3D-printing als stille probleemoplosser in het ziekenhuis

Een ontbrekend stuk van een toestel, hoe klein ook, kan het werk op een afdeling flink vertragen. AZ Sint-Lucas zet 3D-printing al jaren in om dat soort praktische knelpunten op te lossen, vaak met eenvoudige maar doeltreffende oplossingen. Technieker medische technologie Wannes Vermeiren ziet de innovatie vooral als een manier om zorgverleners vlotter te laten werken.

“Het vertrekpunt is bijna altijd een concreet probleem op de vloer”, vertelt Wannes. “Iets past niet, is niet meer te verkrijgen of werkt gewoon niet zoals het zou moeten. Als er geen kant-en-klare oplossing te koop is, bekijken wij of we zelf iets kunnen maken.” Kostenbesparing speelt daarbij een rol, maar is zelden de hoofdreden. “Het belangrijkste is het probleem oplossen zodat onze zorgverleners kunnen blijven werken.”

3D-printing als sleutel tot meer efficiëntie

Die vragen komen soms rechtstreeks van verpleegkundigen, soms via ondersteunende diensten. Zo werden er al houders geprint voor vacuümslangen, tussenstukjes voor afzuigsystemen, vervangonderdelen voor papierhanddoekdispensers en zelfs kleine mechanische componenten van zorgstoelen. “In sommige gevallen verlengen we zo de levensduur van toestellen die anders volledig vervangen zouden moeten worden. Een eenvoudig voorbeeld zijn de kleine sleutelstukken die gebruikt worden door de schoonmaakdienst. Voor bepaalde dispensers of houders bestaan geen losse sleutels meer, terwijl het om een essentieel onderdeel gaat in het dagelijkse werk. Door die sleutels zelf te tekenen en te printen, blijven ze werken zoals voorzien en moet je niet heel het systeem vervangen, wat handenvol geld zou kosten.”

Maatwerkoplossingen

Het proces start met ontwerpen. Wannes tekent het onderdeel in 3D-software, test het ontwerp, past het aan en print opnieuw tot alles perfect past. Afhankelijk van de grootte en complexiteit kan dat enkele uren tot meerdere dagen duren. In AZ Sint-Lucas wordt vooral gewerkt met FDM-printers, die objecten laag per laag opbouwen. Voor fijnere stukken is er ook een resinprinter.

Hoewel 3D-printing al zo’n tien jaar aanwezig is in het ziekenhuis, is het gebruik de laatste jaren sterk toegenomen. “Het wordt bekender, en daardoor komen er ook meer gerichte vragen”, merkt Wannes. Toch blijft de insteek nuchter. “We gaan geen dingen printen die je online voor tien euro kan kopen. Het moet echt een meerwaarde hebben.” Voor verpleegkundigen betekent dat vooral één ding: sneller een oplossing op maat, zonder lange wachttijden of complexe bestellingen. Zo draagt 3D-printing bij aan efficiëntie, duurzaamheid en gebruiksgemak in het ziekenhuis.


Praktisch kader voor telemonitoring in de thuissituatie

Telemonitoring wordt vaak genoemd als antwoord op stijgende zorgnoden en personeelstekorten. In de praktijk botsen zorgorganisaties evenwel op dezelfde vragen. Hoe start je ermee? Hoe deel je gegevens veilig? Wie neemt welke rol op? Het project Happy@Home ontwikkelde een concreet kader dat deze vragen vertaalt naar toepasbare oplossingen voor de dagelijkse zorgpraktijk.

Happy@Home vertrekt vanuit de realiteit van transmurale zorg. Telemonitoring wordt vaak geïnitieerd vanuit ziekenhuizen, terwijl de opvolging gebeurt door huisartsen, thuisverpleegkundigen en andere eerstelijnsactoren. “Die schakels werken vandaag nog te vaak los van elkaar”, zegt Isabel Kortleven, verpleegkundige, docent aan Hogeschool PXL en projectleider van Happy@Home. “Data worden wel verzameld, maar niet altijd gedeeld op een veilige, werkbare manier. Dat creëert heel wat terughoudendheid in het werkveld.”

Het tweejarige project, een samenwerking tussen de Hogeschool PXL en de Universiteit Antwerpen met steun van VLAIO, bracht daarom zorginstellingen, technologiebedrijven en zorgverleners samen in begeleidingsgroepen en co-creatiesessies. De centrale vraag: wat is nodig om telemonitoring structureel en correct te implementeren?

Van technologie naar werkbaar systeem

“De technologie voor thuismonitoring bestaat al langer”, klinkt het bij Michelle Stakenborg, onderzoeker aan Hogeschool PXL en van bij het begin nauw betrokken bij het project. “De echte uitdaging zit in de organisatie, de juridische context en de samenwerking tussen zorgactoren. Daar wilden we een antwoord op formuleren.” Het resultaat is het platform Happy@Home, dat niet focust op één tool of toepassing, maar op het totale systeem rond telemonitoring.

Een eerste onderdeel is de interactieve sensorcatalogus. Die geeft een overzicht van beschikbare telemonitoringsensoren en filtert de op te volgen parameters zoals bloeddruk, hartslag of gewicht. “Zorgverleners zien vaak door het bos de bomen niet meer”, vervolgt Isabel. “De catalogus helpt om technologiekeuzes te onderbouwen, zonder commerciële insteek. Je vertrekt van de zorgvraag, niet van het toestel.”

Daarnaast ontwikkelde het project een technisch stappenplan. Dat beschrijft hoe data van de sensor veilig tot bij de zorgverlener raken, inclusief aandacht voor configuratie, beveiliging en authenticatie. “Dit luik is cruciaal voor IT-diensten en beleidsteams”, benadrukt Michelle. “Telemonitoring faalt niet op de meting zelf, maar op de datastroom errond. Als die niet robuust is, stopt het project.”

Juridische helderheid als randvoorwaarde

Het juridische kader blijft een belangrijke drempel voor innovatie in de zorg. Daarom bevat Happy@Home ook juridische richtlijnen, specifiek toegespitst op telemonitoring. “We kozen bewust voor duidelijke taal”, zegt Isabel. “Wat mag wel, wat niet? Wie is verantwoordelijk voor welke data? En hoe voldoe je aan GDPR zonder het proces te blokkeren?”

Die duidelijkheid blijkt essentieel. “Veel organisaties wachten omdat ze bang zijn om fouten te maken. Door dat juridische kader expliciet te maken, verdwijnt een groot deel van die onzekerheid.”

