diabetes type 2 te krijgen. Nu de bevolking steeds zwaarder wordt, is meer aandacht voor de rol van gewicht bij diabetes geboden. Prof. dr. Roman Vangoitsenhoven van het UZ Leuven. “Overgewicht en obesitas zijn aandoeningen die we ook op die manier moeten behandelen: met de best mogelijke zorg.”

De relatie tussen overgewicht of obesitas en diabetes is complex. Het klopt dat het risico op diabetes type 2 stijgt bij mensen met overgewicht of obesitas. “Bij mensen met overgewicht of obesitas worden het vetweefsel en de lever ongevoelig voor de eigen aangemaakte insuline”, legt prof. dr. Roman Vangoitsenhoven uit. “Dat noemen we insulineresistentie. Er moet dus steeds meer insuline aangemaakt worden door het lichaam om voldoende controle op de bloedsuikerspiegel te hebben, waardoor de alvleesklier uitgeput raakt. Dat is de basis om type 2-diabetes te ontwikkelen.”

De relatie tussen overgewicht en de ontwikkeling van insulineresistentie lijkt rechtlijnig, maar dat is het niet noodzakelijk. “Volgens het koolhydraat-insulinemodel[1] is het mogelijks zelfs omgekeerd: mensen die veel koolhydraten eten, moeten veel insuline aanmaken, waardoor ze gemakkelijker vet opslaan. Dat werkt natuurlijk overgewicht in de hand. Waarschijnlijk zijn beide modellen relevant, en kunnen ze elkaar ook versterken.”

Overgewicht of obesitas bij type 1-diabetes

Overgewicht of obesitas zijn niet de enige oorzaken voor type 2-diabetes en eveneens kan iemand te zwaar zijn zonder ooit diabetes te ontwikkelen. Heel wat factoren, zoals erfelijkheid, omgeving en medicatie spelen hierbij een rol. Toch is gewicht een belangrijk aandachtspunt. Volgens cijfers van de Wereldgezondheidsorganisatie heeft 60 procent van de Europese volwassenen en 33 procent van de kinderen en jongeren overgewicht of obesitas. In België heeft ongeveer de helft van de volwassenen overgewicht. “Mensen met type 1-diabetes, die dezelfde gewichtsverdeling volgen als de rest van de bevolking, kunnen ook overgewicht of obesitas krijgen”, zegt prof. dr. Vangoitsenhoven. “Als ze daardoor insulineresistentie ontwikkelen, is er sprake van een soort dubbele diabetes. Door type 1-diabetes maken ze al te weinig insuline aan en daar komt de resistentie nog eens bovenop. Als we allemaal zwaarder blijven worden, zal dit steeds vaker voorkomen.”

“In de behandeling van mensen met type 1-diabetes, moeten we ook inzetten op maatregelen die belangrijk zijn om het gewicht te controleren: een gezond dieet en voldoende bewegen. Medicatie kan ook helpen, maar bepaalde medicatie die beschikbaar is voor mensen met diabetes type 2 mogen we niet gebruiken voor diabetes type 1. Dat is volgens mij discriminerend en een belangrijk probleem dat ook in toekomst nog moeilijkheden zal stellen. Als ultieme stap in de behandeling overwegen we bariatrische chirurgie, maar daar zijn we erg voorzichtig mee.”

Diagnose omkeren door gewichtsverlies

De diagnose diabetes type 2 hoeft geen vonnis voor het leven te zijn. In het Verenigd Koninkrijk werd in 2014-2018 een studie uitgevoerd bij mensen die minder dan 6 jaar diabetes type 2 hadden. Na één jaar op een streng caloriearm dieet en levensstijlprogramma, was diabetes weer verdwenen bij ongeveer de helft van de deelnemers, en kon de diabetes- en bloeddrukmedicatie gestopt blijven.[2] Prof. dr. Vangoitsenhoven: “Wanneer insulineweerstand zich begint op te bouwen, is het mogelijk de ontwikkeling om te keren door vijf procent van je lichaamsgewicht te verliezen. Die eerste kilo’s zijn ontzettend belangrijk.” Voldoende bewegen en gevarieerde, zelfbereide maaltijden maken daarbij het verschil. “In verwerkte of bewerkte voeding zitten heel wat enkelvoudige suikers en ongezonde vetten”, verklaart prof. dr. Vangoitsenhoven. “Voorverpakte maaltijden bevatten vaak extra suiker, vet of zout om ze op een goedkope manier extra smakelijk te maken en om de smaak van bewaarmiddelen te maskeren. Het grote voordeel van zelf koken, is dat je weet wat erin zit. Diabetes maakt gewicht verliezen wel extra moeilijk, omdat je lichaam zich hiertegen verzet. Met medicamenteuze ondersteuning kunnen mensen tien tot vijftien procent lichaamsgewicht verliezen, maar goede gewoontes zijn onontbeerlijk. Het jojo-effect moeten we koste wat het kost vermijden.”

Positieve, wetenschappelijke en zorgende houding

Niet enkel te veel of slechte voeding zijn oorzaken van overgewicht of obesitas. Ook endocrinologische, psychische of genetische aandoeningen of medicatie kunnen leiden tot gewichtstoename waar de persoon zelf heel weinig aan kan doen. “Zeker middelen zoals cortisone of antipsychotica verhogen het risico op overgewicht en type 2-diabetes”, vertelt prof. dr. Vangoitsenhoven. “Dit kan voor de patiënt erg frustrerend zijn, omdat ze zelf weinig invloed hebben op de oorzaak, maar wel mee verantwoordelijk zijn voor de behandeling. Dan werken we samen om tenminste de suiker goed onder controle te houden en de gewichtstoename te beperken.”

Volgens prof. dr. Vangoitsenhoven is het noodzakelijk om overgewicht of obesitas ernstig te nemen als een aandoening met comorbiditeiten, waarbij nood is aan goede zorg en goede medicatie. “Als zorgverlener ga je steeds op zoek naar de beste manier om mensen te helpen”, stelt hij. Verpleegkundigen kunnen hierbij een waardevolle, ondersteunende rol spelen, zeker in de thuisverpleging. “Merk je bijvoorbeeld dat er veel voorverpakte voeding geconsumeerd wordt van lage kwaliteit? Durf er iets van te zeggen, ook al is het niet altijd gemakkelijk. Bij twijfel, is het goed om te verwijzen naar een diëtist, de huisarts of een obesitaskliniek. Benader de persoon steeds met een open blik. Mensen met obesitas zijn vaak echte dieetexperten, die heel goed weten wat kan en wat niet. Zij hebben meestal al een lange weg afgelegd die zeker niet gemakkelijk was. Ten slotte moet je als verpleegkundige ook goed voor jezelf zorgen. Door mijn ervaring in verschillende ziekenhuizen weet ik dat er vaak heel wat verleidingen aanwezig zijn op de werkvloer: koekjes, pralines van een dankbare patiënt, … Verwen jezelf met een lekkere, verse maaltijd voor of na de shift. Het komt je gezondheid ten goede.”

[2] Lean, M. E., Leslie, W. S., Barnes, A. C., Brosnahan, N., Thom, G., McCombie, L., Peters, C., Zhyzhneuskaya, S., Al-Mrabeh, A., Hollingsworth, K. G., Rodrigues, A. M., Rehackova, L., Adamson, A. J., Sniehotta, F. F., Mathers, J. C., Ross, H. M., McIlvenna, Y., Stefanetti, R., Trenell, M., Welsh, P., … Taylor, R. (2018). Primary care-led weight management for remission of type 2 diabetes (DiRECT): an open-label, cluster-randomised trial. Lancet (London, England), 391(10120), 541–551. https://doi.org/10.1016/S0140-6736(17)33102-1

Wie is prof. Dr. Roman Vangoitsenhoven?

  • behaalde zijn doctoraat met het proefschrift “De rol van dieet tijdens de ontwikkeling en behandeling van type 2-diabetes”
  • specialiseerde als endocrinoloog aan de KU Leuven
  • spendeerde een jaar aan de Cleveland Clinic, Ohio, voor bijkomend onderzoek
  • is sindsdien 2020 werkzaam op de dienst endocrinologie in UZ Leuven
  • toont zowel in zijn klinische praktijk als onderzoek een bijzondere interesse voor obesitas en diabetes

BMI en buikomtrek

BMI is een eenvoudige en toegankelijke manier om weer te geven of je een gezond gewicht hebt. Zeker bij een BMI boven de 30 is de berekening accuraat, volgens prof. dr. Vangoitsenhoven.

BMI = gewicht (kg) / lichaamslengte2 (m)
BMI < 18,5 Ondergewicht
BMI 18,5-25 Gezond gewicht
BMI 25-30 Overgewicht
BMI > 30 Obesitas

Bron: Diabetes Liga

Toch kan er wel wat afwijking optreden bij BMI. Denk maar aan een bodybuilder waarbij de spiermassa het gewicht bepaalt. Bovendien blijkt uit studies dat Aziaten meer last ondervinden bij een BMI van 27 dan andere etniciteiten. Om het volledige beeld te krijgen, raden experten aan om ook de buikomtrek te bekijken. Veel (visceraal) vet ter hoogte van de buik wijst op een hoger gezondheidsrisico en meer kans op hart- en vaatziekten, een hoge cholesterol en hoge bloeddruk.

