“Niemand heeft alles alleen in huis”
Het docententeam van de bacheloropleiding verpleegkunde aan VIVES Brugge zit midden in een transformatie. Het curriculum wordt grondig herwerkt, er komt meer aandacht voor leiderschap en complexiteit, en binnenkort start ook een Engelstalige bachelor Nursing. Druk? Zeker. Maar vooral: verbindend.
“We onderwijzen zelden een vak alleen”, vertelt Annelies Verkest. “Bijna altijd sta je met collega’s samen in voor een opleidingsonderdeel. Dat is niet altijd het makkelijkste, want je beslist niets alleen. Maar het is wel veel rijker.” Collega Christophe Casteleyn knikt: “Wat ik sterk vind aan ons team, is dat we ervan uitgaan dat niemand alles alleen in huis heeft. We erkennen elkaars expertise en tonen daar oprechte interesse in. Impliciet zeg je dan: jij hebt een mooi traject afgelegd, jij brengt waarde binnen. Op die manier versterk je elkaar.”
Die teamdynamiek is binnen VIVES geen toeval. De opleiding doorliep de voorbije jaren stevige veranderingen: de overstap naar vier opleidingsjaren, een fusie en een nieuw curriculum. “Verandering roept weerstand op. Dat was bij ons niet anders”, zegt Christophe. “Er waren discussies en zoektochten, maar vooral veel groei. We leerden samen naar een doel te kijken en stap voor stap vooruit te gaan.”
Samen richting doel
Binnen het Brugse team betekent dat blijven schakelen: lectoren herdenken hun werkwijze, inhoud en aanpak. Ze herschrijven cursussen, passen werkvormen aan en nemen evaluaties kritisch onder de loep. Dat vraagt flexibiliteit en extra inspanningen van iedereen. Wat hen bindt, is dat gezamenlijke doel: studenten sterker maken in complexiteit inschatten en leiderschap opnemen binnen een team. Annelies: “We willen dat ze durven spreken, feedback geven en initiatief nemen. Niet wachten tot iemand anders het doet.”
Dat het team daarin slaagt, voelen de studenten zelf. Derdejaars Emma – die het interview bijwoont met haar mentor Christophe – omschrijft haar docenten als volgt: “Ze zijn enorm gepassioneerd. Je merkt dat ze graag doen wat ze doen. En je kan altijd bij hen terecht.” Ook buiten de lesmomenten zoeken de collega’s verbinding: een vergadering met ontbijt, een drankje na nieuwjaar. “Het is druk, dat klopt,” besluit Annelies, “maar het belangrijkste is dat we elkaar blijven vinden op de werkvloer. Met respect voor ieders expertise.”
Nooit wennen
Tom Rummens ruilde zijn carrière in de cultuursector in voor een bacheloropleiding tot verpleegkundige. Zijn ervaringen en indrukken als zij-instromer schrijft hij voor Netwerk Verpleegkunde neer.
Plots is het daar, het beeld dat me terugbrengt naar negentien jaar geleden. Het verschijnt op mijn netvlies tijdens mijn stage op de afdeling pediatrie van het UZ Brussel. Ik maak een bronchoscopie mee en zie hoe een kind van enkele maanden oud daar ligt. Door mijn hoofd raast een flashback naar de eerste dagen van september 2006. Mijn zoon was pasgeboren en kreeg een hersenbloeding. Het beeld dat ik tijdens mijn stage zag, riep een levendige herinnering op aan het kleine hoopje mens, geïntubeerd en omringd door een veelheid aan kabels, leidingen, pompen en machines. Zomaar ineens zag ik hem daar in mijn verbeelding terug liggen. Maar deze keer stond ik aan de andere kant. De flashback duurde hooguit enkele seconden en ik kon hem snel parkeren, al dacht ik er de dagen nadien nog regelmatig aan terug.
Het lijkt me een uitdaging om in de zorg te werken en niet te vergeten hoe heftig de situaties eigenlijk zijn die voor verpleegkundigen dagelijkse kost zijn. Je kan ook niet anders: het is ondenkbaar dat je telkens zou invoelen wat een patiënt of diens familie meemaakt. Het zou volstrekt onmogelijk zijn om dan nog professioneel te handelen.
En toch denk ik dat hier iets potentieel moois schuilt in diegenen die op latere leeftijd in het vak stappen. Een opleiding verpleegkunde na een carrière in de fameuze school of life: het geeft onvermijdelijk een breder perspectief. Het is een ander leerproces, er is minder ruimte en tijd voor gewenning.