Getest in een realistische setting

Het platform is theoretisch grondig uitgewerkt en in de praktijk uitgetest in twee pilootfases. Eerst met gezonde familieleden van zorgverleners, later met effectieve patiënten. Gedurende twee weken volgden deelnemers thuis hun bloeddruk, hartslag en gewicht op. De data werden ontsloten via een dashboard voor zorgverleners. Isabel: “De testfase bevestigde dat Happy@Home technisch werk en dat het platform gebruiksvriendelijk is. Zelfs oudere gebruikers konden zelfstandig met de toestellen werken na een korte uitleg.”

De pilootfase toonde ook de klinische meerwaarde. “Bij één patiënt zagen we duidelijke verschillen tussen metingen in de zorgcontext en thuis”, vult Michelle aan. “Via telemonitoring konden zorgverleners veel beter trends analyseren in plaats van losse waarden. Dat ondersteunt betere klinische beslissingen.”

Impact op het werk van verpleegkundigen

Voor verpleegkundigen betekent telemonitoring vooral betere data en meer continuïteit. Metingen gebeuren gespreid in de tijd, wat een realistischer beeld geeft van de gezondheidstoestand van de patiënt. “Je werkt niet langer met momentopnames”, zegt Isabel. “Dat maakt opvolging nauwkeuriger waardoor je over- of onderbehandeling kan vermijden.”

Vandaag vraagt het systeem nog actieve opvolging via het dashboard. Automatische alerts of AI-ondersteuning zijn bewust nog niet geïntegreerd. “Dat is een mogelijke volgende stap”, licht Michelle alvast een tipje van de sluier. “Eerst moet de basis kloppen: dataveiligheid, verantwoordelijkheden en werkbaarheid.”

Relevantie voor beleid en innovatie

Happy@Home richt zich expliciet ook tot beleidsteams en directies. Het platform laat toe om telemonitoring kleinschalig en gecontroleerd op te starten, bijvoorbeeld via pilootgroepen of uitleensystemen voor meettoestellen. “Je hoeft geen grootschalige transformatie door te voeren om te beginnen”, stelt Michelle. “Het kader is modulair. Organisaties kunnen groeien in functie van hun maturiteit.”

Dat is belangrijk, want structurele financiering ontbreekt vandaag nog. “De regelgeving en terugbetaling lopen achter”, erkent Isabel. “Maar net daarom is het belangrijk om nu al ervaring op te bouwen, want telemonitoring zal gegarandeerd een vaste plaats krijgen in de zorg.”


Slimme sensoren als hefboom voor een duurzaam ergonomiebeleid

Hoe help je thuisverpleegkundigen om duurzaam gezond te blijven in een context van stijgende zorgzwaarte en aanhoudende personeelsschaarste? Die vraag stond centraal in een praktijkstudie ERGOWise bij het Wit-Gele Kruis West-Vlaanderen, waar dertig medewerkers meerdere weken via sensoren gemonitord werden.

In veel zorgorganisaties blijft ergonomie vaak beperkt tot een tweejaarlijkse vorming. Correct, maar weinig duurzaam, vindt Bart Degryse, projectmanager innovatie bij het Wit-Gele Kruis West-Vlaanderen. “Je geeft een training van twee uur, medewerkers knikken, maar de praktijk is weerbarstig. Denk maar aan kleine badkamers, weinig hulpmiddelen, tijdsdruk … Dat maakt ergonomisch werken complex. We wilden weten: hoe ziet die fysieke belasting er echt uit? Wanneer en waar loopt het mis? Ons doel was alles in kaart te brengen zodat we kunnen toewerken naar een duurzame ergonomie: een cultuur waarin medewerkers zich bewust zijn van hun bewegingen en ondersteund worden door hulpmiddelen, technologie en een bredere visie op belastbaarheid.”

Van statische opleiding naar blijvende bewustwording

Het traject ERGOWise kwam tot stand vanuit de werkgroep ergonomie van het Wit-Gele Kruis West-Vlaanderen in samenwerking met SpineWise – ontwikkelaar van intelligente wearables – en ErgoSupport, gespecialiseerd in ergonomische training en werkprocesanalyse. De dertig deelnemende thuisverpleegkundigen droegen telkens twee sensoren op de kledij.

Het traject bestond uit twee fases. In week één en twee registreerden de sensoren bewegingen zoals vooroverbuigingen, torsie en rugbelasting (nulmeting). In week drie tot vijf kregen deelnemers een trilsignaal bij foutieve houdingen en volgden groepssessies met feedback, tips rond werkorganisatie en uitwisseling van werkmethodes. Na een pauze van enkele maanden startte fase twee. In week zes werd opnieuw met trilsignaal gewerkt en werden hardnekkige knelpunten besproken. In week zeven werden de sensoren nog één keer zonder feedback geactiveerd om te zien of het geleerde gedrag standhield. Vragenlijsten en datarapporten gaven nadien inzicht op zowel individueel als organisatieniveau.

Significante daling van risicovolle bewegingen

De realtime feedback bleek een cruciale hefboom. Veel collega’s dachten dat ze ergonomisch werkten. De data toonden iets anders. Het trilsignaal werd zo een wake-upcall, een bewustwording van hun eigen belastende bewegingen. “We zagen duidelijke patronen terugkomen”, zegt Bart. “Steunkousen aantrekken, werken in kleine ruimtes, wassen aan het bed … Dat zijn handelingen waar veel overbelasting optreedt. Door de sensoren kregen we voor het eerst objectieve bewijzen. En belangrijk: ook toen we het trilsignaal opnieuw uitschakelden, bleef een groot deel van de gedragsverandering overeind.”

Het project bracht meer naar boven dan individuele verbeterpunten. De inzichten werden input voor een breder beleid rond duurzame ergonomie: meer systematische inzet van hulpmiddelen, aandacht voor spierkracht en belastbaarheid, en case-based monitoring bij medewerkers met klachten. “We gebruiken de sensoren nu gericht, bijvoorbeeld wanneer iemand rugpijn meldt. Niet alleen om bewegingen te analyseren, maar om patronen te herkennen en gepaste oplossingen te zoeken.”

Naar een holistisch ergonomiebeleid

Die combinatie van monitoring en gerichte begeleiding is een krachtige hefboom voor betere ergonomie in de zorg. Maar er is een kanttekening, zegt Bart. “Een effectief ergonomiebeleid vraagt om een multifactoriële en holistische aanpak. Neem nu steunkousen, een erg belastende handeling als je die moet aantrekken bij patiënten. In Nederland is het ondenkbaar dat iemand steunkousen aandoet zonder hulpmiddel. Wij willen naar zo’n beleid toe, maar dat kan alleen als alle actoren mee aan tafel zitten: mutualiteiten, huisartsen, bandagisten. Duurzame ergonomie is een gedeelde verantwoordelijkheid.”

