Horatio 2026: geworteld, veerkrachtig, klaar

Psychische kwetsbaarheid neemt toe. Wachttijden groeien. Teams staan onder druk. Tegelijk wordt de opleiding generieker en dreigt precies datgene te vervagen wat GGZ-verpleegkunde uniek maakt: nabijheid, relationeel werken, de therapeutische band als vakmanschap. Hoe veranker je dan je identiteit als beroepsgroep? Hoe maak je zichtbaar wat GGZ-verpleegkundigen echt bijdragen? Het Horatio-congres, dat zijn twintigjarige bestaan viert, beantwoordt al die vragen. Onder het thema Rooted. Resilient. Ready. brengen verpleegkundigen uit heel Europa praktijk, onderwijs, onderzoek en beleid samen. Liesbet Van Bos en Hanne Vandewiele blikken vooruit. “Je voelt overal dezelfde uitdagingen. En net dat verbindt.”

Twintig jaar Horatio betekent twintig jaar krachten bundelen om het beroep van psychiatrisch verpleegkundige te versterken op alle niveaus. Dat het congres dit jaar in België plaatsvindt, is bijzonder. Liesbet Van Bos, verkozen in de board van Horatio, coördineert en is voorzitter van het congres, en lid van de werkgroep geestelijke gezondheidszorg van NETWERK VERPLEEGKUNDE, waar ook Hanne Vandewiele actief bij betrokken is. “Overal in Europa voelen verpleegkundigen gelijkaardige spanningen. Dat besef – dat we daar niet alleen in staan – geeft kracht.”

Een Europees klankbord met impact tot op de werkvloer

De sterkte van Horatio zit in de vergelijking. Europese landen organiseren onderwijs, praktijk en bevoegdheden op uiteenlopende manieren. Die verschillen werken inspirerend en confronterend. “Je merkt dat veel uitdagingen universeel zijn”, vervolgt Liesbet. “Dat helpt om kritisch naar je eigen praktijk te kijken: waar staan we sterk, waar moeten we bijsturen?” Hanne vult aan: “Soms merk je: hier doen we het goed. Daarnaast zie je voorbeelden waarvan je denkt: daar moeten of willen we naartoe.” Net die internationale spiegel maakt het netwerk waardevol. Het verruimt de blik en versterkt de dagelijkse praktijk.

Terug naar de roots

Die universele uitdagingen zijn ook precies waarom het thema van de jubileumeditie dit jaar zo breed en tegelijk zo scherp gekozen is: Rooted. Resilient. Ready. Een mooie kapstok die verleden, heden en toekomst samenbrengt. Volgens Hanne zit de urgentie in een dubbele beweging. Enerzijds zijn er de klassieke drukpunten die iedereen voelt: personeelstekorten, financiële krapte, groeiende zorgnoden, een samenleving waarin psychische kwetsbaarheid zichtbaarder en soms complexer wordt. Anderzijds is het een beroep dat zijn eigen fundamenten moet blijven bewaken. “Je zoekt soms andere profielen om plekken te vullen, maar dan dreig je de identiteit en het leren van je psychiatrisch verpleegkundigen wat te verliezen.”

Liesbet ziet dezelfde evolutie in het onderwijs. De basisopleiding werd generieker, en dat heeft voordelen: elke verpleegkundige komt mensen met een psychische kwetsbaarheid tegen. Maar het risico is dat essentiële diepgang verdunt. “Er zijn basics, vanuit je kern als GGZ-verpleegkundige, die je nodig hebt in je dagelijkse praktijk. We verliezen daar wat grip op.” En dat gaat niet alleen over kennis, maar ook over interpersoonlijke competenties: presentie, zelfreflectie, relationeel werken, een therapeutische relatie opbouwen. “Als we dan kijken naar de toekomst is dit noodzakelijk. Denk maar aan een skilled companion met oog op de herstelvisie.”

Hanne verwoordt het heel herkenbaar: “Het is heel complex om uit te leggen wat verpleegkundigen in de GGZ precies doen.” Een babbeltje slaan kan iedereen. Maar GGZ-verpleegkunde gaat over meer dan empathie. Het gaat over het doordacht inzetten van jezelf als instrument, met vakkennis in het achterhoofd: herstelvisie, motivationele gespreksvoering, non-verbale signalen lezen, afstemmen op fases en tempo van herstel. “Ons werkinstrument is onszelf als persoon en hoe we met mensen in contact gaan.”

Nood aan een andere organisatie van zorg

Behalve het beroep versterken, wil het congres ook ruimte maken voor de grote vragen waar de sector tegenaan botst. Eén daarvan is de plek van de psychiatrisch verpleegkundige in het zorglandschap. Zowel Liesbet als Hanne zien dat België, en veel Europese landen, nog te veel vertrekken vanuit een ziekenhuislogica, terwijl dat model onder druk staat en niet altijd het beste antwoord biedt. Ze pleiten daarom voor een bredere, meer geïntegreerde aanwezigheid van psychiatrisch verpleegkundigen in de eerste lijn en in de gemeenschap: in huisartsenpraktijken, wijkteams, netwerken rond gezin en context. “Community care. Meer naar huis”, zeggen Hanne en Liesbet beslist. “We moeten herdenken waar de GGZ-verpleegkundigen optimaal in hun kracht kunnen staan en hoe hun expertise de sector helpt versterken.”

Daar sluiten ook preventie en vroeginterventie bij aan. Psychische problemen beginnen zelden ‘plots’. “Dat kan klein starten met piekergedachten en sluimerend groeien”, klinkt het. Wachttijden en drempels maken kwetsbaarheid groter dan nodig. Het idee: zet de juiste persoon op de juiste plaats, op het juiste moment. Niet iedereen heeft meteen gespecialiseerde psychotherapie nodig. Net daar kan GGZ-verpleegkunde een verschil maken met laagdrempelige ondersteuning, vroegsignalering, bruggen bouwen en tijdig doorverwijzen.

Rooted. Resilient. Ready.

Tijdens het HORATIO-congres in mei, volgt elke congresdag dit drieluik:

  • Rooted: terug naar de fundamenten met evidencebased nursing, body of knowledge en diverse GGZ-verpleegkundige theorieën. Wat is de ‘ziel’ van het vak? Wat maakt GGZ-verpleegkunde uniek?
  • Resilient: veerkracht in een context van schaarste, crisis en snelle maatschappelijke verandering. Hoe blijf je professioneel overeind zonder te verharden, als individu en als beroepsgroep?
  • Ready: klaar voor de toekomst. Welke rollen moeten we versterken? Welke competenties, welke settings? Hoe kijken wij als GGZ verpleegkundige naar de toekomst samen met de persoon met een psychische kwetsbaarheid en diens familie?

Liesbet koppelt dat ook aan een bredere taalshift. “Hoewel er al een mooie evolutie is, moeten we voorkomen om paternalistisch te denken. Niet alleen spreken over zorg, maar over persoonsgerichte ondersteuning. Als skilled companion, samen met de persoon.” Dat vraagt oefening, en soms ook het durven meedragen van lijden zonder meteen te willen oplossen. Hanne noemt het expliciet: “Die presentie, dat niet verlaten worden op een moeilijk moment, ook dat is evidence based practice. Al is dat niet altijd makkelijk meetbaar.”

Alle neuzen in dezelfde richting

Dat Horatio dit jaar in België plaatsvindt, is voor Liesbet een mooie kans om het met de woorden van haar Ijslandse collega te benoemen: “We willen de ‘tribe’ versterken: een cultuur bouwen waarin verpleegkundigen elkaar vlotter vinden, over settings en regio’s heen, zonder concurrentie. Ze benadrukt daarbij bewust samenwerking – ook tussen hen beiden. Liesbet is congresvoorzitter, Hanne leidt het adviescomité. Liesbeth: “Ik vind daar ongelooflijk veel steun en toeverlaat. We zijn complementair.”

Hanne vult aan: “Het congres is net geen ‘onderwijscongres’ of ‘ziekenhuiscongres’. We willen werelden verbinden: klinische praktijk, beleid, onderwijs, onderzoek en andere disciplines. We hebben elkaar nodig: psychiaters, psychologen, verpleegkundigen, en noem maar op. Elke patiënt de juiste hulpverlener, op het juiste moment. Dat is het doel.”

Hun drijfveer is duidelijk voelbaar: GGZ-verpleegkunde zichtbaar maken, inhoudelijk versterken en positioneren als een professionele kracht die mee richting geeft – in het belang van mensen met psychische kwetsbaarheid en hun context. “Als we zelf onze identiteit niet helder hebben en maken”, zegt Hanne, “gaat een ander dat voor ons doen.”

En misschien is dat de kern van Horatio: het is een plek om als beroepsgroep samen te blijven staan – geworteld in wat werkt, veerkrachtig in wat schuurt, en klaar voor wat komt.

Blik op het programma

Wat mag je verwachten?

Inspirerende keynotes
Internationale sprekers belichten de fundamenten van GGZ-verpleegkunde, mensenrechten, herstelgericht werken, professionele identiteit en toekomstgericht leiderschap.

Parallelle sessies
Kies uit verschillende formats van telkens een uur: concurrent sessions, symposia en workshops gegeven door professionals uit heel Europa. Tijdens heel het congres kan je ook via de posterpresentaties inspiratie opdoen.

Internationale ontmoeting
Verpleegkundigen, onderzoekers, ervaringsdeskundigen en beleidsmakers uit verschillende Europese landen delen inzichten en ervaringen.

Netwerkmomenten
Ontmoet je collega’s op een informele manier. Zoals de netwerkdrink op het stadhuis in Mechelen op 27 mei en de diner & dance in restaurant Groot Seminarie op 28 mei. Het ideale moment om samenwerkingen op te starten en ideeën te laten rijpen.

Hoe inschrijven?