Buikomtrek
Verhoogd gezondheidsrisico Vrouwen 80-88 cm
Mannen 94-102 cm
Sterk verhoog gezondheidsrisico Vrouwen > 88 cm
Mannen > 102 cm

Bron: Diabetes Liga

Overgewicht en obesitas in België
Gemiddeld BMI volwassenen 25,5
Volwassen bevolking met overgewicht 49,3 %
Volwassen bevolking met obesitas 15,9 %
Percentage jongeren (2-17 jaar) met overgewicht 19 %
Percentage jongeren (2-17 jaar) met obesitas 5,8 %

Bron: Gezondheidsenquête 2018 Sciensano


Bijblijven met slimme insulinepomptherapie

Insulinepompen zijn al tientallen jaren gekend als doeltreffend en gebruiksvriendelijk alternatief voor insuline-inspuitingen. Pomptherapie biedt tal van praktische en klinische voordelen. Al lijkt nog niet iedereen met diabetes overtuigd, prof. dr. Pieter Gillard ziet de toekomst van de insulinepomp positief: “Ik voorspel dat over twee jaar de meerderheid van de personen met diabetes in ons centrum een pomp gebruikt.”

Een insulinepomp is een uitwendig apparaat dat continu insuline afgeeft via een katheter die in het onderhuids weefsel wordt geplaatst. Het toestel wordt geprogrammeerd door het diabetesteam om over 24 uur insuline toe te dienen op basis van een individueel schema. De persoon met diabetes dient enkel zelf een bolus insuline toe bij de maaltijd, of wanneer de bloedglucosewaarden te hoog zijn. In het omgekeerde geval, wanneer de persoon verwacht dat de suikerwaarden zouden kunnen dalen, bijvoorbeeld tijdens het sporten of bij warme temperaturen, kan je tijdelijk minder of zelfs geen insuline laten toedienen. Allemaal via een eenvoudige handeling op de pomp.

Het grootste voordeel is dat de insulinepomp op die manier heel wat flexibiliteit biedt aan de gebruiker. Daarnaast vermijd je injecties en kan je kleinere volumes insuline toedienen, waardoor het bloedsuikergehalte veel fijner af te regelen valt. Uit studies blijkt dat mensen met een insulinepomp gemiddeld een betere suikercontrole hebben, minder (vaak) hypoglycemie ervaren en dat hun levenskwaliteit daardoor toeneemt. De pomp wordt vooral toegepast bij diabetes type 1, bij diabetes type 2 wordt die niet terugbetaald.

Aandachtspunten bij pomptherapie

De insulinepen is vandaag nog steeds de meest gangbare therapievorm bij diabetes, ook al biedt die minder flexibiliteit in het aanpassen van de insulinedosis dan een pomp. “We merken dat sommige mensen nog wat drempelvrees voelen, wat ik ergens ook begrijp”, vertelt prof. dr. Pieter Gillard, endocrinoloog in UZ Leuven. “De pomp hangt 24/7 aan je lichaam vast met een katheder. Het is extern, dus zichtbaar, en sommigen zijn ongerust dat ze ermee zullen blijven haperen.” Bij de overstap naar insulinepomptherapie is het dus zeker even wennen aan de nieuwe manier van insuline toedienen. “De opstart is een intensieve periode die gepaard gaat met voldoende educatie, zodat de pomp continu goed en veilig functioneert. We spenderen dan heel wat uren samen met de persoon met diabetes en bekijken kathederzorg, zorg van de injectieplaats, herkennen van waarschuwingssignalen door de pomp, … De rol van de diabeteseducator is hier cruciaal.”

Net zoals de continue werking van de pomp. Als de pomp stopt met insuline geven, is er namelijk geen insuline meer in het lichaam van de persoon met diabetes. Dat is anders dan bij een insulinepen, waarmee je insuline inspuit die 24 uur werkt. Als een pomp stopt met werken of losgekoppeld wordt, geraakt de persoon met diabetes sneller in een absoluut insulinetekort. Dat leidt binnen enkele uren tot een verzuringstoestand waarbij ketonen in het bloed terecht komen.

Slimme pompen verlagen de drempel

In België gebruikt zo’n 20 procent van de mensen met type 1-diabetes een insulinepomp. Kinderen gebruiken iets vaker een pomp: tot 35 procent. Het UZ Leuven raadt personen met diabetes de pomp zeker aan. “In ons diabetescentrum gebruikt 40 procent al een pomp”, vertelt dr. Gillard. “Ik voorspel dat dat over één à twee jaar meer dan de helft zal zijn. Insulinepompen zijn geenszins meer een nieuwe techniek, maar de evoluties en verbeteringen die de technologie ondergaat, gaan razendsnel. Slimme pompen en patchpompen maken de overstap voor veel mensen heel wat interessanter.”

Gedeeltelijk autonome pompen slagen er tegenwoordig in om suikerwaardes accuraat te meten en om op basis van algoritmes insuline toe te dienen. “Steeds meer mensen zetten de stap door de zogenoemde slimme pompen die de taak volledig of gedeeltelijk overnemen. De autonome systemen slagen erin hypo’s en ernstige hypers te vermijden. Dat de persoon met diabetes zelf veel minder moet doen aan de pomp, maakt de voordelen des te groter. Momenteel heeft meer dan 70 procent van onze pompgebruikers een slimme pomp. Als iemand vandaag wil beginnen met insulinepomptherapie, zullen we bijna altijd een slimme pomp aanbieden. De niet-autonome pompen, die we ook wel eens oneerbieding domme pompen noemen, starten we tegenwoordig niet meer op.”

Voor mensen die nog wat weerstand voelen bij een pomp met katheder is er de patchpomp. Die plakt op de huid. Angst om het toestel te verliezen of om ergens te blijven haperen is dan niet meer nodig. “De patchpompen zijn momenteel nog van de klasse niet-autonome pompen”, weet dr. Gillard. “In de Verenigde Staten staat de ontwikkeling van autonome patchpompen wel al verder. Het is een kwestie van tijd voor die ook naar Europa komen. Ik denk dat veel mensen de stap zullen durven zetten zodra de slimme kleefpompen hier beschikbaar zijn.”

Aanspreekpunt voor verpleegkundigen

Na de opstart zijn mensen met diabetes in staat volledig zelf het toestel te bedienen. Gebruikers van een pomp hoeven ook niet frequenter opgevolgd te worden dan anderen. “In principe is geen verpleegkundige tussenkomst nodig bij het gebruik van de pomp. Natuurlijk verandert de zaak wanneer personen met diabetes zorgbehoevend worden. Denk aan situaties in de thuisverpleging of in woonzorgcentra. Dan kunnen verpleegkundigen wel eens ingeschakeld worden bij de praktische handelingen om de pomp te laten draaien, bijvoorbeeld door het regelmatig verplaatsen van de katheder. Verpleegkundigen moeten goed weten dat zo’n insulinepomp continu moet werken. Als je bijvoorbeeld merkt dat de pomp niet meer aan het lichaam hangt, is dat een acuut moment.”

Nu de populariteit van (slimme) insulinepompen toeneemt en de levensverwachting toeneemt door de verbeterde zorg, zullen verpleegkundigen in alle settings vaker in contact komen met de insulinepomp. Volgens de professor is het dus belangrijk om dus tenminste een notie te hebben van hoe het werkt. “Diabetesconventiecentra die pompen opstarten zijn trouwens verplicht om de klok rond permanentie te hebben. De diabeteseducatoren staan paraat om mensen met diabetes te helpen, maar ook om alle mogelijke vragen van verpleegkundigen te beantwoorden. De evolutie van de technologie gaat zo snel dat alle verpleegkundigen dit onmogelijk volledig kunnen bijbenen met opleidingen. Dan is een goede samenwerking tussen verpleegkundigen uit de eerste lijn en diabeteseducatoren cruciaal.”

Wie is Pieter Gillard?

Prof. dr. Pieter Gillard is verbonden aan UZ Leuven als endocrinoloog. Hij specialiseert in type 1-diabetes en vertoont een bijzondere interesse voor nieuwe technologieën.


Jongeren met diabetes hebben nood aan een veilige haven

Patient empowerment is bij mensen met een chronische aandoening essentieel om hen voldoende te betrekken in hun eigen zorg en gemotiveerd te houden. Voor jongeren met diabetes komt daar nog een extra dimensie bovenop: leren omgaan met een chronische ziekte in volle mentale en lichamelijke ontwikkeling. Inspelen op die context is noodzakelijk om vooruitgang te boeken met deze personen, vindt zelfstandig diabetescoach Geert De Backer.

Jongeren met diabetes hebben voornamelijk diabetes type 1. Bij hen is de ziekte onomkeerbaar en dus is de impact op hun leven des te ingrijpender. “Mensen met beginnend diabetes type 2 hebben in het prediabetesstadium nog een kans het tij te keren door hun levensstijl aan te passen (gezonde voeding, voldoende beweging, stress vermijden). Voor iemand met type 1-diabetes is dat niet zo”, legt Geert De Backer uit. Tot twee jaar terug was hij diabeteseducator in de diabetesconventie in het UZ Gent. Vandaag is Geert aan de slag als zelfstandig diabetescoach en gastdocent aan onder andere HOGENT. “Je kan als persoon met diabetes geen vakantie of break nemen van je ziekte. Diabetes is er altijd en overal, 24 op 7. Voor jongeren die volop in hun puberteit zitten, op zoek zijn naar zichzelf en in volle ontwikkeling zijn, is dat een bijzonder zwaar verdict. Hen op een positieve manier betrekken in hun traject is daarom essentieel.”