Zijzelf zijn het allang vergeten, maar ik weet nog perfect hoe verpleegkundigen en artsen de situatie met mijn zoon destijds hebben aangepakt. Nooit zal ik vergeten hoe een verpleegkundige me toen heeft uitgelegd wat al die machines deden en hoe ik de monitor kon aflezen. Hij had gezien hoe hard ik daarmee bezig was, hoeveel nood ik had aan handvaten om tenminste het gevoel te krijgen dat ik de situatie controleerde. Hij gaf een uitleg van nog geen twee minuten, een fait divers voor hem. Maar daarmee gaf hij mij het beetje grond onder mijn voeten dat ik op dat moment zo hard nodig had.
Is dat niet het grootste gevaar van lange loopbanen, in de zorg of daarbuiten? Dat we wennen aan wat in elke job bijzonder is? Zoals ik gewend was geraakt aan een leven in theaterzalen, alsof dat het alledaagse leven was, met als jammerlijk gevolg dat het op den duur niet meer lukte om écht geraakt te worden door wat zich op de planken afspeelt. Ik had al zoveel gezien, ik kende iedereen, ik wist hoe het werkte en het wonder doofde onverbiddelijk uit. Opnieuw appreciëren wat een vak zo bijzonder en betekenisvol maakt, in het midden van een mensenleven: wellicht schuilt daar het grootste potentieel van de zij-instromers.
PS: terwijl ik dit schrijf, zingt mijn zoon de longen uit zijn lijf in de kamer naast me. Met hem kwam alles meer dan goed.
Copyright foto: Fred Debrock
Schoonmaken met bacteriën? Ja, dat kan!
Bacteriën binnenbrengen in een ziekenhuis: het klinkt contra-intuïtief. Els De Haes kan de bedenking goed begrijpen. Ze is verpleegkundige van opleiding, werkte zestien jaar op intensieve zorg en spoedgevallen en is intussen bijna zeven jaar actief als verpleegkundig ziekenhuishygiënist in AZ Sint-Maarten in Mechelen. Sinds 2020 werkt het ziekenhuis met probiotische schoonmaakmiddelen.
Hoe kom je als ziekenhuis op het idee om schoon te maken met bacteriën? “Een stafmedewerker van het facilitair departement met een innovatieve visie had dit concept opgepikt. Omdat het om een wijziging in reinigingsprocessen ging, werd het voorgelegd aan het comité ziekenhuishygiëne. De focus lag duidelijk op reinigen, niet op desinfecteren”, licht Els toe. “Aanvankelijk was er terughoudendheid. De richtlijnen van de Hoge Gezondheidsraad (2014) waren eerder negatief, vooral door een gebrek aan wetenschappelijke evidentie. Maar sinds 2014 was er wel nieuwe literatuur verschenen. Dat gaf ons voldoende vertrouwen om een pilootproject op te zetten.” In februari 2020, net voor de COVID-pandemie, startte AZ Sint-Maarten met een nulmeting en een testperiode van drie maanden.
Hoe werkt het?
Probiotische schoonmaakmiddelen combineren een traditioneel detergent (met ecolabel) met specifieke bacteriën, namelijk bacillen. Die zitten in het product als endosporen en worden actief wanneer ze met water worden verdund. “De bacillen produceren enzymen die organisch vuil afbreken. Dat onzichtbare restmateriaal is net de voedingsbodem waarop pathogene bacteriën zich kunnen vestigen en vermenigvuldigen. Door die voedingsbron weg te nemen en dominant aanwezig te zijn, creëren de probiotica een meer evenwichtig microbioom.”
Het verschil met klassieke reiniging zit vooral in de tijdsfactor. “Bij traditionele schoonmaak is het mechanisch verwijderen cruciaal. Bij probiotische reiniging blijft het product dagenlang doorwerken. Het effect stopt dus niet op het moment dat de vloer droog is.”
Resultaten in de praktijk
Visueel bleek het reinigend vermogen minstens even goed als klassieke producten. “We merkten minder nood aan bijkomende ontkalkers en ontvetters. Biofilm in sanitaire ruimtes verminderde, geurtjes verdwenen en voegen bleven langer proper.”
Microbiologisch zag het team vooral een gunstig effect in sifons en sanitaire afvoeren. “We volgen sinds 2019 de aanwezigheid van multiresistente kiemen in lavabo’s en toiletten op. Daar zien we duidelijk minder resistente kiemen dan voorheen.”
