Nood aan geïntegreerd zorgpad voor jongdementie
Voor thuisverpleegkundigen is het soms moeilijk om de juiste ondersteuning te bieden aangepast aan de medische noden en de levensfase waarin personen met jongdementie zich bevinden. Uit een recent rapport van het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) blijkt dat een coherent zorgpad voor deze mensen ontbreekt, en dat er een tekort is aan specifieke expertise binnen de eerstelijnszorg. De onderzoekers formuleren aanbevelingen voor een betere omkadering.
Wanneer dementie optreedt voor het 65ste levensjaar, spreken we van jongdementie. De ziekte verloopt vaak vergelijkbaar met dementie op oudere leeftijd, maar brengt specifieke uitdagingen met zich mee op sociaal, financieel en professioneel vlak. Door de specifieke kenmerken van jongdementie is het relevant om voor deze aandoening een specifiek zorgpad te ontwikkelen. Met zowat 7.300 personen met jongdementie (ongeveer 4 procent van de totale groep van personen met dementie) in ons land en elk jaar ongeveer 800 nieuwe diagnoses is de bijzondere aandacht voor deze populatie zeker waardevol. In mei 2022 keurde de Kamer van Volksvertegenwoordigers een resolutie goed om zo’n zorgpad uit te werken op basis van een analyse van best practices. Het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) bracht de behoeften van mensen met jongdementie in kaart en definieerde de hiaten in het huidige zorgaanbod[1].
Het goede nieuws: vergeleken met de andere deelstaten heeft Vlaanderen al mooie stappen gezet op het vlak van (jong)dementiebeleid, zoals het dementieplan, dat een aantal acties voor personen met jongdementie bevat. Toch is de ondersteuning algemeen genomen erg verspreid over diverse domeinen en op verschillende niveaus. “Zodra de diagnose is gesteld, is de ondersteuning voor patiënten met jongdementie vaak versnipperd over gezondheidszorg, ouderenzorg en sociale hulp”, zo kadert het KCE de grote lijnen van de problematiek in haar rapport. “Belangrijk is dat deze personen een gecoördineerde, gepersonaliseerde zorg krijgen die gericht is op hun behoeften en problemen, en die hun actieve deelname aan de samenleving zoveel mogelijk in stand houdt.” Die zorg moet bovendien continu en aangepast zijn, en onder meer een vroegtijdige zorgplanning van het levenseinde voorzien.
De rol van mantelzorgers thuis en daar buiten
Zodra de diagnose is gesteld, is de zorg erop gericht om de autonomie en levenskwaliteit van mensen met jongdementie zo lang mogelijk te behouden. Daarom is het belangrijk dat deze personen in hun vertrouwde omgeving kunnen blijven wonen. Mantelzorgers zijn in dat ideale scenario vaak een onmisbare schakel. Het hebben van een ‘ziekte voor ouderen’ die niet past bij de leeftijd en levensfase resulteert in een zware emotionele, sociale en praktische belasting voor de patiënten zelf en hun mantelzorgers/zorgverleners. Daarom is – zo stelt het KCE – het van groot belang dat het grote publiek zich bewust wordt van de ziekte en er de mogelijkheid is om in contact te komen met andere patiënten/mantelzorgers, bijvoorbeeld via zelfhulpgroepen.
“Het belang van lotgenotencontact is zowel voor de mantelzorgers als voor de personen met dementie zeer belangrijk”, pikt Jolien Van Bever in. Zij is stafmedewerker verpleegkunde verantwoordelijk voor het domein geestelijke gezondheidszorg en dementie binnen het Wit-Gele Kruis van Vlaanderen en lid van de werkgroep Praktische Ethiek. “Dat komt ook naar voor uit onderzoek naar beleving van mantelzorgers en personen met dementie. Organisaties zoals het Ventiel in West-Vlaanderen en de Companjong in het Waasland zijn in het leven geroepen door gebrek aan gepaste activiteiten en nood aan lotgenotencontact voor personen met jongdementie. Het belang van deze organisaties komt naar ons gevoel te weinig aan bod in het rapport. Ze zijn nochtans fundamenteel voor het zorgpad bij jongdementie. Net zoals de stem van de personen met deze aandoening en hun omgeving. Zo is er de Vlaamse werkgroep van personen met dementie en ook een Vlaamse werkgroep van mantelzorgers van personen met dementie. Zulke werkgroepen moeten een meer vaste plaats krijgen in het beleid voor jongdementie.” Het is één van de belangrijke stappen op weg naar een geïntegreerd zorgpad voor jongdementie, dat vroegtijdige detectie mogelijk maakt, de autonomie van patiënten maximaal stimuleert en in kwalitatieve, residentiële zorg voorziet.