Verbinden en graag zien

Hoe ga je om met mensen met diabetes? Hoe bereik je hen? Hoe maak je verbinding? Volgens Geert zijn dat de kernvragen voor elke zorgverlener die met diabetes in contact komt: “Je moet je patiënt graag willen zien. Dat neemt niet weg dat je niet kritisch mag zijn over wat die persoon doet, maar richt je feedback op de acties en niet op de persoon zelf. Bewaak tegelijk ook je eigen grenzen. Het is niet verkeerd om aan te geven wat jij niet acceptabel vindt.” Als diabetesverpleegkundige is het belangrijk een veilige haven te creëren voor iemand met diabetes. Open communicatie en non-verbaal gedrag dragen hiertoe bij. “Zeker bij jongeren, die erg kwetsbaar zijn, is dit zo belangrijk. Als ze zich niet veilig voelen, nemen ze je niet in vertrouwen en is de kans groot dat ze zaken verdoezelen. Of komen ze gewoon niet meer langs. Dat is een gemiste kans. Durf daarom zeker ook over andere zaken te praten dan alleen hun ziekte, zoals hun vriendenkring, de school, sport en hobby’s. Zo creëer je betrokkenheid.”

Focus op het positieve

Te veel aandacht geven aan wat niet goed gaat, is nefast volgens De Backer. “Een kinder- of adolescentenbrein kan niet om met negatieve feedback. Hou opmerkingen daarom zo feitelijk mogelijk en focus op wat wel goed loopt. Dat creëert groeikansen voor het kind of de jongere. Als iets gelukt is, bespreek waarom het lukte en hoe je die aanpak in de toekomst kan herhalen. Probeer ook niet te veel in één keer te bereiken. Het is beter om kleine stappen vooruit te zetten, dan een te groot doel te definiëren en er niet te geraken. Betrek de jongeren in het bepalen van dat doel, maar durf hen hierin uit te dagen als je denkt dat het onrealistisch is. Beter verschillende kleine succeservaringen dan één grote mislukking.”

Inzetten op empowerment en zelfmotivatie maken bij jongeren dus het verschil. Maar wat als het dan toch misloopt? “Mislukken hoort erbij. Blijf geloven in de persoon en blijf focussen op het positieve. Bespreek samen wat nodig is om die ene stap toch te kunnen zetten. Misschien helpt een sms’je van de diabeteseducator om de jongere aan iets te herinneren? Of kunnen vrienden en familie dit te doen? Ook de taal die je gebruikt, beïnvloedt de motivatie van de jongere. Spreek niet over ‘slechte’ waarden, maar over ‘hoge’ waarden. Vel geen oordeel. Wil je als zorgverlener hier beter mee leren omgaan, dan is je verdiepen in gemotiveerde gespreksvoering en oplossingsgerichte coaching een aanrader. Om empowerment aan te leren aan jongeren is coaching door de diabeteseducator namelijk broodnodig.”

Gouden tip voor een geslaagd diabetesconsult

Tijdens een educatieconsult ligt de focus vaak op de technische aspecten van de zorg, zoals de waarden van een patiënt. Aan het einde van de sessie blijkt er soms te weinig tijd om nog in te gaan op concrete vragen van de jongere. Daarom geeft Geert graag deze tip mee: “Start een consult daarom met de vraag wat de jongere zeker wil bespreken. Dat kan iets technisch zijn, zoals hoe bepaalde materialen werken, maar ook iets totaal anders. Bijvoorbeeld: ‘Thuis is weinig gezonde voeding voor handen, hoe ga ik hier mee om?’ of ‘Volgende week ga ik op scoutskamp, hoe houd ik daar mijn diabetes onder controle?’ Hierdoor blijf je in verbinding met de jongere en garandeer je dat het gesprek wel degelijk zinvol was voor die persoon.”


Proactieve, multidisciplinaire aanpak voor chronische aandoening

Chronische aandoeningen, zoals diabetes, vergen een andere benadering dan acute aandoeningen. Een proactieve aanpak gericht op de lange termijn is noodzakelijk. Hiervoor worden de principes van chronic disease management gebruikt. Dit concept werd initieel in de Verenigde Staten ontwikkeld door gezondheidsverzekeraars. Deze aanpak is tot op zekere hoogte ingeburgerd in België, maar is zeker nog voor verbetering vatbaar.

Bij acute zorg ligt de nadruk op het reactieve: een patiënt heeft namelijk een onmiddellijke urgentie. Diabetes is een chronische aandoening waarvoor een andere benadering nodig is. Mensen met diabetes hebben een langetermijnbegeleiding nodig, waarin ze zelf een belangrijke verantwoordelijkheid moeten opnemen, geholpen door verschillende zorgverleners. Hierbij is het belangrijk complicaties op tijd te detecteren en zo veel mogelijk te vermijden. De ziekte brengt veel verschillende facetten van zorg samen. Vroegtijdige detectie, multidisciplinaire ondersteuning door huisarts, diëtist, verpleegkundige, oftalmoloog en zo nodig endocrinoloog, podoloog, cardioloog, psycholoog, …, een gestructureerde opvolging met duidelijke taakafspraken en educatie en empowerment van de patiënt zijn essentieel.

“Om de aandoening op lange termijn onder controle te houden is een goede organisatie nodig. Zo kwam chronic disease management in beeld. Dit concept werd in 1998 in de Verenigde Staten ontwikkeld, onder andere door dr. Wagner en streeft naar het verstrekken van een geïntegreerd zorgpakket doorheen het hele ziekteproces. Zijn chronic care model wil de dagelijkse zorg proactief en gepland maken, en tegelijk de kwaliteit garanderen aan een beheersbare kost, voor een welomschreven patiëntenpopulatie”, legt endocrinoloog prof. dr. Frank Nobels uit. Hij is diensthoofd endocrinologie-diabetologie in het OLV Ziekenhuis Aalst-Asse-Ninove.

Kaiser Permanente piramide

Welke vorm van chronic disease management nodig is, hangt af van het stadium van een aandoening en kan onderverdeeld worden volgens de principes van de Kaiser Permanente-piramide. “Deze piramide deelt de bevolking onder in verschillende categorieën. Bij diabetes zien we de volgende onderverdeling: 1) de algemene bevolking die geen diabetes heeft en die je preventief informeert, 2) de groep met prediabetes, die een hoog risico heeft om de volgende jaren diabetes te ontwikkelen en die levensstijlmaatregelen moeten nemen, 3) de groep met type 2-diabetes die de eerste jaren van hun aandoening door de eerstelijnszorg begeleid worden, 4) de mensen met type 2-diabetes waarbij de behandeling complexer wordt en gedeelde eerstelijns-specialistische zorg nodig is, en 5) de complexe patiënten die gespecialiseerde zorg nodig hebben”, verduidelijkt prof. dr. Nobels.

“In België zijn mensen met diabetes opgedeeld in het pretraject, het zorgtraject en de diabetesconventies. In het pretraject – de eerstelijnszorg – staan levensstijlcoaching en perorale medicatie centraal en staat de huisarts aan het roer. In het zorgtraject – de middenmoot van de piramide – is nog steeds het team rond de huisarts de drijvende kracht, maar helpt de specialist-endocrinoloog de grote lijnen uit te zetten. Mensen in deze groep hebben het al moeilijker om de aandoening onder controle te houden. Achter de schermen coachen de specialisten de zorgverleners uit de eerste lijn, zoals huisartsen en diabeteseducatoren. We spreken van een shared care-aanpak. Dit wordt in België heel goed ondersteund via het diabetes-zorgtraject. Hierin wordt een unieke wisselwerking tussen eerste en tweede lijn gestimuleerd waarbij alle actoren van elkaar leren en nauw samenwerken. Bij mensen die onder de diabetesconventies vallen – de top van de piramide – is specifiek case management nodig. Denk aan mensen met type 1-diabetes die zeer gespecialiseerde zorg nodig hebben of mensen met type 2-diabetes met veel comorbiditeit die ingewikkelde insulinebehandelingen nodig hebben.”

Pretraject op de rails krijgen

Prof. dr. Frank Nobels: “De diabetesconventies zijn al sinds eind de jaren ’80 operationeel en het zorgtraject sinds 2009. Beide functioneren goed. Het pretraject is een ander paar mouwen. De initiële doelgroep werd te eng gedefinieerd uit vrees voor te hoge kosten. Daardoor vallen heel wat mensen met diabetes uit de boot en is er te weinig educatie bij hen. Bovendien werd er geen ‘reclame’ gemaakt voor deze eerstelijnsaanpak en het ontbrak de huisartsen aan voldoende ondersteuning. Je kan dan als huisarts wel educatie of groepseducatie voorschrijven, maar als dit niet georganiseerd wordt in de regio waarin je actief bent, dan kan je weinig beginnen. Het RIZIV richtte recent een denkgroep op om dit pretraject nieuw leven in te blazen. Het is afwachten wat daaruit voortkomt. Eén ding is zeker: door in te zetten op het pretraject verminder je gezondheidsproblemen op de lange termijn en dus ook de kost die hiermee gepaard gaat.”