Een een-op-eenrelatie met minder zorginfecties kon het ziekenhuis zelf niet aantonen, mede door de impact van COVID op infectiecijfers. Wel toont de internationale literatuur een daling van ziekenhuispathogenen en resistentiegenen op oppervlakken. Els: “Veiligheid staat altijd voorop. We houden voortdurend bloedstroominfecties bij patiënten in de gaten. De bacillen uit de schoonmaakproducten zien we niet als oorzaak van infecties. We gebruiken deze producten nu al bijna zes jaar zonder aanwijzingen voor patiëntonveiligheid.”
Belangrijk: probiotische reiniging vervangt geen desinfectie. “Onder andere in operatiezalen of bij besmette patiënten blijven we desinfecteren. Probiotica verhinderen dat niet, maar hun langdurige effect gaat dan uiteraard verloren.”
Duurzaam en gebruiksvriendelijk
Naast infectiepreventie speelde duurzaamheid een belangrijke rol. De producten hebben een uitstekende ecologische score, bevatten geen gevarensymbolen en verminderen blootstelling aan agressieve chemie. “Schoonmaakmedewerkers zijn enthousiast: gebruiksvriendelijk, aangename geur en minder irriterend.”
AZ Sint-Maarten was het eerste Belgische ziekenhuis dat na een pilootproject volledig overstapte. Andere ziekenhuizen volgen voorzichtig. Voor zorginstellingen die willen starten, heeft Els enkele tips: “Bepaal je scope. Gebruik probiotica voor het reinigen, niet als vervanging van desinfectie. En hou rekening met de mogelijke impact op bestaande schoonmaakprocessen, om de overstap haalbaar te maken.
De drempel blijft psychologisch: bacteriën toevoegen druist in tegen ons klassieke denken. Maar de vraag is niet of er micro-organismen in een ziekenhuisomgeving aanwezig zijn. “Die zijn er altijd”, besluit Els. “De vraag is: welke laten we domineren?”
“Elke zorgvraag verdient het ernstig genomen te worden.”
We zetten graag de mensen achter de werkgroepen in de kijker. Wie zijn ze en waar komt hun passie voor verpleegkunde vandaan? Stefan Knaepen (50 jaar) is coördinator van het Trauma & Life Support Center PXL Healthcare, zelfstandig verpleegkundige in de prehospitale zorg en op spoed, en lid van de werkgroep Kritieke Diensten.
Waarom ben je verpleegkundige geworden?
Ik wou van bij het begin met techniciteit bezig zijn. Spoed en intensieve zorgen trokken me meteen aan. Via het operatiekwartier en intensieve zorgen kwam ik uiteindelijk op spoed terecht, waar ik jarenlang met hart en ziel werkte. Ik specialiseerde me verder, onder meer binnen de Europese Reanimatie Raad, en werd later hoofdverpleegkundige. Tien jaar geleden kreeg ik de kans om bij de PXL een simulatie- en expertisecentrum uit te bouwen. Dat was een unieke kans.
Wat boeit je in je job?
De combinatie van werkveld, innovatie en onderwijs. We trainen professionals uit spoed, intensieve zorg, OK en MUG, maar ook studenten verpleegkunde, vroedkunde en ergotherapie. Ik ben zelf nog actief op ambulance- en spoeddiensten. Zo hou ik de vinger aan de pols. Via goede contacten met de industrie blijven we mee met innovaties. Dat drieluik vormt ons fundament Hoe beter wij de nieuwe generatie opleiden, hoe beter ik later zelf verzorgd word.”
Wat is een belangrijke eigenschap van een verpleegkundige?
Dat je elke zorgvraag ernstig neemt. Achter een kleine vraag kan een groot verhaal schuilgaan. Je weet nooit wat eraan voorafging. Natuurlijk maken tijdsdruk en personeelstekort het moeilijk. Dat is menselijk. Maar zorg met empathie blijven bieden, dat blijft de kern.
Wat zijn de mooie momenten op de werkvloer?
Het acute karakter geeft mij veel voldoening. Iemand in ademnood helpen en snel verbetering zien: dat is bijzonder. Op de hogeschool schuilt de schoonheid in mensen opleiden die sceptisch toekomen en op het einde zeggen dat ze iets meenemen of anders kijken naar hun praktijk. Dat is een kleine overwinning. Voor ons opleidingscentrum, maar vooral voor de patiënten. Scholing houdt je geest scherp.
Zijn er ook minder fijne momenten?