Raadpleeg het volledige rapport hier.
[1] Roberfroid Dominique, Christiaens Wendy, Detollenaere Jens, De Jaeger Mats, Kohn Laurence, Vos Bénédicte. Jongdementie: uitstippelen van een zorgpad in België. Health Services Research (HSR). Brussel. Federaal Expertisecentrum voor Gezondheidszorg (KCE). 2025. KCE Reports 395AS.
Grotere rol voor thuisverpleegkundigen door kortere ziekenhuisopnames
De Europese gezondheidszorg kampt met structurele problemen. Het rapport Health at a Glance: Europe 2024 analyseert deze uitdagingen en vergelijkt de situatie in verschillende Europese landen. Een belangrijke bevinding is het groeiende tekort aan verpleegkundigen door vergrijzing, een stijgende zorgvraag en de uitstroom van zorgpersoneel. Hoewel België relatief goede lonen biedt, neemt de aantrekkelijkheid van het beroep af door de hoge werkdruk en beperkte loopbaanperspectieven.
De druk op zorgsystemen neemt in heel Europa toe. In 2022 was er een tekort van 1,2 miljoen zorgverleners in de EU (p. 13). Dit probleem verergert door de dubbele vergrijzing: een oudere bevolking heeft meer zorgnoden, terwijl ook het zorgpersoneel zelf veroudert en op pensioen gaat. In België is meer dan een kwart van de verpleegkundigen ouder dan 55 jaar, wat de komende jaren tot een grotere uitstroom zal leiden.
Daarnaast stijgt het aantal chronische aandoeningen en de zorgvraag. Meer dan 40 procent van de 65-plussers in Europa heeft minstens twee chronische ziekten (p. 58). Tegelijk groeit de mentale belasting bij verschillende bevolkingsgroepen. Zo stegen de stress- en angstklachten bij tieners van 42 naar 52 procent in vijf jaar tijd (p. 110), wat de druk op de geestelijke gezondheidszorg verhoogt.
Verloning versus zorgkwaliteit
Uit de nieuwste cijfers blijkt dat Belgische ziekenhuisverpleegkundigen gemiddeld 1,6 keer het nationale gemiddelde loon verdienen. In 2021 lag dit nog op 1,5 keer. Tegelijkertijd is de verloning van arts-specialisten gestegen van 4,2 keer het gemiddelde loon in 2021, naar 4,5 keer in 2022 (zie p. 190). Dit betekent dat de loonkloof tussen verpleegkundigen en artsen in België is vergroot, wat een invloed heeft op de status en aantrekkelijkheid van het verpleegkundige beroep.
Hoewel België goede lonen biedt, verdienen verpleegkundigen in Luxemburg, in verhouding tot hun koopkracht, nog meer. Dit leidt tot een migratie van zorgpersoneel, zonder de fundamentele tekorten op te lossen. Daarnaast hebben veel verpleegkundigen last van koopkrachtverlies door inflatie. Hierdoor biedt een nominale loonsverhoging niet altijd financiële vooruitgang, wat extra druk zet op de sector.
Werkdruk en uitstroom
Een grote uitdaging blijft de enorme werkdruk. Dit maakt het beroep minder aantrekkelijk en leidt tot een negatieve spiraal: ervaren verpleegkundigen verlaten de sector terwijl de instroom van jongeren achterblijft.
Daarnaast verschuift zorg steeds meer naar de eerste lijn en thuiszorg. Door kortere ziekenhuisopnames hebben patiënten thuis meer zorg nodig, waardoor thuisverpleegkundigen een grotere rol krijgen. Dit vraagt om nieuwe vaardigheden, meer autonomie en een aangepaste financieringsstructuur. Overheden en zorginstellingen moeten deze evolutie ondersteunen om de zorgkwaliteit te waarborgen.