Wie is prof. dr. Frank Nobels?

  • studeerde geneeskunde aan de universiteit van Antwerpen
  • specialiseerde in inwendige geneeskunde, endocrinologie-diabetologie aan de universiteit van Antwerpen (1991), aan het Centre hospitalière Universitaire Lille (Frankrijk, 1991) en aan het Universitair Medisch Centrum Rotterdam (Nederland, 1992)
  • behaalde een PHD aan de Erasmus Universiteit (1999)
  • is diensthoofd voor de afdeling endocrinologie-diabetologie aan het OLV Ziekenhuis Aast, Asse, Ninove
  • is gastprofessor klinische en experimentele endocrinologie aan de KU Leuven

Rol van de verpleegkundige in multidisciplinaire diabetesteam

Een diabetesverpleegkundige in de conventie vervult een sleutelrol in de begeleiding van personen met complexe diabetes. “Het is een boeiende, maar intensieve job, want de verpleegkundige is de coach van de patiënt. Het is ook een intellectuele job, waarin je de grote lijnen moet kunnen zien in veel glucosedata, en ook veel technische bagage moet hebben om onder andere met glucosesensoren en insulinepompen om te kunnen”, weet prof. dr. Frank Nobels. “In de eerstelijnszorg en het zorgtraject spelen de diabeteseducatoren ook een belangrijke rol. Hierbij zijn taken, zoals coaching rond levensstijl, brede educatie van de persoon met diabetes en waar nodig het leren meten van glycemie en toedienen van insuline onontbeerlijk.”

Diabetes in cijfers

op basis van het Belgische Nationale Gezondheidsonderzoek in 2019

  • 1 op 10 volwassenen in België heeft diabetes.
  • 37 % van de mensen met diabetes weet niet dat hij of zij diabetes heeft.
  • Diabetes type 2 komt het meest voor: in 90 à 95 % van de gevallen is het deze variant.
  • Diabetes type 1 manifesteert zich vooral op jongere leeftijd bij kinderen en adolescenten.
  • Zwangerschapsdiabetes wordt jaarlijks vastgesteld bij ongeveer 9% van de zwangere vrouwen.

Bron: Lampaert A. Diabetes Info 2022


25 jaar Diabetessymposium: bijscholen, netwerken en connecteren

Al 25 jaar lang vindt elk jaar het Diabetessymposium plaats. Het is de plek voor iedere zorgverlener die wil bijleren over de meest recente ontwikkelingen in diabeteszorg. Deze jaarlijkse bijscholing ontstond in de schoot van de allereerste opleiding voor diabeteseducatoren in ons land verbonden aan een hogeschool. De grondlegger en drijvende kracht: Marleen De Pover, oprichtster & voorzitster en nu lid van de werkgroep diabetesverpleegkundigen van NETWERK VERPLEEGKUNDE.

Van de verpleegsterschool in Eeklo naar een volwaardig postgraduaat in Gent. Marleen De Pover was tijdens haar schooljaren wel vrijwilliger voor de lokale afdeling van de Diabetes Liga, maar ze had nooit verwacht zich zo te verdiepen in de wereld van diabetes care. “Het kwam op mijn pad en het werd mijn passie”, zegt ze. Toen Marleen verpleegkundige was, vond je in België alleen een zesdaagse opleiding van de Diabetes Liga rond zorgen voor mensen met diabetes. “Die was sterk toegespitst en enkel toegankelijk voor ziekenhuisverpleegkundigen. Ik werkte toen al op een school en schreef me toch in, want mijn interesse was gewekt door het evenement waar ik aan meewerkte. Met Suikerklontje zamelde ik in voor een meisje met diabetes type 1 voor de aankoop van de eerste glucometer. Op dat moment stuurde professor Roger Bouillon van het UZ Leuven zijn verpleegkundige Mieke De Smet naar Nederland voor een specifieke opleiding tot diabeteseducator.”

Kort na haar cursus bij de Diabetes Liga volgt een fusie en komt Marleen in het  KAHOG in Gent, vandaag de Arteveldehogeschool. De directie vraagt haar een postgraduaat diabeteseducator in te richten. Pionierswerk in Vlaanderen op dat moment. “Ik mocht het programma volledig zelf ontwikkelen en schrijven. De directie gaf me ongelofelijk veel vertrouwen”, vertelt Marleen. “Voor mij was het heel duidelijk: ik wilde een curriculum maken die zeer breed ging en voor iedere zorgverlener toegankelijk was. Van verpleegkundigen en podologen tot diëtisten. Er was ook aandacht voor allerlei facetten: van het zorgaspect tot communicatie. Jaarlijks werden dertig mensen toegelaten. Maar ik wist ook dat het postgraduaat niet voldoende zou zijn. Voortdurende bijscholing is nodig wanneer je je specialiseert in een domein dat zo snel evolueert als diabetes care. Ik heb ondernemersbloed in mijn aderen en zette mijn schouders onder een jaarlijks initiatief.”

Groei en bloei

Zo kwam er op 21 en 22 oktober 1998 het allereerste Diabetessymposium, verbonden aan de opleiding tot diabeteseducator. “De KAHOG had al een Diabetesdag voor studenten. Die groeide uit tot een week waarin studenten samenwerken aan een case en presentatie”, licht Marleen toe. “Het eerste symposium stond heel dicht bij de postgraduaat opleiding. Het is hieruit gegroeid en bleef ook lang verbonden aan de hogeschool.” In het jaar 2010 werd het Diabetessymposium voor het eerst georganiseerd binnen NETWERK VERPLEEGKUNDE, toen het NVKVV. Voormalig algemeen coördinator Michel Foulon sprak Marleen aan tijdens een lezing over diabetes en wondzorg met de vraag of ze het symposium niet bij de beroepsvereniging wilde onderbrengen & alsook de werkgroep diabetesverpleegk. oprichten

“Ik had er enkele duwtjes in de rug voor nodig, maar besloot het toch te doen. Het was de logische volgende stap. Van bij de start wilde ik met het symposium inspelen op de daadwerkelijke noden van verpleegkundigen in het werkveld en hen op de hoogte houden van de allernieuwste tendensen en ontwikkelingen binnen diabeteszorg. Diabetesverpleegkundigen kregen binnen NETWERK VERPLEEGKUNDE ook een eigen werkgroep. Daarmee stelden we jaarlijks een programma samen met vertegenwoordigers uit de thuiszorg en algemene en universitaire ziekenhuizen. Vandaag is het een tweedaags congres met 550 deelnemers per jaar.” De werkgroep werkt mee maar stelt het programma niet samen, dat doe ik, voor Oostende doet de werkgroep dat wel

Belang van specialisatie

Arteveldehogeschool werd de referentie voor diabeteszorg. Het Diabetessymposium werd de ideale plek voor een multidisciplinaire uitwisseling van kennis en technologie, met de zorgvrager en zijn omgeving als focus. “Doorheen de 25 jaar van het symposium nodigden we zowat iedere aanstaande professor binnen de diabeteszorg uit, we introduceerden nieuwe technologieën, nodigden bedrijven uit om materiaal voor te stellen, … Het bouwde meteen verder op mijn doelstelling van het postgraduaat tot diabeteseducator”, zegt Marleen. “Specialiseren is belangrijk voor iedere verpleegkundige. Het postgraduaatprogramma ontwikkelde ik om het boeiend en uitdagend te maken voor hen, maar ook om hun te leren verantwoordelijkheid te nemen . Ze staan zeer dicht bij mensen met diabetes en dat schept een intense band. Net daarom is het zo belangrijk dat ze innovaties op de voet volgen. Via het symposium leren ze de professoren en firma’s kennen die de ontwikkelingen in kennis en technologie creëren en kunnen ze netwerken. Het doel van het symposium is altijd tweeledig: een sterk programma neerzetten en de gemeenschap die werkt rond diabeteszorg samenbrengen.”

Speciallekes

25 jaar Diabetessymposium, dat is ook 25 jaar aan mooie en boeiende momenten bij elkaar. Marleen houdt warme herinneringen over aan het tienjarig bestaan van het symposium. “Dat jaar haalden we Prof. Aldo Maldonato, een Italiaanse professor verbonden aan de universiteit van Rome, naar Gent. Hij werkt vooral rond diabetes bij jongeren en organiseerde voor hen zomerkampen. Dat hij naar het congres wilde komen voor een lezing was een erkenning voor ons harde werk en voor de naam en faam van het symposium”, vertelt Marleen. “We hoeven het trouwens niet altijd in het buitenland te zoeken. Ons land verricht knap werk. Heel wat dokters, professoren en wetenschappers zijn elk jaar opnieuw trouwe gasten. Ik denk dan aan professor Frank Nobels of professor Chantal Mathieu. Zij deed pionierswerk rond zwangerschap en diabetes en was een van de eersten die het mogelijk maakte voor vrouwen met diabetes type 1 om een kind te krijgen. Dat kreeg toen veel reactie, maar het leidde ook vroedkundigen naar onze jaarlijkse bijeenkomst.”