Het spanningsveld tussen financiën en kwaliteit knaagt aan mij. Er is veel nood aan opleiding, maar de middelen zijn beperkt. Je wil mensen grondig scholen, maar soms moet je keuzes maken. E-learning of zelfstudie zijn een stukje van de oplossing, maar samen leren en ervaringen delen blijft waardevol. Leren van elkaar via menselijke contact mag je niet onderschatten.
Wat zijn de uitdagingen voor vandaag en morgen voor verpleegkundigen?
De nood aan goed opgeleide verpleegkundigen blijft groot, maar die verantwoordelijkheid moeten we echt nemen. Daarnaast is vooruitkijken en anticiperen op nieuwe ontwikkelingen cruciaal. Denk aan technologische innovaties, maar ook aan thema’s als oorlogsgeneeskunde. We mogen niet achter de feiten aanlopen.
Wat doe je in je vrije tijd?
Mijn gezin met drie kinderen neemt een grote plaats in. Ik laad op met muziek en wandelingen in de Kempense natuur. Dat brengt rust. De Griekse cultuur spreekt me ook erg aan: gastvrijheid, samen genieten, eenvoud. En ja, de zorg blijft me boeien. Ik volg nog steeds nieuwe reanimatierichtlijnen en studies op. Vernieuwing stopt niet aan de voordeur.
Juridische vragen en antwoorden #3 – 2026
Heb je nood aan een juridisch antwoord op maat? Dit is gratis voor leden van NETWERK VERPLEEGKUNDE. Je stelt je vraag eenvoudigweg via juridisch.advies@netwerkverpleegkunde.be en de juridische adviesgroep NETWERK VERPLEEGKUNDE gaat voor jou op zoek naar het antwoord.
Mag je als thuisverpleegkundige bij intrafamiliaal geweld persoonlijke notities gebruiken om evaluaties in het patiëntendossier bij te houden?
“Een dienst thuisverpleging wordt geconfronteerd met intrafamiliaal geweld door de partner, die toegang heeft tot het elektronische zorgdossier. Daarin staat informatie over het geweld. Uit angst dat deze evaluaties tot meer agressie zouden leiden, gebruiken ze adviesvragen en persoonlijke notities. Kan dit of druist dit in tegen de wet Patiëntenrechten? Is er een alternatief om objectieve, professionele gegevens zoals de observatie van hematomen door geweld te noteren zonder dat ze een trigger worden voor de dader?”
Antwoord:
Intrafamiliaal geweld is een complex probleem en het slachtoffer legt vaak geen klacht neer tegen de dader. De intentie is steeds te voorkomen dat inzage van gegevens door de dader (meer) schade zou toebrengen aan het slachtoffer.
Persoonlijke notities zijn strijdig met de Wet Patiëntenrechten zodra ze met anderen gedeeld worden. Ze verliezen dan hun persoonlijk karakter en ontnemen de patiënt het recht op inzage. De wet voorziet wel waarborgen. Zo heeft een partner geen automatisch inzagerecht in het dossier, enkel wanneer die als vertrouwenspersoon werd aangeduid. Zelfs bij druk mag een aangewezen vertegenwoordiger zijn bevoegdheden pas uitoefenen wanneer de patiënt niet langer beslissingsbekwaam is.
Indien inzage door een partner-dader de patiënt in gevaar brengt, kan de zorgverlener die inzage beperken of de vertrouwenspersoon weigeren. Het bewust toelaten van inzage kan anders als schuldig verzuim worden beschouwd. Wanneer een mogelijke dader vertegenwoordiger is (bv. een ouder bij kindermishandeling), laat art. 15 §1 WPR toe het inzagerecht te beperken tot onrechtstreekse inzage ter bescherming van het privéleven.
Volgens de JAG is het aangewezen een afzonderlijk dossier bij te houden met verklaringen en vaststellingen van geweld, onder de therapeutische uitzondering. De patiënt wordt geïnformeerd dat dit dossier en de attesten slagen en verwondingen bewaard worden voor het geval hij of zij later klacht wil neerleggen (art. 458bis SW).
Eén leven
Tom Rummens ruilde zijn carrière in de cultuursector voor een bacheloropleiding tot verpleegkundige. Zijn ervaringen en indrukken als zij-instromer schrijft hij voor Netwerk Verpleegkunde neer.