Leden van NETWERK VERPLEEGKUNDE genieten van het kortingstarief van 350 euro. Inschrijven via deze link: https://webforms.thomasmore.be/view.php?id=1541143

Geen lid? Zie www.horatiobelgium2026.com/registration/ voor meer info.

Het aantal plaatsen is beperkt. Tijdig registreren is de boodschap.

Keynotes om naar uit te kijken

Donderdag 28 mei – 09u30-10u15

Dat Cheryl Forchuk naar België komt, voelt voor Liesbet en Hanne als een eer. Forchuk bouwt verder op het werk van Hildegard Peplau, de grondlegger van de therapeutische relatie binnen de psychiatrische verpleegkunde. “Zij brengt onze roots echt tot leven”, klinkt het.

Forchuk verbindt die fundamenten met sterk onderzoek naar uitkomsten in de praktijk. Ze toont bijvoorbeeld hoe verpleegkundigen die patiënten begeleiden bij ontslag en de overgang naar huis, herval- en heropnamecijfers kunnen doen dalen. Dat maakt zichtbaar wat GGZ-verpleegkundigen betekenen. Niet alleen relationeel, maar ook meetbaar.

Donderdag 28 mei – 13u15-14u00

Dominique de Marné brengt het perspectief van ervaringsdeskundigheid binnen, met haar energieke boodschap: Mental health rocks. Voor Liesbet en Hanne is haar aanwezigheid essentieel. “We kunnen niet blijven spreken over mensen, zonder mensen zelf een stem te geven.”

De Marné legt de nadruk op preventie, weerbaarheid en vroegtijdige ondersteuning. Wat als we psychische kwetsbaarheid vroeger leren herkennen? Wat als ondersteuning laagdrempeliger wordt? Haar verhaal verbindt hoop met realisme en herinnert eraan dat herstel niet alleen in interventies zit, maar ook in ontmoeting en erkenning.

Donderdag 28 mei – 16u15-17u00

Ook Belgische expertise krijgt een plek. Karel Desmet onderzoekt nurse-sensitive patient outcomes: welke resultaten zijn specifiek verbonden aan verpleegkundig handelen?

Dat is volgens Liesbet en Hanne cruciaal. “We weten wat we betekenen. Nu moeten we het ook kunnen benoemen en onderbouwen.” Zijn bijdrage maakt de brug tussen relationeel vakmanschap en meetbare impact. Een belangrijke stap om GGZ-verpleegkunde sterker te positioneren.

Vrijdag 29 mei – 09u00-09u40

Als voormalig president van Horatio en al jaren een internationale stem in de psychiatrische verpleegkunde, plaatst Nina Kilkku het vak in een breder Europees kader. In het jubileumjaar van Horatio reflecteert zij op twintig jaar evolutie en op de positie van GGZ-verpleegkundigen in Europa.

Voor de organisatoren is haar bijdrage symbolisch en inhoudelijk belangrijk: ze verbindt geschiedenis met toekomst en toont hoe Europese samenwerking het beroep structureel heeft versterkt.

Vrijdag 29 mei – 09u45-10u15

Hanna Tuvesson vertegenwoordigt onderzoek dat GGZ-verpleegkunde positioneert als een transformerende kracht in het zorgsysteem. Samen met een Scandinavische onderzoeksgroep publiceerde ze over de transformative force of mental health nursing: wat brengen wij als beroepsgroep werkelijk aan tafel?

Voor Hanne en Liesbet raakt dat aan een kernpunt. “Als je de koppen telt, zijn wij de grootste groep binnen de geestelijke gezondheidszorg. Dan mogen we ook die stem gebruiken.” Tuvesson helpt dat expliciet maken: waar zit onze meerwaarde, hoe benoemen we die, en hoe nemen we daarin positie?

Vrijdag 29 mei – 13u45-14u45

Dirk Richter confronteert het veld met fundamentele vragen. Wat betekent het om echt mensgericht te werken? Waarom isoleren we nog? Welke keuzes maken we vanuit veiligheid, personeelstekort of systeemdruk, en welke vanuit waardigheid?

Volgens Liesbet en Hanne hebben we die kritische spiegel nodig. “Hij durft de stoute vragen te stellen.” Zijn insteek rond mensenrechten en gelijkwaardigheid past perfect binnen het thema van veerkracht en toekomstgericht werken. Niet comfortabel, wel noodzakelijk.

Twee abstracts, één kern: de relationele kracht van GGZ-verpleegkunde

Caressa Van Hoe is verpleegkundig specialist bij PZ Onzelievevrouw Brugge en voert als doctoraatstudent onderzoek naar crustatieve zorg. Ze diende twee abstracts in voor Horatio 2026. Beide werden geselecteerd door het wetenschappelijk comité. Een mooie erkenning en een kans om het verpleegkundig perspectief internationaal zichtbaar te maken.

Wat beide abstracts verbindt, is de nadruk op werken met jezelf als instrument. Relationele deskundigheid, presentie, vertrouwen opbouwen, lijden kunnen verdragen zonder het meteen te willen oplossen, dat zijn kerncompetenties van GGZ-verpleegkundigen.

Suïcidaliteit: zorg vanuit een interpersoonlijk perspectief

De eerste bijdrage is het symposium Nursing care for individuals with suicidal ideation: an interpersonal perspective samen met Joeri Vandewalle en Ulrike De Donder. Het brengt verschillende perspectieven samen rond verpleegkundige zorg voor mensen met suïcidale gedachten. Wij onderzochten hoe patiënten met suïcidale gedachten het contact met GGZ-verpleegkundigen ervaren. De centrale bevinding is helder: effectieve zorg start bij compassion en relationele veiligheid. “Patiënten waarderen verpleegkundigen die toegankelijk zijn, die tijd maken, die echt willen begrijpen”, zegt ze. “Een vragenlijst of checklist alleen werkt niet. Je hebt een vertrouwensrelatie nodig. Pas van daaruit kan je aan de slag met suïcidaliteit.”

Het onderzoek toont ook dat werken met suïcidaliteit uitdagend kan zijn voor verpleegkundigen zelf. Veerkracht, ondersteuning en teamreflectie zijn noodzakelijk om intense ervaringen in evenwicht te brengen met reflectief bewustzijn. Daarmee raakt de bijdrage rechtstreeks aan het congresthema: Rooted in relationele fundamenten, Resilient in een complexe praktijk.

Ernstige en persisterende psychiatrische aandoeningen: inzetten op levenskwaliteit

De tweede bijdrage is de interactieve workshop Beyond Deinstitutionalization: Recovery, Citizenship and Quality of Life for People Experiencing Severe and Persistent Mental Illness, die ze samen met Jürgen Magerman, ook lid van de werkgroep GGZ binnen NETWERK VERPLEEGKUNDE, brengt. Het gaat om mensen die langdurige ondersteuning nodig hebben binnen de GGZ en vaak al een intensief zorgtraject achter de rug hebben. Genezing is niet altijd haalbaar. Daarom verschuift de focus naar levenskwaliteit. “Bij deze doelgroep gaat het over werken op lange termijn”, zegt Caressa. “Vertrouwen opbouwen vraagt tijd. Deze doelgroep heeft vaak al veel negatieve ervaringen gehad. Vanuit die relatie kan je samen zoeken naar wat nog mogelijk is.” Ook hier staat de interpersoonlijke relatie centraal. Gedrag dat vandaag als storend wordt gezien, was ooit vaak functioneel. “Als je begrijpt waar gedrag vandaan komt, kan je het samen anders betekenis geven.”

De workshop stelt daarom ook scherpe vragen: wat zijn de grenzen van herstel? Welke competenties hebben verpleegkundigen nodig om met deze doelgroep kwaliteitsvolle zorg te bieden?

Die reflectie sluit mooi aan bij de pijler Ready: klaar zijn om zorg anders te organiseren en langdurige ondersteuning niet te reduceren tot symptoomcontrole.


Beschermende observatiemaatregel: balans tussen bescherming en autonomie

De wet inzake de bescherming opgelegd aan een persoon met een psychiatrische aandoening werd sinds 1 januari 2025 gemoderniseerd. De basisprincipes blijven grotendeels dezelfde, maar de wetgever koos voor nieuwe begrippen en enkele bijkomende mogelijkheden in de behandeling. Voor verpleegkundigen op psychiatrische afdelingen betekent dat vooral een andere juridische context waarin hun dagelijkse praktijk plaatsvindt.

Een van de meest zichtbare veranderingen is de terminologie. Waar vroeger gesproken werd over een ‘gedwongen opname’, spreekt de wet vandaag over een beschermende observatiemaatregel. Volgens Jan Vande Moortel, doctor in de rechten en expert bij de juridische adviesgroep van NETWERK VERPLEEGKUNDE, is die keuze bewust gemaakt. “De nieuwe terminologie is minder stigmatiserend en sluit beter aan bij het beschermende karakter van de maatregel. In essentie blijft het evenwel gaan om een vrijheidsbeperkende maatregel die kan worden toegepast wanneer iemand met een psychiatrische aandoening een ernstig gevaar vormt voor zichzelf of voor anderen.”

48 uur klinische evaluatie bij spoed

De wet verduidelijkt ook de mogelijkheid tot een klinische evaluatie van maximaal 48 uur in een spoedprocedure. Tijdens die periode wordt de patiënt bewaakt en grondig geëvalueerd. Het doel is om na te gaan of de wettelijke criteria voor een beschermende maatregel daadwerkelijk vervuld zijn en of er eventueel alternatieven mogelijk zijn. Die evaluatie blijft een vrijheidsberoving en mag enkel worden toegepast wanneer er sprake is van een psychiatrische aandoening en een ernstige bedreiging voor de gezondheid of veiligheid van de persoon zelf of voor de integriteit van anderen. De beslissing moet steunen op een omstandig geneeskundig verslag of het advies van een arts. Hierin moet het spoedeisende karakter duidelijk gemotiveerd worden. Binnen de 18 uur vanaf de vrijheidsberoving moet de beslissing door de procureur des Konings worden genomen.