Marleen staat erop ook alle cursisten van het postgraduaat te bedanken voor hun inzet. “Ik had steeds een goed contact met hen. Ze werkten voltijds, volgden de lessen, deden stage en maakten een portfolio. Dat is een zware, niet te onderschatten workload. Als ze er eventjes door zaten, was ik graag een luisterend oor. Ik zal hen nooit vergeten”, zegt Marleen. “De cursus bracht me ook op enkele onverwachte plaatsen, zoals bij AA Gent. Daar ging ik uitleg geven over de preventie van diabetes. Voor de match mochten kinderen met diabetes dan mee het veld op met de spelers. Het postgraduaat en symposium brachten me trouwens ook al bij voormalig Anderlechtspeler Pär Zetterberg. Gaan we diabetes ooit genezen? Misschien niet, maar preventie is zo belangrijk.” Er bestaat geen twijfel dat Marleen zich al 25 jaar lang met hart en ziel inzet voor haar Diabetessymposium. Een levenswerk waar ze met recht en rede trots op mag zijn. Of ze de fakkel binnenkort wil doorgeven? “Misschien. We zien wel wat de tijd brengt. Momenteel geniet ik nog te veel van het contact met de verpleegkundigen, professoren en bedrijven. En je weet dat ik graag eens een specialleke bedenk, zoals onze Fancy Diabetes Day.”

Marleen De Pover


Marc Noppen: “De grootste fout is niets doen en afwachten”

Prof. Dr. Marc Noppen is longarts en sinds 2006 CEO van het UZ Brussel, een van de zwaarst getroffen Belgische ziekenhuizen tijdens de pandemie. COVID-19 sloeg er ongemeen hard toe waardoor de nood aan snelle, efficiënte beslissing hoog was. Regeltjes en protocollen vlogen even overboord. “Aan jaknikkers heb je niets. We moeten beslissingen in vraag stellen.”

In april verscheen het boek Gewoon Anders, een vurig pleidooi voor een ongewone gang van zaken. Daarin beschrijft prof. Dr. Marc Noppen hoe hij de coronacrisis aan het roer van het UZ Brussel ervaarde en hoe de pandemie het bewijs leverde dat het beleid en de organisatie van onze zorg ook anders kan. Het zijn 192 bladzijden vol inzichten en kritiek op de overheid, dat het soms aan eindverantwoordelijkheid en daadkracht miste om effectieve beslissingen te nemen. “Iedereen trok zijn paraplu open, terwijl je in een crisis net snelle beslissingen in eer en geweten moet nemen. Daar leer je uit. De grootste fout is niets doen en afwachten”, zegt Marc Noppen. “Covidvoorspellingen zijn geen weersvoorspelling, wel wiskundige feiten.”

Crisismanagement was in 2020 een sleutelwoord. “Zeker tijdens de eerste covidgolf. Die had niemand zien komen”, zegt de longarts. “Het was pompen of verzuipen en de regels van crisismanagement nauwgezet toepassen. Maar tijdens de tweede golf liep het fout. Er kwam geen erkenning naar de zorgverleners door de miskenning van hun werk. Nochtans is de ondersteuning van je personeel cruciaal.”

Geen tweede Bergamo

Marc Noppen spreekt van 4 pieken tijdens iedere golf. Eerst heb je de covidpatiënten, daarna komen de reguliere zorg en de chronische zorg weer op gang. En ook de geestelijke gezondheidszorg vraagt de nodige aandacht. “Ook bij het medisch personeel”, zegt de CEO. “De corebusiness van zorgverleners is mensen beter maken, niet het bezig zijn met accreditaties. Covid was dus spiegel voor alle zorgorganisaties, een hoognodige wake-upcall. Systeemdenken is goed, maar daar moet een evidence-based zorgoutcome tegenover staan.”

Volgens Noppen is het nu zaak om te investeren in een alternatief om die zorgoutcome te bereiken. Dat kan door te kijken wat belangrijk is voor de zorgvragers en dat te delen door de kosten. “Management is niet moeilijk, maar het moet uitgaan van een intrinsieke motivatie. Zoals de motivatie van onze zorgverleners. In management heb je dan drie kernwaarden: autonomie, kennis en een doel. Ons doel tijdens de pandemie? We don’t want Bergamo. Zo kregen we 4.000 neuzen in dezelfde richting.”

Nevenwerkingen

Het UZ Brussel voelt vandaag nog de naweeën van de uitgestelde zorg tijdens de pandemie. “We zijn nooit onder de 13 covidpatiënten gegaan. Tijdens iedere golf onze ICU-capaciteit opschroeven kan op het gebied van infrastructuur wel, maar je moet ook personeel vinden waardoor de reguliere zorg onder druk kwam. Dat voelen we vandaag nog. Bijvoorbeeld in de diabeteszorg zagen we meer ontregelde waarden en amputaties”, licht Noppen toe. “Maar er zijn ook positieve signalen. Zo hebben de teleconsults voor diabetes hun effect niet gemist. De afdeling was een belangrijke frontrunner op dat gebied. Het vervangt een gewone consultatie niet, maar maakt de opvolging wel haalbaar en praktischer.”

Nog positieve effecten van de crisis zijn enerzijds de kennis die op alle gebieden naar voor kwam en anderzijds dat de ziekenhuizen dichter dan ooit bij de eerstelijn staan. “Zo hadden we wekelijks contact met de huisartsenkringen. We informeerden naar wat zij nodig hadden aan hulp. Hetzelfde deden we voor alle woonzorgcentra hier in de buurt. Dat waren eigenlijk sterfcentra. Een gitzwarte pagina in het covidboek.”

Van ziekenzorg naar gezondheidszorg

COVID-19 toonde dat we goed zijn in repareren wat kapot is, maar niet in preventieve maatregelen. “De pandemie hield die healthcare 2.0 tegen”, zegt Marc Noppen. “De huidige zorg is onbetaalbaar. Van de 700 patiënten in het ziekenhuis zijn er 300 bij door slechte leefgewoonten. Er is dus een dringende gamechanger nodig zodat die 300 patiënten deze zorg niet nodig hebben en er meer middelen vrijkomen voor andere zaken. We geven geld uit aan de verkeerde dingen. Er zijn sensibiliseringscampagnes genoeg, maar dat is niet hetzelfde als aan preventie doen. Het emotionele aspect en het genot op korte termijn primeren op de langetermijngevolgen. Dat vraagt een gedragsverandering, waarvoor we alle mogelijke middelen moeten inzetten. Van de psychologie en nudging tot duidelijke informatie verstrekken en krachtige taal spreken.

 

Meer weten over de visie van Marc Noppen op healthcare 2.0? Tijdens het Diabetessymposium van het NVKVV op 9 november doet de CEO van het UZ Brussel alles uit de doeken. Inschrijven kan via www.diabetessymposium.be.


Ethiek: stappenplan persoon met diabetes

Een weduwenaar van 75 jaar is al zeven jaar dialysepatiënt en volgt een streng diabetesdieet. Drie maal per week gaat hij vanuit het woonzorgcentrum naar de dialyse. Mentaal is hij zeer sterk, maar lichamelijk is hij volledig afhankelijk en rolstoelgebonden. Toch hecht hij veel belang aan persoonlijke hygiëne en doet hij zoveel hij kan zelf. Maar vaak komt hij heel kort uit de hoek en stookt ruzie in de dagzaal.

Een diëtist en een nefroloog volgen de man zijn dieet strikt op. Naargelang zijn bloedwaarden, wordt het dieet ook aangepast. Maar de man is zeer kieskeurig en wat hij graag eet, kaas en chocolade, moet hij mijden. Wanneer de nefroloog laat weten dat de diëtist zijn dieet moet bijstellen, reageert de man zeer kortaf naar het personeel en naar medebewoners. Hij slaagt er op die momenten ook in om ruzie te stoken in de dagzaal. Zo erg dat het persoon moet tussen komen.

STAP 1: Casus

De man heeft bijna nooit bezoek. Hij praat enkel met een bewoonster op de afdeling. Zij is altijd begaan met hem, ook wanneer er iets niet goed gaat. Ook zij is in dit geval een betrokken persoon, samen met de diëtist, nefroloog, het personeel, de andere bewoners en de maaltijdverantwoordelijke. Waar de diëtist en nefroloog de situatie puur professioneel bekijken om hem zijn gezondheid zo optimaal mogelijk te houden, probeert het team steeds te bemiddelen. De man zelf ziet al die beperkingen als een verminderde levenskwaliteit en vreugde. Hij is niet levensmoe en vecht zelfs heel hard om beter te worden.

Samen met diëtist werd zijn dieet bekeken en gezocht naar afwisselingen, zoals een toegift bij feestjes op de afdeling. Deze afspraken werden duidelijk naar de man gecommuniceerd om tot een consensus te komen en hem het belang van gezonde voeding uit te leggen. Maar door het af en toe toestaan van iets wat hij eigenlijk niet mag eten, maakt hij nu misbruik van de situatie en is de verleiding groot dat het uit de hand loopt. Met als gevolg dat zijn bloedwaarden opnieuw slecht zijn. Een vicieuze cirkel.

