“Met een sterke opleiding kan je als verpleegkundige alle richtingen uit”

06-05-2024

In gesprek met Sabine Stordeur, directrice-generaal van het directoraat-generaal Gezondheidszorg

Toen ze op de schoolbanken zat tijdens haar opleiding verpleegkunde, keek Sabine Stordeur met groot ontzag naar verpleegkundigen die zetelden in de Technische Commissie en de Federale Raad Verpleegkunde. Vandaag staat ze, na een rijk gevulde onderzoekscarrière aan onder meer de UCLouvain en bij het Federaal Kenniscentrum (KCE), aan het hoofd van het directoraat-generaal (DG) Gezondheidszorg van de FOD Volksgezondheid. Netwerk Verpleegkunde ging met haar in gesprek over haar visie op de gezondheidszorg en op verpleegkunde.

Er komen veel veranderingen op ons af. Toch is niet iedereen even enthousiast over de doorgevoerde, maar broodnodige hervormingen. Hoe kijkt u hiernaar?

Sabine Stordeur: “De ministers maken de plannen, wij voeren uit en implementeren het beleid. We merken een veelheid aan beslissingen die op korte termijn werden genomen. Dat leidt onvermijdelijk tot tegenreacties in het werkveld, zoals we die op vandaag ervaren. Het gaat voor velen allemaal te snel en tegelijk gaat het zo traag omdat we nu eenmaal klaar moeten zijn voor de stijgende zorgvraag die op korte termijn op ons afkomt.”

Zo is het statuut van de basisverpleegkundige eindelijk een feit. Hoe ziet men dit binnen de ziekenhuisnormering?

“Daar moet absoluut over nagedacht worden. De opsplitsing die gemaakt is tussen de basisverpleegkundige en de verpleegkundige verantwoordelijk voor de algemene zorg (VVAZ) is namelijk nog niet doorgevoerd in de ziekenhuiswetgeving. Dat is werk voor de komende jaren: wat verstaat men precies onder ‘verpleegkundige’, zowel qua erkenning als qua financiering.”

Is er onderzoek verricht naar de veiligheid en kwaliteit van zorg binnen de gestructureerde zorgteams?

“Het gestructureerde zorgteam is nieuw en momenteel is het nog een vraagteken hoe men zich op het terrein zal organiseren. We zijn het allemaal eens dat we bepaalde methoden van werken moeten doorbreken, maar er is minder eensgezindheid over de manier waarop we dat moeten doen. In de realiteit zien we dat handelingen al vaak gedelegeerd worden. Met het gestructureerde zorgteam hebben we dit juridisch verankerd. Ik denk dus niet dat de veiligheid en kwaliteit van zorg in het gedrang komen, zolang toezicht en opleiding te allen tijde door verpleegkundigen gegarandeerd blijven. Binnen het gestructureerde zorgteam is dit dan meer bepaald de verpleegkundige verantwoordelijk algemene zorg.”

Verpleegkundigen sleutelden de voorbije jaren zelf aan de wetgeving, onder meer onder impuls van NETWERK VERPLEEGKUNDE. Nu is een verdere aanpak door de bevoegde ministers, het RIZIV en de FOD nodig. We zijn van mening dat wanneer prestatiefinanciering en het onvoldoende afgestemd medische zorgaanbod niet worden aangepakt verpleegkundigen het slachtoffer blijven van verhoogde werkdruk. Wat denkt u?

“Als bepaalde problemen niet aangepakt worden, zullen niet alleen verpleegkundigen, maar de hele samenleving daar het slachtoffer van zijn omdat de publieke middelen niet efficiënt worden ingezet. Dat is een algemene consensus. We zijn gestart met de hervorming van de nomenclatuur en de ziekenhuisfinanciering, want de juiste financiële prikkels vormen een belangrijke hefboom. In die financiering ligt de nadruk vandaag nog te veel op productiviteit. De focus moet kwaliteit zijn. Al heb je daarvoor voldoende personeel nodig, dat goed opgeleid en gemotiveerd is.”

Welke rol speelt opleiding daarin?

“Je hebt hoe dan ook een sterke opleiding nodig. Als student liep ik stage in algemene ziekenhuizen. Na mijn studies kwam ik in een universitair ziekenhuis terecht op de afdeling cardiologie. Het vroeg zes maanden om me in te werken en de cultuur van de afdeling te leren kennen. Dat is het voordeel van een goede opleiding: als jonge verpleegkundige kan je alles doen door stapsgewijs ervaring op te bouwen. De opleiding geeft je een noodzakelijke basis, maar maakt van jou geen ervaren verpleegkundige. Je moet ook leren samenwerken, inspelen op veranderingen, … Dat is in elke zorginstelling en op elke afdeling anders, ongeacht hoelang je al actief bent in het beroep. In die zin biedt het gestructureerde zorgteam ondersteuning. Al moeten de procedures voor die onderlinge samenwerking wel duidelijk zijn.”

Hoe ziet u dit?