Grensarbeid en migratie
Een opvallende trend is de verplaatsing van zorgpersoneel tussen landen. België trekt verpleegkundigen aan uit landen met lagere lonen, zoals Portugal en Slowakije, maar verliest personeel aan beter betalende landen zoals buurland Luxemburg. Dit leidt tot constante migratie zonder structurele oplossing. Om uitstroom te verminderen, moet België inzetten op betere werkomstandigheden en hervormingen. Structurele maatregelen zijn nodig om verpleegkundigen in de sector te laten blijven. Een reeks aanbevelingen uit het METEOR-project (p. 42) zijn onder andere meer professionele en persoonlijke ondersteuning bieden, interprofessionele samenwerking bevorderen, flexibele werkschema’s ondersteunen, de taakverdeling en het inzetten van zorgassistenten bevorderen zodat verpleegkundigen zich kunnen concentreren op hun kerntaken met betrekking tot de patiënt, een stabiele en ondersteunende
omgeving creëren en psychologische ondersteuningsdiensten opzetten. Ook digitale innovaties, zoals artificiële intelligentie en e-health, helpen om administratieve lasten te verlagen. In 2023 investeerden EU-landen fors in nationale toegang tot EHR’s, waardoor de gemiddelde beschikbaarheid van online digitale gezondheidsdiensten sterk steeg (p. 218).
Lonen moeten niet alleen stijgen, maar ook aangepast worden aan de inflatie. Zo werden de lonen in België de afgelopen jaren verschillende keren automatisch geïndexeerd. Extra investeringen in de eerste lijn en thuiszorg zijn noodzakelijk om de veranderende zorgvraag en de grotere rol voor thuisverpleegkundigen door kortere ziekenhuisopnames op te vangen. Thuisverpleegkundigen moeten beter ondersteund en opgeleid worden. Loopbaanperspectieven kunnen de sector aantrekkelijker maken. Specialisaties en geavanceerde verpleegkundige rollen moeten financieel erkend en gestimuleerd worden. Door verpleegkundigen carrièreperspectief te bieden, kan de uitstroom worden afgeremd.
Investeren in verpleegkundigen is investeren in de toekomst
De cijfers uit Health at a Glance: Europe 2024 tonen aan dat de Belgische zorgsector voor grote uitdagingen staat. Hoewel de lonen relatief hoog zijn, leiden koopkrachtverlies, werkdruk en beperkte loopbaanontwikkeling tot minder aantrekkelijkheid. Migratie van verpleegkundigen biedt geen structurele oplossing. Om de zorgsector toekomstbestendig te maken, moet België investeren in eerlijke lonen, minder administratieve last, een betere verdeling van zorgpersoneel en extra middelen voor de eerstelijnszorg. Alleen structurele verbeteringen kunnen verpleegkundigen in de sector houden en kwaliteitsvolle zorg garanderen.
Wat is Health at a Glance?
Health at a Glance: Europe 20241 is een rapport van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OECD) en de Europese Commissie. Het rapport verschijnt tweejaarlijks en biedt een uitgebreide analyse van de gezondheidssystemen in Europese landen. Die heeft als doel beleidsmakers, zorgprofessionals en onderzoekers te voorzien van data en inzichten over de prestaties van gezondheidszorgsystemen in de EU. De informatie uit het rapport helpt landen om sterke en zwakke punten te identificeren en onderbouwde beleidskeuzes te maken.
1 OECD/European Commission (2024), Health at a Glance: Europe 2024: State of Health in the EU Cycle, OECD Publishing, Paris
Zorgstroomcoach ondersteunt huisartsen
Begin dit jaar lanceert Vlaanderen het zorgstroomcoachproject. Het doel? De eerstelijnszorg en het huisartsenaanbod anders organiseren om de zorgcapaciteit en de zorgtoegankelijkheid te verbeteren. In de pilootfase worden een aantal huisartsenkringen in eerstelijnszones geselecteerd met wie de zorgstroomcoach aan de slag gaat. Bij een positieve evaluatie kan het project worden uitgerold over heel Vlaanderen.