STAP 2: Dilemma’s

Er moet rekening gehouden worden met de verschillende niveau’s om dit probleem te bekijken. Enerzijds zijn er de verpleegkundigen en de zorgvrager. Anderzijds de hoofdverpleegkundige die rekening moet houden met de verpleegkundigen en de man zelf. Bij het formuleren van de dilemma’s moeten we er rekening mee houden dat dit een probleem is van zorgorganisatie, en niet een probleem van zorg op zich. Hoe kunnen we dus vanuit een patiëntenperspectief:

  • De bewoner tevreden stellen en tegelijk de richtlijnen van de diëtist respecteren?
  • Het dieet op een correcte wijze beheren en de richtlijnen van de nefroloog opvolgen?

Daar komt nog bij, hoe kunnen we vanuit het perspectief van de verpleegkundige:

  • Hun vraag naar duidelijkheid, structuur en zekerheid garanderen, samen met de vraag naar autonomie van de patiënt?
  • De vraag van de bewoner respecteren en ook het respect voor de medebewoners bewaken?

STAP 3: Oplossingen

Om deze dilemma’s op te lossen, worden een aantal suggesties gedaan. Zo kan voor de patiënt de aandacht misschien op andere zaken gevestigd worden dan op het eten. Ook kan zijn zelfstandigheid misschien op andere vlakken aangepakt worden. Daarnaast moet hij ook attent gemaakt worden op de beperkingen die zorgverleners hebben en die hij moet respecteren.

De verpleegkundige moet trachten een compromis te vinden samen met de bewoner, de diëtist en de nefroloog. Hij of zij kan ook inspelen om de omstandigheden binnen de instelling, zoals de man zijn relatie met de bewoonster. Van haar neemt hij namelijk veel aan. Tegelijk moet de verpleegkundige ook duidelijke grenzen stellen om de rust van de andere bewoners te garanderen.

STAP 4: Evaluatie

Door te overleggen in teamverband kan je een gemeenschappelijke houding aannemen tegenover de patiënt. Die krijgt zo een duidelijk kader en kan geen interne conflicten veroorzaken. Spreek duidelijk af wie wat doet. Dit overleg kan ook breder gaan, naar het multidisciplinaire team om zo een duidelijke strategie op te stellen. Bespreek dit vervolgens ook met de patiënt, en indien mogelijk samen met de andere bewoonster. Met een duidelijk zorgplan schep je duidelijkheid en verantwoordelijkheid bij de zorgvrager. Maak eventueel een soort contract waarin duidelijk staat dat hij in zijn kamer eet wanneer hij opnieuw bewoners tegen elkaar opstookt. Of laat de man en de bewoonster aan aparte tafels eten. Ook dit zal zijn gedrag beïnvloeden.


Communiceren is meer dan woorden alleen

Iemand zit bij de dokter en krijgt een ingrijpend verdict: een chronische ziekte. Diabetes bijvoorbeeld. Een eerste reactie is er vaak een van shock of ongeloof. Nadien komen de vragen. De manier waarop deze mensen worden opgevangen, maakt een aanzienlijk verschil. Een goede, open communicatie doet hierbij wonderen. Hoe pak je dit concreet aan? Marleen De Pover, lid van de Werkgroep Diabetesverpleegkundigen van het NVKVV, geeft tips.

Wanneer een zorgvrager te horen krijgt dat hij diabetes heeft – of bij uitbreiding een andere chronische ziekte, is de shock meestal zo groot dat die persoon tijdens het eerste consult niet toekomt aan alle mogelijke vragen. Woede, ontkenning, verdriet, schuldgevoel, ongerustheid, frustratie: verschillende emoties passeren de revue. Hoe je hier als zorgverlener mee omgaat en de deur openzet naar eerlijke, ongedwongen communicatie, heeft een enorme impact op die persoon zelf. Het is belangrijk een vertrouwensband te creëren met de zorgvrager, zodat die zich op zijn gemak voelt om alle vragen, hoe zot ook, te durven stellen. Een zorgvrager heeft tijd nodig om alles te verwerken en laten bezinken eer hij beseft hoe drastisch zijn leven zal veranderen. De vragen komen dan ook dikwijls achteraf. Leren omgaan met diabetes binnen de veilige muren van een zorginstelling is bovendien helemaal anders dan het effectief toepassen in de thuissituatie. De bereikbaarheid en de expertise van de diabeteseducator speelt daar een grote rol in.

Open, vertrouwelijke sfeer

De psychologische belasting die het verdict van een chronische ziekte op de zorgvrager legt, is niet te onderschatten. Het is belangrijk om in dergelijke context de ruimte en openheid te bieden die de zorgvrager nodig heeft. Omdat veel zorgvragers zich schamen voor hun vragen, te overweldigd of gestresseerd zijn en onvoldoende kennis hebben, durven ze zich niet altijd even goed te uiten. Als zorgverlener kan je daarop inspelen. Anticipeer de emoties en reacties van de zorgvrager. Bied de kans om ook achteraf nog vragen te stellen. Of lanceer zelf een aantal voorbeelden om de conversatie op gang te trekken. Je kan bijvoorbeeld vragen wat het met die persoon doet. Hoe die zich voelt. Of het niet allemaal teveel is? Pols eventueel vooraf naar de wensen van de zorgvrager. Op die manier beseft die dat het oké is om mee sturing te geven aan de manier van aanpak voor de behandeling. Er komt zoveel op de zorgvrager af dat duidelijke, eerlijke communicatie echt een houvast biedt.

Brede ondersteuning

Bovendien is het netwerk waarop de zorgvrager een beroep kan doen, groter dan hij initieel denkt. Uiteraard kan die persoon terecht bij een uitgebreid zorgkader – denk aan een diabetesverpleegkundige, thuisverpleegkundige, diëtist, oogarts, podoloog, enzovoort – maar ook de persoonlijke relationele context is belangrijk. Vrienden, buren, familie. Ook zij kunnen een luisterend oor bieden. Luisteren, troost bieden en ondersteunen vormen uiteraard de basis om een goede vertrouwensrelatie op te bouwen. Als zorgverlener moet je ook in staat zijn om de zorgvrager gerust te stellen, correcte informatie en advies te geven en eventueel door te verwijzen, indien nodig. Dat alles staat of valt natuurlijk met de manier van communiceren en met je opgebouwde expertise.


Stevige schoenen zijn een vorm van sensibilisering

Iemand met diabetes moet veel aandacht besteden aan een goede voethygiëne. Stevig schoeisel maakt daar deel van uit. Paul Borgions stond mee aan de wieg van de podologie in België en richtte mee de beroepsvereniging op. Vanuit een waakzaamheid voor kwaliteit en sensibilisering geeft hij mee hoe je als zorgverlener de zorgvrager kan bijstaan in een keuze van goede en veilige schoenen

Podologen zijn de enige die statutair een diabetesvoet of risicovoet mogen behandelen. Het vraagt een bijzondere kennis en opleiding om dit medisch complexe probleem aan te pakken. Paul Borgions studeerde af als leerkracht lichamelijke opvoeding en ontdekte gaandeweg zijn passie voor biomechanica en podologie. Twee disciplines die hij vandaag nog steeds combineert om voor iedereen geschikte zolen en schoenen te vinden. “Vaak heb je met een goede schoen al geen zool meer nodig”, zegt de podoloog. “Omgekeerd werkt dat ook: zolen zijn nutteloos als je ze niet ondersteunt met een goede schoen. Je schoenen zijn een buffer tussen je lichaam en de ondergrond. Mensen lopen relatief gezien nog niet zo heel lang rechtop en we zijn nog volop in evolutie. We kunnen in het dagelijkse leven dus niet meer blootvoets lopen.”

Een schoen mag volgens Paul niet storend zijn. Hij vergelijkt het met een bh of met een lange broek, die pas je ook aan aan je lichaam. We kijken dan naar volumes, breedtes en lengtes. Maar wanneer het gaat om schoenen, kijken we enkel naar de maat en niet naar hoe breed de voeten zijn. “Gelukkig zien we de laatste jaren steeds meer hippe sneakers en dat maakt het schoenadvies wat makkelijker. Onze voeten varen dus wel bij de mode”, zegt Paul. “Ik zeg vaak dat goed leven ook mooi en comfortabel leven is. Als je goede schoenen hebt, maar je vindt ze niet mooi, dan ga je ze ook niet dragen. Iemand die steeds pumps draagt, zal niet zomaar naar een sportieve sneaker grijpen. Je moet alternatieven aanreiken. Er zijn vandaag veel goede sneakers op de markt die er verfijnd en elegant uitzien.”

Voorbeeldfunctie

Een goede en veilige schoen heeft een stevige hiel en dus achteraan steeds gesloten, ter hoogte van de tenen moet die soepel kunnen plooien maar in het midden is die best vrij stevig. Let er op dat de schoenen vast aan je voet zit en dat je tenen voldoende ruimte hebben. “Maar laat me duidelijk zijn: niet iedereen met diabetes heeft aangepaste schoenen nodig. Dat is een stigma waar we van af moeten stappen. Een gezonde levensstijl en filosofie is er voor iedereen. We moeten mensen beter maken in plaats van ze in hokjes te steken”, zegt Paul. “Al geef ik toe dat de gevolgen voor personen met diabetes groter zijn.”

