Het vergiftigde geschenk van de roeping

08-06-2026

Waarom de mooiste woorden soms de meeste schade aanrichten

Verpleegkunde een roeping noemen klinkt warm. En precies daarin schuilt het gevaar.

Want roeping is intussen het perfecte woord om een ongemakkelijke waarheid te verdoezelen: dat verpleegkunde geen morele versiering is, maar een zwaar, gespecialiseerd en onmisbaar beroep, uitgeoefend door geëngageerde en degelijk opgeleide zorgprofessionals.

Zonder betrokkenheid, zonder bereidheid om geraakt te worden door de mens tegenover je, hou je dit beroep niet vol. Zorg zonder menselijkheid wordt kil. Natuurlijk schuilt er in goede verpleegkunde iets wat velen roeping noemen. Maar zodra dat woord verschuift van innerlijke drijfveer naar maatschappelijk frame, begint het schade aan te richten.

De verpleegkundige sleept nog altijd het oude beeld van de goede zuster mee: dienstbaar, zacht, onbaatzuchtig, altijd bereid nog iets extra te geven. Een flatterend beeld. Maar ook een gevaarlijk beeld. Want wie een beroep bewondert om zijn opoffering, hoeft het niet ernstig te nemen als arbeid en professie.

En daar wringt het.

Verpleegkundige zijn is geen karaktereigenschap. Het is klinisch redeneren, ethische keuzes maken onder druk en technisch handelen met onmiddellijke gevolgen. Dat is expertise. Dat is verantwoordelijkheid. Dat is professionaliteit.

Toch wordt het beroep door de buitenwereld en al te vaak ook door beleid nog altijd benaderd alsof goedheid de hoofdcompetentie is. Alsof een warm hart een alternatief is voor voldoende collega’s. Alsof engagement de gaten in de planning wel zal dichten. Alsof bezieling een personeelsbeleid is.

Dat is het vergiftigde geschenk van het woord roeping: het klinkt als waardering, maar functioneert te vaak als vervanging ervan.

Wie geroepen is, zo luidt de stille redenering, zal wel langer blijven. Zal wel minder klagen. Zal wel nog een extra shift opnemen. Zal wel begrijpen dat middelen beperkt zijn. En wanneer diezelfde verpleegkundige dan moe, ontgoocheld of opgebrand vertrekt, kijkt men verbaasd naar de uitstroom alsof die uit het niets komt.

Het probleem is niet dat de roeping verdwijnt. Die blijft in deze sector vaak beschamend lang overeind. Wat afbrokkelt, is de job: de werkbaarheid, de bescherming, de waardering, de houdbaarheid van een loopbaan.

Daarom moeten we ophouden verpleegkunde te bezingen in de taal van de zelfopoffering. Niet omdat zorg kil of mechanisch zou zijn, maar omdat een zorgsysteem niet mag draaien op een eindige grondstof: de goede wil van mensen die te veel geven.

Roeping mag een bron zijn. Een innerlijke reden waarom iemand voor dit beroep kiest en er betekenis in vindt. Maar zij is geen personeelsnorm. Geen beschermingsstatuut. Geen excuus voor onderfinanciering. Wie verpleegkundigen wil houden, bouwt een systeem waarin het de moeite waard is te blijven, niet een verhaal waarin opbranden een bewijs van toewijding en roeping is.

Bart Crab is docent Verpleegkundig Management en Klinisch Leiderschap aan Thomas More Mechelen. Hij stond zelf aan het bed op kritieke diensten en droeg leidinggevende verantwoordelijkheid in de zorg. Die ervaring draagt hij mee in alles wat hij schrijft. Vandaag werkt hij voltijds in het hoger onderwijs en pleit hij voor wat verpleegkunde verdient: erkenning als professie, niet als roeping.