Meer aandacht voor vrijwillige behandeling

Een andere belangrijke vernieuwing is de introductie van de vrijwillige behandeling onder voorwaarden. Die maatregel maakt het mogelijk dat iemand die eigenlijk voldoet aan de criteria voor een beschermende maatregel toch vrijwillig behandeld wordt, mits bepaalde voorwaarden.

De patiënt stelt daarbij samen met een arts een behandelingsplan op. De vrederechter moet dat plan goedkeuren en kan bijkomende voorwaarden opleggen. Een arts krijgt vervolgens de verantwoordelijkheid om de uitvoering van het plan op te volgen. Wanneer de patiënt zich niet aan de afspraken houdt, kan alsnog een beschermende observatiemaatregel worden opgelegd.

Volgens Jan Vande Moortel toont deze nieuwe mogelijkheid aan dat de wet meer nadruk wil leggen op vrijwilligheid binnen de zorg. Tegelijk betekent dat niet dat er automatisch minder vrijheidsbeperking is.

Wat betekent dit voor verpleegkundigen?

Voor verpleegkundigen zelf verandert er juridisch gezien minder dan op het eerste gezicht lijkt. Zij beslissen niet of aan de wettelijke criteria voor een beschermende maatregel is voldaan. Die beoordeling ligt bij instanties zoals de procureur des Konings, de vrederechter of – bij minderjarigen – de jeugdrechter. Hun rol blijft wel cruciaal in de praktijk van de zorg. Een belangrijk aandachtspunt blijft het zorgvuldig bijhouden van het verpleegkundig dossier. Observaties, gedrag en evolutie van de patiënt kunnen namelijk een belangrijke rol spelen in de verdere beoordeling van de situatie. Ook tijdens een klinische evaluatie of een beschermende maatregel blijven de patiëntenrechten volledig van toepassing. Informatie, toestemming, bijstand van een vertrouwenspersoon of juridische vertegenwoordiging blijven dus essentieel.

Hoewel de wetswijziging dus nieuwe begrippen introduceert en enkele procedures verfijnt, blijft de kern van de zorg voor verpleegkundigen dezelfde: patiënten nauw opvolgen, zorgvuldig rapporteren en tegelijk waken over veiligheid, rechten en waardigheid. In die delicate balans tussen bescherming en autonomie blijft hun professionele inschatting onmisbaar.


Samen op weg naar fixatievrij

Hoe bied je veilige zorg in een psychiatrische crisis, zonder naar fixatie te grijpen? In het Openbaar Psychiatrisch Zorgcentrum (OPZ) Geel is het vooral een manier van kijken: hoe hou je mensen veilig, met respect voor hun autonomie? Vandaag werkt het ziekenhuis al fixatie-arm, met maximum zeven à acht fixaties per jaar. Toch kiezen ze voor een meerjarenplan richting fixatievrije zorg tegen 2030. “We willen zorgzaam evolueren naar fixatievrije zorg waarbij we inzetten op evenwicht tussen zowel herstelgerichte zorg als een veilige context voor zowel zorggebruikers, naasten en medewerkers”, zegt Verpleegkundig stafmedewerker Daisy Cochet vult aan: “We sturen op nul, zoals in verkeersveiligheid, terwijl we weten dat uitzonderlijke situaties toch zullen voorkomen.”

De ambitie richting fixatievrije zorg bouwt voort op Zorg voor Ongedwongenheid (ZVO), een beleid rond agressiepreventie en crisishantering dat al sinds 2009 loopt. “De cultuur is hier al jaren relationeel en preventief’, zegt Daisy. “Dit meerjarenplan maakt onze koers expliciet en geeft nieuwe impulsen.”

Een beleid dat vanop de vloer groeit

Opvallend: de concrete aanleiding voor het meerjarenplan kwam niet van bovenaf, maar vanuit de klinische praktijk. OPZ Geel werkt al jaren volgens de klinische ladder: verpleegkundig specialisten – referentiepersonen – antennepersonen. Elke divisie heeft referentiepersonen ZVO die in hun werktijd ruimte krijgen om met het thema bezig te zijn. Op elk afdelingsniveau zijn er daarnaast antennepersonen. “Het idee is gegroeid uit samenwerkingsgesprekken met die referentiepersonen”, vertelt Daisy. “Zij gaven aan dat ze hun collega’s wel bereikten, maar vaak vooral via training in fysieke interventies. Ze wilden hun rol opnieuw sterker neerzetten, meer coachen op teamniveau en zichtbaar maken hoe goed teams vandaag al bezig zijn.” Mieke knikt. “Belangrijk is dat het geen puur bottom-up of top-downverhaal is. We hebben een interdisciplinair samengestelde stuurgroep Veilige Zorg, met vertegenwoordiging van onder andere artsen. Daar komen signalen uit de praktijk samen met beleidskeuzes. Dat creëert een sterke verbinding tussen directie, artsen en teams.”

Zorg voor Ongedwongenheid: wat zit er allemaal in?

ZVO is meer dan zo weinig mogelijk toepassen van vrijheidsberovende maatregelen. Het is een brede kijk op crisispreventie en crisishantering, opgebouwd vanuit primaire, secundaire en tertiaire preventie. Daisy somt op: nabij zijn in relatie, vroegdetectie, de-escalatie, alternatieven inzetten, en – als een vrijheidsbeperkende maatregel toch nodig is – die zo humaan en kort mogelijk houden, met nazorg. “We hebben de afgelopen jaren sterk ingezet op presentie”, zegt Mieke. “Wat betekent het om echt nabij te zijn? Om vanuit een vertrouwensrelatie te werken? En hoe betrekken we familie en naasten veel actiever? Zij weten vaak heel goed wat werkt als iemand spanning opbouwt.” Daisy vult aan: “Die cultuur zit intussen diepgeworteld. Teams passen echt alle mogelijke alternatieven toe. Vrijheidsbeperking is het laatste redmiddel. En als we dan toch afzonderen, blijft de verbinding centraal staan: intensieve begeleiding, één-op-één of twee-op-één, en voortdurend zoeken naar herstel.”

Comfortroom, comfortkoffer en de wikkeltechniek

Een van de concrete bouwstenen in OPZ Geel is het gebruik van de comfortroom: prikkelbeperkte ruimtes waar zorggebruikers, op basis van hun signaleringsplan, kunnen kiezen wat helpt om spanning te laten zakken. Denk aan rustgevende verlichting, muziek, aromatherapie of materialen die voor hen werken. Zowel medewerker als naasten blijven ondertussen in verbinding met de zorggebruiker. “Vroeger was er niets tussen de afdeling en de afzonderingskamer”, zegt Daisy. “Het hoeft bovendien niet altijd in de comfortroom: met de comfortkoffer kunnen we materialen op de kamer aanbieden.” Soms zit de oplossing ook in iets eenvoudigs. “Een wandeling op ons domein kan al veel doen. We willen dat mensen leren hoe ze met kleine interventies hun eigen spanning reguleren. Dat is later thuis minstens zo belangrijk.”

OPZ Geel ontwikkelde daarnaast ook een wikkeltechniek als uitzonderlijk alternatief, vooral om medewerkers veilig de afzonderingskamer te laten verlaten wanneer dat nodig is. Daisy legt uit: “Je kan het wat vergelijken met het inbakeren van een baby: de zorggebruiker zit in een veilige cocon, de ademhaling blijft vrij, en krijgt instructie hoe die er zelf uit kan rollen wanneer die er klaar voor is. Dat geeft tijd om adrenaline te laten zakken, bij de zorggebruiker en bij het team, en om daarna opnieuw verbinding te maken.”

Veiligheid: voor zorggebruiker en medewerker

Fixatievrije zorg roept bij veel verpleegkundigen dezelfde vraag op: hoe bewaak je veiligheid als je minder ‘middelen’ hebt? Voor Daisy en Mieke ligt het antwoord niet in één techniek, maar in een geheel: competenties, teamveiligheid, snelle ondersteuning en multidisciplinair klinisch redeneren. “Veiligheid staat altijd voorop”, zegt Daisy. “Teams maken die afweging nooit alleen. Er is altijd overleg, ondersteuning van artsen en een gedeelde inschatting.”

Mieke benadrukt het belang van het sociale weefsel in teams. “Mensen moeten vertrouwen hebben dat er ondersteuning komt. Dat je in een moeilijke situatie niet alleen staat. Daarom zetten we in op professioneel handelen, op communicatie, op verantwoordelijkheid nemen en op overleg tussen disciplines.” Ook de kloof tussen dag- en continudienst wordt actief verkleind. “We stimuleren meer transdisciplinair werken”, zegt Mieke. “Elkaar vaker zien en leren van elkaars vaardigheden helpt om de verantwoordelijkheid samen te dragen.”

Nieuw is ook het plan om een verpleegkundig consult verder uit te bouwen: referentiepersonen en verpleegkundig specialisten die kunnen meekijken bij complexe situaties, met een evidencebased bril. Referentiepersonen volgen bovendien een intensief train-de-trainertraject om hun inhoudelijke expertise te verbreden, hun coachende rol te versterken, hun handvatten te bieden om met eventuele weerstand om te gaan en laat hen reflecteren over hun eigen rol als referentiepersoon om zo ook hun veerkracht te vergroten.

En er komt opnieuw een campagne om de ambitie zichtbaar te maken. “Het thema moet bij iedereen leven”, zegt Daisy. “We willen het visualiseren, bespreken, blijven teasen. Zodat medewerkers voelen: dit is waar we samen naartoe werken.”