Daarom vindt de podoloog het belangrijk om hun zelfredzaamheid bij te brengen. Kijk bij personen met diabetes goed naar de vorm van de voeten. Bij een hoge wreef ga je bijvoorbeeld beter voor een lange vetercompartiment en ook een schoen met ruimte voor de hoge wreef. Bij een brede voet of circulatieproblemen is een schoen met velcro misschien beter of makkelijker. “Podologen geven mensen hierin ook advies. Ze zijn bereid om naar ons te luisteren, zolang we die combinatie van mooi en goed schoeisel maken”, zegt Paul. “Maar ook verpleegkundigen spelen een belangrijke rol. Zij moeten het voorbeeld geven door zelf goede schoenen te dragen. Dat vergroot ook hun geloofwaardigheid, want zorgvragers kopiëren hun gedrag. Medische klompen zijn bijvoorbeeld een no go. Die openen de weg naar een ulcus of erger.”

Steunzolen vs. podologische zolen

Het is nog een groot misverstand dat steunzolen en podologische zolen hetzelfde zijn. Een steunzool wordt voorgeschreven door een arts specialist en wordt vervolgens gemaakt en afgeleverd door een orthopedisch technieker. Vaak gaat het om een standaardzool waar persoonlijke aanpassingen aan gebeuren. De zool zal eerder een ondersteunende functie hebben. Een podoloog maakt de zolen op basis van biomechanische hoekmetingen in rust en in beweging. Hij gaat de voet functioneel sturen zodat deze optimaal kan bewegen zonder extra inspanningen. Elke rotatie in de voet is belangrijk en heeft gevolgen in de rest van ons lichaam, zoals onze nek, hoofd, rug, knie, enkel, … Een ulcus kan een gevolg zijn van teveel druk of wrijving op die bepaalde plaats. Meestal volstaat het niet om alleen die drukzone te ontlasten, maar zal het optimaliseren van de voetassen de drukverdeling terug en beter normaliseren. Veel problemen in de voorvoet kunnen oorzakelijk opgelost worden door de achtervoet beter te sturen. Dat is misschien het belangrijkste verschil tussen een steunzool en een podologische zool. Voor podologische zolen is er voor mensen met diabetes ook een voorschrift nodig voor personen zonder onderliggende pathologieën niet.

“Onze Belgische podologen zijn echt heel goed opgeleid, mede door de inzet en het vertrouwen van dokter Christine Van Acker om dit programma te ondersteunen”, zegt Paul. “Als podoloog maak je deel uit van een multidisciplinair team en verwijs je mensen ook door naar de juiste hulpverleners. Het is een en-enverhaal. Wij kunnen wel volledig op maat zolen maken, maar we moeten de zorgverlener ook op weg helpen naar een gezonde levensstijl door hem onder meer door te verwijzen naar een kinesitherapeut of een diëtist waar nodig. Zo kunnen korte kuitspieren ook een oorzaak zijn voor extra druk op de voorvoet en is de kiné zeer belangrijk, naast alle andere te nemen maatregelen.”

Gedragen schoenen

Uit gedragen schoenen kan je veel elementen afleiden. “Het brengt je een zekere mensenkennis bij. Je ziet meteen wie de persoon is die voor je zit”, zegt Paul. “Maar ook hoe ze versleten worden vertelt ons iets en helpt ons het patroon te begrijpen. Je krijgt zo informatie over tienduizenden stappen. Vaak lopen mensen op echt versleten schoenen. Dat zie je wanneer de antislip weg is, de hiel niet meer loodrecht staat of de schacht aangetast is.”

Tot slot wil Paul nog een laatste misverstand de wereld uit helpen: “Duurkoop en goedkoop gaan hand in hand. Het merk of de winkel zegt niets over de kwaliteit van de schoen. Je moet steeds naar de eigenschappen van ieder paar kijken. Op die manier hoop ik zorgvragers en schoenproducenten te sensibiliseren.”


24 uur als diabeteseducator en als diabetespatiënt

Kathy De Gussemé – UZ Brussel

Kathy is hoofdverpleegkundige op de hospitalisatieafdeling diabetes in het UZ Brussel. Elke dag zet het volledige team zich in voor mensen met diabetes. In dat team zijn 21 verpleegkundigen, waarvan de meeste diabeteseducator zijn.

In de diabeteskliniek vind je mensen die pas te horen gekregen hebben dat ze diabetes hebben of die moeten opstarten met insuline via injecties of insulinepomp. Ze komen binnen via de spoeddienst of via de consulatie. Wie in de diabeteskliniek ligt, is daar voor ongeveer drie dagen en legt een individueel traject af. De focus ligt op educatie, gebracht op een zo laagdrempelig mogelijke manier.” We beiden ook de nieuwste technologieën aan bij onze patiënten zoals de nieuwste insulinepomp en continue glucosemonitoring. Ook voor bepaalde studies zoals betaceltransplantatie kunnen ze bij ons in de diabeteskliniek terecht.

In drie dagen leert iemand die pas de diagnose diabetes kreeg dus omgaan met deze ziekte. “En die dagen heb je echt nodig. We zijn daar flexibel in. Mensen met een drukke agenda kunnen bijvoorbeeld op vrijdag, zaterdag en zondag bij ons komen. Ze krijgen een educatiemap met alle actuele informatie om door te nemen. Maar we regelen ook hun curve en hun dosis, laten een psycholoog en een diëtist langskomen, doen een pen- en apparaatcontrole en starten een bewegingstraject op”, licht Kathy toe.

Up-to-date blijven

Als diabetesverpleegkundige in het ziekenhuis heb je nog andere vaardigheden nodig. Zo moet je steeds up-to-date blijven over de nieuwste technieken, studies en medicaties. Hiervoor kunnen ze onder meer een beroep op wekelijkse seminaries met actuele topics omtrent diabetes . “Vier maal per jaar geven we ook opleiding aan referentieverpleegkundigen diabetes op andere afdelingen. Zo kunnen zij op hun beurt hun team op de hoogte houden.”

Wanneer deze mensen het ziekenhuis verlaten, worden ze telefonisch of via videoconsultatie opgevolgd. Dat gebeurt op initiatief van de verpleegkundigen. “In het ziekenhuis kan je de thuissituatie wel proberen nabootsen, maar het echte leven is toch nog iets anders en biedt vaak onverwachte situaties”, zegt Kathy. “Daarom is die opvolging een week later zo belangrijk. Afhankelijk van de individuele noden komen ze na 1 of 3 maanden terug op consultatie. We doen ook persoonlijke begeleidingstrajecten, bijvoorbeeld bij jongvolwassen en zwangerschappen. Die mensen willen we heel nauw opvolgen.”

Patiënten met diabetes die op andere afdelingen gehospitaliseerd zijn kunnen ook rekenen op een professionele ondersteuning voor hun diabetes. Elke diabetespatiënt die gehospitaliseerd is in het UZ Brussel wordt begeleid en nauw opgevolgd door onze diabeteseducator. Zo kunnen de patiënten met een gerust hart hun operatie ondergaan, wetende dat ook hun diabetes nauw gemonitord is.

Tot slot kunnen mensen met diabetes ook terecht in de Diabetesvoetkliniek. Ook daar gaat een diabeteseducator steeds langs. “Diabetes vraagt een jarenlange kennis en ervaring. Zo kan je mensen optimaal behandelen, helpen en geruststellen”, besluit Kathy.

Bart Dubois – Wit-Gele Kruis van Antwerpen

Als diabetesverpleegkundige in de eerste lijn is Bart voltijds actief in de ruime Antwerpse regio. Bart start om 8 uur ’s ochtends zijn eerste educatie van de dag. In de voormiddag ziet hij twee patiënten en in de namiddag ook twee.

“Diabetes is een complexe problematiek waar wel wat ervaring voor nodig is”, zegt hij. “Een nieuwe patiënt moet je toelichten wat diabetes is, wat een glycemie en HbA1c is, hoe aan zelfcontrole te doen, hoe je medicatie injecteert, hoe de medicatiedosis wordt aangepast, wat de correcte posologie is,… Dat doen we met een geïllustreerde educatiemap. Zelf moet je ook op de hoogte blijven van alle nieuwigheden zodat je dit aan de patiënt kan uitleggen. Na vier weken bezoek ik hen een tweede keer. Wat zijn de eerste resultaten? Wat lukt er vlot? Waar zaten de moeilijkheden? Waren er complicaties? Hoe zit het met voeding? Met het rijbewijs? Waar moet je op reis rekening mee houden? Dat is ook het moment waarop ik een voet- en schoencontrole doe en hen doorverwijs naar een diëtist of eventueel een podoloog.”

Achteraf maakt Bart steeds een verslag op, dat naar de huisarts en ter info naar de diabetoloog gestuurd wordt. Vervolgens is er een jaarlijkse opvolging. Dat kan ook sneller, wanneer er een wijziging is in de medicatie bijvoorbeeld. “Tijdens die controles kijk ik ook opnieuw naar de voeten en naar de schoenen. Ik geef hen tips over stevige schoenen en over een goede verzorging. Uiteraard kunnen patiënten bij vragen of problemen ook steeds contact opnemen.”