“Het is een kwestie van taakverdeling. Mijn moeder was ook verpleegkundige. Zij stond er tijdens nachtdiensten alleen voor op twee afdelingen. Vroeger deed de verpleegkundige alles, ook de bedden opmaken of de kamer poetsen. Ik weet nog dat tijdens mijn actieve jaren in het ziekenhuis het heel wat aanpassing vroeg toen we als verpleegkundige niet langer de hele gang moesten afwerken, maar dat de gang opgesplitst werd. Zullen verpleegkundigen zelf verandering pushen? Niet meteen, maar ze moeten wel nadenken hoe ze hun werkcontext kunnen verbeteren in functie van de ervaring, expertise en samenstelling van het team. De structuur van de afdeling en de noden van de patiënt zijn daarbij centrale factoren.”

Er zijn recent verschillende lijsten met handelingen gepubliceerd (basisverpleegkundige, bekwame helper, ADL, …). Er wordt dus duidelijk niet afgestapt van lijsten voor verpleegkundige handelingen?

“Als verpleegkundige mag je een handeling nooit zomaar uitvoeren. Je hebt vandaag veel technische hulpmiddelen. Zo kan je een kamer binnenwandelen en een specifieke handeling uitvoeren met behulp van technologie. Toch mag je hierbij nooit de holistische visie vergeten. De hygiënische zorgen van een patiënt zijn ook het moment om met die persoon te praten en hem of haar te observeren. De geschikte tijd voor een handeling is de juiste tijd. Dat kan soms twee minuten, maar – voor dezelfde handeling – soms ook twintig minuten zijn, afhankelijk van je patiënt. Daarom pleit ik ervoor verpleegkundigen in te zetten volgens de zorgsituatie. Een zorgkundige die rapporteert aan een verpleegkundige na een hygiënische zorg is veel nuttiger dan een verpleegkundige die het snel zelf doet.”

In uw doctoraat bestudeerde u het leiderschap door hoofdverpleegkundigen en CNO. Vandaag komt de rol van de verpleegkundige binnen deze functie onder druk te staan. Hoe kijkt u hiernaar vanuit uw expertise?

“Een verpleegkundig directeur moet zich positioneren. Gebruik je niveau niet als excuus en zeg nooit ‘ik ben maar een verpleegkundige’. Met voldoende motivatie en je basisdiploma kan je veel bereiken, zolang je maar wil werken. Iedereen kan leiderschap tonen en ook vanuit de schaduw kan je invloed uitoefenen. In mijn doctoraat ontdekte ik hoe hoofdverpleegkundigen hun team kunnen motiveren. Velen van hen toonden krachtig, transformationeel leiderschap, terwijl hun oversten dat niet deden. De hoofdverpleegkundige zoekt naar optimalisaties en creëert harmonie tussen alle medewerkers van het team. Iedereen in dat team moet zijn weg vinden.”

Verwachten we niet te veel van verpleegkundigen?

“Op het vlak van verandering is de ene instelling wat archaïscher dan de andere. Maar als we alle ziekenhuizen en afdelingen open willen houden, zullen we mee moeten in de veranderingen en onze comfortzones verlaten door elkaar te motiveren en te versterken. Heb vertrouwen in je team, in je directie en in de zorgkwaliteit. Zo bied je samen patiënten de juiste zorg. Dat is de vertrouwensband die je als verpleegkundige creëert.”

Werkt de FOD Volksgezondheid aan een verdere afbouw van het aantal ziekenhuisbedden?

”Wij volgen de plannen van de minister. Momenteel is er geen verplichting om het aantal bedden te verminderen, al tonen studies wel aan dat er in ons land ruimte is voor verbetering. Enerzijds kunnen we met een lager aantal chirurgische bedden plaats maken voor bedden in de geestelijke gezondheidszorg, revalidatie of palliatieve zorg. Anderzijds moeten we de eerstelijnszorg blijven uitbouwen om ziekenhuisopnames te vermijden of te verkorten.”

Toch lezen we berichten over de rode cijfers van ziekenhuizen en de ontoereikende financiering. Daar tegenover staat dat de afdrachten van artsen aan ziekenhuizen niet volledig gekend zijn. Zal dit gemaximaliseerd worden in de wetgeving?

“De oorzaken van de rode cijfers zijn divers, zoals de hoge energieprijzen en de activiteiten die na covid nog niet volledig hervat zijn. Als overheid hebben we geen bevoegdheid over de afdrachten van artsen. Dit wordt vrij onderhandeld tussen ziekenhuis en arts. Hier is vooral transparantie nodig.”

Moeten alle ziekenhuizen volgens u open blijven?

