Een ziekenhuis is geen crisisopvang: waarom sociale opnames blijven toenemen
Een jongen van negen met een mentale beperking verblijft al een jaar op de pediatrische afdeling van een ziekenhuis. Niet omdat hij ziek is, maar omdat er nergens een passende voorziening beschikbaar is en zijn ouders hem niet kunnen opvangen. Dit is een uitzonderlijk lang verblijf, maar voor kinderrechtencommissaris Caroline Vrijens staat dit voorbeeld niet op zichzelf. In een recent advies, waaraan ook NETWERK VERPLEEGKUNDE meewerkte, waarschuwt ze dat steeds meer kinderen en jongeren in een ziekenhuis belanden terwijl ze fysiek niet ziek zijn. “Een ziekenhuis is geen thuis, en toch worden verpleegkundigen vandaag geconfronteerd met situaties die daar eigenlijk niet horen”, zegt ze.
Uit gesprekken met sociale diensten en kinderteams blijkt dat sociale opnames frequenter voorkomen dan gedacht. Caroline: “In elk ziekenhuis dat we bezochten, zei het team dat dit regelmatig gebeurt. Dat was een wake-upcall. We dachten dat het om uitzonderlijke situaties ging, maar dat klopt niet.” Het beeld wordt bevestigd door cijfers van het agentschap Opgroeien: in 2024 werden minstens 120 sociale opnames genoteerd. Volgens het Kinderrechtencommissariaat is dit een onderschatting, omdat niet alle plaatsingen als zodanig worden genoteerd. Ziekenfondsen vragen namelijk altijd om een medische reden, waardoor een sociale opname soms formeel een medische wordt.
Waarom kinderen toch in het ziekenhuis belanden
De redenen voor deze opnames zijn uiteenlopend. Sommige baby’s kunnen niet mee naar huis omdat de thuissituatie onveilig is. In andere gevallen vindt een jeugdrechter geen plaats in een residentiële voorziening, hoewel de nood hoog is. En jongeren die op een crisismoment niet meer thuis kunnen blijven, worden soms naar spoed gebracht om tijd te overbruggen.
Volgens Caroline zijn deze ziekenhuisverblijven geen losstaande incidenten, wel symptomen van een breder maatschappelijk probleem. “Dakloosheid, armoede, psychische kwetsbaarheid, gebrek aan woonkwaliteit en lange wachtlijsten in de jeugdhulp komen samen in één realiteit. Wanneer die systemen onder druk staan, belanden kinderen uiteindelijk op een plek die nooit daarvoor bedoeld is.”
Wanneer kinderrechten onder druk komen te staan
Het advies van het Kinderrechtencommissariaat benadrukt dat deze verblijven meerdere kinderrechten schenden: het recht op onderwijs, vrije tijd en spel, contact met familie en leeftijdsgenoten, en het recht op gepaste begeleiding. “Het zijn vaak kinderen die op dat moment geconfronteerd worden met gevoelens van angst, verdriet of trauma”, zegt Caroline. “Ze hebben iemand nodig die tijd heeft, en precies dat ontbreekt.”
Ziekenhuizen doen wat ze kunnen om deze kinderen en jongeren te ondersteunen, maar ze missen tijd, middelen en de juiste expertise. Verpleegkundigen zijn niet altijd opgeleid om complexe psychosociale noden op te vangen. “Deze kinderen hebben nabijheid en geruststelling nodig, maar de realiteit van een drukke afdeling laat dat niet altijd toe. Die machteloosheid kruipt onder de huid.”
Prenataal ingrijpen: een sleutelmoment dat te weinig benut wordt
Volgens het advies ligt een belangrijk deel van de oplossing voor de geboorte. Vandaag is het wettelijk moeilijk om aanstaande ouders verplicht te begeleiden, waardoor cruciale kansen verloren gaan. Caroline verwijst naar Limburg, waar het project Veilig en omringd opgroeien in de buik, een samenwerking tussen het agentschap Opgroeien en het Virga Jesse ziekenhuis, veelbelovende resultaten toont. “Het is een inspirerend voorbeeld. Door vroeg te begeleiden en gezinnen te versterken, vermijd je dat pasgeborenen wekenlang in een ziekenhuisbed blijven omdat er geen alternatief is.”
Ondersteuning voor verpleegkundigen blijft noodzakelijk
Zolang sociale opnames niet volledig kunnen worden vermeden, moeten ziekenhuismedewerkers beter worden ondersteund. Dat gaat over psychopedagogische expertise, vrijwilligers die tijd kunnen maken voor spel en nabijheid, duidelijke afspraken met jeugdhulp en justitie, interdisciplinaire samenwerking en aandacht voor morele stress. In sommige ziekenhuizen wordt al jaren in die aanpak geïnvesteerd, vaak zonder extra middelen. Zoals in het Virga Jesse Ziekenhuis. “Een twintigtal jaar geleden beslisten we om te investeren in psychomedische zorg. We stapten af van de strikte scheiding tussen het lichamelijke en het psychische en kijken naar het kind of de adolescent in zijn geheel”, licht Philippe Aliet, diensthoofd Kinder- en Jeugdgeneeskunde, toe.
Caroline waardeert die inzet, maar haar boodschap blijft helder. “Verpleegkundigen doen vandaag meer dan hun opdracht omvat. Ze komen tegemoet aan een maatschappelijke nood, maar dat mag niet de norm worden. Kinderen verdienen een veilige, warme en passende plek.”
Aanbevelingen om plaatsing in ziekenhuizen om niet-medische redenen te voorkomen
- Versterk de bescherming van ongeboren kinderen
- Garandeer het recht op wonen voor elk kind
- Zorg dat elk kind gepaste hulp krijgt
- Versterk de crisishulpverlening
- Trek de kaart van continuïteit in de hulpverlening
- Stop het of-ofverhaal van jeugdhulp en kinder- en jeugdpsychiatrie
- Ontwikkel en financier een passend psychiatrisch aanbod voor 15- tot 18-jarigen.
Kan die plaatsing niet vermeden worden, zorg dan dat alle informatie voorhanden is, verzacht dan de overbrenging van het kind, laat professionals op een zorgzame manier informatie delen in het belang van het kind en respecteer zoveel mogelijk het recht op onderwijs, vrije tijd en spel.
VG-MZG: onzichtbare verpleegkundige zorg zichtbaar maken
Met dank aan Carmen Thieren, expert verpleegkundige gegevens bij de FOD Volksgezondheid
Wie aan ziekenhuisdata denkt, komt al snel uit bij medische diagnoses, heelkunde, medicatie en technische behandelingen. Toch zit achter elk zorgtraject een fundament dat veel minder zichtbaar is: de continue, deskundige en vaak intensieve verpleegkundige zorg die patiënten veilig, comfortabel en ondersteund doorheen hun opname loodst. Die zorg vormt het kloppend hart van het ziekenhuis en bleef jarenlang grotendeels onzichtbaar in officiële rapportages en beleidsbeslissingen.
Toch evolueert de verpleegkundige praktijk razendsnel. We werken met steeds complexere zorgvragen, technologische innovaties en met multidisciplinaire samenwerking, personeelsschaarste, en een groeiende nood aan klinisch redeneren. In zo’n context is het essentieel dat verpleegkundige activiteiten niet alleen worden uitgevoerd, maar ook zichtbaar, meetbaar en overdraagbaar zijn.