Voorbereidend werk

Het eigenlijke werk van Bart start nog voor hij bij de patiënt langs gaat. Het intakegesprek voert hij telefonisch, zodat hij de situatie al wat kent en het dossier kan voorbereiden. “Veel informatie dien je nu nog telefonisch bijeen te sprokkelen. Het is niet altijd duidelijk of het een patiënt betreft met een voortraject of een zorgtraject diabetes. Of dat het juiste traject al werd aangevraagd/goedgekeurd, moet ik ook vaak nog bij de huisarts en/of ziekenfonds te verifiëren.” Daarnaast vraagt hij ook het laatste verslag op van de specialist. Die hele voorbereiding is een tijdrovend werkje door gebrek aan een centrale database waar verpleegkundigen deze informatie vinden.

Evolutie

“Eigenlijk ben ik hier ingerold. Toen ik in 1991 in de thuiszorg startte, was er nog geen diabeteseducatie in de eerstelijn mogelijk. Pas in 2007 behaalde ik het diploma van diabeteseducator, nadat ik eerder al een opleiding genoot tot referentieverpleegkundige diabetes. Vandaag zijn we met zo’n 15 collega’s actief als diabeteseducator bij het Wit-Gele Kruis voor de hele provincie Antwerpen. We scholen ons voortdurend bij tijdens vormingen, informeren elkaar over nieuwigheden en komen hiervoor regelmatig samen. Dit wordt gecoördineerd door onze stafmedewerker diabetes. Ook onze thuisverpleegkundigen kunnen steeds bij ons terecht en we houden hen ook op de hoogte van nieuwigheden in de diabeteszorg. Er is nu eenmaal een bepaalde workload nodig als je dit goed in de vingers wil krijgen en houden. Het is maatwerk voor elke patiënt, maar dat maakt het net zo boeiend.”

24 uur als diabetespatiënt

Zes jaar geleden kreeg Yana Van Opstal (31) de diagnose diabetes type I. Haar pancreas weigerde plots nog insuline aan te maken. Sinds die diagnose neemt ze zelf de taak van haar pancreas over, in de vorm van insulinespuiten. “Diabetes is een “onzichtbare” ziekte, maar wel een constante compagnon in het leven, ook op vakantie”, zegt ze.

7u30: “We worden wakker in ons hotel in Noord-Italië. Ik start de dag zoals altijd : de sensor op mijn arm scannen en kijken hoe mijn bloedsuikerspiegel vannacht stond. Als diabetespatiënt is meten namelijk weten. Ik voel enige vorm van tevredenheid en trots als ik zie dat dit een stabiele nacht in de groene zone is geweest.”

8u30: “Bij het ontbijt spoken steeds dezelfde vragen door mijn hoofd om uit te rekenen hoeveel insuline ik mezelf moet toedienen. Hoeveel honger heb ik? Waar heb ik vandaag zin in? Wat drink ik erbij? Enkel wat koffie, met een verwaarloosbaar aantal koolhydraten, of toch ook een glaasje vers appelsap, waar de koolhydraten goed doortellen? ‘s Ochtends moet ik namelijk het aantal koolhydraatporties (12,5g koolhydraten) verdubbelen om het aantal eenheden te spuiten insuline te weten te komen. Na een inschatting van wat ik wil eten en drinken en met hoeveel koolhydraatporties dat overeenkomt, neem ik de snelwerkende insuline uit de handtas en pomp zeven insuline-eenheden via een zeer fijn naaldje in mijn buik. De eerste weken na de diagnose had ik constant een boekje met het aantal koolhydraatporties per type voedsel bij de hand, maar na een tijdje lukte het aardig goed om de inschatting zelf te maken.”

10u00: “Tijd voor actie. We vertrekken voor een mooie wandeling met in de rugzak twee kleine blikjes frisdrank, twee pakjes koeken, de insulinespuit en de GlucaGen® Hypokit®. Voor we op reis vertrokken, gaf ik mijn reisgezelschap nog een opfrissingscursus over hoe de spuit moet toegediend worden. Ze oefenden met een vervallen noodspuit en een bijna-rotte sinaasappel die moest doorgaan als mijn bilspier. Ondanks de geslaagde test, hoop ik toch dat ze die noodspuit nooit hoeven te gebruiken. Gelukkig ken ik mijn symptomen – zweetuitbarstingen en bevende handen – waardoor ik een effectieve hypo steeds kon vermijden door een suikerrijk drankje, snoepjes en/of een koekje in te nemen.”

11u00: “Na een uurtje ben ik al helemaal uitgeteld van het klimmen. Tijdens een pauze haal ik de smartphone boven om te scannen hoe het suikergehalte in mijn bloed evolueert. Diabetes en sporten is toch een combinatie die wat extra aandacht vereist. Sporten doet namelijk de insuline beter werken en de bloedsuikerwaardes sneller dalen. Bijkomend nadeel is dat de symptomen van een hypo moeilijker te herkennen zijn wanneer het lichaam ook sportreacties zoals zweten vertoont. Op het schermpje verschijnt een grafiekje met een iets te hoge piek na het eten die wel redelijk snel daalt, maar gelukkig lijkt te stabiliseren in de groene zone.”

12u30: “Hoera, we zijn aangekomen aan het gezellige hutje waar we even rustig kunnen gaan zitten, wat genieten van de mooie uitzichten en iets lekkers eten en drinken. Ook nu bekijk ik het bordje dat me voorgeschoteld wordt in eerste instantie als koolhydraatporties: een typische Südtirolse wurst met drie stukjes brood, goed voor twee koolhydraatporties. Normaal gezien zes eenheden snelwerkende insuline, maar omdat er ons nog een hele terugweg te wachten staat, spuit ik toch iets minder. Als ik mijn tante – die zo’n 50 jaar geleden de diagnose diabetes kreeg – hoor vertellen, ben ik enorm blij dat de inzichten fel verbeterd zijn tegenover toen. Zij moest haar voedsel afwegen om exact te weten hoeveel insuline die ze moest inspuiten.”

14u00: “Met een gevuld buikje zijn we klaar voor de terugweg. Bergaf, dat gaat vlotter. Qua glucose gaat het iets minder vlot. Bij een tussentijdse scan merk ik dat de piek na het eten niet daalt naar het normale niveau. Zouden er in dat drankje dan toch ook koolhydraten gezeten hebben? Met een klein schuldgevoel dat ik daar iets te weinig over nagedacht had tijdens het consumeren, spuit ik toch maar twee eenheden insuline bij.”

16u30: “Terug aangekomen in het hotel, vinden we dat we recht hebben op een welverdiend terrasje. Alcohol, nog zoiets waar je als diabetespatiënt toch wat extra bij moet stilstaan. Verschillende alcoholische dranken bevatten heel wat koolhydraten, anderen zijn zo goed als verwaarloosbaar. De grote valkuil in combinatie met diabetes, is dat alcohol de glucose na enkele uren doet zakken. Nu hebben we nog een avondmaaltijd in het vooruitzicht, dus hoef ik niet te veel schrik te hebben voor een te lage waarde. Maar bij alcoholische consumpties ‘s avonds voor het slapengaan, bestaat het risico op een nachtelijke hypo, wat absoluut te vermijden valt natuurlijk.”

18u30: “Een viergangenmenu is puur genot. Maar om de glucose op peil te houden, is het toch iets lastiger. Ook al krijgen we de menukaart op voorhand en kan ik daaruit inschatten hoeveel koolhydraten er op m’n bord zullen verschijnen, toch zitten er addertjes onder het gras. De porties vallen wat kleiner of groter uit dan verwacht en kunnen dus de insulineberekening in de war sturen. Een toegevoegd fantasietje van de chef waar ook koolhydraten in blijken te zitten, zou ik dan toch beter niet opeten of moet ik voor bijspuiten. Het dessert dat ik wel gerekend heb om m’n eenheden insuline te berekenen, krijg ik toch niet meer binnengewerkt waardoor ik te veel zal gespoten hebben. Je moet er allemaal over nadenken; het zijn allemaal zaken waar over nagedacht moet worden. Het dessert is nog maar net op wanneer mijn gsm-alarm afgaat: de dagelijkse herinnering om de langwerkende insulinespuit toe te dienen.”

20u30: “Tijdens de spelletjesavond merk ik lichtjes bevende handen op. Stress om niet te verliezen, of zou het toch aan de diabetes kunnen liggen? Jawel, het schermpje licht rood op en geeft een te lage waarde aan. Ik ga snel naar de hotelkamer voor mijn favoriete manier om een naderende hypo te verhelpen: snoepjes. Ieder nadeel heeft een voordeel, niet waar? Nu is het wel kwestie van op tijd te stoppen. Al geef ik toe dat een hypercorrectie wel eens voor durft te vallen.”

23u00: “Tijd om te gaan slapen. Ik eindig de dag zoals ik hem begon: met de smartphone tegen de sensor op mijn bovenarm. Die sensor voel ik nauwelijks nog zitten. Af en toe wijst een nieuwsgierige vriendin of voorbijganger mij er op en dan leg ik met plezier uit waar die voor dient. Vanavond staan mijn waardes aan de hogere kant, maar niet hoog genoeg om insuline bij te moeten spuiten. Duimen voor een stabiele nacht. Slaapwel!”