“Het is niet aan mij om daar uitspraken over te doen. We moeten streven naar een correct aanbod. Wat correct is, hangt af van verschillende factoren. Zo moeten we ons als samenleving afvragen hoe belangrijk de nabijheid van ziekenhuiszorg is. Het is geen kwaliteitsparameter, maar veel mensen vinden het wel belangrijk dat ze een ziekenhuis in de buurt hebben. Ook de verdere uitbouw van de eerste lijn komt hier terug: we kunnen maar nadenken over afbouw van hospitalisatiecapaciteit als er voldoende alternatieven zijn. Ik ben zelf voorstander van de nabijheid van hoogwaardige, minder complexe zorg. Voor complexe en zeldzame zorg zijn er referentieziekenhuizen, waar gespecialiseerd personeel en geavanceerde apparatuur beschikbaar zijn. Dit biedt de beste kans op genezing. Bovendien zal ons land de komende jaren veel moeten besparen. Daarom zijn we verplicht in te zetten op efficiëntie en doelmatigheid. We zullen harde keuzes moeten maken en misschien wel schrappen in het overbodige aanbod. Die keuzes kunnen op een intelligente manier gemaakt worden of we kunnen de economie zijn gang laten gaan. Daarnaast zijn er op het vlak van aanbod belangrijke stappen gezet, zoals de concentratie van complexe kankerchirurgie. Toch is er ook veel weerstand tegen verandering. Denk maar aan het KCE-rapport over de materniteiten uit 2020[1]. De kranten stonden gevuld met begrijpelijke emotionele en verontwaardigde reacties, terwijl het KCE enkel een denkkader bood. Wanneer er wetenschappelijk bewijs is om zorg anders te organiseren met betere resultaten, moeten we dit laten primeren boven individuele belangen.”

Er is meer en meer vraag naar een ziekenhuisfinanciering op netwerkniveau om zo het medische aanbod beter af te stemmen en de kwaliteit van zorg te optimaliseren. Het KCE-rapport borstkankerbehandeling toont een verschil in mortaliteit van veertig procent. Ook dit heeft impact op het emotionele welzijn van verpleegkundigen. Hoe kijkt u hiernaar?

“Dit is zeker wenselijk, maar stuit op weerstand omdat het niet eenvoudig is de synergiën van samenwerking tussen ziekenhuizen te verdelen. Idealiter zijn ziekenhuisnetwerken ook per regio georganiseerd, maar vaak zien we dat ze over het hele land verspreid zitten. Dat is uiteraard niet de bedoeling. In Frankrijk heb je een soort label voor referentie- en expertisecentra. Duitsland koppelt de hospitalisatieverzekering en de terugbetaling zelfs aan deze referentiecentra. Misschien moeten we over zo’n systeem nadenken?”

De ligdagduur vermindert waardoor complexere zorg in de eerste lijn terechtkomt. Sommige ziekenhuizen starten met een eigen tweedelijnsthuisverpleging. Mag dit wettelijk?

“De ziekenhuiswet biedt hier geen obstakels, ook niet voor andere medisch-sociale voorzieningen. Toch is het cruciaal dat alle zorgprofessionals, waar ze ook werken, over de nodige vaardigheden beschikken om patiënten te behandelen. Een hoog niveau van de basisopleiding en een gevarieerde, rijke stage-ervaring bieden de garanties dat onze zorgverleners bekwaam zijn om complexe zorg te verlenen in gelijk welke zorgsetting.”

We zien ook dat thuisverpleegkundigen meer en meer actief zijn binnen de gehandicaptenzorg en woonzorgcentra. Dit maakt dat binnen deze zorginstellingen verpleegkundigen met verschillende statuten actief zijn. Hoe zit dat in de ziekenhuizen?

“Ik zie het in de ziekenhuiswereld zo’n vaart niet lopen, onder meer omdat de normering bepaalt dat het zorgpersoneel aan het ziekenhuis moet verbonden zijn. Uiteraard moeten we waakzaam blijven voor bepaalde evoluties, zoals interimverpleegkundigen. Flexibel inspelen op bepaalde situaties is nodig, maar het mag niet de norm zijn. Een duurzame verankering en integratie in het ziekenhuis voor elk lid van de zorgequipe is een belangrijke vereiste, want een sterk verloop door tijdelijke contracten lijkt me nefast voor een veilige en kwaliteitsvolle zorgverlening.”

Hoe kijkt u naar de deconventionering van verpleegkundigen?

“Dubbele financiering is verboden, laat me daar duidelijk over zijn. Iedereen aan de slag laten gaan als zelfstandige in de zorg is gevaarlijk en zal het systeem onbetaalbaar maken. We moeten iedereen in onze samenleving kunnen verzorgen.”

[1] Lefèvre Mélanie, Bouckaert Nicolas, Camberlin Cécile, Devriese Stephan, Pincé Hilde, de Meester Christophe, Fricheteau Benoît, Van de Voorde Carine. De organisatie van materniteiten in België. Health Services Research (HSR). Brussel. Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE). 2019. KCE Reports 323. DOI: 10.57598/R323AS.

Wat is het directoraat-generaal Gezondheidszorg?

De Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu (FOD Gezondheid) wil de gezondheid van burgers beschermen en verbeteren. Aan de leiding van de FOD staat het Directiecomité, dat toekijkt op een correcte uitvoering van de beleidsplannen van de bevoegde ministers. De voorzitter van het Directiecomité van de FOD Gezondheid is Dirk Ramaekers. Binnen het Directiecomité zijn er vier directoraten-generaal (DG): Gezondheidszorg, Dier, plant en voeding, Leefmilieu, Gezondheid en werk. Aan het hoofd daarvan staat de directeur-generaal. Voor de DG Gezondheidszorg is dat Sabine Stordeur.