Tragere zorg voor snellere resultaten

Veronique Norga is ergotherapeute en opgeleid in krachtgericht herstel. Ze werkt in Gent als mobiele wijkwerker GGZ, buiten de beschermde context van klassieke zorgstructuren. Daar ontmoet ze mensen die vaak buiten beeld blijven. Stap voor stap zoekt ze met hen een weg naar passende zorg en ondersteuning.

De uitdaging

Welke ethische uitdagingen zie jij binnen jouw domein? Welke boeien jou het meest?

“Mijn functie is het resultaat van een hervorming in de GGZ waarbij meer wordt ingezet op ambulante, mobiele en buurtgerichte zorg, en minder op langdurige ziekenhuisopnames”, vertelt Veronique. “GGZ vertrekt vaak van een gemotiveerde hulpvraag en een gerichte doorverwijzing. Maar net daar wringt het. Veel mensen vinden de weg naar gepaste zorg niet, of durven uit schaamte of wantrouwen geen hulp vragen. Zo blijven ze onder de radar.” Vanuit dat besef startte Stad Gent een financieringsproject rond casefinding in de wijk. Veronique trekt sindsdien door buurten, op zoek naar mensen die anders onzichtbaar blijven voor de hulpverlening. Ze vangt signalen op, bouwt voorzichtig een band op en leidt mensen toe naar zorg die bij hen past. “Het belangrijkste is vertrouwen winnen”, verduidelijkt ze. “Mijn opleiding in krachtgericht herstel steunt mij daarin. De focus ligt op dialoog en regie bij de cliënt, niet op zelf oplossingen aandragen. Je bouwt stap voor stap een vertrouwensrelatie op, tot iemand klaar is voor reguliere zorg of ondersteuning.”

De ethische spanning zit voor Veronique in die traagheid. “Veel cliënten wonen in sociale hoogbouw, omringd door buren die hun gedrag als storend ervaren. Dan worstel ik met de vraag: zorg ik voor de persoon die ik begeleid of voor de omgeving? Onlangs begeleidde ik iemand die luid riep en door de gangen dwaalde door een psychose. Voor iemand inzicht krijgt in zijn problematiek en openstaat voor hulp, ben je vaak maanden verder. Voor buren is dat moeilijk vol te houden. En dan is er nog privacy. Hoe leg je uit wat speelt zonder iemands verhaal prijs te geven? Hoe vraag je begrip zonder vertrouwen te schaden?”

Daarbij staat ze vaak alleen. “Ik heb geen team om meteen op terug te vallen. Bij een crisis moet je snel ingrijpen. Maar wat is proportioneel? Wanneer schakel je politie in? Wanneer ga je voor gedwongen opname? En wat doet dat met de vertrouwensband?” Gelukkig is er gedeeld zorgoverleg. Twee keer per maand delen verschillende hulpverleners een lokaal waar buurtbewoners terechtkunnen met uiteenlopende vragen, van een lekkende kraan tot medische zorgen. “Dat is ook voor ons een moment om casussen te bespreken en advies te vragen.” Veronique benadrukt hoe essentieel die verbinding is: “Zonder mensen om mee te denken, hou je dit werk niet vol.”

De tool: presentie

Welke methode vind je zelf bruikbaar om hiermee om te gaan?

“Ik trek niet met methodieken de straat op. Ik ga als mens.” Ze beweegt zich door een wijk als gewone voorbijganger, zonder dat haar professionele rol meteen zichtbaar is. Haar uitgangspunt is aanwezig zijn en luisteren. Pas als iemand zelf aangeeft nood te hebben aan psychische hulp, formuleert ze suggesties. “Ik vertrek nooit met oplossingen in mijn zak.” Dat wordt duidelijk in een casus. Ze begeleidde een man met ernstig middelengebruik die eerder al geïnterneerd was. Nuchter is hij charmant en aanspreekbaar, onder invloed wordt hij agressief. De voorbije weken ging het bergaf. Buren klaagden en zijn moeder drong aan op een opname. “Ik wilde eerst begrijpen hoe hij hier zelf naar keek.” In het gesprek kwam naar voren dat hij een opname overwoog, maar doodsbang was voor de ontwenning. “In plaats te pushen, zochten we naar wat hij nodig had om die periode te kunnen dragen.” Uiteindelijk volgde een opname, op zijn tempo en vanuit zijn eigen keuze. Veronique noemt het tragere zorg. “Paradoxaal genoeg levert dat vaak snellere resultaten op omdat je minder weerstand hebt. Het is ook duurzamer: alleen wat van binnenuit komt, houdt stand.”

Hoe ga je daarbij te werk?

“Oordeelloos en respectvol aanwezig zijn. Van mens tot mens, in dialoog over wat iemand nodig heeft.” Dat illustreert ze met een casus van een vrouw die zich isoleert. Niemand raakte binnen, ook hulpverleners niet. Veronique ontdekte dat ze uit hetzelfde dorp kwamen en gebruikte dat als ingang. “Ik stelde me niet voor met mijn naam of functie, maar gewoon met die afkomst. Dat werd het eerste bruggetje. Tot vandaag ben ik de enige die ze binnenlaat. De vrouw is ernstig paranoïde. Ze maakte meteen duidelijk dat ze geen psychiater of medicatie wil. Dat respecteerde ik. In plaats van te overtuigen, bleef ik geregeld langskomen. Gaandeweg begon de vrouw te vertellen: over slapeloosheid, angst en de brievenbus die ze niet durfde openen. Ze vroeg of ik met haar wilde meegaan. Zo leegden we wekenlang samen de brievenbus.”

Intussen legden ze een hele weg af. Ze installeerden onder meer camera’s om haar angst voor inbraak te temperen. “Het neemt haar paranoia niet weg, maar biedt wel een veiliger gevoel. Ze slaapt en functioneert beter, zonder medicatie. Dat is presentie”, besluit Veronique. “Door nabijheid en vertrouwen iemand opnieuw regie laten ervaren over het eigen leven.”


Wat wil je nog?

Nathalie Moray is verpleegkundige tot in haar vezels. Tegelijk is ze doctor in de toegepaste economie, bio-ethicus en was ze jaren actief als onderzoeker, docent en leidinggevende. De voorbije drie jaar werkte ze opnieuw aan het bed van de patiënt, op de dienst hematologie van het UZ Gent. “Mijn kompas is altijd hetzelfde gebleven”, zegt ze. “Ik wil werken vanuit waarden en streef naar sociale impact. Ik wil bijdragen aan wat er echt toe doet.” Sinds januari 2026 staat ze met diezelfde gedrevenheid in een nieuwe functie als zorgmanager bij AZ Delta.

DE UITDAGING

Welke ethische uitdagingen zie jij binnen jouw domein? Welke boeien jou het meest?