Het toenemende huisartsentekort in Vlaanderen heeft een impact op de toegankelijkheid van betrouwbare, kwaliteitsvolle zorg. Het aantal huisartsen verhogen is niet de enige oplossing, ook de organisatie van de eerstelijnszorg moet herbekeken worden. Met de opstart van de zorgstroomcoach willen de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Hilde Crevits en het Departement Zorg, samen met partners zoals Domus Medica en de VVSG, huisartsenkringen en eerstelijnszones ondersteunen om de huisartsenzorg anders aan te pakken. De zorgstroomcoach wordt aangeworven door en tewerkgesteld bij Domus Medica. Deze persoon is voldoende vertrouwd met de inhoud en het landschap van het huisartsenzorgaanbod in Vlaanderen, is op de hoogte van de actuele beleidsuitdagingen en geniet het vertrouwen van de sector.
Verandermanagement en implementatie
De zorgstroomcoach heeft als voornaamste taak lokale actoren met elkaar in verbinding te brengen om concrete oplossingen en goede praktijken uit te werken voor de eerstelijns- en huisartsenzorg en deze te realiseren en structureel te implementeren. De kwaliteit, toegankelijkheid en voldoende aanbod van zorg staan hierbij centraal. Dit Vlaamse project is complementair aan andere Vlaamse en federale beleidsinitiatieven, zoals de New Deal en de praktijkassistent in de huisartsenpraktijk. Waar deze zich veelal richten op individuele dossiers, werkt het zorgstroomcoachproject op zowel het individuele als lokale niveau. De actoren zijn dus niet alleen de huisartsenkringen en de individuele huisartsen, maar ook de eerstelijnszones en lokale besturen. Hun specifieke context en autonomie vormen eveneens belangrijke factoren in het definiëren van mogelijke verandertrajecten.
Tweejarige pilootfase
Het project loopt over twee jaren (2024-2025) en focust initieel op een zes- tot tiental pilootregio’s. De lokale huisartsenkringen worden geselecteerd aan de hand van vooraf gedefinieerde criteria, waaronder een maximale geografische afstemming van de lokale huisartsenkring op de eerstelijnszone, betrokkenheid en ondersteuning vanuit het lokaal bestuur en de zorgraad, voldoende professionele omkadering in de huisartsenkring door een kringcoördinator, en de mate waarin de huisartsenkring vandaag al inzet op het verbeteren van de zorgtoegankelijkheid. De betrokken organisaties moeten bovendien een grote bereidheid en een concreet engagement tonen om de slaagkansen van het project te vergroten. Ze worden hierbij ondersteund in het veranderingsmanagement om de doelstellingen te realiseren op individueel en lokaal niveau. Is de pilootfase positief, dan is het de bedoeling dit initiatief breder uit te rollen over alle eerstelijnszones in Vlaanderen.
“Iedereen is welkom in de verpleegpost”
In het hele land vind je verpleegposten van het Wit-Gele Kruis, van Oostende tot Maasmechelen. Hier kan elke patiënt terecht voor verpleegkundige verzorging. De posten vormen een belangrijke aanvulling op de mobiele ploegen en daar hebben zowel patiënten als verpleegkundigen baat bij. “Doordat de patiënten naar ons toe komen, verlopen de afspraken heel stipt. We zien dus veel meer patiënten op korte tijd. Al die ‘kleintjes’ maken handen vrij voor complexere zorgvragen in het veld”, zegt thuisverpleegkundige Liesbeth Vandeput.
Beeld Wit-Gele Kruis
Elke patiënt kan in een verpleegpost terecht voor het verkrijgen van de voorgeschreven zorgen door een arts. Inspuitingen, wondzorg, bloedafnames of katheterzorgen? Je maakt een afspraak en je wordt geholpen. Handig voor wie liever niet thuis op een verpleegkundige zit te wachten. “We bieden net dezelfde zorg als bij de mensen thuis”, zegt Liesbeth Vandeput. Ze werd in 2011 thuisverpleegkundige bij het Wit-Gele Kruis Vlaams-Brabant en werkt sinds 2022 vast op de verpleegpost. “Het grote voordeel voor patiënten is dat ze hun dag veel beter kunnen plannen. Waar je thuis soms een halve dag moet wachten voor het verzorgen van een wonde, ben je hier op tien minuten buiten. Uiteraard moeten patiënten voldoende mobiel zijn en ter plekke geraken, maar elke casus wordt bekeken en doorgesproken voor de beste zorg op maat.”