De praktijkstudie werd intussen gedeeld in de federale werkgroep Innovatie, waar andere regio’s de resultaten verder bekijken. “We zijn de eerste grote thuiszorgorganisatie die dit op schaal heeft getest. De technologie is nog prijzig, maar de druk op het lichaamswerk in de thuiszorg is groot. Dan moet je durven investeren in inzicht.”

De sensoren bewezen alvast hun waarde als startpunt voor cultuurverandering. “Het blijft bijzonder,” besluit Bart, “hoe een simpel trilsignaal iemand kan doen stilstaan bij zijn eigen lichaam. Als we die bewustwording kunnen koppelen aan betere hulpmiddelen, sterkere teams en medewerkers die fysiek fit blijven, dan zetten we echt stappen richting duurzame ergonomie.”


Medische beeldvorming: innovaties met impact

Om het met een cliché te zeggen: de wetenschap staat nooit stil. Ook in het AZ Groeninge niet. Henk Lacaeyse, adjunct hoofdverpleegkundige op de dienst medische beeldvorming, vertelt welke innovaties vandaag hun weg vinden in zijn vakgebied. Want met de hulp van AI en een gedreven chocolatier wordt medische beeldvorming efficiënter voor zorgverleners en comfortabeler voor zorgvragers.

Correcte medische beeldvorming vormt de basis van een goede diagnose. Ze maakt het mogelijk om aandoeningen zoals fracturen, spierscheuren en vaatafwijkingen, waaronder aneurysma’s, op te sporen. Een doorgedreven beeldvormende diagnose kan behandelingen gerichter en efficiënter maken. Innovaties binnen dit domein hebben dan ook een aanzienlijke impact op het verdere zorgtraject van patiënten.

Momenteel zitten in het Kortrijke AZ Groeninge verschillende vernieuwingen in de pijplijn, zo vertelt adjunct-hoofdverpleegkundige Henk Lacaeyse: “We bevinden ons in de laatste fase van een studie waarin artificiële intelligentie wordt ingezet om hersenaneurysma’s op te sporen op een CT-scan van de schedel zonder contrastmiddel. Vandaag is contrastvloeistof noodzakelijk om een hersenaneurysma zichtbaar te maken op een CT-scan. Wanneer een hersenaneurysma ruptureert, heeft dit ernstige gevolgen voor de patiënt, met een hoge mortaliteit en vaak dure en lange behandelingen na een hersenbloeding. Als we via deze toepassing patiënten preventief kunnen screenen, zou dat een belangrijke stap voorwaarts betekenen.”

Er lopen ook gelijkaardige studies, onder andere om hersenmetastasen op te sporen en RheumaFinder is een software die door middel van AI-modellen vroegtijdige kenmerken van reumatische ziekten detecteert op courante medische beeldvorming waar gewrichten op staan afgebeeld.

Minder ingrijpend, even efficiënt

Een andere techniek waarbij artificiële intelligentie het ziekenhuis ondersteunt, is de opsporing van darmpoliepen via CT-virtuele colonoscopie. Dit onderzoek wordt niet uitgevoerd door een gastro-enteroloog, maar berust op 3D-reconstructiebeelden van een CT-scan van het abdomen. Door het darmsegment uit deze CT-beelden te isoleren, kan de radioloog als het ware virtueel door de darm navigeren op de computer. Vooraf krijgt de patiënt een oraal laxatief en een contrastvloeistof toegediend, met als doel de darm zo schoon mogelijk te maken. De contraststof markeert eventuele achtergebleven stoelgangresten.

Henk: “We werken reeds enkele jaren met CAD (computer-aided diagnosis). Dit systeem plaatst automatisch een marker op elke verdachte structuur, waarna de radioloog beoordeelt of het om een poliep dan wel om een stoelgangrest gaat. Deze methode is aanzienlijk minder ingrijpend dan de klassieke colonoscopie en vormt een waardevol alternatief voor patiënten die om medische redenen geen conventionele colonoscopie kunnen ondergaan.”

Betere detectie

Overheidsrichtlijnen verplichten ziekenhuizen om bij medische beeldvorming steeds lagere bestralingsdosissen te hanteren. Dit kan een negatieve impact hebben op de beeldkwaliteit. Om dit te ondervangen zijn onze CT-toestellen van General Electric uitgerust met AI-gestuurde reconstructiesoftware, waardoor bij een lagere dosis een gelijke of zelfs betere beeldkwaliteit kan worden bereikt.

Daarnaast zet het AZ Groeninge ook AI-software in voor fractuurdetectie. Waar radiologen voorheen beeld per beeld moesten analyseren om een breuk vast te stellen, kunnen deze nieuwe systemen dat proces aanzienlijk versnellen en efficiënter maken, met slechts een zeer beperkt percentage vals-negatieve resultaten.

Meer comfort voor patiënten

De laatste innovatie die Henk aanhaalt, heeft niets te maken met AI-software of nieuwe scantechnieken, maar betekent wel een belangrijke vooruitgang in het uitvoeren van slikonderzoek bij patiënten met dysfagie: de contrastpraline. “Het idee ontstond toen de verantwoordelijke logopediste binnen de dienst radiologie meldde dat meerdere patiënten met ernstige slikproblemen tijdens een slikfunctieonderzoek een aspiratiepneumonie hadden ontwikkeld na verslikking in bariumhoudende contrastvloeistof”, licht Henk toe. “Patiënten met dysfagie hebben vaak baat bij het indikken van vloeistoffen en vaste voeding. Dit bracht ons ertoe te zoeken naar veiligere methoden om dit onderzoek bij kwetsbare patiënten uit te voeren.”

Een eerste stap was de overstap van bariumhoudende contraststoffen naar veiligere contrastmiddelen, die minder schadelijk zijn wanneer ze accidenteel in de longen worden geaspireerd. In samenwerking met de dienst logopedie werkte het ziekenhuis een aangepaste procedure uit voor het VFES-slikfunctieonderzoek (Video Fluoroscopic Evaluation of Swallowing).

Om het slikken van een vaste bolus te beoordelen werd oorspronkelijk een in contrastvloeistof gedrenkte boterham gebruikt. Vooral bij patiënten na een cerebrovasculair accident (CVA) en bij patiënten met neuromusculaire aandoeningen, zoals de ziekte van Parkinson, bleek deze methode problematisch, onder meer door verlamming van de mondhoek. Dit leidde tot het idee van Chloé D’heedene, afdelingshoofd logopedie, om met een praline te werken. Historisch gezien werden pralines al gebruikt om medicatie toe te dienen, nog voor de ontwikkeling van de huidige gelatinecapsules.