Op haar afdeling begeleidt Nathalie mensen met ernstige bloedziekten. Sommigen kunnen nog genezen, anderen niet. Bij een groeiende groep blijft de toekomst jarenlang onzeker. “We zijn als samenleving geëvolueerd in hoe we naar palliatieve zorg kijken,” zegt ze, “maar toch blijft het lastig om de dood bespreekbaar te maken. Er is nog altijd veel schroom, zelfs bij zorgverleners.”

Dat is opvallend, zeker met alle medische vooruitgang. “Patiënten met ongeneeslijke aandoeningen leven langer dan vroeger. Maar juist daardoor wordt de nood om met hen over het levenseinde te praten vaak uitgesteld. Terwijl die gesprekken cruciaal zijn, niet alleen in de laatste weken, maar al veel vroeger. Wat wil je nog? Wat geeft je leven betekenis? Wie staat rondom jou?”

Haar passie ligt precies op dat snijvlak van zorg en zingeving. “In principe kan elke hulpverlener zo’n gesprek openen. Vaak zitten de ingangen voor zo’n gesprek gewoon in alledaagse momenten.”

Sommige patiënten komen voor zeer harde keuzes te staan. “Onlangs had een van onze patiënten de keuze tussen twee jaar extra overleven met ondersteunende therapie, of een zware behandeling met 35 procent kans op genezing en een groter risico op levensbedreigende complicaties. Dat zijn existentiële beslissingen. Ze verdienen tijd, veiligheid en een diepgaand gesprek. Hoe meer ruimte hiervoor is vroeg in het behandeltraject, hoe sterker we de zorgplanning kunnen afstemmen op de waarden en levensdoelen van de patiënt.”

DE TOOL: HET VERHAAL ACHTER DE DIAGNOSE

Welke methode vind je zelf bruikbaar om hiermee om te gaan?

Zelf zoekt Nathalie naar laagdrempelige manieren om dat gesprek te openen. “Het hoeft niet groots of zwaar te zijn. Soms gebruik ik een slechtnieuwsgesprek als aanleiding. Dan vraag ik gewoon: ‘Wat doet dat met je? Wat heb je nodig? Hoe zie je de komende periode?’ Daardoor ontstaat ruimte voor het verhaal achter de diagnose.”

Een van de methodieken die ze enorm waardevol vindt, is die van Amfora, een vzw die levensverhalen vastlegt van mensen in een palliatieve fase. “Zo’n levensverhaal vormt een soort geestelijk testament. De gesprekken worden gevoerd door vrijwilligers, maar wij reiken het aan. Dat vraagt moed: je kent de patiënt, maar het blijft spannend om te vragen: ‘Zou je je verhaal willen nalaten aan je geliefden?’ Soms zegt iemand nee, en dat is oké. Maar als het lukt, is het magisch.”

Ook de Wensambulance raakt haar: een initiatief dat mensen met een beperkte levensverwachting en hoge zorgbehoefte helpt om nog één keer iets bijzonders te doen: naar zee, naar huis, naar een plek die veel betekent. “Wanneer je daaraan kan voldoen, erken je de persoon in een fundamentele en zeer pure vorm.”

Volgens Nathalie kan een vroeg gesprek over wat iemand nodig heeft om het leven op zijn manier af te ronden, enorm veel in beweging zetten. “Als je daar tijdig mee begint, kunnen mensen veel meer uitklaren en uitspreken.” Tegelijk blijft ze realistisch. “Niet iedereen heeft daar een boodschap aan. Sommige mensen willen hun palliatieve fase niet benoemen, zelfs niet op het sterfbed. En ook dat is oké. Zolang zorgverleners eerlijke informatie geven over de gezondheidssituatie en risico’s, en blijven vragen hoe ze het best kunnen ondersteunen, is het aan de patiënt om te bepalen hoe die daarmee omgaat.

“Dat sluit perfect aan bij persoonsgerichte zorg. Op een bepaald moment heb je als individu het recht om te beslissen hoe je je leven eindigt; we hoeven daar niet betuttelend over te doen. Wie ben ik om iemand te zeggen wat nog mag of moet, in die laatste levensfase?”

Hoe ga je daarbij te werk?

Zingevingsgesprekken vergen iets van zorgverleners. “Je moet het durven,” zegt Nathalie. “Het vraagt ook sociale vaardigheden, maturiteit, oefening en een zekere kwetsbaarheid.” Ze wijst op het belang van ‘skilled companionship’: een balans tussen klinisch inzicht en relationele nabijheid. “We investeren veel in expertise en ‘skills’, maar te weinig in het relationele. Terwijl net dat de plek is waar excellentie besmettelijk wordt. Ik hoop dat het beleid echt inziet dat excellentie in gesprekken voeren, voelen wat voor iemand telt en daarop aansluiten, een kerntaak is van zorgorganisaties.”

Nathalie verwijst ook naar tools die helpen om ethische stress bespreekbaar te maken, zoals het model ‘Eerste Hulp bij Ethische Stress’ van Vitaz. “Het is geen stappenplan, maar een uitnodiging om samen te zoeken: wat knelt er en wat helpt ons vooruit? Ethisch reflecteren hoeft niet altijd formeel. Het mag klein, pragmatisch en alledaags zijn.”

Meer weten?

Amfora vzw – www.amfora.be

Eerste Hulp bij Ethische Stress – Vitaz (tijdschrift voor geneeskunde, 2023)

Hilde Ingels & Michel Morel, Eindelevensverhalen (Acco, 2022)

www.dewensambulance.be


Eigen schuld, dikke bult?

Ann Tanghe begon in 1990 als opvoedkundige in het Zeepreventorium. “Zowel de plek – een helende omgeving aan zee – en de doelgroep – kinderen met revalidatienoden – trokken me aan”, vertelt ze. Vier jaar later richtte ze er de obesitaswerking op. Vandaag is ze er algemeen directeur. “Ik geloof in wat deze setting kan betekenen. Kinderen kunnen hier niet alleen genezen, maar ook op adem komen.”

De uitdaging

Welke ethische uitdagingen zie jij binnen jouw domein? Welke boeien jou het meest?

“Toen we in 1994 met kinderen met obesitas begonnen te werken, heerste er nog sterk de idee: eigen schuld, dikke bult”, zegt Ann. “Er werd amper erkend dat het om een complexe aandoening gaat. De boodschap aan die kinderen was: beweeg meer, eet minder. Punt.” Voor Ann voelde dat fundamenteel onjuist. “Ik kon er als psycholoog niet bij dat we wel revalidatie boden voor longproblemen of diabetes, maar niet voor
deze groep.”