Handen vrij aan het bed
De verpleegposten zijn een mooie aanvulling op de echte thuiszorg bij de patiënt. Zeker met de stijgende zorgnoden is deze vorm van zorg noodzakelijk om de groeiende patiëntenstroom te managen. Liesbeth: “Doordat wij ons niet verplaatsen maar de patiënten naar ons toe komen voor vaak kortere behandelingen, verlopen de afspraken heel stipt. Daardoor zien we veel meer patiënten op korte tijd. Al die ‘kleintjes’ maken handen vrij voor complexere en meer acute zorgvragen in het veld.”
Patiënten worden in de verpleegpost discreet behandeld in professioneel uitgeruste ruimtes. Ze brengen zelf hun voorschrift, eID en klevers van het ziekenfonds mee, evenals de toe te dienen producten voor inspuitingen, perfusietherapie of specifieke wondverzorgingsmaterialen. Op de verpleegpost zelf beschikt het personeel over exact dezelfde materialen en producten als de thuisverpleegkundige onderweg.
Continuïteit van zorg gewaarborgd
Behalve heel wat voordelen voor patiënten en verpleegkundigen in het veld, is ook het werken op de verpleegpost zelf voordelig, vindt Liesbeth. “Je komt vaker in contact met je collega’s dan onderweg. Ook de variatie aan verpleegtechnische zorgen is voor mij een pluspunt. Doordat er steeds dezelfde mensen werken, garandeert dit ook de nodige continuïteit in de opvolging van de patiënt. We werken met hetzelfde registratiesysteem waardoor een flexibele overdracht van patiënten nooit in het gedrang komt. Bovendien kunnen patiënten gemakkelijk elders naar de verpleegpost gaan, bijvoorbeeld tijdens een vakantie aan zee. Ook dat is mooi meegenomen.”
Tot slot haalt Liesbeth aan dat werken in de verpleegpost voor de verpleegkundigen zelf een laagdrempelige manier kan zijn om het werk te hervatten na langdurige ziekte of bij rug- en nekklachten. “Hier moeten we minder heffen en tillen, daardoor is het werk minder belastend. Daarnaast is het veel makkelijker om tijdelijk of permanent in flexibele uren te werken. Dat leidt tot minder uitval en meer werktevredenheid bij het personeel”, besluit ze. “In deze tijden van arbeidskrapte is dit absoluut een win-winsituatie.”
Nog nooit zo snel geholpen
“Ik heb een wonde aan mijn rug na een operatie”, vertelt Tom. “Eerst werd ik thuis verzorgd omdat ik nog niet kon rijden. Nu ik terug mobiel ben, kom ik naar de verpleegpost in Aarschot. Ik parkeer vlakbij en ben letterlijk binnen de minuut geholpen. Zo verlies ik geen tijd en kan ik mijn dag beter plannen. De verpleegkundigen stellen me direct op mijn gemak en er heerst een huiselijke sfeer. Tegelijk is alles wat de verpleegkundigen en patiënten nodig hebben voorhanden. Dat voelt vertrouwd aan. De zorg aan mijn rug is niet evident. Ik vind het daarom veel aangenamer om op een professionele verpleegtafel te liggen, dan thuis in bed of in de zetel.”
Diabetes en het belang van compressietherapie
door dr. Sabrina Speybrouck
Compressietherapie is drukbehandeling en verbetert de doorbloeding wanneer de aders minder goed werken. Hiervoor gebruik je windsels en steunkousen. Dit kan een oedeem wegwerken, ulcus cruris genezen en de levenskwaliteit van personen met diabetes aanzienlijk bevorderen. Dokter Sabrina Speybrouck, vaatchirurg en fleboloog in het AZ Sint-Blasius Dendermonde en lid van de commissie Voet van de Diabetes Liga, beantwoordt de meest courante vragen.
Wat is compressietherapie?
De comprimerende werking van de aangelegde windsels of steunkousen samen met de pompwerking van onze spieren brengen het beoogde resultaat van een betere circulatie tot stand. Door compressie (druk) uit te oefenen op een arm of been, neemt het oedeem af en wordt de bloedtoevoer richting het hart bevorderd.