Meten is weten: cijfers en cultuur

De evolutie richting fixatievrije zorg wordt ook gevolgd met data. Daisy: “We meten het aantal afzonderingen en fixaties, de duur, en ook of een afzondering onderbroken wordt. Dat laatste is een belangrijk signaal: het toont dat teams opnieuw verbinding aangaan en zorggebruikers kansen geven om gefaseerd terug naar de afdeling te keren.” Daarnaast zijn er cultuurmetingen: hoe veilig voelen medewerkers zich? Hoe kijken ze naar vrijheidsbeperkende maatregelen? En via dossieranalyses wordt getoetst of het beleid ook effectief in de praktijk landt.

Fixatievrij in 2030: wanneer is het ‘gelukt’?

Nul fixaties klinkt helder, maar OPZ Geel wil vooral realistisch blijven. “We willen minstens ons lage aantal behouden en liefst verder zien dalen”, zegt Daisy. “Nul is niet altijd realistisch, maar de ambitie helpt om scherp te blijven. Voor mij is het doel bereikt als we multidisciplinair dezelfde taal spreken, medewerkers zich veilig voelen, en de cultuur sterk blijft.”

Mieke vat het breder samen: “Fixatievrije zorg reikt verder dan fixatie. Het is een overkoepelende visie op de relatie met de zorggebruiker. De weg naar 2030 gaat over al die interventies samen.” Ook het partnerschap met zorggebruikers en naasten krijgt een expliciete plek. “Het is geen revolutie. Het is een evolutie, gedragen door teams die vandaag al keigoed bezig zijn”, besluit Mieke. “En daar mogen we gerust fier op zijn.”


Tussen doodswens en levenshulp

In de geestelijke gezondheidszorg klinkt de vraag naar euthanasie steeds vaker, ook bij jonge cliënten. Voor verpleegkundigen raakt die vraag aan de kern van hun beroep. Zij kiezen voor zorg, nabijheid en herstel. Wat betekent dat wanneer een cliënt zegt niet meer te willen leven? Binnen Psychiatrisch Centrum Sint-Hiëronymus beschouwt het team zo’n vraag in eerste instantie als een vraag om levenshulp: een signaal van ondraaglijk psychisch lijden en een zoektocht naar perspectief.

Binnen Sint-Hiëronymus werkt men met een tweesporenbeleid. Het eerste spoor erkent de euthanasievraag en laat ruimte om daarover te spreken. Het tweede spoor blijft actief zoeken naar wat het leven nog draaglijk of waardevol kan maken. Beide sporen worden bewust parallel bewandeld en krijgen evenveel aandacht. Het team neemt tijd om de euthanasievraag ernstig te onderzoeken en tegelijk herstelmogelijkheden te verkennen.

“Wanneer iemand zich vastklampt aan het idee van euthanasie dreigt er een tunnel te ontstaan”, zegt Sarah. Zij werkt al drieënhalf jaar als verpleegkundige in Sint-Hiëronymus en werkt momenteel haar bacheloropleiding af. “Wij proberen het gesprek open te trekken. Wat gaf vroeger energie? Welke kwaliteiten heeft iemand? Wat brengt nog rust of voldoening, al is het klein?” Veel cliënten blijken ook ambivalent. Ze zeggen dat ze niet verder willen leven, maar bedoelen vaak dat ze niet verder willen leven op deze manier. Die nuance krijgt ruimte in het gesprek.

Het team verdeelt de rollen. Soms spreekt één vaste hulpverlener met de cliënt over de euthanasievraag. Andere teamleden richten zich op herstel, beweging, zingeving of sociale contacten. Bij complexe trajecten wordt vaak een subteam samengesteld dat het proces van nabij opvolgt. Zo draagt het team de spanning samen.

Dat herstelspoor krijgt ook duidelijk vorm in het aanbod van Sint-Hiëronymus. Zo bestaat er de gespreksgroep ‘Tenuto’, een lotgenotengroep voor mensen met een doodswens die hun euthanasievraag verkennen en tegelijk bereid zijn om mogelijke levensperspectieven te onderzoeken. In een kleine groep van maximaal zes deelnemers krijgen beide sporen ruimte om voluit aan bod te komen.

Procedure en professionele grenzen

De procedure rond euthanasie bij psychisch lijden is strikt en vraagt advies van meerdere artsen. “Het is enorm complex”, beaamt Sarah. “Je wil eerlijk en correct informeren. Tegelijk blijf je hulpverlener.” Binnen de visie van de organisatie start een individuele hulpverlener nooit zelf een euthanasiepiste op. De vraag moet expliciet van de cliënt komen. We willen als hulpverlener de hoop in de cliënt en op een beter leven voor de cliënt nooit opgeven. Die positie maakt Sarah ook duidelijk in het gesprek met cliënten. “Ik zeg vaak: ik blijf een hulpverlener. Ik wil je begeleiden en steunen, ook wanneer je over euthanasie spreekt, al kan je van mij niet verwachten dat ik volledig meega in je doodswens.”

Een lopend euthanasietraject vormt bovendien geen reden om zorg stop te zetten. De begeleiding loopt door, ook wanneer de aanvraag onderzocht wordt. Die aanvraag zelf verloopt extern en volgens strikte wettelijke criteria. Het lijden moet voor de cliënt ondraaglijk zijn en door de betrokken artsen medisch zorgvuldig geëvalueerd worden. Een traject kan maanden tot zelfs jaren in beslag nemen.

In dialoog met naasten

Een euthanasietraject raakt niet alleen de cliënt, ook de familie worstelt ermee. Naasten kampen met verdriet, onmacht en soms verdeeldheid. In Sint-Hiëronymus organiseert het team daarom regelmatig familiegesprekken, soms met elementen uit ‘open dialogue’, waarbij cliënt en familie samen in gesprek gaan onder begeleiding. “Iedereen krijgt ruimte om te spreken”, zegt Sarah. “Sommigen blijven stil, anderen delen hun angst of verdriet. De aanwezige begeleiders helpen om boodschappen helder te verwoorden om tot meer begrip te komen.” Verschillende standpunten verhogen de spanning. Wanneer familieleden elkaar vinden in het traject, verloopt het proces vaak rustiger. Gesprekken met familie kunnen ook helpen om oude wonden te helen en nieuwe perspectieven te zien.

In haar job komt Sarah vaak in contact met cliënten die suïcidaal zijn. Dat maakt het thema voor haar extra complex. “Bij suïcide(pogingen) blijven we erg hard inzetten op suïcidepreventie. Euthanasie is nooit een alternatief voor suïcide(pogingen). Anderzijds begeleiden we ook cliënten die in een euthanasietraject zitten. Als hulpverlener voel je je daardoor soms in een spagaat zitten.” Beide situaties blijven ingrijpend, voor de cliënt en de omgeving. Juist daarom vindt ze het tweesporenbeleid zo belangrijk. “Door ook de doodswens bespreekbaar te maken, kunnen we in dialoog blijven over lijden, hoop en veiligheid. We blijven zoeken naar wat iemand nodig heeft.”

Zelfzorg en opleiding

Voor jonge verpleegkundigen vormt dit thema een grote uitdaging. In de basisopleiding krijgt geestelijke gezondheidszorg beperkte aandacht. “Je kan dit niet leren uit een handboek”, zegt Sarah. “Je groeit erin met steun van je team. Maar het is wel een onderwerp dat in elke zorgsetting aan bod kan komen: in de ouderenzorg, bij chronische aandoeningen, in kankertrajecten … De euthanasieregeling verdient een plek in de opleiding.”

Sarahs ervaringen met euthanasie in haar werkomgeving motiveerden haar om een bachelorproef over het thema te maken. Haar onderzoeksvraag luidt: Hoe ervaren psychiatrische hulpverleners de aanvraagprocedure en besluitvorming rond euthanasie bij psychisch lijden? Met haar bachelorproef wil ze bijdragen aan meer inzicht in hoe hulpverleners deze trajecten beleven. Want tussen doodswens en levenshulp ligt een werkveld dat verpleegkundigen elke dag opnieuw vraagt om nabij te blijven, in alle complexiteit.


Familiewerking als vaste pijler in PPC Pittem

Het Psychotherapeutisch en Psychiatrisch Centrum (PPC) Pittem heeft de Prijs Gert Noël 2025 gewonnen voor zijn structurele familiewerking. Met een multidisciplinair expertisecentrum, gerichte vormingen en een sterke inzet op naasten verankert het ziekenhuis familie duurzaam in de geestelijke gezondheidszorg.

PPC Pittem is een open en vernieuwend gespecialiseerd centrum voor psychiatrie en psychotherapie. In het centrum heeft familie een vaste plek binnen de dagelijkse zorgpraktijk. De zorgvoorziening probeert haar familiewerking zo breed mogelijk uit te rollen. “Van het individuele traject van de patiënt tot de overkoepelende visie van onze organisatie: we streven ernaar elk onderdeel van het zorgpad te bekijken wanneer en hoe we de familie kunnen betrekken”, zegt Julie Vandekerckhove, verpleegkundig specialist en lid van de expertisegroep.

Zes jaar geleden richtte het ziekenhuis het Expertisecentrum Context, Familie en Relaties op. Een multidisciplinair team van psychiaters, psychologen, verpleegkundigen en een familie-ervaringswerker zit er tweewekelijks samen om de visie, doelen en acties te bewaken en organiseren. Het centrum organiseert sessies voor patiënten en hun naasten, met themagroepen rond partnerschap en ouderschap, en versterkt medewerkers via gerichte vormingen. Daaruit groeide ook een inspiratiegids die praktische tips bundelt en vertrekt vanuit herkenbare situaties op de afdeling. Wat doe je wanneer een familielid informatie vraagt die je omwille van het beroepsgeheim niet mag doorgeven? Of wanneer ze zaken aan je toevertrouwen die zij liever niet met de patiënt delen? Hoe blijf je in dialoog met naasten en bewaak je tegelijk de vertrouwensrelatie met de patiënt? “We bespreken dat heel concreet en geven collega’s houvast in complexe situaties. Met die inspiratiegids maken we het haalbaar op de werkvloer”, aldus Julie.