Intussen groeit bij professionals het besef dat obesitas een ernstige, complexe aandoening is, waarbij de verantwoordelijkheid niet zomaar bij het kind ligt. “Maar zelfs nu is het vingerwijzen niet verdwenen”, benadrukt Ann. “Toen bleek dat het diabetesmedicijn Ozempic® ook gewichtsverlies bevordert, ontstond meteen de discussie of mensen met obesitas dat middel wel verdienen. Alsof het een keuze is.” Volgens Ann heeft obesitas weinig te maken met wilskracht en alles met genetica, de context en weerbaarheid van kinderen. Het gaat vaak om psychologisch kwetsbare kinderen die onvoldoende ‘nee’ kunnen zeggen tegen alles wat op hen afkomt: lekkernijen, schermen, sociale druk – verleidingen waar elk kind gevoelig voor is. Onze samenleving zit vol prikkels die de problematiek versterken. “Als we kinderen vroeg leren gezonder leven, besparen we hen op lange termijn veel leed.”

Toch gaat ethiek in haar werk verder dan het tegengaan van stigma. “Wij zijn een gespecialiseerd revalidatiecentrum voor kinderen van 0 tot 18 jaar, met heel diverse aandoeningen – van diabetes, astma en mucoviscidose tot chronische vermoeidheid of brandwonden. We kunnen evenwel niet iedereen helpen. Wat doe je als meerdere kinderen tegelijk aankloppen met complexe noden? Wie help je eerst? En wie valt buiten de hulpverlening? We werken in de derde lijn, dus wie hier komt, legde al een lange weg af in de eerste en tweede lijn en heeft complexe revalidatienoden. Het is onmogelijk om te zeggen dat het ene probleem erger is dan het andere. En als wij nee zeggen, is er vaak geen vangnet meer.”

De tool: het opnameoverleg

“We beslissen nooit alleen over opnames, wel in een multidisciplinair opnameoverleg”, vertelt Ann. “Daar delen we de verantwoordelijkheid over de besluitvorming. De eerste vraag is: kan dit kind bij ons terecht? Zo niet, waar dan wel? Of onder welke voorwaarden zou het hier wel kunnen slagen? Wat is nodig om dat mogelijk te maken?”

Zo meldde zich onlangs een meisje aan met spina bifida – een aandoening waarvoor het Zeepreventorium klassiek geen revalidatie aanbiedt. “Het doel van dat meisje was glashelder: zelfstandig leren sonderen voor ze naar het eerste middelbaar ging. Aan zo’n specifieke – en heel waardevolle – doelstelling kunnen wij wel werken, ook al valt die buiten onze klassieke scope. We lieten onze verpleegkundigen bijscholen, want sondage is een handeling die ze niet vaak uitvoeren en die soms onzekerheid oproept. Ook het hele team werd meegenomen in de wenselijkheid van dit doel. Na zes weken kon het meisje het zelf.”

Hoe ga je daarbij te werk?

Zo’n traject vraagt veel van de medewerkers. “Je moet als team durven afwijken van het stramien.” Voor Ann is de ethische kernvraag: “Kunnen wij dat kind nu iets bieden waar het verder mee kan? En zo ja, hoe maken we dat mogelijk?”

“In sommige gevallen kunnen we effectief niks bieden. Kinderen met een zuiver psychologische of psychiatrische problematiek, bijvoorbeeld, vallen vaak buiten de scope, zeker omdat ze niet zouden gedijen in een drukke leefgroep. We trekken de grens bij wat wij kunnen bieden versus wat het kind nodig heeft, en communiceren daar vooraf helder over met ouders: hier stopt het en nu moeten we doorverwijzen. Soms kan het toch, zelfs bij een psychiatrische problematiek – als we de kans krijgen om samen te ontdekken wat het kind wel kan. Kinderen uitsluiten van onze hulp door rigide criteria, dat zou pas onethisch zijn.”


Vrouwen kunnen, ook als ze zwanger zijn, voor zichzelf denken

Françoise Dedrie, centrumverantwoordelijke van abortuscentrum Luna in Antwerpen, maakte de hele maatschappelijke evolutie rond abortus van dichtbij mee. Als jonge maatschappelijk werker liep ze stage bij het Centrum voor Seksuele Opvoeding en Gezinsplanning. “Toen ik daar begon, was abortus nog strafbaar. De wet op zwangerschapsafbreking kwam er pas in 1990. Er bestonden wel centra in de illegaliteit. Tijdens consultaties verwezen we vrouwen soms in het geniep door. Op voorwaarde dat we erop vertrouwden dat ze zouden zwijgen. Anders moesten ze uitwijken naar Nederland.” Vandaag blikt Françoise terug en vooruit. Want ook al is abortus wettelijk geregeld, de ethische gevoeligheden zijn springlevend.

De uitdaging

De Belgische wet laat een abortus toe binnen de eerste twaalf weken, na een psychosociaal gesprek en medisch consult in een abortuscentrum, en met een verplichte wachttijd van zes dagen. “Die voorwaarden zijn allesbehalve neutraal”, zegt Françoise. “Ze tonen hoe we vrouwen nog altijd paternalistisch behandelen. Alsof iemand die zwanger is niet meer helder kan nadenken. Wie naar ons komt, heeft vaak al nachten wakker gelegen, gepraat met partner of vrienden en hakt hier niet licht een knoop door. Dan zes dagen bedenktijd opleggen, voelt beschuldigend.”

Ook het vasthouden aan de grens van twaalf weken vindt ze problematisch. In Nederland kan een abortus tot de grens van levensvatbaarheid, in de praktijk tot 22 weken. “De veronderstelling dat vrouwen hun beslissing gewoon uitstellen als de termijn langer is, klopt niet. Helaas ontdekken sommige vrouwen die we zien pas laat dat ze zwanger zijn: door een spiraaltje, onregelmatige menstruatie of omdat ze dachten onvruchtbaar te zijn. Dan is twaalf weken vaak te kort. Soms verandert de situatie tijdens de zwangerschap: partnergeweld, een medische diagnose of een plotse breuk. Dan kan een zwangerschap die gewenst begon, alsnog onhoudbaar worden. Vergis je niet: die vrouwen gaan nog steeds voor een zwangerschapsafbreking, alleen gebeurt die niet in eigen land.”

Abortus is bovendien minder uitzonderlijk dan velen denken. Eén op de vier zwangerschappen in België is ongepland en één op de vijf vrouwen ondergaat ooit in haar leven een abortus. Het stereotype beeld van de tiener of probleemvrouw klopt niet. De gemiddelde vrouw die een abortus aanvraagt is 29 jaar, heeft een job, een partner en vaak al kinderen.

“Toch heerst er nog veel stigma”, benadrukt Françoise. “Vrouwen komen vaak met schaamte en het gevoel dat ze falen. Terwijl: vruchtbaarheid is nooit volledig te controleren. Geen enkele anticonceptie is honderd procent veilig. Zelfs na een sterilisatie gebeurt het. Dat er in dertig vruchtbare jaren eens iets fout loopt, is dus niet ondenkbaar.”

De tool: taalgebruik

Hoe ga je om met zo’n kwetsbaarheid? Voor Françoise begint het bij taal: “Het eerste wat je te horen krijgt wanneer je arts of gynaecoloog een zwangerschap vaststelt of bevestigt, is ‘proficiat!’. Dat is een invulling van de hulpverlener zelf, zonder te checken of de zwangerschap wel gewenst is. Mensen gebruiken ook nog vaak de uitdrukking ‘abortus plegen’ – een beladen term die verwijst naar het strafrecht en de connotatie van schuld draagt.”