Een van de belangrijkste instrumenten om dat in België mogelijk te maken, is VG-MZG: de Verpleegkundige Gegevens binnen de Minimale Ziekenhuisgegevens.
Hoewel elke verpleegkundige vertrouwd is met registreren, is niet altijd duidelijk waarom deze registraties belangrijk zijn, of welke impact ze hebben op zorg, samenwerking en beleid. Wat is de bedoeling en meerwaarde van VG-MZG, en waarom is correcte registratie een professionele verantwoordelijkheid die onze zorg, en niet onze administratie, versterkt?
Minimale registratie met maximale betekenis
VG-MZG is een gestandaardiseerd registratiesysteem dat door alle Belgische ziekenhuizen gebruikt wordt. Het maakt deel uit van de officiële MZG-registratie van de FOD Volksgezondheid. Cruciaal is dat VG-MZG geen volledige inventaris vormt van alles wat een verpleegkundige kan of moet doen. Het is bewust ontworpen als een minimaal instrument: met zo weinig mogelijk registratielast toch een zo duidelijk en betrouwbaar mogelijk beeld vormen van de zorgbehoefte van een patiënt. Het doel is dus focus, niet volledigheid.
Correcte registratie is meer dan administratie
Een goed verpleegkundig dossier vormt het fundament van veilige zorg. Het legt vast wat er gebeurt, waarom bepaalde keuzes gemaakt worden en hoe de toestand van een patiënt evolueert. Het is niet louter een administratieve verplichting, maar een klinisch hulpmiddel dat de continuïteit van zorg garandeert, risico’s vermindert en garandeert dat collega’s exact kunnen voortbouwen op wat eerder gebeurde. Een volledig en correct ingevuld verpleegkundig dossier laat het klinisch redeneren van de verpleegkundige zien en maakt het mogelijk om als team consequent en onderbouwd te handelen. Dit ondersteunt niet alleen de zorgcontinuïteit, maar ook de onderlinge samenwerking tussen verpleegkundigen, artsen en andere disciplines.
Een correcte registratie maakt bovendien duidelijk hoe intensief en complex bepaalde zorg is. Het wordt mogelijk om zorgzwaarte objectief in kaart te brengen en te begrijpen waarom sommige patiënten of afdelingen meer tijd en expertise vereisen. Dat inzicht is waardevol voor personeelsplanning, taakverdeling en het bespreekbaar maken van werkdruk, maar ook om evidencebased verbeteracties te formuleren. Wanneer teams zien welke interventies vaak voorkomen of welke risico’s zich herhalen, ontstaat ruimte voor reflectie, leren en optimaliseren.
Realiteit van zorg
De VG-MZG helpt om de realiteit van verpleegkundige zorg zichtbaar te maken voor beleidsmakers, onderzoekers en zorgorganisaties. De gegevens worden op nationaal niveau gebruikt om evoluties op te volgen, noden in kaart te brengen en toekomstige hervormingen voor te bereiden. Zo speelde verpleegkundige informatie een belangrijke rol in verschillende KCE-studies. In het rapport over de hervorming van intensieve zorg bijvoorbeeld werd uitgebreid onderzocht hoe zwaar de werkbelasting voor IC-verpleegkundigen werkelijk was, onder meer tijdens de COVID-19-pandemie. Door gedetailleerde registraties van interventies, zorgzwaarte en monitoring werd duidelijk dat de combinatie van hoge complexiteit en een krappe personeelsbezetting leidde tot een verhoogde zorgdruk, risico’s in de zorgverlening en een reëel verlies aan personeel.
Dezelfde aanpak werd gebruikt in studies naar veilige verpleegkundigenratio’s in acute ziekenhuizen, waarin de geregistreerde zorgzwaarte en frequentie van verpleegkundige interventies mee de basis vormden voor aanbevelingen over minimale en veilige bezettingsnormen. Zulke analyses tonen hoe waardevol betrouwbare verpleegkundige gegevens zijn: zonder zicht op wat verpleegkundigen werkelijk doen, blijft een groot deel van de zorg onzichtbaar in beleidsvorming. Hoe correcter de registratie gebeurt, hoe sterker de verpleegkundige praktijk vertegenwoordigd is in beslissingen over financiering, zorgnormen en organisatie van de gezondheidszorg. In die zin draagt elke verpleegkundige, door zorgvuldig te registreren, rechtstreeks bij aan een betere en eerlijkere toekomst voor het beroep.
De zes domeinen: een overzicht van wat verpleegkundigen echt doen
De VG-MZG-handleiding groepeert interventies in zes domeinen die samen het hart van onze zorg weerspiegelen:
- Elementaire fysiologische zorg
Basiszorg: voeding, hygiëne, comfort, uitscheiding, pijnobservatie, basismonitoring. - Complexe fysiologische zorg
Klinisch-technische interventies zoals medicatie, infusies, respiratoire ondersteuning, wondzorg, thermoregulatie en neurologische opvolging. - Gedrag en psychosociale zorg
Educatie, ondersteuning bij communicatie, emotionele begeleiding, crisisinterventie. - Veiligheid en risicobeheer
Preventie van complicaties, bewaking van vitale functies, toezicht op risico-situaties. - Gezin en contextzorg
Familiegerichte zorg, perinatale ondersteuning, ouderschapsbegeleiding, kangoeroezorg. - Diagnostiek en zorgcoördinatie
Multidisciplinair overleg, voorbereiding en opvolging van diagnostiek, evaluaties en organisatorische zorgrollen.
Samen vormen deze domeinen een helder, multidimensionaal zorgbeeld: van basiszorg tot hoogtechnologische monitoring, van emotionele ondersteuning tot zorgcoördinatie.
Bacheloropleiding verpleegkunde in de lift
Dit academiejaar zijn 8.085 studenten ingeschreven voor de bacheloropleiding verpleegkunde, een stijging van 2,71 procent ten opzichte van 2024-2025. Die verhoging situeert zich vooral bij de generatiestudenten. Daar zien we maar liefst 14,16 procent meer studenten dan vorig academiejaar. Ook bij de studiestarters zien we 8,93 procent meer inschrijvingen. Positieve cijfers, dus. Dat vindt ook Vlaams Zorg- en Welzijnsambassadeur Candice De Windt.
“We stellen vast dat zeventig procent van de studenten jonger is dan 25 jaar”, zegt Candice. “Dat is een serieuze opsteker en betekent dat weer meer jongeren kiezen voor een opleiding verpleegkunde. Toch merken we bij de studenten tussen 25 en 40 jaar een daling van 2,24 procent. Zij-instromers zijn belangrijk voor verpleegkunde. Ik vermoed dat de daling hier te maken heeft met de onduidelijkheden over de werkloosheidsuitkering. Er is een uitzondering voor verpleegkunde afgesproken, maar hoe die er precies zal uitzien is nog niet verankerd in de wetgeving. Die onzekerheid heeft een impact. Daar kan je niet omheen.”
En de opleiding basisverpleegkunde?