Naast ouderavonden organiseert het centrum ook groepswerkingen voor kinderen en jongeren. Zo krijgen kinderen van ouders met psychiatrische problemen (KOPP) of afhankelijkheidsproblemen (KOAP) informatie op maat en ontmoeten ze leeftijdsgenoten in een gelijkaardige situatie. De sessies bieden ruimte om vragen te stellen, gevoelens te benoemen en ervaringen te delen in een veilige context. Zo versterkt het team niet alleen de patiënt, maar ook het gezin als geheel. De familie-ervaringswerker speelt daarin een sleutelrol. “Bij haar kunnen mensen terecht met hun verhaal, los van het behandeltraject van de patiënt. Het gaat eens over hen. Dat biedt erkenning en steun.”

Die brede en structurele aanpak overtuigde de jury van de Prijs Gert Noël van de Koning Boudewijnstichting, die initiatieven bekroont die de begeleiding van patiënten en hun naasten versterken. PPC Pittem ontvangt 30.000 euro om de familiewerking verder uit te bouwen. Extra ruimte voor de familie-ervaringswerker staat bovenaan de agenda, samen met nieuwe initiatieven om naasten nog sterker te ondersteunen.


Referentiekader rond vrijheidsberovende maatregelen biedt uniforme houvast

Voor het toepassen van vrijheidsberovende maatregelen in de residentiële geestelijke gezondheidszorg en in de brede jeugdhulp zijn multidisciplinaire richtlijnen uitgewerkt. Wetenschappelijk onderbouwd en getoetst aan good practices uit het werkveld bieden deze richtlijnen een uniform referentiekader in Vlaanderen. Toch is de implementatie ervan niet overal voor de hand liggend en zijn bepaalde nuances nodig om ze op korte termijn haalbaar te realiseren.

In 2020-2021 liet de Vlaamse overheid door het Steunpunt Welzijn Volksgezondheid & Gezin (SWVG) twee multidisciplinaire richtlijnen ontwikkelen over het toepassen van vrijheidsberovende maatregelen (VBM) in de residentiële geestelijke gezondheidszorg enerzijds en in de brede jeugdhulp anderzijds (kinderpsychiatrie, VAPH-instellingen, jongerenwelzijn, …). Deze richtlijnen zijn uitgewerkt op basis van literatuuronderzoek, buitenlandse richtlijnen, de mensenrechten en de evidentie rond het uitvoeren van dergelijke maatregelen in de praktijk. Het SWVG wou de multidisciplinaire richtlijnen juridisch onderbouwen en vond hiervoor een basis bij de mensenrechten, waardoor deze vrij uniek zijn.

“Uit die richtlijnen is gebleken dat het werkveld meer ondersteuning en bijkomende kaders nodig heeft om ze correct te kunnen implementeren. Daarom richtte het voormalige Agentschap Zorg en Gezondheid, nu het Departement Zorg, een kwaliteitstafel op met alle stakeholders. Hierin waren zowel onderzoekers als het werkveld betrokken, waaronder psychologen, psychiaters, NETWERK VERPLEEGKUNDE, Zorgnet-Icuro, het Vlaams Welzijnsverbond en patiëntenvertegenwoordigers”, vertelt Kris Vaneerdewegh, hoofd nursing in het OPZC Rekem en lid van de werkgroep Geestelijke Gezondheidszorg.

Nieuwe multidisciplinaire richtlijnen

Vanuit de kwaliteitstafel is een referentiekader rond vrijheidsberovende maatregelen opgesteld en zijn zo’n 430.000 euro aan financiële middelen vrijgemaakt om organisaties te ondersteunen bij de implementatie van deze multidisciplinaire richtlijnen. “Er is een projectplan uitgewerkt tot 2025 om allerlei ondersteuningsvormen te ontwikkelen voor het werkveld. Een eerste stap is het opzetten van een informatieve website waar alle organisaties toegang toe krijgen. De site wordt in september gelanceerd”, gaat Kris verder. “Daarnaast is gebleken dat de registratie van het toepassen van VBM vandaag heel verschillend gebeurt. Bijvoorbeeld, in de psychiatrische ziekenhuizen gaat men hier meer gestructureerd mee om, in de bijzondere jeugdzorg minder. Een goede registratie is nodig om te weten wanneer en hoe lang iemand vrijheidsberovende maatregelen krijgt toegepast, op welke manier dat gebeurt, … Een werkgroep is nu aan de slag om die registraties te uniformiseren, zodat er ook rapportering mogelijk is op Vlaams niveau. Tot slot voorziet de Vlaamse regering middelen om de infrastructuur aan te passen in de voorzieningen. Dit gebeurde enkele jaren geleden al voor de kinder- en jongerenpsychiatrie, en wordt nu opengetrokken naar de volwassenenpsychiatrie en de VAPH-instellingen. Denk aan comfortrooms inrichten of andere zaken opzetten zodat geen vrijheidsberovende maatregelen nodig zijn.”

Haalbare implementatie

Het referentiekader dat in het verleden gebruikt werd, was gebaseerd op afspraken en inschattingen. Nu wordt dat kader aangepast op basis van de multidisciplinaire richtlijnen. Kris: “Het werkveld heeft dit met veel enthousiasme onthaald. Het is positief dat er onderzoek gebeurd is, dat de richtlijnen wetenschappelijk onderbouwd zijn en dat de overheid hiervoor zoveel middelen vrijmaakt. Toch is enige voorzichtigheid nodig. Een aantal elementen zijn moeilijk om te zetten in de praktijk omdat het ondersteunende kader nog niet aanwezig is: namelijk de juiste infrastructuur en voldoende personeel. Bijvoorbeeld, in het voorstel staat dat om het kwartier live toezicht moet gebeuren, dus niet via een camera. Dat is een goed idee, maar niet haalbaar door de personeelsbezetting. Een ander voorbeeld is dat we bij afzondering een second opinion moeten vragen na vier uur. Een instelling moet dit 24 op 7 kunnen organiseren. Op weekdagen is dat overdag geen probleem, maar organisatorisch is het bijzonder moeilijk om dit ook ’s nachts en tijdens het weekend te garanderen.”

Groeiproces

De knelpunten zijn nu uit de multidisciplinaire richtlijnen gehaald en een ontwerp ligt klaar ter goedkeuring. Verwacht wordt dat dit eind 2023 gefinaliseerd wordt. Het belang van de multidisciplinaire richtlijnen is volgens Kris niet te onderschatten: “Voor de overheid is het referentiekader het middel om inspecties uit te voeren. Het is logisch dat instellingen niet van vandaag op morgen alle nodige aanpassingen kunnen doen. Daarom is het zinvol de elementen die nu moeilijk implementeerbaar zijn, in de kwaliteitstafel op te nemen om die in de toekomst verder uit te werken en op te volgen. Dit is absoluut noodzakelijk om een uniforme aanpak uit te werken voor alle instellingen die vrijheidsberovende maatregelen toepassen. Dat alternatieven zijn voorgesteld voor die knelpunten is een goede zaak. We hebben het dus niet gewoon geschrapt, maar eerder haalbaar omschreven. Qua live toezicht houden we het voorlopig op toezicht om het half uur, zoals vandaag geldt. Voor de second opinion is het voorstel dat binnen 24 uren een intercollegiale afdelingsoverschrijdende toetsing gebeurt. Het is een groeiscenario om tot een volgende stap te komen. In oktober komt de kwaliteitstafel terug samen en tekenen we de verdere stappen uit.”


Memorandum Staten-Generaal Geestelijke Gezondheid legt dringende nood aan actie bloot

De Staten-Generaal Geestelijke Gezondheid (SGGG) bestaat al sinds 2019 en komt tweejaarlijks samen. Door covid nam de aandacht voor GGZ bij bevolking en overheid toe. De SGGG wil een forum zijn van personen met een psychische kwetsbaarheid, ervaringsdeskundigen, hun familieleden, zorgverleners, leden van zorgorganisaties, academici, vertegenwoordigers van beroepsorganisaties en zorgkoepels. Het doel: een beetje GGZ met de patiënt centraal door de kwaliteit en toegankelijkheid van zorg te verhogen. Op 9 juni 2023 verscheen hun memorandum met vijftien concrete aanbevelingen voor het beleid.

Bijna een op vijf Belgen[1] kampt met ernstige psychische problemen zoals een depressie, angststoornis, alcohol- of drugsverslaving. Zo’n zes Belgen per dag[2] gaan over tot zelfdoding. Neuro-psychiatrische aandoeningen zijn verantwoordelijk voor 21 procent van alle verloren jaren van ziekte en verloren jaren door vroegtijdig overlijden. Voor kanker gaat het om 19 procent[3]. De financiële impact van psychische problemen op onze maatschappij is bovendien ontzettend hoog. Uit cijfers van de OESO blijkt dat het voor België om zo’n 20,7 miljard euro[4] gaat. Dit wordt besteed aan uitkeringen, verminderde productiviteit en afwezigheid op het werk. Investeren in geestelijke gezondheidszorg is dus hoognodig. Nochtans beloofde de overheid in 2020 dat het tegen 2030 12 procent van het federale gezondheidszorgbudget zou wijden aan geestelijke gezondheidszorg.