In het centrum kiezen ze bewust voor neutrale taal. Ze spreken bijvoorbeeld consequent over ‘zwangerschap’, niet over ‘kindje’. Ze noemen een vrouw niet automatisch ‘mama’. Ze stellen open vragen: Was de zwangerschap gepland? Hoe kijk je er zelf naar? “Het lijkt klein, maar taal bepaalt de ruimte voor gesprek”, meent Françoise. “Onze taak is om geen oordeel te vellen, wel om te vragen welke betekenis de zwangerschap voor de vrouw heeft.”

Hoe ga je daarbij te werk?

België is een van de weinige landen waar counseling bij een abortus verplicht is. “Dat kan een valkuil zijn”, zegt Françoise. “Het risico is dat het gesprek sturend wordt. Wij beginnen altijd met de vraag: ‘Wil je hier met ons over praten?’ Als iemand dat niet wil, respecteren we dat. We geven de nodige praktische informatie over de afbreking maar laten de vrouw zelf bepalen wat ze deelt. Dat maakt dat ze zich veilig voelt. Ze hoeft zich bij ons niet te verantwoorden.”

Die basishouding – open, niet-oordelend, steunend – is ook een selectiecriterium voor medewerkers. “We verwachten dat onze mensen ruimte laten voor het hele verhaal: ook voor het verdriet dat met de beslissing tot een zwangerschapsafbreking kan gepaard gaan. Je merkt dat vrouwen opluchten als we zeggen: ‘Zolang dit jouw keuze is, steunen we je.’ Vanuit die vrije houding, voel je dat mensen zich veilig voelen om te vertellen en hun hart te luchten.”


“Mag ik nog een ijsje?” Over ja zeggen en regie gunnen in de ouderenzorg

In deze rubriek gaan we zoek naar prangende ethische uitdagingen die zich voordoen in de praktijk. Tegelijkertijd ontdekken we welke methodes ons kunnen helpen om deze uitdagingen bespreekbaar en hanteerbaar te maken. We gaan hiervoor te rade bij collega’s in de zorg die dagelijks met ethische vraagstukken worden geconfronteerd.

Friede Landerwyn is sinds acht jaar directeur bewonerszorg binnen OLV Gasthuis vzw. Ze werkte eerder veertien jaar in de geestelijke gezondheidszorg, onder meer als ergo- en creatief therapeute in het psychiatrisch centrum van Menen. Daarna stapte ze over naar de ouderenzorg, volgde een verpleegkundige opleiding en groeide door tot stafmedewerker kwaliteit. “Omdat ik zowel het therapeutische als het verpleegtechnische ken, kan ik meebouwen aan een holistische kijk op zorg, leven en wonen.”

DE UITDAGING

Welke ethische uitdagingen zie jij binnen jouw domein? Welke boeien jou het meest?

“Mijn grootste ethische uitdaging? De regie van de bewoner hoog houden”, zegt Friede Landerwyn. “Een verhuis naar een woonzorgcentrum is vaak een verlieservaring. Je geeft niet alleen je huis op, maar, door de zorgafhankelijkheid, ook een groot stuk vrijheid. Hoe zorgen we ervoor dat bewoners toch het gevoel behouden dat ze zelf kiezen, ook als hun lichaam niet meer mee wil?”

In de praktijk ziet Friede hoe anderen snel beslissingen overnemen: familie die denkt te weten wat goed is, zorgverleners die handelen vanuit routine. “We zeggen vaak: ‘wij werken in hun huis’. Maar dat is maar half waar. We werken in een instelling, met regels, normen, logistiek. De bewoner voelt dat ook. Daarom moeten we blijven terugkeren naar de vraag: wat wil deze persoon zelf? Niet: wat wil de familie? Of: wat past in onze structuur?”

Om dat waar te maken werkte Friede mee aan een visie op wonen en leven, geïnspireerd op het Tubbe-model. “Dat helpt om regie te verankeren in de dagelijkse praktijk. Medewerkers zien bewoners niet als zorgobject, wel als volwaardige actor. Dat maakt een wereld van verschil.”

DE TOOL: EEN ‘JA-CULTUUR’-BESLISSINGSWIJZER

Om bewoners meer zeggenschap te geven in het dagelijkse leven, werkte OLV Gasthuis een eenvoudige, krachtige methode uit: de ja-cultuur, met een beslissingswijzer als leidraad. De kern? Medewerkers vertrekken standaard vanuit een ‘ja’.

“Onze visie steunt op vijf kernwoorden”, vertelt Friede, “regie, ruime blik, samen, betekenisvol en warm. Vanuit de klemtoon op regie is de ja-cultuur gegroeid. Het uitgangspunt is simpel: we zeggen in principe ja, tenzij er een zwaarwichtige reden is om dat niet te doen.”

Lukt ‘ja’ niet, dan zoeken medewerkers samen met de bewoner en diens netwerk naar wat wel kan. “Ook als de vraag afwijkt van het gewone, willen we eerst luisteren. Dat vraagt soms extra overleg, maar het levert meer voldoening op.”

Om medewerkers hierin te ondersteunen, ontwikkelde het team een beslissingswijzer met vijf eenvoudige vragen:

  1. Wil de bewoner dit echt? Is zijn vraag in lijn met wat hij zelf belangrijk vindt?
  2. Is het veilig? Heb ik de nodige kennis en vaardigheden?
  3. Is het haalbaar binnen de werking (tijd, middelen)?
  4. Handel ik in lijn met onze kernwaarden?
  5. Blijf ik binnen de gemaakte teamafspraken?

“Deze vragen helpen om bewust en gedragen beslissingen te nemen – niet voor, maar samen met de bewoner.”

Hoe ga je daarbij te werk?

“Een medewerker vertelde me onlangs dat een bewoner om kwart voor negen ’s avonds nog een ijsje vroeg”, deelt Friede. “Ze vond dat te laat en ging eerst niet op de vraag in, maar door de ja-cultuur dacht ze toch verder: ze bood hem een ijskoude limonade aan. Ikzelf had hem zijn ijsje gegund, maar het toont dat ze de vraag ernstig nam. En dat is precies wat we willen: open blijven staan voor wat de bewoner wil.”

Moeilijker wordt het als een vraag mogelijk risico’s inhoudt. “We hadden eens een bewoner met ernstige slikproblemen die nog eens een biefstuk wilde eten. De reflex is dan vaak: dat kan niet. Met de beslissingswijzer herbekijk je die reflex. “We kozen voor een ‘ja, maar…’: de bewoner kreeg een duidelijke uitleg over de risico’s. Toen ze – goed geïnformeerd – toch bij haar wens bleef, vonden we dat we haar dat genot niet mochten ontzeggen.”