De hervormingen binnen het verpleegkundig beroep beïnvloeden de inschrijvingen van de opleiding basisverpleegkunde. Dat was vorig jaar zo en is dit jaar niet anders. “We stellen opnieuw een daling vast, maar die is minder groot dan vorig jaar”, licht Candice toe. “In 2023-2024 telden de HBO5-opleidingen nog 6.612 studenten, vorig jaar waren dat er 5.762 (-12,86 procent) en dit jaar tikken we af op 5.547 studenten (-3,73 procent). Toch ontvangen we optimistische signalen van enkele scholen. We merken dat wie positief communiceert over de hervorming en de opleiding, dat ook weerspiegelt ziet in betere cijfers. Daarnaast wil ik een oproep lanceren naar de sociale partners om enerzijds zo snel mogelijk de verloning voor basisverpleegkundigen te verduidelijken en anderzijds werk te maken van een haalbare brugopleiding zodat de scholen deze kunnen inrichten.”
Negen procent meer studiestarters
Het totaal aantal inschrijvingen voor verpleegkunde stijgt met deze cijfers opnieuw naar het niveau van 2021. “We zitten terug boven de 8.000 studenten. Dat is mooi en biedt kansen, voor de uitstraling van het beroep en voor de toekomst van onze zorg en van verpleegkunde waar we elk verpleegkundig talent nodig hebben. Zeker de bijna negen procent extra studiestarters dit academiejaar zijn een opsteker”, zegt Candice nog. “De oorzaak? Ik denk dat de geopolitieke onzekerheden er voor iets tussen zitten. Dat zijn tijden waarin je ziet dat mensen kiezen voor meer klassieke opleidingen en voor zekerheid.”
Meer studenten betekent ook meer stageplaatsen. In juni studeren bovendien de eerste basisverpleegkundigen af. Is het werkveld daar klaar voor? “Je ziet veel verschillen”, besluit Candice. “Ik kan alleen oproepen om maximaal in te zetten op beide profielen. Begeleid de studenten en de starters in je organisatie. Basisverpleegkundigen zijn ontzettend waardevol en inzetbaar binnen een gestructureerd zorgteam en krijgen ook alle kansen tot professionalisering, groei en uitbreiding van hun talenten en competenties binnen de visie van levenslang leren.”
Handhygiëne: elke dag telt
Handhygiëne is de basis van veilige zorg. Toch blijkt het in de praktijk niet zo vanzelfsprekend. In het AZ Sint-Lucas Gent werken verpleegkundigen en diensthoofden samen aan een aanpak die verder gaat dan een tijdelijke campagne. Verpleegkundigen infectiepreventie Camelia Bogaert (voorzitter van de werkgroep infectiepreventie) en Ilse De Cock vertellen hoe zij dit aanpakken.
Elk jaar zet AZ Sint-Lucas in Gent op 5 mei de dag van de handhygiëne in de kijker. Die dag staat dan helemaal in het teken van handhygiëne, maar uit interne audits van het ziekenhuis blijkt dat slechts 60 tot 70 procent van de zorgverleners handhygiëne correct toepast. Er is dus ruimte voor verbetering. Het ziekenhuis zocht daarom naar een manier om handhygiëne het hele jaar levend te houden.
Cijfers naar de teams brengen
Het team infectiepreventie gooide het vorig jaar over een andere boeg. Camelia: “We brengen de cijfers nu naar de diensten. Tijdens systematische overlegmomenten bespreken we hoe het op de afdeling gaat: Wat loopt goed? Waar kan het beter? Zo maken we hiaten zichtbaar en voelt iedereen zich meer betrokken om er iets aan te doen. Elk team krijgt de ruimte om passende oplossingen te bedenken.”
En dat werkt. Verpleegkundigen komen nu zelf met praktische ideeën, zoals dispensers ‘at the point of care’, hygiënestations, reinigende en desinfecterende handhygiënewipes voor patiënten met bedrust, enz. Het zijn allemaal kleine verbeteringen die het dagelijkse werk efficiënter maken en de patiëntenveiligheid verhogen. Ilse: “Die ideeën komen rechtstreeks van de vloer. Deze bottom-up aanpak is essentieel. Het motiveert hen om eigenaarschap te nemen over het onderwerp en nog meer aandacht te besteden aan handhygiëne.”
Erkenning en motivatie
Als voorbereiding voor 5 mei 2025 was er ook een overlegmoment waar dienstverantwoordelijken, referenten infectiepreventie en leden van het management samenkwamen om de verbeterprojecten voor handhygiëne te bespreken. Camelia: “Iedereen stelde zijn verbeterprojecten voor. Het was mooi om te zien hoe verpleegkundigen erkenning kregen voor hun inzet”.
De volgende stap? Patiënten nog meer betrekken bij handhygiëne. Ilse: “Uit een bevraging merkten we dat dit nog beter kan. Daarom organiseren we themagesprekken en infomomenten. Door patiënten te informeren over het belang en de juiste uitvoering van handhygiëne, maken we er een gedeelde verantwoordelijkheid van.”
Volgens Camelia vraagt handhygiëne een cultuurverandering. “Je moet het hele ziekenhuis meehebben in dit verhaal. Het blijft een uitdaging, maar ook een boeiende zoektocht. Onze rol is om manieren te vinden die het vuur brandend houden. Handhygiëne verdient meer dan één dag aandacht per jaar. Het is elke dag opnieuw de onmisbare basis van goede zorg.”
Vier tips voor een consequente handhygiëne
- Maak het zichtbaar en bereikbaar
Zet dispensers daar waar je ze nodig hebt: at the point of care, in de behandelkamer, in de gang. Hoe minder meters je moet afleggen, hoe groter de kans dat je het ook effectief doet. - Bevorder gezamenlijk eigenaarschap met data
Maak handhygiëne een vast punt op het teamoverleg. Toon de resultaten, benoem wat goed loopt en wat beter kan. Zo wordt iedereen mee verantwoordelijk. - Creëer draagvlak en hou het thema levend
Herhaal de boodschap op verschillende manieren: via posters, korte reminders tijdens een briefing of een compliment als je een collega ziet ontsmetten. Vier kleine successen. - Betrek patiënten
Moedig patiënten aan om hun eigen handhygiëne in acht te nemen en om zorgverleners er op een laagdrempelige, positieve manier aan te herinneren hun handen te desinfecteren. Open dialoog versterkt het wederzijdse vertrouwen.
Van drukte naar doorstroom: piekcapaciteit vergroten door reverse triage
Als je de doordeweekse drukte op een spoedafdeling kent, kan je enkel vrezen voor de toestroom wanneer er zich een ramp voltrekt. Want wat als een trein ontspoort, er een nieuwe epidemie opduikt of oorlog uitbreekt? Gwen Pollaris onderzocht binnen de onderzoeksgroep Urgentiegeneeskunde aan de KULeuven welke rol Reverse Triage kan spelen om efficiënter om te springen met de beddencapaciteit van ziekenhuizen en hoe dit proces kan worden geïntegreerd in de dagelijkse praktijk.