Geestelijke gezondheidszorg staat hoog op de agenda van heel wat beleidsmakers, maar het is tijd voor actie en voor extra financiën die de zorgkwaliteit versterken. Er zijn de voorbije jaren wel initiatieven geweest. Zo lanceerde Vlaanderen campagnes om psychische problemen bespreekbaar te maken en maakt de federale overheid 150 miljoen euro per jaar vrij om psychologen en orthopedagogen in de eerste lijn te ondersteunen. Toch blijven de wachtlijsten groeien en is een algemene, wetenschappelijk onderbouwde visie die een groter, beter, toegankelijker en rechtvaardiger aanbod uitbouwt er niet. Samenwerking is daarin cruciaal, als we aan alle hulpvragen binnen de GGZ tegemoet willen komen. Zo blijven de pijnpunten die de SGGG bij haar oprichting naar voor schoof nog steeds gelden. De financiering vandaag heeft een omgekeerd effect, want arm maakt ziek en ziek maakt arm. Ook de transitie van jeugd- naar volwassenenzorg en van volwassenen- naar ouderenzorg schiet tekort. In afwachting van de derde bijeenkomst van SGGG op 8 februari 2024 publiceerde de organisatie daarom een memorandum met concrete aanbevelingen voor het beleid.

Extra capaciteit en toegankelijkheid

Het memorandum biedt vijftien onderbouwde actiepunten met voorop een uitgebreidere capaciteit en bredere toegankelijkheid voor de GGZ. De wachtlijsten worden steeds langer, ook al ontbreekt recente data. Uit cijfers van 2017[5] blijkt dat 44 procent van de zorgvragers meer dan een maand moest wachten voor een eerste contact met een hulpverlener in de GGZ. Ouderen moesten toen algemeen gezien minder lang wachten dan kinderen, tieners en mensen met een psychische kwetsbaarheid. Om dit probleem aan te pakken zijn meer eerstelijnsopvang, psychologen en  psychiaters nodig, maar ook betere diagnoses, indicatiestellingen, minder lappendeken en een betere organisatie en samenwerking van alle actoren binnen de somatische, psychologische en sociale hulpverlening.

Daarnaast moet het GGZ-aanbod ook efficiënter georganiseerd worden, op basis van de noden van de zorgvragers. Tijdige, minder dure zorg voor meer mensen verhoogt de levenskwaliteit aanzienlijk, beïnvloedt meteen ook de wachttijden en het gebruik van psychofarmaceutische middelen en reduceert het aantal arbeidsongeschikten en -uitkeringen. De SGGG roept het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) dan ook op een methode te ontwikkelen die population mental healthcare omzet in de Belgische context.

Van preventie tot geïntegreerde zorg

Preventie is in alle gezondheidszorgdomeinen noodzakelijk, dat is voor GGZ niet anders. Zelfzorg, lotgenotenorganisaties of peer-to-peerinitiatieven vinden plaats op het niveau van de nulde lijn, maar ontvangen momenteel weinig ondersteuning. Die moet er absoluut komen, net zoals de ondersteuning voor de eerste lijn. Een van die initiatieven zijn de Kruispunten, die eerste hulp bieden bij psychische problemen. Ze begeleiden zorgvragers snel naar de juiste plek door een goede indicatiestelling. Al moet hier nog een wetenschappelijk onderbouwde tool voor ontwikkeld worden.

Ook binnen de GGZ is geïntegreerde zorg nodig, met een ontschotting van zorg waarbij alle aspecten aangepakt worden in een globaal zorgplan. Zo worden heel wat ernstige psychiatrische aandoeningen doeltreffender aangepakt en een vroegtijdig overlijden vermeden. Hand in hand daarmee gaat het vermijden van chronisch zieken die in stilte psychisch lijden omdat er enkel naar de fysieke aspecten van hun ziekte gekeken wordt. Ook mensen in armoede met lichamelijke, psychosociale of psychische problemen mogen niet vergeten worden. Voor hen moet het vervangingsinkomen de armoedegrens overschrijden. België scoort op dat vlak bijzonder slecht in vergelijking met andere Europese landen.

Ruimte voor opleiding en onderzoek

De vermaatschappelijking van zorg is een goede zaak, vindt de SGGG. Al schuift dit ook nieuwe problemen naar voor. Het heeft ertoe geleid dat de residentiële en semi-residentiële zorgpopulatie een grotere zorgzwaarte vertoont, zonder extra personeel. Daarnaast komt een deel van de ‘vermaatschappelijkte’ patiënten terecht in daklozenopvang, een algemeen ziekenhuis of een gevangenis waar specifieke GGZ-expertise ontbreekt. Algemeen genomen is bovendien een schrijnend tekort aan personeel met die kennis en feeling voor geestelijke gezondheidsproblemen. Meer opleidingsplaatsen creëren voor GGZ en het onderdeel GGZ breder aan bod laten komen in alle zorgopleidingen kunnen dit probleem oplossen. Door te investeren in die deskundigheid en kennis, is medicatie misschien niet langer een eerste keuze bij hulpverlening. Want nog te veel mensen gebruiken psychofarmaca en niet-medicamenteuze behandelingen zijn moeilijk toegankelijk. Het is logisch dat een arts kiest voor pillen, wanneer wachtlijsten bij een psycholoog oplopen. Daarnaast moeten psychofarmaca ook beter terugbetaald worden voor mensen met ernstige psychiatrische aandoeningen.

Niet alleen geestelijke gezondheidszorg hinkt achterop, ook het onderzoek en studiewerk ondervindt haperingen. Een manier om wachttijden systematisch te registeren vraagt heel wat denkwerk. Nochtans kan dit rechtstreeks aantonen hoe impactvol een beslissing van het beleid is. Daarnaast zijn ook epidemiologische data nodig en cijfers over het zorggebruik. Zo groeien we toe naar population mental health.

Meer erkenning nodig

Mensen met een psychische kwetsbaarheid worden nog te vaak gediscrimineerd. Onder meer door verzekeringsmaatschappijen, maar ook de kost van een psychiatrische opname is niet inbegrepen in de maximumfactuur en vallen mensen met psychische problemen niet onder het statuut van chronisch zieken. Bovendien wordt de expertise van ervaringsdeskundigen en hun familie niet erkend. Een duidelijk kader voor hun unieke inzichten die de kwaliteit van GGZ bevorderen in de nulde, eerste, tweede en derde lijn is nodig.

Tot slot roept de SGGG op om met alle stakeholders samen de GGZ van de toekomst uit te bouwen. De versnipperde en gedeelde bevoegdheden in ons land zijn een hindernis om zorg efficiënt en kwalitatief te organiseren.

Alle informatie en bronmateriaal vind je terug via statengeneraalggz.be.

[1] https://www.healthybelgium.be/en/health-status/mental-health/anxiety-and-depression

[2] https://www.healthybelgium.be/en/health-system-performance-assessment/specific-domains/mental-health#MH-1 en https://www.zelfmoord1813.be/feiten-en-cijfers/cijfers-over-su%C3%AFcide-en-su%C3%AFcidepogingen/su%C3%AFcides-in-vlaanderen

[3] https://www.healthybelgium.be/en/health-status/burden-of-disease/disability-adjusted-life-years, https://www.healthybelgium.be/en/health-status/burden-of-disease/years-lived-with-disability en https://www.healthybelgium.be/en/health-status/burden-of-disease/years-of-life-lost

[4] https://www.oecd.org/health/mental-health-problems-costing-europe-heavily.htm

[5] https://www.healthybelgium.be/en/health-system-performance-assessment/specific-domains/mental-health#MH-3


Expertise rond geestelijke gezondheid noodzakelijk voor optimale eerstelijnszorg

Binnen de eerste lijn is de nood aan ondersteuning op het vlak van geestelijke gezondheidszorg groot. Thuisverpleegkundigen spelen hierbij een belangrijke rol. Ze staan in nauw contact met de zorgvragers en kunnen snel signalen opvangen. Door referentieverpleegkundigen in te zetten en de samenwerking met de GGZ-partners te verbeteren, wil het Wit-Gele Kruis hun medewerkers de nodige tools geven om de stap naar de juiste zorg te vergemakkelijken.

In België neemt het aantal mensen met psychosociale problemen toe. Ook in de eerste lijn is deze evolutie merkbaar, waardoor thuisverpleegkundigen steeds vaker geconfronteerd worden met bijkomende zorgvragen van hun patiënten. Om hierop een antwoord te bieden, bouwt het Wit-Gele Kruis diverse initiatieven uit binnen de eigen organisatie en zet het sterk in op een goede samenwerking met de verschillende partners binnen de geestelijke gezondheidszorg. Zo heeft elke provincie in het Wit-Gele Kruis een referentiedomein GGZ opgezet, waarbinnen referentieverpleegkundigen aan de slag zijn.

“In de eerste lijn merken we de laatste jaren meer complexe zorgsituaties op, onder meer door de afbouw van het aantal bedden in de residentiële GGZ en de opstart van de mobiele teams. Daardoor is meer aandacht nodig voor de psychosociale problemen van onze patiënten in hun thuiscontext, bij wie we wondzorg, toiletzorg of medicatie toedienen. We moeten in die thuiscontext oog hebben voor wat leeft bij de patiënt en meer aanbieden dan enkel somatische zorg”, zegt Ilse Vandepoel, stafmedewerker zorgkwaliteit met expertise in geestelijke gezondheidszorg en dementie voor het Wit-Gele Kruis Vlaams-Brabant.

Referentieverpleegkundigen

Binnen het Wit-Gele Kruis ondersteunen referentieverpleegkundigen GGZ de brede groep thuisverpleegkundigen. Zo nemen referentieverpleegkundigen deel aan huisbezoeken bij patiënten waar het minder goed gaat, kijken ze wat er aan de hand is en vooral wat nodig is. Ze geven zelf geen therapie en starten geen begeleidingstraject op, maar trachten met het GGZ-netwerk de patiënt zo goed mogelijk te omringen. Daarnaast verhogen referentieverpleegkundigen de deskundigheid van thuisverpleegkundigen om met moeilijke situaties om te gaan. Denk aan agressief of verward gedrag bij een specifieke pathologie.