“Het moeilijkste ter wereld is dat je maar één keer leeft”, zo luidt de onthutsende openingszin van de schitterende roman De keizer van Gladness van Ocean Vuong. Maar het is niet omdat je maar één leven hebt, dat je er niet meerdere dingen mee kan doen. En dus besloot ik, na een loopbaan van meer dan twintig jaar in de cultuursector en een handvol inspirerende ervaringen als vrijwilliger in de zorg, dat het tijd was voor iets anders. Ik schreef me in voor de bacheloropleiding verpleegkunde aan de Arteveldehogeschool in Gent. Het was de start van een pad vol nieuwe ‘eerste keren’.
Intussen zit ik in het tweede jaar, heb ik de eerste stages achter de rug en via #kiesvoordezorg ook een eerste werkervaring tijdens de zomer, op de dienst neurologie in het AZ Sint-Lucas in Gent. Nooit eerder hapte ik zo vaak naar adem dan het afgelopen anderhalf jaar. Alles is nieuw, weg routine. Ik ben geen ervaren professional meer die kan terugvallen op voorkennis, ervaring en een netwerk. Plots ben ik opnieuw student en breng ik grote stukken van de dag door met medestudenten die generatiegenoten zijn van mijn eigen kinderen, een anachronisme in mijn eigen leven.
Ik zit op de trein, op weg naar mijn stage in het kinderziekenhuis van het UZ Brussel, ik glimlach en vraag me af in welk verhaal ik in godsnaam beland ben. Ik zie mezelf zitten met de brooddoos van mijn kinderen in het auditorium, of in een praktijklokaal, verwikkeld in een komische maar heldhaftige strijd met katheters, optreknaalden en urinezakken. Gelukkig doe ik dat samen met een hele bende collega-zij-instromers. Samen gaan we soms koffiedrinken in de Overpoort, alsof het allemaal nog niet absurd genoeg is.
En toch heb ik nog geen seconde spijt gehad van dit alles. Want meer dan ooit heb ik het gevoel dat ik inderdaad maar één keer leef en dat ik er tegelijk meer aan het uithalen ben dan ik ooit voor mogelijk hield. Zelfs op deze korte tijd sprokkelde ik al zoveel momenten bij elkaar die me altijd zullen bijblijven. Ontmoetingen met zorgvragers die bleven plakken. Soms harde situaties als je ziet dat we veel kunnen, maar niet alles, om mensen beter te maken. Morele stress wanneer je voelt dat de sector onder druk staat en je ziet hoe je niet altijd kan doen wat je in de ideale wereld zou moeten doen. Die kleine, warme dopamineshot als je voor iemand een verschil kon maken, hoe klein ook.
En doorheen dat alles loopt een vraag: waar wil ik uiteindelijk belanden, wie wil ik worden met de rugzak die ik meedraag, in dit nieuwe verhaal? Dat opnieuw kunnen uitzoeken is misschien wel het grootste cadeau dat je jezelf kan doen, zo ergens in het midden van je loopbaan.
Copyright foto: Fred Debrock
Hoe zorgarchitectuur medewerkers en bewoners versterkt
Wat als je een woonzorgcentrum niet ontwerpt vanuit bakstenen, maar vanuit zorg? In Leuven bewijst woonzorgcentrum Burenhof, dat een doordachte nieuwbouw het verschil kan maken in het leven van bewoners en zorgverleners. Campusdirecteur Rudi Logist stond mee aan de wieg van een project dat inzet op kleinschaligheid, ergonomie en innovatie, met een uitgesproken focus op medewerkerswelzijn.
“De kiem voor de uitbreiding werd jaren geleden gelegd”, steekt Rudi Logist van wal. “Woonzorgcentrum Dijlehof wilde groeien, maar in Leuven bouw je niet zomaar bij. Daarom gingen we op zoek naar een tweede locatie, niet ver van hier. We wilden een wzc op mensenmaat binnen de Leuvense ring. Dat betekende ook: kleinschalig en genormaliseerd wonen, met woningen van telkens acht bewoners.”
Vanaf de eerste plannen werden zorgkundigen, verpleegkundigen, kinesitherapeuten, ergotherapeuten, logistieke en administratieve medewerkers intensief betrokken. Elk ontwerp, elke aanpassing werd samen besproken. Tijdrovend, absoluut. Maar ondertussen wordt het gebouw gedragen door wie er werkt. “Het is letterlijk een huis dat door medewerkers mee getekend is”, zegt Rudi trots.