Hoe kan je als ziekenhuis efficiënter omgaan met de toestroom aan patiënten tijdens grootschalige incidenten of crowdingpieken? Die vraag probeert Gwen Pollaris, doctoraatsonderzoeker aan de KULeuven, te beantwoorden. Wanneer je overweldigd wordt door een onvoorziene en plotse toestroom aan patiënten of slachtoffers heb je vier zaken nodig: een systeem dat je snel kan ontplooien om adequate zorg te garanderen bovenop het normale operationele niveau, extra personeel, voldoende plaats en materiaal om alle patiënten te verzorgen. Daarvoor kan je de geplande zorg van de dag nadien uitstellen en zo andere patiënten opnemen in deze bedden (denk aan electieve chirurgie uitstellen) maar binnen de onderzoeksgroep zien ze nog een andere mogelijkheid: patiënten identificeren die, op een veilige manier, iets vroeger dan gepland kunnen worden ontslagen. Naar huis, woonzorgcentrum, kortverblijf, revalidatiecentrum of naar een alternatieve locatie in tijden van ramp. Op deze manier komen er bedden vrij voor patiënten die een hogere (acute) zorgnood hebben. Omgekeerde triage, dus.
Piekcapaciteit vergroten
Wanneer het ziekenhuis zijn maximale zorg- en opvangcapaciteit tijdelijk opschaalt om een onverwachte toestroom aan patiënten op te vangen, noemen we dat de piekcapaciteit. Om die piekcapaciteit te vergroten ziet de onderzoeksgroep van de KULeuven potentieel in het framework van reverse triage. “Het is een begrip dat historisch gezien afstamt van de militaire wereld waarbij lichtgewonde soldaten het eerst behandeld werden zodat ze sneller terug de gevechtseenheden konden vervoegen om zo de oorlog te winnen”, licht Gwen toe. “Een medische vertaalslag hiervan is dat je gehospitaliseerde patiënten met de minst (acute) zorgnood en een laag risico op complicaties of heropname het ziekenhuis laat verlaten. Er vindt als het ware een multidisciplinaire triage plaats aan de achterdeur van het ziekenhuis. Welke patiënten liggen hier die we eigenlijk niet of nog heel weinig moeten behandelen? En kunnen we die behandeling elders veilig verderzetten?”
Wanneer is die reverse triage nu nodig? Gwen haalt een voorbeeld aan uit het UZ Leuven. “De CEDOCS-score is een gevalideerde score waarmee de mate van crowding op een spoedgevallendienst objectief gemeten wordt. Vanaf een score van 140 spreken we over zware overcrowding. Die drempel wordt op onze spoedgevallendienst op een doordeweekse maandag vlotjes overschreden. Wat als er daarbovenop nog een ramp gebeurt? Supervisoren worden dan gevraagd hun patiënten te beoordelen met het oog op vervroegd ontslag. In de praktijk zijn het de zaalarts en hoofdverpleegkundige die op individueel patiëntenniveau bedside gaan bekijken wie naar huis kan. Een manueel proces dat zeer tijdrovend en arbeidsintensief is. Terwijl we in zo’n situaties geen tijd noch medisch personeel op overschot hebben.”
Een tool om je te adviseren
Gelukkig zijn er manieren om dat proces te optimaliseren. “Sinds papieren dossiers vervangen werden door elektronische, is er heel wat klinische data beschikbaar. Het enige wat nog ontbrak is een tool die die data capteert, analyseert en beleidsondersteunend advies geeft. Dat is wat we met de Reverse Triage Tool Leuven willen doen”, vertelt Gwen enthousiast. “De tool is gebaseerd op een Amerikaans framework uit 2006, dat in onze Europese Delphi-studie met experts uit dertien verschillende landen werd geüpdatet en aangepast aan het Europese gezondheidszorgsysteem.” Die laatste studie werkte ook een theroretische patiëntenclassificatie uit met vijf categorieën, van een minimaal tot zeer hoog risico op het ontwikkelen van een complicatie indien de patiënt zou worden ontslagen. Afhankelijk van hoeveel bedden je nodig hebt en hoeveel patiënten zich in elk van de categorieën bevinden, zal je patiënten uit verschillende categorieën of met verschillende risicopercentages naar huis sturen. Een beslissingsboom op basis van medisch relevante grenswaarden, gelinkt aan de kritische interventies vanuit de Delphi studie, werd geïntegreerd in de Reverse Triage Tool Leuven om te bepalen wie je met een minimaal risico zou kunnen ontslaan. De tool bekijkt alle gehospitaliseerde patiënten met uitzondering van patiënten op intensieve zorg en pediatrie omdat deze een andere aanpak vereisen omwille van hun specifieke pathologie en fysiologie. Iedere patiënt die op dat moment geen noodzaak heeft aan een kritische interventie en waarvan de vitale parameters de grenswaarden niet overschrijden, worden gebundeld in een overzicht. Voor deze patiënten zal een multidisciplinair assessment plaatsvinden om te bepalen of ze al dan niet ontslagen kunnen worden. Het is dus steeds een professional die de knoop doorhakt. “Belangrijk hierbij is dat de patiënt ook daadwerkelijk veilig naar huis moet kunnen worden ontslagen (sociale omkadering). In rampsituaties kunnen patiënten die wel medisch maar niet sociaal ontslagen kunnen worden wel tijdelijk op een externe locatie opgevangen worden.”
In rampen en daarbuiten
De aangeleverde data vanuit de Reverse Triage Tool Leuven kan de basis vormen van een uitgebreider Surge Capacity Dashboard. Dit is een dynamisch realtime overzicht van de potentiële piekcapaciteit van een afdeling of medische discipline (microniveau), ziekenhuis (mesoniveau) of het volledige Belgische ziekenhuislandschap (macroniveau). In een ideale wereld zou de Federale Overheid de realtime surge capacity van alle ziekenhuizen kunnen zien en zo de distributie van slachtoffers van een pandemie of langdurig grootschalig incident optimaal centraal kunnen coördineren. Ook in de dagelijkse werking van ziekenhuizen kan de tool ondersteunen. Stel dat er in de achtergrond automatisch een risicoscore wordt berekend op individueel patiëntenniveau, dan kan de Reverse Triage Tool Leuven de patiënten met de laagste risicoscores identificeren zodat hiermee rekening kan gehouden tijdens de organisatie van de ochtendtoer. Door deze toename in efficiëntie kunnen bepaalde processen vroeger worden geïnitieerd zodat deze patiënten ook daadwerkelijk vroeger kunnen worden ontslagen.
Next steps
Voor het zover is, moet er nog veel gebeuren. “Op dit moment zijn we bezig met de data-analyse van onze recente multicentrische validatiestudie om te kijken in welke mate de tool betrouwbare resultaten geeft wanneer we deze afwegen tegenover de effectieve multidisciplinaire ontslagbeslissing (medisch-verpleegkundig). Afhankelijk van de resultaten zal de tool verder worden geoptimaliseerd. Tot slot heeft ook het reverse triage scoresysteem nog een operationele vertaalslag nodig om een brug te slaan tussen theorie en praktijk. We dromen van een uniform software-onafhankelijk systeem voor heel België, of zelfs Europa”, deelt Gwen. “De tool zal het ontslagproces efficiënter laten verlopen maar de beslissing over het ontslag van een patiënt blijft het resultaat van een multidisciplinair assessment op dat moment, zoals het ook nu gebeurt.