Samen met chocolatier Julius Persoone van The Chocolate Line werd een contrastpraline ontwikkeld. Deze bestaat uit een chocoladeomhulsel met een specifieke cacaosamenstelling die de speekselproductie stimuleert, gecombineerd met een citroengelei die de onaangename smaak van de contrastvloeistof maskeert. De praline wordt ter plaatse, vlak voor aanvang van het slikonderzoek, gevuld met contrastmiddel. Zo kan de slikfunctie bij vaste voeding met één hapklare praline worden geëvalueerd. Dit resulteert in een comfortabelere toedieningswijze en verhoogt bovendien het patiëntcomfort dankzij de aangename smaak.

Dat smaakt naar meer

Intussen krijgen nog meer innovaties vorm in het Kortrijkse ziekenhuis. Zo bezocht medisch afdelingshoofd dokter Vanrietvelde onlangs de radiologiebeurs in Chicago. Een voorproefje van nakende nieuwigheden: Photon Counting CT is al een tijdje op de markt bij Siemens maar binnenkort ook bij GE. Dit is voorlopig nog vrij prijzig maar zal binnen enkele jaren de standaardtechniek worden. Ook contrast mammografie wordt binnenkort uitgetest in het AZ Groeninge, wat een veelbelovend alternatief kan zijn voor mammo MR. Henk besluit: “De techniek staat niet stil, maar iets komt pas op de markt en op onze dienst als het bewezen deugdelijk is.”


Vroeg detecteren wat mis dreigt te gaan

Innovatie in de zorg zit niet altijd in nieuwe machines of complexe technologie. Soms ontstaat ze uit een doordachte manier om bestaande klinische gegevens slimmer te benutten. De (Geriatric) Early Warning Score, (G)EWS, is daar een treffend voorbeeld van. Dit instrument helpt verpleegkundigen om klinische achteruitgang sneller te herkennen en tijdig in te grijpen. In AZ Delta in Roeselare maakt (G)EWS al enkele jaren integraal deel uit van de dagelijkse praktijk.

De Early Warning Score (EWS) is een gestandaardiseerde observatiescore die verpleegkundigen ondersteunt bij het vroegtijdig herkennen van klinische achteruitgang bij patiënten. De score vertaalt vitale parameters zoals ademhaling, zuurstofsaturatie, hartritme, bloeddruk en bewustzijn naar één overzichtelijk cijfer. Hoe hoger de score, hoe groter het risico dat de toestand van de patiënt verslechtert. “De Early Warning Score geeft ons snel en objectief zicht op de klinische toestand van een patiënt”, zegt Wouter Bulckens, hoofdverpleegkundige orthogeriatrie in het AZ Delta. “In een oogopslag zie je of parameters beginnen af te wijken en of verhoogde waakzaamheid nodig is.”

Van losse metingen naar samenhangend inzicht

In de dagelijkse zorgpraktijk meten verpleegkundigen meerdere keren per dag vitale parameters. Toch blijft het soms moeilijk om op basis van afzonderlijke waarden tijdig te zien wanneer een patiënt echt achteruitgaat. “Je kan perfect een normale bloeddruk of saturatie meten, terwijl er toch iets niet klopt”, zegt Wouter. “De kracht van de EWS zit net in het samenbrengen van die gegevens en het zichtbaar maken van patronen.”

Op geriatrische afdelingen komt daar een extra uitdaging bij. Oudere patiënten hebben vaker chronisch afwijkende parameters, waardoor een klassieke momentopname minder betrouwbaar wordt. Daarom werkt AZ Delta met een geriatrische variant: de Geriatric EWS. Die houdt rekening met de specifieke context van de oudere patiënt en laat expliciet ruimte voor klinisch oordeel en buikgevoel. “Bij geriatrische patiënten kan een plotselinge verandering belangrijker zijn dan de absolute waarde”, verduidelijkt Wouter. “En soms zegt je onderbuikgevoel dat iets niet oké is, ook al lijkt de score nog geruststellend.”

Technologie en verpleegkundig denken: een en-enverhaal

(G)EWS sluit nauw aan bij het klinische handelen van verpleegkundigen en versterkt dat in de dagelijkse praktijk. De score biedt houvast om risico’s in te schatten en ondersteunt het klinisch redeneren, zonder het professionele oordeel te vervangen. Wouter: “Het is een hulpmiddel dat mee richting geeft. Je blijft altijd kijken naar de patiënt, maar je staat er niet alleen voor.”

Binnen AZ Delta is (G)EWS ingebed in duidelijke afspraken en zorgpaden. Vastgelegde drempelwaarden maken voor elke zorgverlener helder wanneer extra observatie nodig is of wanneer een arts wordt ingeschakeld. Dat creëert rust en eenduidigheid, ook in drukke situaties of bij minder ervaren collega’s. “De score helpt ons sneller en gerichter te handelen, met behoud van de verantwoordelijkheid en expertise van de verpleegkundige.”

Preventief schakelen in plaats van crisisbeheer

Voor het ziekenhuisbeleid ligt een belangrijke meerwaarde van (G)EWS in de verschuiving van reactief naar preventief werken. Door afwijkingen sneller te detecteren, kan het zorgteam vroeger ingrijpen en escalaties vermijden. “De invoering van de EWS kwam er bij ons na studies die aantoonden dat je kritieke situaties zo sneller herkent”, zegt Wouter. “In de praktijk merken we bijvoorbeeld minder onverwachte reanimaties omdat we eerder bijsturen.”

Dat preventieve karakter is extra relevant in een ziekenhuiscontext met meerdere campussen. AZ Delta beschikt niet op elke locatie over een spoeddienst, maar werkt wel met rapid response teams. “Bij sterk afwijkende scores schakelen we dat team tijdig in. Zonder zo’n objectieve trigger zou die drempel soms hoger liggen.”

Digitale opvolging en veilige overdracht

(G)EWS is geïntegreerd in het elektronisch patiëntendossier en maakt evoluties in vitale parameters zichtbaar doorheen de tijd. “Bij de start van een shift zien verpleegkundigen meteen welke patiënten verhoogde scores hadden”, vervolgt Wouter. “Dat helpt om prioriteiten te bepalen en gerichter te observeren.” Die gedeelde alertheid versterkt zowel de patiëntveiligheid als de continuïteit van zorg tussen teams en shiften.

Tegelijk heeft (G)EWS een duidelijke opleidingswaarde. Voor studenten en startende verpleegkundigen biedt de score houvast bij het ontwikkelen van klinisch inzicht. “Ze leren sneller verbanden leggen tussen wat ze meten en wat dat betekent voor de patiënt. Dat stimuleert gerichte vragen en overleg met mentoren.”

Door objectieve data te combineren met klinische expertise ondersteunt deze tool veilige, toekomstgerichte zorg. Voor verpleegkundigen en ziekenhuisbeleid toont (G)EWS dat innovatie ook kan betekenen: scherper observeren, sneller schakelen en samen verantwoordelijkheid opnemen voor patiëntveiligheid.