Ook bij organisatorische beperkingen blijft de ja-reflex overeind. “Als een bewoner hulp vraagt bij een kapotte telefoon, kijken we wat haalbaar is. Misschien niet meteen, misschien door een collega, … We zoeken altijd naar de ‘ja’ die binnen de mogelijkheden past.”

Soms botsen rechten van bewoners onderling. “Een bewoner wilde roken op zijn kamer. Dat is in principe privéruimte, maar de geur heeft impact op anderen. We vonden samen een tussenoplossing: vapen op de kamer, roken in de rookruimte. Dat compromis voelde als een ‘ja’ voor iedereen.”

De beslissingswijzer wordt niet in een schuif gelegd. “We gebruiken de tool in interdisciplinaire overlegmomenten, met concrete casussen. Zo houden we het levend. Medewerkers leren van elkaar, dagen elkaar uit en worden zelfzekerder in het omgaan met ethische complexiteit.”

De kracht van het model zit volgens Friede in zowel de eenvoud als radicaliteit ervan. “Elke keer dat we ‘ja’ kunnen zeggen, geven we een stukje vrijheid terug. Dat doet ook iets met ons. Het herinnert ons eraan waarvoor we hier zijn: menswaardige zorg, tot het einde toe.”

Meer weten over de visie en ja-cultuur van OLV Gasthuisberg? Ontdek het hier.


Wat weet ik nog niet over deze persoon?

Thomas Fondelli is psycholoog van opleiding en heeft een achtergrond in de systeemtheorie. Hij werkte veertien jaar in het Zeepreventorium met kinderen en jongeren met een chronische medische aandoening. Vandaag heeft hij een praktijk en doceert aan de Interactie Academie. “Mensen zijn geen eilanden. Alles wat we voelen, denken en doen, gebeurt in relatie tot anderen – en in wisselwerking met de samenleving.”

DE UITDAGING

Welke ethische uitdagingen zie jij binnen jouw domein? Welke boeien jou het meest?

“In de klassieke psychologie wordt gedrag nog vaak teruggebracht tot het individu”, vertelt Thomas. “We geven iemand een label – borderline, autistisch, depressief – en gaan daarmee aan de slag. Wie systeemgericht werkt, vertrekt vanuit het tegenovergestelde: mensen zijn geen op zichzelf staande puzzelstukjes, maar maken deel uit van relationele systemen en maatschappelijke contexten. Het is niet omdat iemand problemen ervaart, dat hij of zij het probleem is. Problemen ontstaan in wisselwerking met de omgeving. Dat besef bracht bij mij een denkproces op gang dat ik wil blijven meedragen.”

“Zodra we iemand een stoornis toeschrijven, leggen we het probleem bij die persoon”, verduidelijkt hij. “Maar een kind zonder tuin en in een buurt vol fastfoodketens zal anders eten en bewegen dan een kind met tuin en nabije sportclubs. Het probleem zit niet ‘in’ dat kind. Hoe iemand zich gedraagt, hangt ook af van zijn omgeving.”

Voor Thomas heeft deze manier van kijken directe ethische gevolgen. “Zorgverleners zijn zelf knooppunten in het netwerk van zorgvragers. De taal die we gebruiken, de vragen die we stellen: ze hebben een impact op de beleving. We zijn medeverantwoordelijk. Het voelt eerlijker om ons de vraag te stellen hoe we van de zorg een gedeelde verantwoordelijkheid maken, in plaats van alles bij de zorgvrager zelf te leggen.”

Die betrokkenheid botst soms met het systeem waarin je werkt. “Ik schrijf verslagen om een persoonsgebonden budget te motiveren. Dan moet ik mensen beschrijven in een deficitkader, terwijl ik weet dat die woorden schade kunnen doen. Het is een worsteling: hoe doe je recht aan iemands verhaal zonder het te reduceren tot een stoornis?”

DE TOOL: Radicale nieuwsgierigheid

Welke methode vind je zelf bruikbaar om hiermee om te gaan?

“Voor mij is de belangrijkste vraag: Wat weet ik nog niet over deze persoon waardoor zijn gedrag misschien wel logisch wordt? Dat helpt om weg te blijven van het denken in normaal versus afwijkend. Wat voor de zorgverlener ‘vreemd’ lijkt, is voor de cliënt vaak een manier om te overleven.”

Thomas noemt dit radicale nieuwsgierigheid. “We kunnen luisteren naar een zorgvrager als bewijs dat hij ziek is – ‘typisch borderline’ – of luisteren met betrokken nieuwsgierigheid naar zijn of haar beleving. Wat maakt dit gedrag voor die persoon begrijpelijk? Wat beïnvloedt die reactie? Welke complexiteiten spelen mee? Het is verleidelijk om iemand als moeilijk te bestempelen. Maar de echte vraag is: wat in diens context maakt dit gedrag logisch?”

Die houding vraagt taalgevoeligheid, ook in hoe zorgverleners onder elkaar praten. “In het verpleeglokaal, in verslagen, tijdens overleg: al babbelend vormen we beelden van zorgvragers. Die beelden kleuren de zorg. Een opmerking als ‘hij is zo’n moeilijke’ wordt zelden gecorrigeerd. Maar je kan ook gewoon vragen: wat weten we over zijn verhaal? Alleen dat al verzacht de toon.”
Hiervoor moet je voorbij het idee ‘ik ben normaal, de ander is ziek’. Je moet vooral nieuwsgierig worden.

Hoe ga je daarbij te werk?

“Voor verpleegkundigen, die vaak meer in het doen dan in het reflecteren zitten, kan die ene simpele vraag al veel betekenen: wat weet ik nog niet? Moreel beraad is daarvoor niet nodig. Het is een uitnodiging om even op pauze te drukken en ruimte te maken voor het verhaal van de ander.”

Vaak beseft de persoon zelf niet hoe bepalend zijn context is – omdat die voor hem normaal lijkt. Daardoor vertelt hij het niet spontaan en blijft het voor de zorgverlener onzichtbaar. “Ik vroeg eens aan een zorgvrager met depressieve klachten om zijn thuissituatie te tekenen. Hij woonde met vier kinderen in een appartement met één slaapkamer, zonder buitenruimte. Het probleem lag niet zozeer in zijn hoofd, maar in zijn leefwereld. Wel meer mensen zouden last ondervinden in zo’n situatie, en in wisselwerking met andere factoren misschien zelfs depressief worden.”

Als uitsmijter deelt Thomas een uitspraak van een zorgvrager: “Ik ben een beetje een neuromigrant”, zei hij. “Net als een Belgische Turk voel ik me nergens helemaal thuis. Ik ben geboren als ‘gehandicapt’, maar door goede zorg geëvolueerd richting ‘normaal’. Maar nu ben ik niet het een, noch het ander.”
Thomas glimlacht. “Zolang we blijven geloven dat ‘normaal’ het einddoel is, houden we een hele groep mensen in de marge. Tijd om de norm zelf te bevragen.”