Verpleegkundigen bij de brandweer: het beste van twee werelden
Binnen de hulpverleningszones zijn ze intussen niet meer weg te denken: verpleegkundigen met een bijzondere beroepstitel Spoed & Intensieve Zorgen die ook bij de brandweer actief zijn. Meer dan 650 collega’s combineren hun verpleegkundige expertise met het werk van hulpverlener-ambulancier of brandweerman/-vrouw. Twee van hen, Leen Luts en Inge Saels, vertellen hoe die combinatie niet alleen spannend, maar ook bijzonder waardevol is.
Leen Luts werkte jarenlang als spoedverpleegkundige in het ziekenhuis van Diest, onder meer op de mug. Toch voelde ze dat er iets ontbrak. “Ik wilde meer prehospitale ervaring opdoen”, vertelt ze. “Tijdens mijn zoektocht naar een extra opleiding kwam ik toevallig bij de brandweer terecht. Eerst als vrijwilliger, later als beroepsbrandweervrouw.” Sinds oktober 2024 werkt Leen voltijds bij de hulpverleningszone Zuid-West Limburg, in de post Tessenderlo, waar ze ook coördinator dringende geneeskundige hulpverlening (DGH) is. “De combinatie en de afwisseling maken het zo boeiend: brandbestrijding, technische hulp en dringende medische zorg.”
Ook Inge Saels, verpleegkundige in het Heilig-Hartziekenhuis in Leuven, vond bij de brandweer een nieuwe uitdaging. “Ik werk 80 procent in het ziekenhuis, maar in mijn vrije tijd rijd ik als vrijwillig hulpverlener-ambulancier mee met de ziekenwagen van brandweerpost Heusden-Zolder. Het is een mooie aanvulling op mijn ziekenhuiswerk. Je leert andere disciplines kennen, bouwt een netwerk op en wisselt ervaringen uit. Een verrijkende kruisbestuiving.”
Meerwaarde in de praktijk
De dubbele achtergrond van verpleegkundigen met een BBT blijkt in het veld van grote waarde. “In complexe situaties weet ik sneller wanneer ik extra ondersteuning nodig heb”, zegt Inge. “Doordat ik zowel het perspectief van de brandweer als van het ziekenhuis ken, verloopt de samenwerking veel vlotter.” Ook administratief en organisatorisch levert het engagement inzichten op. “We schrijven verslagen, volgen de planning op en nemen deel aan opleidingen of FiST-teamwerking”, vertelt ze. “Zo leer je hoe breed en professioneel de brandweer werkt. En omdat ik weet hoe ze een slachtoffer bevrijden uit een voertuig, kan ik ter plaatse beter anticiperen op hun handelingen.”
Leen ervaart hetzelfde vanuit haar rol als coördinator. “Ik sta in voor de bemanning van de ziekenwagens, de opvolging van medicatie en materiaal, en het organiseren van opleidingen. Dat vraagt structuur, maar ook klinisch inzicht. Je weet als verpleegkundige wat kwaliteit betekent, en die kennis neem je automatisch mee.”
Leren van elkaar
Tijdens haar brandweeropleiding gingen de ogen van Leen open. “Ik dacht vaak: waarom leerden we dit nooit in de verpleegkunde? Bijvoorbeeld: hoe stel je voertuigen veilig op bij een ongeval met gevaarlijke stoffen, rekening houdend met windrichting en risico’s? De samenwerking tussen brandweer en ziekenhuis is daardoor echt een meerwaarde. We begrijpen elkaars werk beter en vullen elkaar perfect aan.” Ze benadrukt ook het belang van voortdurende vorming. “De brandweer investeert sterk in opleiding. Als verpleegkundige waardeer ik dat enorm: we werken met de meest recente middelen en kunnen meteen ter plaatse de juiste zorg bieden.”
Trots en passie
Zowel Leen als Inge zijn vol lof over hun keuze. “Brandweervrouw is het mooiste beroep dat er bestaat”, zegt Leen zonder aarzelen. “Je krijgt de kans om echt het verschil te maken, op het moment dat het ertoe doet.” Ook Inge bevestigt: “Het geeft veel voldoening om je verpleegkundige kennis te gebruiken buiten het ziekenhuis. Bovendien mag je als BBT’er binnen de brandweer ook opleidingen geven of collega’s coachen. Het is intens, maar tegelijk ongelooflijk boeiend.” Hun verhaal toont wat mogelijk is wanneer verpleegkundige expertise en operationele hulpverlening samenkomen: twee werelden die elkaar versterken, met één gemeenschappelijk doel: mensen helpen, precies daar waar het nodig is.
KB raakt aan normen gespecialiseerde spoedgevallenzorg
Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid Frank Vandenbroucke vroeg een advies aan de Federale Raad voor Ziekenhuisvoorzieningen (FRZV) over een ontwerp tot koninklijk besluit (KB) rond de erkenningsnormen van een gespecialiseerde spoedgevallenzorg. Die zouden vanaf 1 januari 2026 over een erkende dienst intensieve zorg moeten beschikken op dezelfde vestigingsplaats.
De wijziging van dat KB bestaat erin dat een gespecialiseerde spoedgevallenzorg op elk ogenblik een beroep moet kunnen doen op een erkende functie intensieve zorg en dit op de vestigingsplaats, waar er voorheen werd aangegeven dat dit in het ziekenhuis was. Voor ziekenhuizen in fusie maakt dit dus een belangrijk verschil. Ook de functionele normen voor een gespecialiseerde spoed moeten op dezelfde vestigingsplaats ingericht en verzekerd worden. Er wordt wel een beperkte geografische uitzondering voorgesteld op die vereiste om spoed en intensieve zorg op dezelfde vestiging te voorzien. Drie bedden voor intensieve verzorging zouden namelijk volstaan als de vestigingsplaats voldoet aan de volgende voorwaarden: een erkende functie gespecialiseerde spoedgevallenzorg voor 1 januari 2026 die zich op minstens 25 kilometer van de volgende erkende gespecialiseerde spoedgevallenzorg bevindt, en op de vestigingsplaats is vanaf 1 juli 2024 geen erkende functie intensieve zorg uitgebaat.
Met die uitzonderingen beoogt men een redelijke aanrijtijd en een goede geografische spreiding te borgen, ook wanneer er geen koppeling is met een erkende dienst intensieve zorg. Er geldt een overgangstermijn van twee jaar. Dat moet de tijd geven om de functionele norm te implementeren of de huidige zorgstrategie te herzien. De ziekenhuizen die daar een beroep op willen doen, moeten wel aantonen dat ze op elk moment op dezelfde vestigingsplaats over minimaal drie bedden voor intensieve verzorging beschikken, aangepast aan de intensiteit van hun gespecialiseerde spoedgevallenzorg en de behoeften van de patiënten. Zo worden de veiligheid en kwaliteit van zorg gegarandeerd.