Ergonomie als hefboom
In een context van toenemende personeelsschaarste koos het team resoluut voor ergonomie als strategische pijler. Voorbeelden in Nederland en Scandinavië dienden als inspiratie. Het resultaat is opvallend. Burenhof is het eerste woonzorgcentrum in België dat volledig uitgerust is met een plafondzorgsysteem in alle kamers en ruimtes. Geen verrijdbare tilliften meer op de gangen. Nooit meer zoeken naar hulpmiddelen of ermee sleuren van de ene naar de andere plek. In elke kamer garanderen discrete rails en een compacte motorunit vlotte en veilige transfers die vaak door één medewerker kunnen gebeuren. De ergonomische winst is groot: minder rugbelasting, meer tijd voor contact met de bewoner en een rustiger zorgmoment. Ook bewoners ervaren zo meer comfort en veiligheid.
De investering, zo’n 250.000 euro, vroeg overtuigingskracht. Maar een doorgerekende kosten-batenanalyse toonde aan dat het systeem zich op termijn terugverdient, zelfs zonder rekening te houden met minder ziekteverzuim of tijdswinst. “Die effecten beginnen zich intussen af te tekenen”, licht Rudi toe. “Medewerkers geven aan dat werken in de nieuwbouw eenvoudiger en aangenamer is. En opvallend: enkele voormalige medewerkers keerden recent terug, expliciet omwille van de nieuwe infrastructuur en aanpak. Daarvoor doen we het.”
Zorgorganisatie en gebouw versterken elkaar
De nieuwbouw ondersteunt ook een hertekening van rollen. In de kleinschalige woningen zijn zorgkundigen vast aanwezig bij de bewoners. Verpleegkundigen werken meer mobiel en focussen op hun kerntaken. Die organisatie is onlosmakelijk verbonden met de infrastructuur van korte lijnen, overzichtelijke entiteiten en technologische ondersteuning.
Ook digitale innovaties krijgen een plaats, met respect voor privacy. Slimme domotica regelt verlichting en toegangscontrole. Sensordetectie, volledig onzichtbaar, signaleert valincidenten of onrust zonder dat er een camera aan te pas komt. Via locatiebepaling en oproepsystemen weten medewerkers snel waar bewoners zich bevinden en wie hulp nodig heeft.
Een huis waar zorg toekomst krijgt
De nieuwbouw van wzc Burenhof toont wat mogelijk is wanneer zorginhoud, architectuur en technologie elkaar versterken. “Voor bewoners betekent het autonomie, veiligheid en huiselijkheid. Voor medewerkers: ergonomie, werkplezier en trots. Het is zeker geen prestigeproject,” besluit Rudi, “maar een doordachte investering in duurzame zorg.”
“Zorg kan niet enkel door professionals geboden worden”
We zetten graag de mensen achter de werkgroepen in de kijker. Wie zijn ze en waar komt hun passie voor verpleegkunde vandaan? Hilde Rombauts (63 jaar) is begeleidingsverpleegkundige in het UZ Leuven, coördinator van de opleiding Geestelijke gezondheid bij kinderen en jongeren aan UCLL en voorzitter van de werkgroep Begeleidingsverpleegkundigen.
Waarom ben je verpleegkundige geworden?
Eigenlijk was dat de droom van mijn moeder. Zorg dragen voor mensen en bezig zijn met kinderen, daar ben ik als vanzelf ingerold. Pas achteraf besefte ik dat mijn moeder de kans niet had om te studeren en graag verpleegkundige was geworden. Zelf ging ze aan de slag in familiehulp en ik maakte haar droom waar. Dat is een mooie gedachte en relativeert het belang van individuele keuze.
Wat boeit je in je job?
Onze job is zo veelzijdig. Tijdens je loopbaan heb je heel veel kansen om je in te graven in iets wat je interessant vindt of om verschillende functies als verpleegkundige op te nemen. Zo heb ik als hoofdverpleegkundige in kinderpsychiatrie gewerkt, ben ik nu begeleidingsverpleegkundige en werk ik aan de UCLL als coördinator van een postgraduaat in de opleiding verpleegkunde.
Wat is een belangrijke eigenschap van een verpleegkundige?
Deskundigheid. De gedrevenheid om voldoende kennis te hebben om je als een volwaardige en deskundige gesprekspartner op te stellen in het team. En om het zo op te nemen voor het belang van de patiënt. Als verpleegkundigen komen we uit een heel dienstbare rol en moeten we ons blijven ontvoogden. Ons niet klein houden, maar ons net verder ontwikkelen als een professionele partner, afgestemd op wie ons nodig heeft. Het blijft voor mij een heel zingevend beroep.