Nood aan een nieuw zorgkader

Innovatie in de zorg vertrekt vaak vanuit wat technologisch of organisatorisch mogelijk is. Maar wat als we eerst systematisch zouden kijken naar wat patiënten vandaag en morgen echt nodig hebben? Met het NEED-framework ontwikkelden Sciensano en het KCE een wetenschappelijk kader om onvervulde noden in kaart te brengen, over aandoeningen heen. Een aanpak die ook voor verpleegkundigen relevante handvaten biedt.

De aanleiding voor de ontwikkeling van het NEED-framework ligt in een vaststelling die velen in de zorg zullen herkennen: innovaties zijn vaak aanbodgestuurd. Nieuwe behandelingen, technologieën of zorgmodellen worden ontwikkeld vanuit het perspectief van onderzoekers, bedrijven of zorginstellingen, maar sluiten niet altijd aan bij wat patiënten zelf als een dringende nood ervaren. “Als je naar de literatuur kijkt, zie je dat er heel veel verschillende definities bestaan van onvervulde noden”, zegt Robby De Pauw, onderzoeker bij Sciensano. “Er ontbrak een coherent kader om al die noden samen te brengen.”

Daarnaast merkte het onderzoeksteam dat eerdere oefeningen rond noden vaak sterk gefocust waren op één aspect, zoals medische noden of farmaceutische innovatie. Terwijl zorginnovatie veel breder is dan dat. Het resultaat: waardevolle ontwikkelingen die niet altijd vertrekken vanuit de realiteit van patiënten. “We zien dat innovaties vaak gedreven zijn door het aanbod van wie ze ontwikkelt, en minder door de echte noden van patiënten”, klinkt het.

Van literatuur tot patiëntengesprekken

Het NEED-project is een samenwerking tussen Sciensano en het Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE), met nauwe betrokkenheid van onder meer de Hoge Gezondheidsraad. Van bij de start werd bewust gekozen voor een brede, interdisciplinaire aanpak. De eerste fase bestond uit een uitgebreid literatuuronderzoek. “We onderzochten welke frameworks al bestonden”, legt Rani Claerman – eveneens van Sciensano – uit. “Op basis daarvan bouwden we een eerste set van domeinen, criteria en indicatoren op. Dat kader verfijnden we verder via overleg met verschillende stakeholders: patiëntenverenigingen, zorgprofessionals en experten uit verschillende disciplines. Ook casestudies spelen een belangrijke rol.”

Door die casestudies, bijvoorbeeld van de ziekte van Crohn, merkten de onderzoekers dat bepaalde noden nog niet in het framework zaten. Zo kwam onder andere de impact op het seksuele leven naar voren. Een signaal om het kader verder uit te breiden. Het framework evolueert dus voortdurend, gevoed door nieuwe data, inzichten en praktijkervaringen.

Over toekomst en rechtvaardigheid

Het NEED-framework is een multidisciplinair framework met drie grote assen. Het eerste is het patiëntendomein, met de noden die rechtstreeks te maken hebben met het leven van de patiënt, zoals symptomen, functioneren en kwaliteit van leven. Daarnaast staat het maatschappelijke domein. Welke impact heeft een aandoening op de samenleving? Denk aan prevalentie, zorgkosten of maatschappelijke participatie. Waar het framework een duidelijk verschil maakt met andere gelijkaardige onderzoeken is dat het ook het toekomstperspectief meeneemt. Wat zijn de verwachtingen of uitdagingen op langere termijn?

Daarnaast loopt equity – rechtvaardigheid in de zorg – als een transversale dimensie doorheen het hele framework. “We willen er bewust op letten dat noden van kwetsbare groepen voldoende zichtbaar worden”, benadrukt Robby.

Op basis van dit kader bouwt het team nu een databank met informatie uit verschillende bronnen: literatuur, bestaande databanken, vragenlijsten bij patiënten, interviews en input van experten. “Andere onderzoekers kunnen met onze vragenlijsten aan de slag om nieuwe data te verzamelen”, legt Rani uit. “Zelf willen we nog casestudies over andere ziektes uitwerken. Ook zeldzame ziektes staan op onze radar. Zo groeit de databank verder.” Het doel is niet om zelf oplossingen te bedenken, maar om noden systematisch zichtbaar te maken. “We willen een overzicht geven van waar de noden het hoogst zijn, transversaal over ziekten heen of net heel specifiek binnen één patiëntengroep. Het ultieme doel is dat belangrijke spelers op die noden gaan inspelen en een oplossing ontwikkelen.”

Sleutelrol voor verpleegkundigen

Het NEED-framework betrekt expliciet het perspectief van de patiënt. En dat perspectief blijkt niet altijd samen te vallen met wat zorgverleners als prioriteit zien. “Vraag je een patiënt wat hij nodig heeft en vraag je het aan een zorgverlener, dan krijg je vaak een heel verschillend antwoord. Er is duidelijk een discrepantie tussen wat zorgverleners denken dat optimale zorg is en wat patiënten vinden”, legt Robby uit. “Dat bewustzijn alleen al is heel waardevol. Sta open voor de noden van een patiënt.”

Verpleegkundigen spelen een sleutelrol in het signaleren van noden, net omdat zij zo dicht bij de patiënt staan. Het framework kan helpen om die signalen te kaderen en bespreekbaar te maken, zowel in de praktijk als in beleids- of innovatiecontexten. Ook het interdisciplinaire karakter van het NEED-project sluit goed aan bij de verpleegkundige praktijk. “In ons onderzoeksteam werken mensen met verschillende achtergronden, waaronder ook verpleegkundigen”, zegt Robby. “We willen vermijden dat NEED gezien wordt als iets dat alleen over farmaceutische producten gaat. Het is veel breder dan dat. We willen binnen het project ook graag een tool ontwikkelen om te prioriteren in de noden van de verschillende stakeholders.”

Voor verpleegkundigen kan het framework een taal en structuur bieden om noden te benoemen, verschillen in perspectief zichtbaar te maken en bij te dragen aan zorginnovatie die beter aansluit bij wat patiënten echt nodig hebben.


Cybersecurity zit op IT- en op managementniveau

Digitale technologieën zoals elektronische patiëntendossiers, digitale voorschriften, sensoren en screenings zijn onmisbaar in de zorgsector. Tegelijkertijd brengt deze digitalisering uitdagingen met zich mee op het gebied van dataveiligheid, privacy en cybersecurity, zoals risico’s op datalekken, ransomware en phishing. Hoe staat het met de aanpak van deze kwesties in Vlaamse zorginstellingen en welke stappen zijn nog nodig? Steve Ahouanmenou, doctoraatsonderzoeker aan de UGent, licht toe.