Nood aan nuance
Voer voor specialisten, dus. De FRZV richtte dan ook een werkgroep op om zich hierover te buigen en een advies aan de minister te formuleren. Daarin zetelden onder meer Yves Maule, spoedverpleegkundige, vicevoorzitter van de Association Francophone des Infirmiers d’Urgences en van de AUVB, en Steve D’hoker, voorzitter van de Vlaamse vereniging verpleegkundigen spoedgevallen en hoofdverpleegkundige spoed in het UZ Gent. Yves: “Het gaat om een zeer specifieke vraag die de link tussen de diensten spoed en intensieve zorg onderzoekt. Daarbij wil ik meteen de nuance maken dat drie bedden voor intensieve verzorging met monitoring en beademing niet hetzelfde zijn als een dienst intensieve zorg. Wie volgt die patiënten bovendien op? De spoedverpleegkundige? Dat is niet hetzelfde als een verpleegkundige gespecialiseerd in intensieve zorg. Hetzelfde geldt voor het medische aspect. Het is overigens ook niet duidelijk of die 1,5 verpleegkundige die vrijgemaakt moet worden voor drie bedden IZ in de norm zit. Of moet dit ad hoc ingevuld worden? Al deze zaken hebben verduidelijking nodig.”
De adviesvraag komt niet volledig uit de lucht gevallen. Ziekenhuizen moeten nu eenmaal aan bepaalde voorwaarden voldoen voor een erkende functie gespecialiseerde spoedgevallendienst. “Vandaag zien we dat ziekenhuizen bepaalde afdelingen en activiteiten verdelen door fusies en ziekenhuisnetwerken. De aanpassing aan het KB speelt daar op in door bepaalde zaken in dezelfde vestiging van het ziekenhuis te huisvesten, in plaats van in hetzelfde ziekenhuis maar op een andere campus”, licht Steve toe.
Daarnaast vraagt de aanpassing van het KB ook dat op dezelfde vestigingsplaats een polyvalent operatiekwartier is, uitgerust voor dringende chirurgische interventies, een laboratorium klinische biologie om ter plaatse en op elk ogenblik noodzakelijke analyses uit te voeren, een dienst medische beeldvorming met de nodige apparatuur voor diagnostische, radiologische en echografische onderzoeken met inbegrip van een mobiel radiologisch apparaat en een transversale axiale tomograaf, en een dienst voor archivering van medische dossiers die 24 uur op 24 toegankelijk is.
“Het originele KB dateert van 1998. De gezondheidszorg evolueerde sindsdien sterk”, zegt Steve. “Point-of-caretesten zijn nu zeer betrouwbaar en goed beschikbaar. We beschikken over veel technologie en innovaties die toen niet bestonden. Is het dus nog nodig om alle zaken die nu in de aanpassing gevraagd worden op dezelfde vestiging te voorzien? Een archief met medische dossiers kan bijvoorbeeld perfect digitaal georganiseerd worden. We vragen dus om de voorwaarden voor al deze bepalingen te specifiëren. Een urgentielabo kan voldoende zijn. Sommige testen duren langer, waardoor het niet veel uitmaakt of je een volwaardig labo op dezelfde locatie hebt of niet. Hetzelfde geldt voor de medische beeldvorming. Als je ter plaatse een RX, CT of echo kan uitvoeren, is dat waarschijnlijk voldoende. Toch niet elke spoeddienst moet over een MR-scanner beschikken? Er moet gedifferentieerd worden.”
Spreiding, kwaliteit en samenwerking
Volgens het advies van de FRZV zou de voorziene aanpassing van het KB kunnen bijdragen tot een concentratie van gespecialiseerde spoedgevallenzorg en intensieve zorg. Er moet vermeden worden dat deze wijziging een averechts effect veroorzaakt, namelijk een uitbreiding van het aantal functies intensieve zorg en het aantal IZ-bedden. Ons land telt vandaag al veel IZ-bedden[1], maar de zorg is versnipperd, ongelijk verspreid en niet altijd afgestemd op de zorgvraag. Dat leidt tot inefficiënte inzet van middelen, kwaliteitsverschillen en een minder goede samenwerking tussen ziekenhuizen. “We baseerden ons hiervoor op een wetenschappelijk kader aangeleverd uit studies van het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg”, legt Yves uit. “Wat heeft een dienst intensieve zorg en wat heeft een spoedgevallenzorg nodig? Die studies tonen aan dat een spoeddienst gelinkt aan een dienst intensieve zorg de norm is. Daarnaast zijn er grote en kleine spoeddiensten, ook al is er maar één vast kader beschikbaar. Dat moet meer flexibel ingedeeld worden. We vragen in het advies dan ook de piste te onderzoeken voor een spoedgevallendienst op twee niveaus. Door de uitzondering van drie bedden intensieve verzorging te voorzien, creëer je die twee niveaus eigenlijk al. Op het terrein is die er vandaag in zekere zin ook, maar de differentiatie moet duidelijk omschreven worden en gekend zijn door de partners in dringende geneeskundige hulpverlening. We moeten absoluut voorkomen dat een patiënt naar een spoeddienst wordt gebracht die niet de nodige zorg kan leveren.”
Steve vult aan: “Het KB voor een gespecialiseerde spoedgevallenzorg voorziet twee bedden ter observatie van kritiekzieke patiënten en de opvang van één kritiekzieke patiënt. Nu is er een tussenoplossing gecreëerd, maar we formuleerden in ons advies wel de nodige bezorgdheden rond aanrijtijd en toegankelijkheid. Bovendien is een overgangstermijn van twee jaar kort. Een erkende dienst intensieve zorg met zes bedden, materiaal, plaats en personeel uitbouwen of een spoeddienst downsizen is in die periode niet haalbaar. We vragen dan ook om ziekenhuizen drie jaar de tijd te geven.”
De FRZV gaat ervan uit dat het aantal spoedpatiënten zich organisch zal herverdelen. Al vraagt dit een zekere aanpassingstijd en heeft het onvermijdelijk neveneffecten. “Je doet elke dag je best om kwaliteitsvolle zorg te verlenen, of je nu op een kleine of een grote spoeddienst werkt. Het financiële mag ons niet leiden in deze beslissingen”, vindt Yves. “De structuur moet zeer duidelijk zijn. Bovendien is dit een federaal advies, terwijl de controle en erkenningsnormen van spoed- en intensievezorgdiensten op regionaal niveau zitten. Ook daar moet dus advies worden ingewonnen, net zoals bij de Federale Raad voor Dringende Geneeskundige Hulpverlening.”
[1] Bouckaert Nicolas, Lefèvre Mélanie, Van den Heede Koen, Detollenaere Jens, Castanares-Zapatero Diego, Van de Voorde Carine. Organisatie en financiering van intensieve zorg in België. Health Services Research (HSR). Brussel. Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE). 2025. KCE Reports 404A. DOI: 10.57598/R404AS.
Benchmark Spoedgevallendiensten 2024
Aan de nieuwe ‘Benchmark Spoed 2024’ namen 35 spoedgevallendiensten deel. Daaruit blijkt dat 38 procent 112-ziekenwagenritten uitvoert, goed voor een gemiddelde van negen ritten per dag. Bovendien rijdt 65 procent met een PIT-functie, wat neerkomt op 2.007 ritten per jaar of 505 per dag. Dat aantal is sinds 2023 sterk gestegen en houdt voor de meeste diensten een bijhorende uitbreiding van het verpleegkundig personeel in. Wat de mugritten betreft werden in 2024 gemiddeld vier interventies per dag uitgevoerd.