Wanneer is compressietherapie aangewezen?
In het geval van veneuze insufficiëntie, bij een oedeem, bij een open beenwonde, bij een lymfoedeem na oncologische chirurgie, om een trombose in de benen te voorkomen en bij de behandeling van spataders. Compressietherapie is nooit een optie bij een ernstige aantasting van de slagaders. Bij een matige aantasting met een goede doorbloeding kan compressietherapie wel op een veilige manier plaatsvinden. Hiervoor wordt de enkel-armindex – de maatstaf voor vaatlijden en aantasting van de slagader – toegepast. De arts gebruikt hierbij een bloeddrukmeter en doppler.
Hoe pas je compressietherapie toe?
De behandelende arts zal de meest aangewezen techniek voorschrijven. Dat kan met elastische verbanden (korte- of langerekzwachtels) in combinatie met lymfedrainage. De korterekverbanden worden vooral gebruikt bij personen die nog goed beweeglijk zijn. De verbanden zijn meer rekbaar door de weefmethode en mogen, indien nodig, dag en nacht aanblijven. Normaal wordt gestart met een gepolsterde, dubbellagige korterekwindsel als decompressie, samen met lymfedrainage. Van zodra het oedeem onder controle is, wordt er overgegaan op een steunkous. De polstering of wattenwindsel dient om beenderige uitsteeksels te beschermen tegen overmatige druk en om eventuele insnoering van de huid te vermijden. Deze polstering blijft onontbeerlijk in het geval van zware neuropathie waarbij men overmatige druk of insnoering niet zal voelen. Bij de langerekverbanden is er minder verschil in druk tussen werkdruk en rustdruk. Daarom worden deze vooral gebruikt bij mensen die weinig tot niet-mobiel zijn. Door de hoge rustdruk moet dit verband ’s nachts wel verwijderd worden. Polstering door een wattenwindsel is ook in dit geval noodzakelijk.
Een tweede methode is het gebruik van therapeutische elastische kousen (TEK’s) en steunkousen. Dit is het geval wanneer een oedeem onder controle is. TEK’s worden door een erkend bandagist opgemeten. De werking van steunkousen is analoog aan de werking van de windsels: door externe druk of compressie verbeter je de circulatie richting het hart en werk je overtollig vocht weg. Steunkousen bestaan in verschillende maten, diktes en drukklassen. Een arts bepaalt welke steunkous aangewezen is. Zeker bij personen met diabetes is dit zeer belangrijk. Zo moet de voetbox breed genoeg en naadloos zijn om lokale druk op de botuitsteeksels van de metatarsaalkoppen, voet en enkel te vermijden. Een goede padding van teentoppen tot de enkel is onontbeerlijk en vermijdt druk en insnoering op kritieke plaatsen. Dit garandeert tegelijk een hoog draagcomfort. Ook bovenaan, onder de knie, moet je insnoering vermijden door een voldoende brede boord. Bij een oedeem of veneuze insufficiëntie wordt een steunkous klasse II geadviseerd. Dit verwijst naar de drukklasse of CCL: de uitwendige druk rondom het been.
Wie ondersteunt personen met diabetes bij de aankoop van steunkousen?
Dit doet een erkend bandagist. Deze geeft informatie over de afmetingen, het materiaal en de terugbetaling. Hij kan ook advies verlenen over een eventuele aantrekhulp voor compressiekousen.
Wie mag compressietherapie toepassen?
De persoon met diabetes heeft een voorschrift nodig van de arts vooraleer gestart kan worden met compressietherapie. Het aanbrengen van steunkousen gebeurt door een verpleegkundige. Ook een windsel moet adequaat worden aangelegd en dat vraagt training en expertise. De zorgvrager kan ook een zorgkundige inschakelen, al mag deze geen compressietherapie met elastische verbanden toepassen. Een verpleegkundige mag wel alle handelingen uitvoeren.
Bestaat er materiaal om compressiekousen makkelijk aan- en uit te trekken?