Van toe-schouwers naar doe-schouwers

In deze rubriek gaan we op zoek naar prangende ethische uitdagingen die zich voordoen in de praktijk. Tegelijkertijd ontdekken we welke methodes ons kunnen helpen om deze uitdagingen bespreekbaar en hanteerbaar te maken. We gaan hiervoor te rade bij collega’s in de zorg die dagelijks met ethische vraagstukken worden geconfronteerd.

Hadewijch Blockeel begon haar loopbaan als psychiatrisch verpleegkundige. Ze werkte bij de opstart van het Forensisch Psychiatrisch Centrum, eerst als opnamecoördinator, later als behandelcoördinator. Daarna stapte ze over naar het onderwijs, waar ze nu aan VIVES doceert en onderzoek doet rond zorgethiek. Vandaag combineert ze dat met een deeltijdse praktijk als systemisch counselor. “Ik wou weer met mijn voeten in de praktijk staan. In die opleiding ontdekte ik creatieve methodieken die me meteen raakten. Nu gebruik ik die in mijn werk met zorgverleners rond morele dilemma’s.”

DE UITDAGING

Welke ethische uitdagingen zie jij binnen jouw domein? Welke boeien jou het meest?

“Bij de opleiding in Vives vertrekken we vanuit een relationele visie op zorg”, vertelt Hadewijch. “We geloven dat de relatie tussen zorgverlener en zorgontvanger cruciaal is voor hoe zorg wordt ervaren. Een sleutelvoorwaarde voor die relationele visie is het vermogen om van perspectief te wisselen – om je echt te verplaatsen in de leefwereld van de zorgontvanger, en te voelen of jouw zorg wel aansluit bij hun noden en verwachtingen. Om dat te leren, leggen we in de opleiding veel nadruk op reflectie. Studenten moeten stilstaan bij hun intenties, het effect van hun handelen, en hoe dat overkomt bij de ander.”

Maar in de praktijk bots je al snel op grenzen. “We verwachten dat iedereen goed kan reflecteren en dat ook nog eens helder op papier krijgt. Terwijl veel verpleegkundigen doeners zijn, geen schrijvers”, meent Hadewijch. Bovendien maakt de zorgcontext zelf het niet makkelijk. “Tijdsdruk, checklist-denken, regels en procedures die meer inzetten op conformiteit dan op echte responsiviteit. Al deze factoren maken het vaak lastig om ruimte te maken voor de beleving van een ander. Ik vroeg me af hoe we die nodige reflectie dan wel kunnen bevorderen, los van de gekende methodes van schriftelijke verslaggeving en moreel beraad.”

DE TOOL: FORUMTHEATER

Welke methode vind je zelf bruikbaar om hiermee om te gaan?

“Tijdens mijn zoektocht kwam ik bij forumtheater terecht”, vertelt ze. Augusto Boal ontwikkelde de methode in Brazilië als ‘theater van de onderdrukten’. “Hij liet zich inspireren door Paulo Freire, die kritisch keek naar hoe we mensen voorbereiden op het echte leven. Boals idee: via spel inzicht en handelingsruimte creëren in moeilijke situaties.” Met deze methode helpt Hadewijch teams om moeilijke zorgmomenten uit te spelen en bespreekbaar te maken.

Het vertrekpunt is een ervaring van onderdrukking. Dat klinkt misschien zwaar, maar, zo verduidelijkt Hadewijch: “Dat kan in onze context gaan over een moment waarop iemand iets zei wat die liever niet had gezegd – of net zweeg terwijl hij of zij beter had gesproken.” Vanuit een concrete ervaring van een deelnemer bouwt Hadewijch met het team een scène op. Die moet helemaal kloppen volgens de persoon die ze inbrengt. “We spelen ze eerst zoals het echt gegaan is: wie was deel van de situatie, wie zei wat en hoe stonden ze erbij.” Daarna verandert de dynamiek. “De hoofdrolspeler gaat in het publiek zitten. Vanaf dan mogen de toeschouwers ‘stop’ zeggen, de scène betreden en een alternatief voorstellen. De ‘toe-schouwers’ worden ‘doe-schouwers’. Soms spelen we een scène tien keer opnieuw met telkens een andere insteek.”

De kracht zit voor Hadewijch in het ervaringsgerichte en interactieve aspect. “Door de situatie te spelen, voel je pas echt hoe anderen iets beleefden. Je merkt meteen het effect van een andere aanpak. Zit je in de oorspronkelijke scène recht voor iemand, dan voel je het verschil zodra je naast hen gaat zitten. Laat je de situatie eerst ontsporen, dan merk je wat het doet als je op tijd ingrijpt. Dat soort nuances ontdek je pas als je de situatie speelt.”

En het werkt. “Verpleegkundigen willen niet blijven hangen in gesprekken of reflectieverslagen. Ze willen doen – en dat kan hier.”

Hoe ga je daarbij te werk?

“Onlangs hadden we een verpleegkundige die het moeilijk had met het ‘familiaire gedrag’ van een van de patiënten”, vertelt Hadewijch. “Bij het naspelen nam een van de collega’s een verrassende wending: zij ging mee met de informele praatjes van de patiënt en complimenteerde hem terug. “Ah, vind je dat ik mooie ogen heb? Jij ook!” Dat creëerde een vrolijke, speelse dynamiek waar het team anders helemaal niet voor open stond, door de strenge regels rond professionele omgang op hun afdeling. Hier kreeg je een bewustwording dat het probleem niet zozeer bij het gedrag van de patiënt lag – want de verpleegkundige vond het in se niet erg dat ze die complimentjes kreeg – maar bij de harde afgrenzing ervan volgens de cultuur van de afdeling. Omdat je bij het naspelen verschillende opties kan beleven, is het leereffect veel groter dan wanneer een moderator of docent polst naar diepere reflectie. Je voelt het effect in je lijf.”

Hadewijch benadrukt dat forumtheater geen quick fix is. “Je hebt minstens een uur nodig om op te warmen en veiligheid op te bouwen. Niet iedereen staat er meteen voor open. Maar als je het proces respecteert, zie je mensen echt in beweging komen.”


De lat mag soms wat lager

Madeleine Timmermann begon haar carrière als verpleegkundige. Door de vele ethische vragen die ze daarbij tegenkwam, verdiepte ze zich in zorgethiek en voerde ze onderzoek naar goede zorg bij dementie. Toch bleef de praktijk lonken. Na twaalf jaar als geestelijk verzorger in een hospice werkt ze nu als ethiekadviseur in een organisatie voor mensen met een verstandelijke beperking.

De uitdaging

Welke ethische uitdagingen zie jij binnen jouw domein? Welke boeien jou het meest?