Het aantal contacten bij de responderende spoedgevallendiensten komt neer op gemiddeld 31.697 per jaar, of 87 per dag. In 2023 waren die cijfers nog 29.068 per jaar of 79 contacten per dag. Het aantal ambulante patiënten tegenover opnames is stabiel gebleven tegenover het voorgaande jaar, met respectievelijk 72 en 28 procent. De gemiddelde verblijfsduur komt op 3 uur voor ambulante en gehospitaliseerde patiënten, op 4 uur voor gehospitaliseerde patiënten en op 2,5 uur voor ambulante patiënten.
Dit allemaal gebeurde met gemiddeld 42 verpleegkundigen per dienst. Dat komt neer op 1.052 patiënten per verpleegkundige. Van die verpleegkundigen heeft 85 procent een BBT, 31 procent van de spoedgevallendiensten heeft nog collega ’s met een HBO5-diploma en 66 procent van de diensten heeft collega ’s in dienst met een masterdiploma. We zien dat 11 procent van de spoeddiensten masters of verpleegkundig specialisten inzet voor trauma en fast track. De meeste diensten hebben in de late uren meer verpleegkundigen en zestig procent van de spoeddiensten wijken naar boven af van de geplande VTE-begroting. Op 37 procent van de diensten mogen verpleegkundigen zelfstandig medische beeldvorming aanvragen bij kleine trauma’s, op 63 procent van de diensten vragen ze zelfstandig labo’s aan en in 91 procent van de gevallen zijn er staande orders voor verpleegkundigen met betrekking tot pijnstilling en medicatie.
Erkende of verantwoorde bedden, hoe zat dat nu weer?
Op 1 januari 2025 waren er 52.317 erkende bedden en plaatsen in België. Het hoogste aantal daarvan bevinden zich binnen het ziekenhuisnetwerk Chorus in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en Elipse in de provincie Luik. Daarnaast hebben onze ziekenhuizen ook verantwoorde bedden. Wat is het onderscheid en hoe uit zich dat in de cijfers? Netwerk Verpleegkunde zet de informatie op een rijtje.
Sinds juli 2002 is de nieuwe ziekenhuisfinanciering van kracht. Waar die financiering voordien nog sterk verbonden was met het aantal erkende bedden, evolueerde dit sinds 2002 naar een erkenning van activiteit. Het gaat dan om een verantwoorde verblijfsduur per diagnosegerelateerde groep (DRG) waaruit het aantal verantwoorde verpleegdagen, het aantal verantwoorde bedden en de bijhorende financiering berekend wordt.
Erkende bedden
Een ziekenhuis moet een erkenning aanvragen voor het aantal bedden, voor hospitalisatie-, medische en medisch-technische diensten, functies en zorgprogramma’s. Daarvoor moet het voldoen aan de erkenningsnormen op het vlak van kwaliteit, personeel, infrastructuur en organisatie. Denk aan voldoende gekwalificeerde verpleegkundigen en het correcte materiaal, maar ook aan brandveiligheid, hygiëne, … Erkende bedden zijn met andere woorden het officiële aantal bedden dat een ziekenhuis mag gebruiken voor ziekenhuisopnames. De erkenning bepaalt welke diensten en hoeveel bedden per dienst.
Verantwoorde bedden
Verantwoorde bedden worden niet bepaald op basis van erkenningsnormen, wel door de effectieve activiteit en verblijfsduur in een ziekenhuis. Per diagnosegroep is een aantal verantwoorde ligdagen als nationaal gemiddelde bepaald. Voor elk ziekenhuis wordt dat aantal dagen bepaald rekening houdend met de case mix van patiënten en op basis van bedden voor gewone gehospitaliseerde verblijven, verblijven in een chirurgisch dagziekenhuis en oneigenlijke klassieke verblijven. Dat laatste zijn verblijven met een ingreep die in klassieke hospitalisatie werd uitgevoerd maar eigenlijk in een dagziekenhuis kan gebeuren. Met andere woorden: hoeveel patiënten zijn opgenomen en hoelang verblijven ze in het specifieke ziekenhuis.
De cijfers
Het aantal erkende bedden ligt meestal hoger dan het aantal verantwoorde bedden. Een ziekenhuis kan dus meer capaciteit hebben, maar die wordt daarom niet altijd volledig ingevuld. Dat kan door een daling in het aantal opnames, meer daghospitalisaties of een verschuiving van zorgen naar de eerste lijn. Maar ook door problemen met infrastructuur of personeelstekorten waardoor de veiligheid van zorg niet gegarandeerd is. De cijfers monitoren laat toe om het zorgaanbod beter af te stemmen op de zorgvraag.
De cijfers van 1 januari 2025 op een rijtje:
- Ons land telt 103 ziekenhuizen, waarvan 78 algemene ziekenhuizen, 18 ziekenhuizen met een universitair karakter en 7 universitaire ziekenhuizen.
- Deze ziekenhuizen zijn goed voor in totaal 189 campussen.
- Er zijn 23 locoregionale ziekenhuisnetwerken erkend in ons land. Het netwerk Chorus beschikt over het hoogste aantal erkende bedden (4.462), gevolgd door Elipse (3.915) en Kom (3.106).
- Er zijn 52.317 erkende bedden in België.
- De voorbije dertig jaar was er een totale daling van vier procent of 2.370 bedden.
- De grootste afname in erkende bedden sinds 1995 merken we in de acute zorg, met 24 procent. Bij de geriatrische, chronische en psychiatrische bedden noteren we stijgingen van respectievelijk 30, 371 en 71 procent
Bronnen
- FOD Volksgezondheid. (2025). Blikvanger Gezondheidszorg – Algemene ziekenhuizen. Naar een gezond België. https://www.gezondbelgie.be/nl/blikvanger-gezondheidszorg/algemene-ziekenhuizen
- Sermeus, W. (2003). De Belgische ziekenhuisfinanciering ontcijferd (2e druk). Acco.
- Van de Voorde C, Van den Heede K, Beguin C, Bouckaert N, Camberlin C, de Bekker P, Defourny N, De Schutter H, Devos C, Gerkens S, Grau C, Jeurissen P, Kruse FM, Lefèvre M, Lievens Y, Mistiaen P, Vaandering A, Van Eycken E, van Ginneken E. Benodigde ziekenhuiscapaciteit in 2025 en criteria voor aanbodbeheersing van complexe kankerchirurgie, radiotherapie en materniteit – Synthese. Health Services Research (HSR). Brussel: Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE). 2017. KCE Reports 289As. D/2017/10.273/42.
Hoe apotheekassistenten het verschil maken op verpleegkundige diensten
In het huidige zorglandschap, waar personeelstekorten steeds urgenter worden, speelt de inzet van aanvullende profielen een grotere rol. Zo biedt de inzet van apotheekassistenten op verpleegkundige diensten niet alleen oplossingen voor staffing- en werkdrukproblemen, maar ook significante voordelen voor de veiligheid van zowel de patiënt als de zorgverlener. Vitaz in Sint-Niklaas en het AZ Delta in Roeselare lichten hun proefprojecten hieromtrent toe.
Aanvullende profielen inzetten voor niet-verpleegkundige taken, zoals administratie, hygiënische zorgen en medicatievoorbereiding, biedt een deel van het antwoord op de personeelstekorten. In het AZ Delta in Roeselare en Vitaz in Sint-Niklaas zoeken ze alvast uit wat de impact van apotheekassistenten op verpleegkundige diensten betekent.