Er zijn verschillende soorten aantrekhulpen. De twee meest gebruiksvriendelijke en efficiënte zijn de zogenaamde Butler en Rolly. De Butler helpt voor compressiekousen van alle lengtes en modellen, zowel bij mobiele als niet-mobiele personen. De Rolly heeft de vorm van een waterballon waarmee je rolt en duwt in plaats van trekt en uittrekt. Zo doe je de kous snel en comfortabel aan en verleng je de levensduur van het materiaal. Door het geribbelde oppervlak positioneer je de kous zonder ze te beschadigen. Dit hulpmiddel wordt gebruikt voor alle types kousen en drukklassen.
Hoe hou je windsels en/of steunkousen functioneel en hygiënisch?
Was het materiaal wekelijks in een wasnetje in de wasmachine op veertig graden of met de hand. Gebruik geen wasverzachter. Dit tast de elasticiteit aan en vermindert de druk van de kous. Laat kousen en windsels niet in de zon of op de verwarming drogen. Je rolt ze het best in een handdoek en drukt het vocht eruit. Je kan eventueel gebruikmaken van de droogkast, maar hou de temperatuur dan zo laag mogelijk. Strijk de kousen niet. Een ladder in je kous? Wanneer die kleiner is dan vier centimeter, kan dit hersteld worden. Als je steunkousen niet voldoende meer rekken, moet je ze vervangen omdat ze anders hun therapeutische functie verliezen. Een bandagist neemt dan opnieuw de maten. Sowieso wordt aangeraden om steunkousen om de zes maanden te vervangen.
Hoe verzorg je de huid onder de windsels en/of steunkousen?
Bij compressietherapie is een goede huidverzorging zeer belangrijk. Erg vette crèmes en zalven, maar ook zeepresten kunnen huidirritatie en materiaalslijtage veroorzaken. Smeer de benen pas in wanneer je ’s avonds de kousen uittrekt. Doe je de kousen vervolgens opnieuw aan, let dan op dat er geen zalf meer op de benen zit. Er bestaan zalven die speciaal voor compressiekousen ontwikkeld zijn.

Een dynamische positie in de wagen is beter voor je rug en nek
Thuisverpleegkundigen voeren meerdere consultaties uit per dag en zijn dus regelmatig de baan op. Een goede zithouding in de wagen speelt een belangrijke rol bij het vermijden of verminderen van eventuele rug- en nekklachten. Expert-coördinator ergonomie bij Securex Anneleen Leyman raadt aan om steeds de natuurlijke S-vorm van de wervelzuil aan te houden.
Knieën die te hoog komen, een te bolle rug of een foute ondersteuning van de nek tijdens het autorijden kunnen allemaal bijdragen tot nek- en rugpijn. In combinatie met het zware werk dat thuisverpleegkundigen uitvoeren, leidt dit soms tot langdurige klachten. Een goede zithouding achter het stuur is dus aan de orde. Anneleen Leyman, expert-coördinator ergonomie bij Securex, legt uit waar je op moet letten: “Een open hoek van de heupen is noodzakelijk om de natuurlijke S-vorm van de rug te vrijwaren. Voldoende ruimte aan de knieholten is dan weer nodig voor een goede doorbloeding. Laat je zetel toe de lendensteun aan te passen, dan raad ik dit zeker aan. Regel ook de rugleuning naar voren of achteren zodat je polsen ontspannen op het stuur kunnen liggen wanneer de wagen stilstaat en je met de rug tegen de leuning zit. Heeft je auto een armsteun in het midden, gebruik die want zo hangen je schouders niet af.”
Daarnaast verdienen het in- en uitstappen en het in- en uitladen van materiaal de nodige aandacht. “Het is belangrijk dat je beide benen eerst uit de wagen brengt en dan pas het lichaam. Bij het rechtstaan kan je op de binnenkant van de wagen of het portier steunen. Stap je in de auto, zet dan eerst je zitvlak op de stoel en draai je daarna beide benen tegelijk naar binnen. Vermijd in elk geval te rappe of bruuske bewegingen.” Haal je zwaar materiaal uit de wagen, hanteer dan dezelfde tips als bij het algemene heffen en tillen. Probeer de natuurlijke houding van je wervelkolom te respecteren. Laat het materiaal zo lang mogelijk steunen door het eerst naar je toe te schuiven en steun hierbij met één hand in de koffer of steek één been uit naar achteren. Til je van op de grond, ga dan licht door de benen. Hou het materiaal vervolgens zo dicht mogelijk tegen je lichaam aan.