Veel Belgisch wetenschappelijk onderzoek naar cybersecurity in de zorg bestaat er nog niet. Nochtans is de sector een potentieel doelwit voor cybercriminelen. Dat ondervond ook Steve Ahouanmenou toen hij als chief information security officer voor het CHU Brugmann in Brussel werkte in volle covidperiode. Het leidde tot een doctoraat[1] onder supervisie van Prof. dr. Amy Van Looy en Prof. dr. Geert Poels bij de onderzoeksgroep Business Informatics aan de UGent, waarin hij zich richt op het verbeteren van privacy en beheersen van cyberrisico’s in gezondheidszorgorganisaties. Zo kon hij de praktijk omzetten in concreet wetenschappelijk onderzoek.

“Informatiebeveiliging en privacy zijn in elke sector belangrijk”, legt Steve uit. “De gezondheidszorg heeft echter nog stappen te zetten op het gebied van cyberbeveiliging. Ziekenhuizen lopen meer risico’s door het kritieke karakter van patiëntengegevens. Er is nog veel vooruitgang te boeken.” Volgens Steve start alles bij bewustwording, zoals het regelmatig bijwerken van wachtwoorden en het alert zijn voor phishing mails. “Sommige ziekenhuizen hebben gedurende twintig jaar hun wachtwoorden niet geüpdatet. Gelukkig zien we vandaag wel een groeiende maturiteit in dit domein.”

IT als partner

Dat cybersecurity in 2019 en 2020 geen prioriteit was voor de zorgsector valt te begrijpen. Met kwalitatieve patiëntenzorg, stijgende kosten en blijvende personeelskrapte is dat ook vandaag niet het geval. Bovendien leeft vaak de perceptie dat cyberveiligheid uitsluitend de verantwoordelijkheid is van de IT-afdeling van een zorginstelling. In werkelijkheid is het een gedeelde verantwoordelijkheid die begint bij het management.

“Het verbaast me dat cybersecurity niet hoger op de agenda van heel wat ziekenhuizen staat”, zegt Steve. “Directies geven vaak aan dat tijdgebrek het lastig maakt om databeveiliging de aandacht te geven die het verdient. Toch is het veiligstellen van data een essentieel onderdeel van kwalitatieve zorg voor patiënten. Zelfs met kleine stappen kun je al veel bereiken. Dat is echter niet iets wat de IT-afdeling alleen kan doen. Ook zij hebben een agenda boordevol to do’s. Bovendien beschikken ze vaak niet over een volledig overzicht van de gebruikte toestellen of hebben ze niet de specifieke kennis over bepaalde apparaten. Dat gebrek aan transparantie vormt een uitdaging.

Daarnaast vraagt cybersecurity een gespecialiseerde aanpak om processen op te zetten en bewustwording te creëren bij alle medewerkers. IT is hierbij een partner die erop toekijkt dat alle processen vlot verlopen en collega’s helpt bij problemen of aanpassingen. Cybersecurity is geen eiland. Het vergt een samenwerking tussen verschillende diensten, zoals met de communicatie-afdeling, die een belangrijke rol speelt in het overbrengen van de juiste boodschap bij een mogelijke aanval. Hoe dan ook staat of valt cyberveiligheid met strategische beslissingen op beleidsniveau.”

Van richtlijnen naar de praktijk

Als cybersecurity een managementaspect is, welke tools zijn er voorhanden om zich op te baseren? “Er zijn internationale richtlijnen, zoals het framework van NIST. Dat is het National Institute of Standards and Technology in de Verenigde Staten. Daarnaast is er de ISO27001-norm voor informatiebeveiliging. Dit zijn best practices die aangepast kunnen worden naar de Belgische context. Al zijn deze nog niet specifiek toegespitst op de gezondheidszorg. Het Centrum voor Cybersecurity België (CCB) werkt daaraan”, licht Steve toe. “Daarnaast ontwikkelen ze zelf de CyFun-richtlijn met enkele basisprincipes om met cybersecurity om te gaan.”

Nood aan opleidingen

Het onderzoek van de UGent begon met een analyse van de huidige stand van zaken. Vervolgens werd de beschikbare literatuur getoetst aan de NIST- en ISO-richtlijnen. Hierbij kwamen enkele verbeterpunten naar voren, niet op technisch vlak, maar vooral op het gebied van management. Deze punten werden verder uitgewerkt en ingedeeld op basis van drie variabelen. “We onderzochten drie kernaspecten die organisaties kunnen doen om een significante impact te creëren: training, updates en data back-ups. Op basis daarvan hebben we vijf ziekenhuisspecifieke profielen opgesteld: starters, promotors, practitioners, performers en advocates. De starters zijn de grootste groep en weerspiegelen de huidige stand van zaken in de gezondheidszorg. Zij zijn slechts zeer beperkt met de drie aspecten bezig en tonen de dringende nood aan concrete opleidingen rond cybersecurity aan. Een minderheid van de zorginstellingen valt onder het advocate- of performer-profiel. Zij tonen interesse in cyberbeveiliging en erkennen dat er nog stappen gezet moeten worden. Het doel is nu om het onderzoek verder te ontwikkelen door het maturiteitsniveau in ziekenhuizen te evalueren en een model op te stellen: dit is de huidige situatie, dit zijn de vereisten voor veilige werking, en dit zijn de richtlijnen om dat te bereiken. Cybersecurity heeft een bredere sociale impact en moet weg van de misvatting dat het hoge kosten met zich meebrengt. We gebruiken bijvoorbeeld allemaal een smartphone. Via een mobile managementsysteem kunnen zorginstellingen enkel apps toelaten op hun netwerk die gecontroleerd, goedgekeurd en veilig zijn. Dit soort strategische beslissingen op managementniveau vormen de basis. Dat is essentieel, zeker omdat medische apparaten een steeds grotere rol zullen spelen in de ziekenhuizen van de toekomst.”

 

 

[1] Ahouanmenou, Steve & Van Looy, Amy & Poels, Geert. (2022). Information security and privacy in hospitals: a literature mapping and review of research gaps. Informatics for health & social care. 48. 1-17. 10.1080/17538157.2022.2049274.

Ahouanmenou, Steve & Van Looy, Amy & Poels, Geert & Andries, Petra & Standaert, Thomas. (2024). Classifying Healthcare and Social Organizations in Cybersecurity Profiles. 10.1007/978-3-031-59465-6_18.

Ahouanmenou, Steve. (2024). Towards a Cybersecurity Maturity Model Specific for the Healthcare Sector: Focus on Hospitals. 10.1007/978-3-031-59468-7_16.