Thuisverpleegkundigen hebben het voorrecht om bij patiënten te komen waar andere zorgverleners niet altijd toegang toe krijgen. Ze bouwen een vertrouwensrelatie op en proberen zo de brug te slaan naar psychosociale ondersteuning. Ilse: “De geestelijke gezondheidszorg is een complexe omgeving, zeker voor meer kwetsbare patiënten. Wij willen dat contact vergemakkelijken en onze patiënten sneller bij de juiste zorgverlener krijgen. Om dit te realiseren hebben het GGZ-netwerk en de eerstelijnspartners sterk geïnvesteerd in elkaar beter te leren kennen. Daardoor is de drempel tussen beide lager en slagen we erin onze patiënten tijdig door te verwijzen. De combinatie van het mogen aanwezig zijn bij de patiënt, onze eigen kennis over geestelijke gezondheidszorg en de expertise vanuit het GGZ-netwerk is bijzonder krachtig en leverde al mooie resultaten op.”

Wisselwerking tussen partners

Naast de inzet van het Wit-Gele Kruis beweegt ook heel wat op samenwerkingsniveau tussen de eerstelijnspartners en het GGZ-netwerk. “Er lopen verschillende initiatieven om de wisselwerking en het contact te bevorderen met als doel onze kwaliteit van zorg te handhaven: de deskundigheidsbevordering vanuit de ELP-conventie (eerstelijnspsychologen), lerende netwerken, netwerkevents en shared care-samenwerkingen”, gaat Ilse verder. “Vanuit de ELP-conventie kregen de eerstelijnspsychologen de opdracht om de deskundigheid binnen de eerste lijn te verhogen. Ook bij de mobiele teams kunnen we hiervoor terecht. Thuisverpleegkundigen komen sneller bij patiënten met een klein netwerk of in een complexe zorgsituatie, maar hebben niet altijd de nodige kennis om met bepaalde pathologieën of situaties om te gaan. In onze provincie organiseren we hierover verschillende overlegmomenten tussen de eerste lijn en de GGZ-partners. Zo willen we de expertise van de mobiele teams en eerstelijnspsychologen aanwenden om specifieke casussen beter aan te pakken.”

Een ander voorbeeld zijn de lerende netwerken opgezet binnen een gemeente of stad, zoals het lerend netwerk Diletti in Leuven, waarbij leden van GGZ- en eerstelijnsorganisaties samenkomen om dossiers te bespreken en van elkaar te leren wat ze in bepaalde situaties kunnen doen. “Daarnaast bestaan er ook netwerkevents. Dit zijn leermomenten met workshops die een bepaald onderwerp uitlichten, bijvoorbeeld rond zorgcontinuïteit voor suïcidale personen. Een partner krijgt zo de kans zijn expertise in de kijker te zetten en te delen met de andere partners.”

Gedeelde zorg vergemakkelijken

Tot slot werken de betrokken partners ook op individueel niveau anders samen. Ilse: “Het is gebruikelijk dat een aanmelding voor een patiënt via een huisarts verloopt. Die werkwijze heeft uiteraard ook onze voorkeur, maar sommige van onze patiënten willen geen huisarts. Daarom zijn we via shared care-protocollen overeengekomen dat de referentieverpleegkundigen in onze regio ook aanmeldingen mogen doen. Voor ons is dat een luxe. Op basis van onze aanmelding bekijken de mobiele teams wat de vraag is, wie kan helpen en wie we het best contacteren. Zo hebben we niet alleen het vertrouwen dat onze casus ter harte genomen wordt, maar komen we ook veel sneller bij de juiste zorgverlener terecht. Dat is van onschatbare waarde. Vanuit onze organisatie engageren wij ons om onze thuisverpleegkundigen op te leiden in signaaldetectie en leren ze hoe een gesprek aan te gaan met een patiënt. We dragen een enorme verantwoordelijkheid naar mensen die heel kwetsbaar zijn en willen dan ook alles in het werk stellen om die verantwoordelijkheid goed op te nemen.”

Wie is Ilse Vandepoel?

  • studeerde verpleegkunde, master in de verpleegkunde en de vroedkunde, en master in het management en het beleid van de gezondheidszorg
  • werkte tien jaar in de GGZ: eerst op de eenheid voor psychiatrische spoedinterventie in het UZ Leuven, vervolgens als liaisonverpleegkundige op de geriatrische afdelingen van het UZ Leuven
  • werkt als onderzoeker, lector verpleegkunde en domeinverantwoordelijke GGZ aan de Hogeschool UCLL sinds 2012


Goed wonen is een basisrecht, ook voor mensen met een psychische kwetsbaarheid

In Zoersel wonen sinds maart 2023 zestien mensen met een psychische kwetsbaarheid in nieuwe studio’s. Deze maken deel uit van een nieuw woonproject binnen GGZ Bethanië, een zorgvoorziening van de vzw Emmaüs, om zo zelfstandig mogelijk het leven opnieuw op te nemen na een lange opname. Met deze nieuwe woonvorm wil de vzw een steentje bijdragen om tegemoet te komen aan de grote woonnood voor mensen die kampen met een psychosociale problematiek. “Wonen is een basisbehoefte”, benadrukt onderzoeker Jürgen Magerman.

De bestaande groepswoningen van beschut wonen De Sprong in Zoersel waren aan vernieuwing toe. Er is al enkele jaren een duidelijke verschuiving merkbaar in de vraag naar meer individuele studio’s in plaats van groepswoningen. Daarom besloot vzw Emmaüs de oude gebouwen af te breken en opnieuw op te bouwen als individuele studio’s. Bovenop deze woonvorm van beschut wonen werden nog zestien extra woongelegenheden bijgebouwd onder de noemer betaalbaar wonen. Hiermee voorziet vzw Emmaüs in een bijkomende schakel in het zorgcontinuüm van GGZ Bethanië. De zestien studio’s in dit woonproject worden verhuurd met een regulier huurcontract, net zoals op de private huurmarkt. In tegenstelling tot beschut wonen is een begeleidingscontract hier geen verplicht selectiecriterium. Annelies Van de Mierop, woondeskundige bij GGZ Bethanië licht toe: “Als sociaal geëngageerde verhuurder proberen we de weegschaal in balans te houden tussen enerzijds de kwetsbaarheden van de huurder en anderzijds de plichten als huurder. Dit evenwicht zoeken vraagt vooral tijd om op maat van de huurder te communiceren, met een respectvolle, geduldige houding en de wil om creatief mee na te denken. Naast betaalbaarheid, zelfstandigheid en inzet op ontmoeting, zijn deze essentieel op het vlak van wonen.”

Grote vraag botst op te beperkt aanbod

GGZ Bethanië heeft 621 plaatsen en bedden. In 2022 vingen ze 2.273 patiënten op. Meer dan honderd van hen staan tijdens hun behandeling gedomicilieerd op het ziekenhuis of hebben geen perspectief om door te stromen. Velen van hen zijn zoekende en/of wachtende op een juiste plek naar een woonzorgcentrum, PVT, IBW, VAPH-voorziening, de private of sociale woonmarkt. Annelies: “We realiseerden al mooie en waardevolle samenwerkingen met lokale besturen en woonmaatschappijen in onze regio. Maar het tekort aan betaalbare huisvesting is zo alomtegenwoordig, dat er veel meer nodig is dan dat. De impact van de huidige woningmarkt is namelijk overal voelbaar, niet enkel voor mensen met een psychische kwetsbaarheid. Dat brengt met zich mee dat er veel strengere regels rond wonen gecreëerd en opgelegd worden en die staan haaks op het recht op wonen. Met ons woonproject willen we hierin het verschil maken en iemand vanuit een woonwens en woonnood een thuis geven, zonder al te veel extra opgelegde randvoorwaarden, eindtermijnen en uitsluitingscriteria. Die zijn er al voldoende. Het is een druppel op een hete plaat, maar wel een zeer betekenisvolle kans voor enkelen.”

Bestaanszekerheid is een basisbehoefte

Onderdak hebben leidt tot bestaanszekerheid. “Beschikken over een onderdak” staat onderaan in de piramide van Maslow als een basisvoorwaarde voor veiligheid en zelfontplooiing. Bijkomend vertonen mensen die in een onveilige omgeving resideren een significant hoger risico op het ontwikkelen van lichamelijke en/of psychische aandoeningen[1]. “Door de enorme huurcrisis komt de woonnood te vaak in het gedrang”, benadrukt Jürgen Magerman, onderzoeker bij het Equality Research Collective en lector bij HOGENT: “Mensen met een psychische kwetsbaarheid komen door de hoge prijzen of de strenge huurvereisten terecht in moeilijkere buurten of in woningen in een meer erbarmelijke staat. Onderzoek wijst uit dat zij te gemakkelijk in sociaal isolement terechtkomen en dat hulpverleners een essentiële rol kunnen vervullen om dit isolement te doorbreken. Het gaat hierbij dus om meer dan het aanbieden van een betaalbare en kwaliteitsvolle woonst. Om een zorgende gemeenschap te creëren is er dan ook een grote nood aan ondersteuning in de maatschappij van kwetsbare doelgroepen waar ook GGZ-patiënten toe behoren.”

Het belang van het inzetten van innovatieve methodieken zoals Kwartiermaken valt dan ook niet te miskennen. Kwartiermaken is een veilige, warme plek creëren voor kwetsbare personen binnen een buurt, zodanig dat ze succesvol kunnen deelnemen aan de samenleving. “Gespecialiseerde zorgprofessionals zoals wijkwerkers, maar ook hulpverleners uit mobiele teams bouwen een ondersteunend netwerk uit om zo de lokale community klaar te maken voor mensen met een psychische kwetsbaarheid”, zegt Jürgen. “Zulke trajecten zijn intensief, van lange duur en moeilijk te capteren in harde, te meten eindindicatoren maar leiden ertoe dat buurtbewoners elkaar beter leren kennen, begrijpen en ondersteunen. Er bestaan al projecten zoals Zorgzame Buurten, maar het is zeer belangrijk dat overheden meer middelen vrijmaken voor projecten die zich specifiek op kwetsbare groepen richten.”