Madeleine: “De vraag die me altijd bezighoudt is: hoe kunnen we ethiek integreren in het gewone, dagelijkse? Dat kan gaan over iets ogenschijnlijks eenvoudig als koffie serveren.” Voor Madeleine zit de essentie van goede zorg vaak in zulke alledaagse momenten. Daarnaast vindt ze het belangrijk om werkvreugde te koesteren. “Juist die kleine genietmomentjes maken het verschil. Niet per se door meer tijd te nemen, maar door er meer aandacht aan te schenken en ze te benoemen.”

Volgens Madeleine zijn die alledaagse momentjes ook essentieel om het vol te houden in de zorg. “Je hebt altijd een motor nodig om door te gaan. De grootste uitdaging is om de lat wat lager te leggen, zonder de menselijkheid te kwetsen. Zorgverleners willen het zo goed doen, maar de zorg wordt complexer en we lopen tegen een schaarste aan. In plaats van je daarover te frustreren kan je je afvragen of de zorglat soms wat lager kan – op het juiste moment, op de juiste hoogte.” Madeleine hanteert daarbij het toverwoord middelmatigheid. “Je moet balanceren tussen verschillende eisen. Perfectie is onhaalbaar, terwijl goed genoeg net heel waardevol kan zijn.”

De tool: verwondering

Welke methode vind je zelf bruikbaar om hiermee om te gaan?

Om de zorglat op de juiste hoogte te krijgen, zet Madeleine sterk in op het wisselen van perspectief. “Moreel beraad kan daarbij helpen. Tegelijk kan het ook eenvoudiger. Mensen willen bij moeilijke situaties vooral hun frustraties, inzichten en ervaringen delen”, zegt ze. “Vanuit die basis kan je als groep reflecteren: waarom handelen we in een bepaalde situatie zoals we doen? Doen we dat vanuit onze eigen noden en overtuigingen, of omdat het aansluit bij wat de persoon zelf nodig heeft?”

Madeleine haalt een voorbeeld aan: “Onlangs was er een meningsverschil over hoe we best omgingen met een bewoonster met een verstandelijke beperking en dementie. Ze ervaarde veel angst bij het douchen. Haar zus, die haar wettelijke vertegenwoordiger is, stond erop dat ze toch werd gedoucht. Het team vond dat moeilijk, maar volgde die wens. In een overleg onderzochten we waarom we zo verschilden van beleving. Wat bleek? De zus voelde zich gebonden aan hun moeders wens: dat haar zus altijd netjes verzorgd en gewassen zou zijn. Vanuit dat ‘waarom’  – en het gedeelde verlangen om goed voor de vrouw te zorgen – besloten we samen dat douchen niet de enige oplossing was. We legden de lat lager, maar beter.”

Die manier van omdenken is volgens Madeleine essentieel. “Mijn beste woord ervoor is verwondering. Verwonderd zijn over wat je doet, waarom je het zo doet en wat dat betekent – niet alleen voor je zorgvragers, maar ook voor hoe je je werk organiseert en hoe tevreden je daar zelf over bent. Door telkens opnieuw de vraag te stellen ‘Waarom vinden wij dat?’ leren we zoveel bij.”

Hoe ga je daarbij te werk?

“Denk aan ouderen in revalidatie”, zegt Madeleine. “Vaak leren ze opnieuw traplopen, maar wat als die persoon thuis geen trap heeft en liever wil tuinieren? Kunnen de oefeningen daar niet beter op aansluiten?”

Volgens Madeleine leidt die verwondering soms tot verrassende acties. “Onlangs koos een zorgverlener ervoor om thuis naar het wielrennen te kijken. Dat was een grote passie van een van de bewoners, en zo kon ze makkelijker een aanknopingspunt vinden voor een betekenisvol gesprek. Dat is zorg die past. Ethiek in de praktijk draait om sensitiviteit voor wat echt telt. Met kleine inspanningen bereik je vanuit die sensitiviteit veel. De lat ligt dan, praktisch gezien, wat lager, maar de focus op goede zorg blijft behouden.”


De kracht van kleine goedheid en een vleugje humor

Linus Vanlaere is zorgethicus en auteur van meerdere boeken over dit thema. Hij werkt als stafmedewerker ethiek bij vzw Gezondheidszorg Bermhertigheid Jesu. Daarnaast is hij onderzoeker bij sTimul, het zorgethische lab van Hogeschool VIVES.

Welke ethische uitdagingen zie jij binnen jouw domein? Welke boeien jou het meest?

“Een van de grootste uitdagingen in de zorg, vanuit zorgethisch oogpunt bekeken, is hoe je authentiek in verbinding gaat met je zorgvrager”, zegt Linus Vanlaere. “Het lijkt zo simpel, maar tegelijk is het ontzettend moeilijk. Hoe kan je er echt zijn voor de ander? Hoe vergroot je je relationele repertoire en groei je als mens?”

Volgens Linus maakt onze complexe en veeleisende samenleving de zorg uitdagender. “Zorgverleners kampen met tijdsdruk, schaarste en efficiëntiedruk. Tegelijk moet de zorgvrager communicatief sterk en digitaal vaardig zijn om mee te kunnen. Het omslachtige systeem, waarbij je telkens opnieuw je verhaal moet doen, vergroot de afstand.” Daarnaast merkt Linus op dat de verwachtingen in de zorg hoog zijn. “Dit hangt samen met maatschappelijke evoluties, complexere ziekte- en gezondheidsprocessen en onze politieke en economische realiteit. Mensen gedragen zich steeds meer als consumenten, ook in de zorg.” Dit maakt relationele afstemming uitdagend, terwijl die juist cruciaal is, benadrukt Linus. Studies tonen aan dat minder tijd voor de zorgrelatie samenhangt met meer ziekteverzuim en uitstroom.

Welke methode vind je zelf bruikbaar om hiermee om te gaan?

Om die authenticiteit in de zorgrelatie terug te winnen, ziet Linus twee belangrijke methodes: ongehoorzaamheid en humor. “Ongehoorzaamheid klinkt misschien heftig,” zegt Linus, “maar het gaat om bewust en bedachtzaam handelen. Het is ruimte nemen om je spontaniteit en menselijkheid te bewaren, zonder het systeem in gevaar te brengen.” Hij noemt het ‘de scherpe kanten van het systeem afveilen’ en ‘wat menselijkheid toevoegen’.

“Ongehoorzaamheid is voor mij ook een teamgegeven”, vervolgt hij. “Geen rebellie om te rebelleren, maar een manier om elkaar wakker te houden en vast te houden aan wat je belangrijk vindt.” Hij verwijst naar een verpleegkundige die stiekem het hondje van een stervende patiënt binnenbracht. “Dat is kleine goedheid. Een daad die menselijkheid bewaart en het systeem alert houdt op de mens.”

Naast ongehoorzaamheid ziet Linus humor als waardevol. “Niet de stand-up soort, maar dagelijkse, spontane humor die een situatie lichter maakt. Humor helpt om af te stemmen op de zorgvrager, bijvoorbeeld door een vrouw met dementie speels te verleiden om toch te eten. Humor kan iemand meenemen en vertrouwen geven.” Die speelsheid en spontaniteit brengen menselijkheid met zich mee. Humor vraagt om echt contact, omdat het spontaan ontstaat in een bepaalde context met een specifieke persoon. “Het is per definitie een moment van afstemming.”