Aan de slag met cybersecurity

Zowel de Belgische als de Europese overheid beseft hoe belangrijk cyberveiligheid is. Daarom geldt sinds januari 2023 de NIS2-richtlijn, ook voor organisaties binnen de gezondheidszorg. Die verplicht nationale overheden om cybersecurity onder de aandacht te brengen, maar ook om Europese samenwerking op dit niveau te versterken. Het CCB heeft een snelstartgids ter beschikking om deze richtlijn op organisatieniveau toe te passen en biedt daarnaast via het CyFun Framework de nodige tools om de veiligheid te verhogen. Beide raadpleeg je via atwork.safeonweb.be.

Tien eenvoudige tips voor meer cyberveiligheid

  • Gebruik multifactorauthenticatie en gebruik een passphrase in plaats van een wachtwoord.
  • Sla je gegevens op in een systeem met regelmatige back-ups.
  • Voer stipt beveiligingsupdates uit op al je apparaten.
  • Laat nooit fysieke informatie of apparaten onbeheerd achter op je bureau.
  • Vermijd openbare netwerken en gebruik het VPN (virtual private network) van je organisatie.
  • Download software en apps enkel van officiële platformen of stel toestellen zo in dat alleen de IT-afdeling een programma kan installeren.
  • Meld incidenten rond informatiebeveiliging altijd aan de IT-dienst.
  • Wees je bewust van phishing en durf e-mails in vraag te stellen.

Hoe is het gesteld met jouw cyberhygiëne? Via de zelfevaluatietool van het Centrum voor Cybersecurity België test je dit eenvoudig. https://atwork.safeonweb.be/nl/tools-resources/self-assessment

Bron: atwork.safeonweb.be.


Spraakgestuurde registratie in het zorgdossier

Belangrijke informatie over de gezondheidstoestand van patiënten of van bewoners registreren is essentieel voor de continuïteit van het zorgproces. Wanneer in een 24/7-zorgmodel verschillende mensen de zorg op zich nemen, functioneert het zorgdossier als een leidraad. Toch ervaren vele zorgkundigen en verpleegkundigen de registratie en rapportage in het zorgdossier eerder als een vervelende taak. Digitale innovaties, zoals spraaktechnologie of AI, kunnen de administratieve last verlichten.

We stellen prangende vragen woordelijk aan Google of dicteren berichten via de Bluetooth van onze wagen. Het zijn enkele veelvoorkomende voorbeelden van hoe de microfoon van mobiele toestellen praktische zaken mogelijk maakt. Die technologie biedt ook voor de zorgsector laagdrempelige en nuttige toepassingen.

Emmanuel Stockman, Chief Medical Care & Quality Officer bij Armonea, zet zorgverleners er alvast actief mee op weg: “Ons woonzorgdossier heeft een aantal vrije velden voor rapportage. In deze tekstvelden schrijven onze zorgverleners hun observaties neer. Op een klein scherm – van een smartphone of een tablet – is dat voor sommigen een hele uitdaging. Bovendien neemt het best veel tijd in beslag om dit gedetailleerd te doen.” Zowat een jaar terug begon het team daarom te experimenteren met spraakgestuurde registratie in het zorgdossier, via de ingebouwde technologie van hun Android-toestellen.

Veel mogelijk met standaard technologie

Uiteraard worden voortdurend nieuwe tools ontwikkeld door techbedrijven. Denk maar aan gespecialiseerde software die artsen helpt bij het stellen van een correcte diagnose of bij het bepalen van de beste behandeling voor een zorgvrager. “Maar met gewone technologie kan je ook al veel doen”, benadrukt Emmanuel. “Over het algemeen werkt de spraakgestuurde registratie via de gewone Android-telefoons vrij goed. Met sappige accenten ligt het natuurlijk wel wat moeilijker. Het is een beetje zoeken, maar we zetten grote stappen.”

Informatie registreren is één ding, ze op een efficiënte en doordachte manier verder meenemen in het zorgtraject nog een andere. Ook daar liggen heel wat kansen met de technologische vooruitgang in gedachten. “Het zou bijvoorbeeld erg krachtig zijn moest artificiële intelligentie de relevante informatie helpen selecteren”, vindt Emmanuel. “Dat een bewoner gewassen werd en normale stoelgang maakt is goed om weten, maar niet zozeer relevant voor de volgende ploeg in het zorgteam. De afwijkende, ‘abnormale’ zaken zijn dat wel. Weigert een bewoner om te eten of heeft die diarree? Dat moet de zorgverlener in de volgende shift weten. Artificiële intelligentie kan bovendien ingezet worden om trends te detecteren. Hebben meerdere bewoners op een verdieping diarree, dan kan dat wijzen op het norovirus. Zo is AI een nuttige tool op individueel en op populatieniveau.”

De spraakgestuurde registratie in het zorgdossier maakt het zorgverleners aanzienlijk eenvoudiger om relevante informatie te registreren en te rapporteren. Dat is en blijft een belangrijk aandachtspunt, weet Emmanuel: “Datadeling maakt een transmurale zorginformatieflow mogelijk en is zo de bouwsteen bij uitstek voor kwalitatieve zorg voor elk individu.”

De mogelijkheden van large language models voor de zorg

ChatGPT, Gemini, Copilot, … Er zijn al heel wat zogenaamde ‘large language models’ beschikbaar voor het grote publiek. Deze tools gebruiken artificiële intelligentie om tekst te genereren op basis van jouw input of van bestaande documenten. De slimme technologie die hierachter schuilt, biedt ook kansen voor de zorgsector.

“Vandaag worden dergelijke modellen al veel gebruikt”, weet Emmanuel Stockman. “Ze zijn zeer krachtig om bijvoorbeeld wetenschappelijke literatuur en uitgebreide richtlijnen samen te vatten. Dat laat toe snel de essentie van complexe documenten mee te krijgen. Zelf zijn we ook de mogelijkheden voor een eigen chatbot aan het bekijken. Door onze eigen content en procedures te ‘voeden’ aan het model, willen we het zorg- en verpleegkundigen eenvoudiger maken om vragen snel en correct te beantwoorden. Ze leggen hun uitdaging of vraagstuk voor en het taalmodel geeft hen de juiste werkwijze volgens onze policy. Wellicht kunnen we daar de komende tijd verdere stappen mee zetten.”


De zin en onzin van nieuwe technologieën in de zorg

Is het een nice to have of een need to have? Die vraag stelt Pedro Braekeveld – productmanager Infection Prevention Control bij Duomed en voormalig lid van de werkgroep Infectiepreventie van NETWERK VERPLEEGKUNDE – zich over heel wat van de nieuwe technologieën op de markt. Tijdens de Week van de Verpleegkundigen hield hij enkele concrete cases tegen het licht. Voor ons vat hij samen welke factoren bepalen of een innovatie zinvol, overbodig of in de gaten te houden is.