[1] Anda RF, Felitti FJ, Bremner MD, Walker JD, Whitfield C, Perry BD, Dube SR, & Giles WH (2006). The enduring effects of abuse and related adverse experiences in childhood. European Archives of Psychiatry and Clinical Neuroscience. 256(3) 174-186.


“Het denkkader voor verpleegkunde in de geestelijke gezondheidszorg is anders dan voor algemene verpleegkunde”

Generieke basisopleiding verpleegkunde heeft voor- en nadelen

Een generieke basisopleiding verpleegkunde levert multi-inzetbare personeelsleden. Sinds de hervorming naar de vierjarige bachelor en daardoor het schrappen van de specifieke opleiding tot psychiatrisch verpleegkundige is het aanwerven van pas afgestudeerde verpleegkundigen met de nodige psychotherapeutische kennis en vaardigheden een uitdaging, stelt prof. dr. Sofie Verhaeghe van de Universiteit Gent: “Verpleegkundigen hebben een veelzijdig beroep met een grote verantwoordelijkheid en praktijkgerichtheid. De visies en de theoretische kaders voor somatische zorg zijn echter niet volledig gelijklopend met die voor psychiatrische zorg, hier knelt het schoentje.” Hogeschool VIVES, Universiteit Gent en UZ Gent voeren een debat.

Sinds het academiejaar 2016-2017 duurt een professionele bacheloropleiding verpleegkunde vier jaar. In die generieke opleiding verpleegkunde zitten GGZ-thema’s verweven in de vernieuwde vakken. “Voor de steeds complexer wordende noden in de GGZ en wat daardoor van GGZ-verpleegkundigen verwacht wordt, is dat een nadeel”, vindt Hanne Vandewiele, verpleegkundig specialist psychiatrie in het UZ Gent en lid van de werkgroep GGZ van NETWERK VERPLEEGKUNDE. “In de praktijk starten net afgestudeerde bachelors met minder GGZ-handvaten. Door de vaak kortere GGZ-stages en een beperktere GGZ-context hanteren ze meer stereotiepe benaderingen van de doelgroep. We proberen hen inhouse bij te scholen, maar we merken dat we niet meteen kunnen verdiepen omdat we eerst de basiskennis en de vaardigheden die nodig zijn voor de psychiatrische verpleegkunde moeten bijschaven.”

Opleidingshoofd verpleegkunde aan de VIVES-hogeschool Heidi Schepers ziet het vanuit een onderwijsbril anders: “De leertijd voor basisverpleegkundigen is met een jaar verlengd. Binnen die tijd doorlopen onze studenten heel wat stages van minimum vijf weken. Dat doen we bewust om een representatief beeld mee te geven van wat afdelingen inhouden. In het derde jaar kunnen studenten kiezen voor een GGZ-stage en in het vierde zijn er langdurige stages, keuzevakken en de mogelijkheid om een bachelorproef te maken over psychische kwetsbaarheid. Studenten kunnen zo meer dan 40 studiepunten verzamelen binnen het domein GGZ.”

Verpleegkundige als belangrijkste instrument voor zorg

De vraag naar goed opgeleide verpleegkundigen in de GGZ is groot. Dat bevestigt ook prof. dr. Sofie Verhaeghe van de masteropleiding verpleegkunde en vroedkunde aan de Universiteit Gent: “De generieke basisopleiding vertrekt vaak vanuit de somatische klachten van patiënten. Het denkkader en de methodieken voor psychische kwetsbaarheden zijn anders. Voor lichamelijke klachten beschikt de verpleegkundige naast het relationele en interpersoonlijke over een waaier aan technische hulpmiddelen en interventies. In de GGZ zijn de psychotherapeutische kennis en vaardigheden van de verpleegkundige het belangrijkste instrument en die ontbreken in de basisopleiding verpleegkunde.”

Dat relationele en verpleegkundige vaardigheden bij GGZ anders liggen dan bij de somatische zorg is duidelijk. Al mag je volgens Heidi die verdeling niet zwart-wit benaderen. “Alle verpleegkundigen hebben baat bij een stevige basis relationele visie, in welke setting dan ook”, zegt ze. “Vroeger lag de focus in de eerste twee jaren op somatische zorg en kon je pas vanaf het derde jaar specifiek voor GGZ kiezen. Maar in deze vierjarige opleiding beginnen de leerlijnen rond relationele vaardigheden al vanaf het eerste jaar. Net omdat de opsplitsing tussen somatische zorg en psychosociale zorg in veel gevallen niet meer opgaat.”

Relationele vaardigheden zijn essentieel maar onvoldoende voor GGZ

Een generieke basis die vertrekt vanuit een doorgedreven bio-psychosociaal kader is zinvol, benadrukt Sofie: “Het brede perspectief biedt inzicht in verschillende klachten, pathologieën en strategieën. Het houdt verpleegkundigen wakker om verder te kijken. De comorbiditeit bij de huidige zorgvragers neemt steeds toe.” Dat vindt ook Hanne: “Als psychiatrisch verpleegkundige moeten we ons bewust zijn van lichamelijk lijden, maar omgekeerd moeten andere verpleegkundigen ook automatisch psychisch lijden in acht nemen. Ons gezondheidszorgsysteem is momenteel vrij opgesplitst georganiseerd voor GGZ en somatische zorg en als je weet dat een derde van de zorgvragers in het algemeen ziekenhuis bovenop hun somatische klachten ook kampen met psychische kwetsbaarheid, wordt GGZ onderbelicht in de opleiding. Door dat onevenwicht komt de optimale zorg voor patiënten te vaak in het gedrang. Zo merk ik dat de theoretische basiskennis en vaardigheden rond psychopathologie, psychofarmacologie, … verminderd zijn omdat er meer kennis moet verworven worden over ruimere, generieke domeinen en omdat de GGZ-specifieke kennis versnipperd aangeboden wordt waardoor de diepgang verloren gaat.”

Heidi ervaart dit anders: “Ik begeleid zelf stages in het vierde jaar en heb tot nu toe nog niet het signaal gekregen dat studenten onvoldoende opgeleid zijn. Ze krijgen vaardigheden mee rond motiverende gesprekstechnieken, suïcidepreventie en weerstandstrainingen. Ik beaam wel dat studenten niet opgeleid zijn binnen diverse specifieke therapeutische visies. Dat was vroeger in een specialisatiejaar wel breder.”

Evidencebased masteropleidingen in Vlaanderen

Om toch voldoende diepgang en expertise te bewaken binnen de geestelijke gezondheidszorg, biedt UGent een masteropleiding over GGZ aan. Iedereen die een bachelordiploma verpleegkunde behaalt, kan na een schakeljaar in deze masteropleiding tot verpleegkundig specialist GGZ instappen. Dit traject is gebaseerd op theoretische GGZ-denkkaders en visies, de actuele stand van de wetenschappelijke evidentie en fundamentele inbreng van expertise uit het werkveld. Sofie: “Masteropgeleide verpleegkundigen in de GGZ en verpleegkundig specialisten genereren, delen en vertalen wetenschappelijk onderzoek naar de praktijk. Ze creëren op die manier onderbouwde innovatie over de organisatiegrenzen heen. Daardoor verduurzaam je kennis en vaardigheden binnen de geestelijke gezondheidszorg.”

Vormingsreeks GGZ in samenwerking met NETWERK VERPLEEGKUNDE en VIVES

NETWERK VERPLEEGKUNDE West-Vlaanderen voelde de noodzaak om vormingen in te richten over geestelijke gezondheidszorg. De afdeling klopte hiervoor aan bij Hogeschool VIVES die zowel een vierjarige bacheloropleiding verpleegkunde als een postgraduaat GGZ aanbiedt. Het resultaat zijn vier sessies die telkens een ander aspect van psychische kwetsbaarheden uitlichten.

Hogeschool VIVES organiseert in samenwerking met NETWERK VERPLEEGKUNDE West-Vlaanderen vier vormingen over geestelijke gezondheidszorg. De uitgebreide expertise van Christophe Casteleyn en Annelies Verkest, twee lectoren binnen de opleiding GGZ aan de hogeschool, speelt hierin een belangrijke rol. Christophe: “We zijn allebei zelf psychiatrisch verpleegkundigen met ruime praktijkervaring. Vanuit onze ervaring en voeling met het werkveld en in samenwerking met het Wit-Gele Kruis, het AZ Sint-Lucas en het psychiatrisch ziekenhuis Onzelievevrouw, geven we de vier opleidingsdagen vorm.”

Nood aan verdieping in het werkveld

De vier vormingen focussen telkens op een ander aspect van psychische kwetsbaarheid: depressie, verslaving, psychose gevoeligheid en suïcidaal lijden. Annelies licht toe: “In de opleidingen combineren we zowel relationele vaardigheden als basiscompetenties bij het werken met cliënten en hun context. Hoe bouw je bij voorbeeld een begeleiding uit? We spelen hierbij in op vragen uit het publiek en brengen de inhoud samen met de expertise van een ervaringsdeskundige. Deze persoon is een echte meerwaarde omdat we de theoretische inzichten direct kunnen linken met de praktijk en omgekeerd. We bereiden iedere sessie dan ook grondig voor zodat we elkaar mooi aanvullen. De vormingen gaan door op vier locaties in Brugge. Het publiek reageert alvast enthousiast en ook de werkgroep ziet veel potentieel en bekijkt om deze reeksen in de toekomst uit te breiden.”

Op 19 september gaat de vorming over psychose gevoeligheid door, op 23 oktober focust men op suïcidaal lijden. Meer info en inschrijvingen via NETWERK VERPLEEGKUNDE West-Vlaanderen.