Van nood naar wens
“In 2022 startte ik mijn doctoraatsonderzoek naar hoe apotheekassistenten nachtverpleegkundigen ondersteunen in hun shift”, vertelt Marjan De Graef, verpleegkundig coördinator van VG-MZG bij Vitaz en projectmedewerker voor het Verpleegkundig en Paramedisch Onderzoek en Ontwikkeling (VPOO). “De eerste fase van dit project was begin 2020. Toen kregen de eerste pilootafdelingen apotheekassistenten. Dit werd on hold gezet door de pandemie en is daarna in sneltempo weer opgestart en verder uitgerold naar alle interne, geriatrische en heelkundige afdelingen. Het is midden in die verdere uitrol dat ik met mijn onderzoek startte. Aan het einde van dat jaar waren de positieve effecten al duidelijk.”
Via bevragingen van de betrokken verpleegkundigen en apotheekassistenten, literatuurstudies van (internationale) praktijkvoorbeelden en focusgroepen werkte Marjan artikels en procedures uit om de communicatie en workflow verder te optimaliseren. “Het kwalitatieve onderzoek is achter de rug, nu volgt het kwantitatieve luik. We willen hiermee enerzijds in cijfers het belang van de inzet van apotheekassistenten weergeven zodat dit beleidsmatig kan doorgetrokken worden en anderzijds ook andere zorginstellingen met wetenschappelijke onderbouwing inspireren om gelijkaardige stappen te zetten.”
Efficiëntie bewaken
Ook in het AZ Delta liep een proefproject met apotheekassistenten. Dit op de dienst geriatrie gedurende een drietal maanden eind 2023, begin 2024. “In het kader van een acute bestaffingsnood testten we verschillende aanvullende functies uit, onder andere het inzetten van medical management assistants en apotheekassistenten”, licht Jan Hebberecht, verpleegkundige en paramedisch directeur in het AZ Delta, toe. “We onderzochten in verschillende fases op welke momenten de nood aan ondersteuning het hoogst was en hoe we zo flexibel mogelijk konden omspringen met veranderende medicatienoden zonder het verpleegkundige personeel extra onder druk te zetten.”
Hoofdapotheker in het AZ Delta Ann-Sofie Vanthournout vult aan. “In ons ziekenhuis is tachtig procent van de medicatie onmiddellijk voorradig op de afdeling in een semiautomatische pickingkast. De medicatie wordt net voor toediening gepickt om retours te voorkomen. Het proefproject werd stopgezet omdat we onze beschikbare resources nu volop inzetten voor de implementatie van bedsidescanning in het ziekenhuis, zodat we zeker zijn dat de juiste patiënt de juiste medicatie krijgt. In de nabije toekomst bekijken we hoe we de verpleegkundigen verder kunnen ondersteunen vanuit de apotheek. Bijvoorbeeld het centraal bereiden van medicatie in de apotheek of het pletten van medicatie zodat alle medicatie zoveel mogelijk klaar voor toediening wordt afgeleverd.”
Drempels overwinnen
In Vitaz worden de apotheekassistenten enthousiast onthaald door de betrokken verpleegkundigen. Al was dat in het begin anders. Marjan. “Een verpleegkundige vindt het vaak moeilijk de controle te lossen, de touwtjes uit handen te geven. Dit vraagt aanpassing, tijd en het opbouwen van dat wederzijdse vertrouwen. Door onze procedures en onderlinge communicatie aan te scherpen merken we dat het vertrouwen er nu wel is. Verpleegkundigen erkennen dat de inzet van apotheekassistenten bij het klaarzetten van medicatie geen risico is voor de patiëntveiligheid en dat het de kwaliteit van zorg ten goede komt. Want ze hebben zo weer meer tijd voor directe patiëntenzorg en het coördineren van complexe zorgplannen.”
Brede denkoefening
Dat de juiste medicatie tijdig en correct toedienen een belangrijke verpleegkundige taak blijft, daar bestaat geen twijfel over. Maar volgens Jan gaat het over veel meer dan dat: “We moeten ons wapenen tegen de enorme tekorten. Aanvullende profielen en aangepaste procedures en technologieën zijn cruciaal voor kwaliteitsvolle en veilige zorg. Er is meer nodig dan een apotheekassistent op een dienst. Het is een diepgaande denkoefening die je als ziekenhuis moet maken op het vlak van infrastructuur, organisatie en personeel.”
Is omkleedtijd arbeidstijd?
Als verpleegkundige draag je verplicht werkkledij. Voor en na je shift moet je je dus omkleden. Maar hoe kadert die tijd binnen de arbeidsduur van die dag? Het is een vraag waar zorginstellingen wel vaker mee worstelen en waarop de antwoorden niet altijd eenvoudig zijn.
Wat is arbeidstijd?
Arbeidsduur is volgens de Arbeidswet van 16 maart 1971 de tijd waarin je als werknemer beschikbaar bent voor je werkgever om je job uit te oefenen. Als medewerker beschik je op dat moment niet vrij over je tijd. Heb je die vrijheid wel, dan telt het niet als arbeidsduur. Of je al dan niet aanwezig bent op de werkplaats, bepaalt niet de definitie van arbeidsduur. Daarnaast moet arbeidsduur losgekoppeld worden van het uitvoeren van arbeidsprestaties. Zo kan je ook ter beschikking staan van je werkgever, zonder effectief je beroepsactiviteit uit te oefenen. Bijvoorbeeld wanneer je stand-by bent of specifieke verplichtingen vervult. Welke handeling al dan niet onder arbeidstijd valt, moet geval per geval afgetoetst worden aan deze bovenstaande criteria.
Wat is omkleedtijd?
Als verpleegkundige moet je verplicht je uniform en het correcte schoeisel dragen. Dat trek je aan in de zorginstelling en neem je niet mee naar huis. Dat is extra tijd die je moet incalculeren om tijdig je kledij te wisselen en van de kleedkamer naar de werkplek te gaan. Volgens de FOD Werkgelegenheid, Arbeid & Sociaal Overleg is dit arbeidstijd omdat deze handeling verplicht is vooraleer een persoon zijn job effectief kan uitoefenen en omdat de medewerker op dat moment niet vrij over zijn of haar tijd beschikt. Is werkkledij niet verplicht, dan wordt dit niet als arbeidstijd gerekend. Als werkgever kan je de tijd die voorzien is om je om te kleden wel beperken. Al moet hier goed gekeken worden naar wat haalbaar en comfortabel is voor de medewerkers.
Moet dit vergoed worden?
Als omkleedtijd effectief binnen de arbeidstijd valt, dan moet hier rekening mee gehouden worden in de uurroosters van medewerkers. Volgens de Arbeidswet (artikel 38bis) mag je namelijk geen arbeidsprestaties laten presteren buiten de arbeidstijd. Omdat andere kleren aandoen verschilt van effectieve arbeidsprestaties, staat het de werkgever vrij te kiezen hoe de omkleedtijd verloond wordt, dat beslist de zorginstelling zelf via een collectieve of individuele arbeidsovereenkomst. Zo biedt de wetgeving ruimte voor maatwerk opdat werkgevers en werknemers samen haalbare, duidelijke en transparante afspraken kunnen maken.
Bron: Sociale Wegwijzer, nummer 9 (oktober 2024)