Wat zijn de mooie momenten op de werkvloer?
Toen ik met jongeren werkte die al vroeg in moeilijke situaties terechtkwamen, voelde het zo belangrijk om samen met het team een wissel op het spoor van de jongere te kunnen verleggen. Nu ik studenten en starters begeleid, zitten de mooie momenten daar waar ze zichzelf leren kennen en in het werk hun eigen weg vinden. Dat ze groeien tot iemand die het beroep kan opnemen.
Zijn er ook minder fijne momenten?
Wanneer grote gebeurtenissen in je eigen leven samengaan met het werk, kan dat heel uitdagend zijn. Dan moet je balanceren om evenwicht te houden. Een organisatie maakt ook veranderingen door. Als je al op het einde van je loopbaan bent, herken je zo’n veranderingsproces gelukkig al en kan je anticiperen.
Wat zijn de uitdagingen voor vandaag en morgen voor verpleegkundigen?
Zorg staat in onze maatschappij niet op nummer één. Er kiest een beperkt aantal mensen voor de zorg en dat zal de komende tijd niet drastisch veranderen. We moeten de handen in elkaar slaan, ieder met zijn eigen professionaliteit en identiteit, de krachten bundelen in functie van wat de patiënt nodig heeft. Zorg kan bovendien niet alleen door professionals geboden worden: in onze buurten en families moet die ook opgenomen worden. Die twee tendenzen zullen elkaar moeten vinden om tot goede zorg te komen.
Wat doe je in je vrije tijd?
In ons gezin zijn al kleinkinderen. Ik vind het heel fijn om iedereen te leren kennen en ook voor die kleintjes te zorgen. Ouderschap eindigt ook niet wanneer de kinderen het huis uit zijn, hé. Daarnaast lees ik graag, hou ik van klassieke muziek, ga wandelen en ben ik graag creatief bezig met tekenen en schilderen.
Wil jij ook lid worden van de werkgroepen of Regionale Netwerken van NETWERK VERPLEEGKUNDE? Schrijf je in met een mailtje naar info@netwerkverpleegkunde.be.
Waar elke shift telt
Raf Van Hasselt weet wat werken onder druk betekent. Na 25 jaar intensieve zorgen maakte hij in oktober de overstap naar de spoedgevallendienst van het ziekenhuis Geel. Een afdeling waar snelheid, expertise en samenwerking elke dag samenkomen.
“Als je hier binnenkomt dan voel je het meteen: de lat ligt hoog en zo moet het ook. Ziekenhuis Geel is in Vlaanderen als eerste officieel erkend als regionaal traumacentrum. Zij maken hierdoor deel uit van het Antwerp Trauma Network (ATN) met het UZA als supraregionaal traumacentrum. Het stimuleert me om opnieuw volop voor mijn werk te gaan.” Het enthousiasme waarmee Raf over zijn nieuwe job vertelt is aanstekelijk.
De spoed draait in een continu shiftenstelsel en vangt een brede patiëntenpopulatie op: van kleine trauma’s tot acute, levensbedreigende situaties, bij zowel volwassenen als kinderen. “Als nieuwkomer in het team word ik stapsgewijs ingeschakeld en krijg ik de kans door te groeien in verschillende rollen, zoals het interne werk, de triage en pre-hospitaal. Op korte tijd heb ik veel bijgeleerd.”
Gedeelde verantwoordelijkheid
Die evolutie wijst Raf toe aan de teamwerking. “Op spoed heb je elkaar nodig. Je werkt elke shift met verschillende collega’s die elkaar continu aanvullen. Alleen functioneren kan hier niet.” Taken lopen in elkaar over, verantwoordelijkheid wordt gedeeld en feedback is vanzelfsprekend, altijd met de kwaliteit van zorg voor ogen.
Die teamdynamiek is voor Raf een van de grote troeven. “Jong en oud werken hier samen. De spoedafdeling in Geel staat bekend als vooruitstrevend en trekt verpleegkundigen van binnen en buiten de regio aan. Het niveau ligt hoog, maar dat motiveert net.”
Waarheidspluralisme bij intensieve psychiatrische zorgen
Vincent Van Baelen is docent interculturele en psychiatrische verpleegkunde aan Thomas More Mechelen. Verder werkt hij nog als verpleegkundige op de High & Intensive Care (HIC) afdeling van het Universitair Psychiatrisch Centrum KU Leuven en als public health nurse in Noord-Tanzania. In 2025 voltooide hij een postgraduaat toegepaste ethiek aan de KU Leuven.