“Er verandert veel binnen het domein van infectiepreventie. Soms verkoopt men oude wijn in nieuwe zakken, soms betekent een innovatie een merkbare verbetering op de vloer”, vat Pedro Braekeveld aan. “Een grondig literatuuronderzoek beantwoordt deels de vraag hoe we zorg optimaliseren aan de hand van nieuwe technologieën. Tijdens de Week bracht ik een overzicht van innovaties in vier domeinen: compliance monitoring, automatische desinfectie, desinfecterende moleculen en artificiële intelligentie.”

Innovatiedomeinen

Binnen compliance monitoring zijn er innovaties in hand-, omgevings- en instrumenthygiëne. Bij handhygiëne gaat het om diverse systemen waarbij de zorgverstrekker, de dispenser en het bed van de patiënt een tag hebben, die registreert of en wanneer de zorgverstrekker zijn handen ontsmet. Voordelen zijn hier een hoog aantal waarnemingen doordat het systeem automatisch monitort, de gestandaardiseerde registratie en de realtime gegevens. Nadelig is dat het niet mogelijk is om alle vijf momenten van handhygiëne te monitoren en dat het om een duur systeem gaat. Het is dus niet geschikt om op gewone afdelingen te gebruiken, maar kan wel een toegevoegde waarde betekenen op hoogrisicodiensten.

Een ander voorbeeld is automatische instrumentdesinfectie. Deze volledig traceerbare technologie gebruikt meestal uvc-straling die geen residu achterlaat op medische hulpmiddelen. Doordat het om een nieuwe technologie gaat, zijn er momenteel nog geen standaarden. Dit beperkt een bredere uitrol, maar deze technologie heeft een duidelijke meerwaarde voor de desinfectie van semi-kritische medische hulpmiddelen.

“Bij innovaties als desinfecterende moleculen en artificiële intelligentie is de vraag niet zozeer: zijn ze een nice to have of een need to have”, licht Pedro toe. “Beide technologieën zijn volop in ontwikkeling en moeten dus opgevolgd worden. Vandaag zijn ze nog niet breed inzetbaar, maar dat kan snel veranderen. Ze worden niet alleen slimmer, maar zullen op termijn ook goedkoper zijn.”

Tijd voor implementatie

Essentieel voor de implementatie van deze technologieën is dat de basiscomponenten eerst aanwezig zijn. Pedro: “Het heeft bijvoorbeeld weinig zin om automatisch te desinfecteren of een automatische monitoring van de omgevingshygiëne in te zetten, als je niet voldoende personeel hebt om de omgeving schoon te maken. Besteed je budget eerst aan de fundamenten en kijk daarna hoe innovatieve oplossingen je werking aanvullen.” Een tweede advies van de expert is om de effecten op de vloer van een nieuwe technologie goed te monitoren. Zo’n innovatie wordt vaak in vitro of preklinisch getest, maar de reële impact weet je pas bij de daadwerkelijke implementatie.

“Door de hoge kostprijs is het niet altijd mogelijk om een nieuwe technologie meteen te gebruiken of breed in te zetten. Al kan dat snel keren. Daarom is het belangrijk een vinger aan de pols te houden in domeinen als artificiële intelligentie en desinfecterende moleculen. Wie weet waar we daar over enkele jaren mee staan.”


Welke mobile health apps betaalt het RIZIV terug?

De digitalisering van de gezondheidszorg maakt grote sprongen. Na eHealth drukt nu ook mHealth zijn stempel op de sector. Mobile health brengt zorg dichter bij de patiënt en maakt medische opvolging efficiënter dan ooit. Maar wat is de visie van het RIZIV op deze apps? En hoe zit het met de terugbetaling? We zetten het op een rij.

Onder mHealth verstaan we alle mobiele medische toepassingen waarmee patiënten vanuit hun eigen thuisomgeving gezondheidsgegevens kunnen delen met zorgkundigen. Deze technologie maakt het mogelijk om patiënten vanop afstand te monitoren, diagnoses te stellen en therapieën aan te passen.

De eerste stappen richting terugbetaling

Mobile health apps worden al ingezet bij patiënten met chronisch hartfalen. Via een app delen ze cruciale gezondheidsgegevens – zoals bloeddruk en hartslag – met een telemonitoringteam in het ziekenhuis. Dit maakt snelle, gerichte zorg vanop afstand mogelijk. Sinds 1 januari 2025 kunnen ziekenhuizen met een telemonitoringteam, die voldoen aan specifieke voorwaarden, een maandelijkse forfaitaire vergoeding aanvragen bij het RIZIV voor het gebruik van deze technologie. In mei 2024 werd al een aanvraag ingediend voor een vergelijkbare toepassing voor oncologische patiënten. Naar verwachting zullen er nog volgen.

Een geïntegreerde aanpak

Het RIZIV juicht het gebruik van mobiele medische toepassingen toe, maar benadrukt dat ze altijd deel moeten uitmaken van een breder zorgproces. De apps staan niet op zichzelf, maar bieden zorgkundigen handvaten om de zorg nog beter af te stemmen op de noden van de patiënt. Ook de terugbetaling van mHealth moet binnen dit bredere plaatje geëvalueerd worden.

Aanvraagprocedure en criteria

Fabrikanten, zorgkundigen en ziekenhuizen kunnen een terugbetalingsaanvraag indienen bij het RIZIV. Om in aanmerking te komen moeten de apps voldoen aan een resem criteria, zoals GDPR-compliance, CE-markering en FAGG-notificatie. Daarnaast moet de meerwaarde van de app zowel klinisch als organisatorisch stevig onderbouwd zijn met een gedetailleerd dossier, literatuuronderzoek en financiële analyse.

Een multidisciplinaire werkgroep – bestaande uit zorgkundigen, beroepsorganisaties, verzekeringsinstellingen, vertegenwoordigers uit de medische industrie, de overheid en patiëntenverenigingen – buigt zich over de aanvragen. Bij een positieve evaluatie wordt een voorstel voor tijdelijke of definitieve terugbetaling uitgewerkt en voorgelegd aan de betrokken overlegorganen en het Verzekeringscomité.

Uitdagingen van mHealth

Hoewel mHealth veelbelovend is, zijn er nog steeds uitdagingen. Zo mag digitale ongeletterdheid geen obstakel zijn. Elke patiënt moet de keuze hebben om al dan niet gebruik te maken van mobiele apps, zonder impact op de zorgkwaliteit. Daarnaast is een cruciale balans essentieel: technologie versterkt de zorg, maar mag de menselijke zorgkundige niet vervangen. Wetenschappelijke beroepsverenigingen spelen een sleutelrol bij de educatie en de ontwikkeling van richtlijnen voor het verantwoorde gebruik van mobile health apps.