Meten is pas weten als het klopt

02-03-2026

De Functional Independence Measure (FIM) is een veelgebruikt meetinstrument in de revalidatiezorg om functionele vooruitgang van patiënten in kaart te brengen. Toch verschilt de manier waarop het instrument wordt ingezet sterk van ziekenhuis tot ziekenhuis. In haar masteronderzoek ‘De Functional Independence Measure: Implementatie, Benchmarking en Succesfactoren in Revalidatiezorg’ onderzocht beleidsmedewerker Erika Louwagie hoe de FIM vandaag wordt toegepast in Vlaanderen en waarom benchmarking aan de hand van FIM-scores voorlopig moeilijk blijft.

Context

De revalidatiezorg in Vlaanderen omvat een brede en complexe patiëntenpopulatie, van orthopedische revalidatie tot ernstige neurologische aandoeningen. Betrouwbare meetinstrumenten zijn cruciaal om functionele vooruitgang zichtbaar te maken en kwaliteitsverbetering te ondersteunen. De Functional Independence Measure (FIM) is internationaal erkend en wordt in de meeste revalidatiesettings in de Vlaamse ziekenhuizen gebruikt, vaak in combinatie met andere methodes om een volledig beeld van het functioneren te krijgen.
Tot nu was er weinig zicht op hoe zorgverleners het instrument in de dagelijkse praktijk ervaren. Ook leeft de vraag of de FIM-scores naast individuele zorgopvolging ook kunnen dienen als basis voor benchmarking, binnen en tussen ziekenhuizen.

Methode

Erika Louwagie combineerde voor haar onderzoek een brede bevraging met diepte-interviews. Via vragenlijsten bevroeg ze Vlaamse revalidatieziekenhuizen en ziekenhuizen met een revalidatiedienst over het gebruik van de FIM, afnamemomenten, opleiding, knelpunten en succesfactoren. Daarbij was expliciet aandacht voor de ervaringen van verpleegkundigen, die het instrument vaak afnemen. Daarnaast interviewde ze leden van het management om zicht te krijgen op organisatorische keuzes, visie en ondersteuning. Zo bracht ze zowel de werkvloer als het beleids- en organisatieniveau in kaart.

Resultaten

Uit het onderzoek blijkt dat zorgverleners het motorische luik van de FIM als praktisch, betrouwbaar en haalbaar in de dagelijkse zorg ervaren. Het cognitieve luik blijkt minder geschikt voor complexe patiëntengroepen en leidt vaker tot interpretatieverschillen, waardoor het klinisch oordeel een belangrijke rol blijft spelen.

Daarnaast stelt Erika vast dat ziekenhuizen sterk verschillen in wanneer en door wie de FIM wordt afgenomen, en in de mate waarin zorgverleners hiervoor worden opgeleid. Die verschillen ondermijnen de objectiviteit en vergelijkbaarheid van resultaten en maken benchmarking vandaag moeilijk. De resultaten tonen ook aan dat implementatie sterk samenhangt met organisatorische factoren zoals managementbetrokkenheid, duidelijke procedures, opleiding en digitale ondersteuning.

Conclusie

De FIM is een waardevol instrument om functionele vooruitgang in de revalidatiezorg te meten, vooral op motorisch vlak. Tegelijk maakt het onderzoek duidelijk dat meten pas bijdraagt aan kwaliteitsverbetering wanneer het instrument goed ingebed is in de organisatie. Pas wanneer metingen objectief, consistent en goed ondersteund gebeuren, kan benchmarking een zinvolle volgende stap zijn. Verpleegkundigen spelen daarin een sleutelrol: zij nemen het instrument vaak af, beschikken over een uitgebreid patiëntbeeld en bepalen mee de kwaliteit en objectiviteit van de data. Alleen wanneer zij voldoende ondersteund worden en meetinstrumenten verankerd zijn in de dagelijkse werking, kan meten uitgroeien tot een hefboom voor betere zorg.

Erika Louwagie

Werkte eerst een aantal jaren in de praktijk als ergotherapeut en maakte na deze praktijkervaring de overstap naar beleidsmedewerker bij de Vlaamse overheid, Departement Zorg op de afdeling Eerste Lijn en Gespecialiseerde Zorg. Ze voerde haar onderzoek in het kader van een bijkomende masteropleiding Gezondheidswetenschappen met als specialisatie Management en Kwaliteitszorg.