Hoe ga je daarbij te werk?

“Humor is een tool op zichzelf”, legt Linus uit. “Met het Zorg Educatie Centrum en sTtimul ontwikkelden we humorgesprekskaarten – HaZo!. Daarmee bieden we eenvoudige, dagelijkse cases uit de ouderenzorg aan en prikkelen we zorgverleners om humor te gebruiken – ook in situaties waar ze dat normaal misschien niet zouden doen. Stel dat een bewoner iets doet wat irritatie opwekt. Hoe kan je dan humor gebruiken? Wat doet dat met de ander, met jou en met jullie relatie? We geloven dat dit helpt om na te denken over responsiviteit, maar daarnaast biedt het ook een manier om je te oefenen in humor.”

Volgens Linus is humor, net als alle relationele vaardigheden, een spier die je kan trainen. “Het is een vorm van spelen. En teams zijn heel bepalend voor de mate waarin ze elkaar die speelsheid toelaten.”

 

Meer info over het werk van Linus Vanlaere vind je op zijn website.


De ruimte tussen mensen

Prof. Inge Van Nistelrooij is zorgethicus en oprichter van Ethiek & Zorg, waarmee ze zorgorganisaties adviseert en begeleidt bij ethische vraagstukken. Daarnaast is ze Universitair Hoofddocent Zorgethiek aan de Universiteit voor Humanistiek in Utrecht. In 2008 publiceerde ze het standaardwerk ‘Basisboek Zorgethiek’, bedoeld voor een brede groep hulpverleners. Na tien herdrukken onderging het boek onlangs een grondige revisie.

DE UITDAGING

Welke ethische uitdagingen zie jij binnen jouw domein? Welke boeien jou het meest?

Voor Inge Van Nistelrooij is ethiek geen abstract concept, geen theoretisch denkkader dat je erbij haalt wanneer het nodig is, maar is het verweven met het dagelijkse bestaan. “Ethiek toont zich al in hoe en wat je kiest, prioriteiten stelt, en hoe je je verhoudt tot anderen.”

Binnen dat dagelijkse bestaan intrigeert haar vooral de ruimte tussen mensen – wat ze ‘de tussenruimte’ noemt. “In die ruimte krijgen relaties vorm”, zegt ze. “Daar stemmen we voortdurend op elkaar af. Dat gebeurt in elke ontmoeting, ook in de meest vluchtige contacten. En precies dat afstemmen is de basis van goede zorg. Zorg is niet simpelweg een reeks handelingen die je uitvoert. Zorg is relationeel. Zorg is afstemmen.”

Zorg is overigens heel alledaags. “We zorgen voortdurend – voor onszelf en voor anderen. We luisteren naar de signalen van ons eigen lichaam en reageren daarop. Net zo stemmen we af op anderen: we voelen aan wat nodig is en sturen bij waar dat kan. Goede zorg is co-creatie. Het gaat om oog hebben voor wanneer zorg stroomt, en wanneer ze stokt.”

Maar precies wanneer er wrijving ontstaat, wordt het moeilijk. “Denk aan teams die onder hoge werkdruk gebukt gaan, organisaties waarin beslissingen van bovenaf niet goed landen, of spanningen met familieleden van een zorgvrager. In al die situaties kost het ons vaak grote moeite om samen een uitweg te vinden.”

Volgens Inge ligt de sleutel in de mate waarin we kwetsbaar met elkaar in gesprek durven gaan.

DE TOOL: de zorgethische opstelling

Welke methode vind je zelf bruikbaar om hiermee om te gaan?

De methode die Inge heel bruikbaar vindt, vertrekt vanuit opstellingen. “Ik werk graag met het lichaam. Door lichamelijke gewaarwordingen krijg je vaak sneller inzicht in wat goed is om te doen. Ethiek zit niet alleen in het denken, maar ook in het voelen. Op allerlei lagen worden onze inzichten aangeboord. Een zorgethische opstelling speelt precies daarop in. Stel dat een team in een langdurige zorginstelling verdeeld is over wat goede zorg is voor een bewoner. De een vindt dat het zo moet, de ander ziet het anders. In plaats van erover te praten, kan je met deze methodiek uitbeelden wat er leeft.”

Hoe ga je daarbij te werk?

De casusinbrenger brengt eerst in kaart wie de betrokkenen zijn en vraagt teamleden om een van de perspectieven te representeren. Vervolgens plaatst hij elke representant in de ruimte, op een plek en in een houding die volgens hem de situatie het beste uitdrukt. Deze methode maakt ethische vraagstukken tastbaar en betrekt ook mensen die minder mondig zijn. Taal kan een drempel zijn, maar gevoelens en frustraties worden vaak wel zichtbaar. “Je ziet meteen waar spanning of afstand ontstaat. Representanten ervaren zelf hoe het is om in een bepaalde situatie te staan en wat nodig is om verder te komen. Soms voelen ze de drang om dichterbij te komen, soms juist om afstand te nemen.”

De methode kan ook ingezet worden bij spanningen met het management. “Zo beschreef mijn collega Vivianne Baur een opstelling waarin een team zich niet gezien voelde door de directie. Tijdens een casus over een bewoner, waarvan de afdeling ter discussie stond, gebeurde iets opvallends. De casusinbrenger liet de directrice de bewoner representeren, terwijl een zorgkundige de rol van de directrice aannam.”

Wat er toen gebeurde, was verrassend. “Toen de begeleider vroeg hoe het voelde,” vertelt Inge, “zei de directrice (die de bewoner speelde) dat ze zich eenzaam voelde. Dat trof het team: ze voelde precies aan wat er bij de bewoner speelde. Maar ook de zorgkundigen kregen een inzicht – ze stonden als een groepje bij elkaar. Precies zoals ze in de praktijk onbewust vaak doen. Nog opvallender was de ervaring van degene die de directie representeerde. ‘Ik voel me ook alleen. Waarom komt er niemand naar me toe?’ Ze stond letterlijk ver van het team en voelde de afstand, de tegenstand. Die verschuiving in perspectief werkte verhelderend en verbindend. Op basis van deze inzichten kan de situatie worden bijgestuurd: de directie komt dichter bij het team, de bewoner krijgt een andere plek, er ontstaat meer ruimte voor dialoog.”

Wanneer de opstelling wordt afgerond – en iedereen expliciet wordt gevraagd om zijn rol los te laten – volgt een nabespreking. “Daar gebeurt vaak iets bijzonders. In dit geval gaf de directie aan dat ze zich echt niet gezien en gerespecteerd voelde, en nodigde het team uit om sneller in gesprek te gaan bij bezorgdheden. Spanningen die anders onderhuids bleven, kwamen expliciet op tafel.”