In september 2025 verscheen het boek De waarheid heeft vier gezichten van cultuurfilosoof en ethicus Simon Truwant. Hij biedt hierin een heldere inleiding in filosofische waarheidsconcepten en toont het belang ervan voor een constructief, respectvol en inclusief publiek debat, ook in complexe maatschappelijke discussies. Kunnen deze concepten ook helpen binnen zorgoverleg in acute psychiatrische zorgverlening voor personen met een psychotische kwetsbaarheid?
Een ‘HIC-zorgafstemmingsgesprek’ (ZAG) is een wederkerend overleg op een High & Intensive Careafdeling waarbij patiënt, naasten en betrokken zorgverleners samenkomen. Het doel is de zorg af te stemmen, gezamenlijke doelen te bepalen en de behandeling te richten op herstel, eigen regie en het voorkomen van dwang. Dergelijke gesprekken tijdens psychiatrische crisismomenten zijn vaak emotioneel intens en complex, omdat verschillende visies en meningen tegelijk aanwezig zijn.
Zo worden ten eerste feitelijke waarheden toegepast, bijvoorbeeld in de vorm van diagnostische medische terminologie of juridisch jargon bij opgelegde beschermingsmaatregelen. Een tweede meer ideologische waarheidsvorm interpreteert en beoordeelt deze feiten vanuit een heel ander denkkader en een verschillende realiteitstoetsing zoals bij psychotische ervaringen. Wat voor de zorgvrager dan logisch lijkt, is voor zijn/haar omgeving vaak verwarrend en vice versa. Zo kan een patiënt achterdochtig en boos reageren, omdat hij/zij gelooft dat anderen hem/haar bespioneren en kwaad willen doen. Daarnaast kan een pragmatische waarheidsvorm worden onderscheiden, die eerder focust op wat concreet herstel bevorderend kan zijn. Door in de praktijk angstreducerende copingstrategieën toe te passen en voldoende vertrouwen te bieden, zal de situatie gaandeweg verbeteren.
Een vierde, en misschien wel de meest waardevolle, is de existentiële waarheidsvorm. Deze richt zich op de authentieke beleving van elke gesprekspartner tijdens een psychiatrische crisis. Het is een ervaring die vaak gepaard gaat met het bereiken van een psychologische grens en een diep existentieel karakter. Dergelijke gevoelde psychologische waarheden zoals angst, zingeving, wanhoop, radicale eenzaamheid of spirituele ervaringen, laten zich moeilijk begeleiden door wetenschappelijke feiten of pragmatische interventies. Ze drukken meer uit dan een emotie of een hoogstpersoonlijke mening, maar weerspiegelen de identiteit van de persoon.
De Duitse filosoof Heidegger beschrijft deze doorleefde, ervaringsgerichte waarheidsvorm als de meest oorspronkelijke. Een psychiatrische crisis toont hoe iemands in-de-wereld-zijn ontregeld raakt: zin, verbondenheid en toekomst vallen weg, zoals de wereld op dat moment wordt ervaren. De zoektocht naar een betekenisvol leven kan dan bijna onmogelijk lijken, of (voor de buitenwereld) leiden tot irreële gedachten en beslissingen. In de psychiatrische zorgverlening vraagt dit vooral om begrip, erkenning, warme zorg en nabijheid.
Alle vier de waarheidsvormen hebben hun eigen geldigheid en betekenis binnen het herstelproces, maar kunnen in ‘ZAG’s’ ook tot spanningen leiden. Elke gesprekspartner heeft een eigen mening op goede zorg, die kan aansluiten bij een specifieke waarheidsvorm en soms op gespannen voet staat met andere perspectieven. Het wetenschappelijke kan te categorisch overkomen, het existentiële te symbolisch, het pragmatische te beperkt of ondoordacht…
Waarheidspluralisme kan hier een helpend kader bieden: het herkennen, ontwarren en respecteren van de verschillende waarheidsvormen in een discussie. Zo kan elke vorm ten gronde besproken, begrepen en geëxploreerd worden. Dit creëert een breder perspectief op de crisis en bevordert wederzijds begrip, verbondenheid en betrokkenheid. Vanuit deze benadering kunnen diverse, op maat afgestemde zorginterventies worden afgesproken, waarin alle betrokkenen zich beter herkennen en gehoord voelen. Tot slot verbetert het de verpleeg-therapeutische vertrouwensrelatie, het werkinstrument van een psychiatrisch verpleegkundige.