Geen statische zithouding
Ook al zijn er duidelijke richtlijnen over een juiste houding achter het stuur, toch plaatst Anneleen hier een kanttekening bij: “Correct zitten is niet het enige waar je het best op let, voldoende veranderen van positie is minstens even cruciaal. Het voordeel van een job als thuisverpleegkundige is dat je meestal geen al te lange ritten doet en veel stopt. Je staat regelmatig recht en kan dus eens stretchen tussendoor. In de wagen pleit ik voor een dynamische houding. Pas de instellingen van je autozetel minimaal aan doorheen de dag. Zo vermijd je een te starre positie.” Heb je rugklachten, dan kan een dun, opblaasbaar kussen soelaas bieden. Door de lucht is het kussen beweeglijk wat opnieuw bijdraagt tot meer dynamiek tijdens het rijden.
Oefeningen aan het stoplicht
Aansluitend op het aanpassen van de autostoel is Anneleen een voorstander van oefeningen tijdens de autorit, bijvoorbeeld wanneer je aan het stoplicht wacht. “Neem je stuur vast en beweeg eens naar voren en achteren, ook met de schouders. Maak af en toe je rug afwisselend bol en hol en span regelmatig je bilspieren aan. Trek je kin naar je borstkas toe, want ook dit bevordert de S-houding van de wervelzuil”, legt ze uit. “Het opspannen van de bekkenbodemspieren is eveneens een goede oefening in de wagen. Daarmee train je je diepe buikspieren en verbeter je de core stabiliteit van je lichaam. Dat komt van pas bij het fysieke werk dat thuisverpleegkundigen doen.” Uiteraard is het aanbevolen om ook na het werk de nodige focus op sport, beweging en een gezonde levensstijl te leggen. “Dat hoeft heus niet elke dag een intensieve sportbeurt te zijn. Een fikse wandeling doet al wonderen, niet alleen voor je lichaam maar evenzeer voor je humeur.”
Een goede zithouding in de wagen
- Hoe hoger de autostoel, hoe beter het zicht op de baan. Regel de zithoogte zodat er nog een vuist kan tussen je hoofd en het dak van de auto.
- De bovenrand van de hoofdsteun komt het best gelijk met de kruin van je hoofd. Tussen je hoofd en de steun moet minstens twee en maximaal tien centimeter zijn.
- Laat je bovenbenen zoveel mogelijk steunen op het zitvlak.
- Schuif de autozetel naar voren of achteren totdat je knieën een hoek van meer dan negentig graden hebben, zonder dat je benen gestrekt zijn tijdens het rijden.
- Stel de afstand tot het stuur zo in dat je polsen ontspannen op het stuur liggen bij stilstand.
- De hoek tussen het zitvlak en de rugleuning is idealiter groter dan negentig graden.
New Deal voor de thuisverpleging
Tijdens de studiedag voor thuisverpleegkundigen op de Week van de Verpleegkundigen in 2023 kondigde minister Frank Vandenbroucke zijn plannen aan voor een New Deal voor de thuisverpleging. Met een minder prestatiegericht model en een financiering en organisatie die inzetten op samenwerking en preventie. Hoever staan die plannen vandaag? Katrien Vervoort, beleidsadviseur volksgezondheid voor de minister, licht toe.
De toekomst in de zorg is er een van samenwerking. Dat is voor de thuisverpleging niet anders. Door de vooruitgang in de geneeskunde, de vergrijzing, de toenemende chronische, acute en complexe zorgen, het langer thuis wonen, … neemt de zorgvraag toe. “Maar ook onze actieve bevolking veroudert en gaat met pensioen”, zegt Katrien Vervoort. “Als we niet ingrijpen, dreigen we op een bepaald moment tegen de muur te lopen. Daarom is een nieuw model van financieren en organiseren nodig in de thuisverpleging. We zijn ervan overtuigd dat de organisatie van de thuisverpleegkunde anders en beter kan. Hoe laten we thuisverpleegkundigen minder in de auto zitten, minder van prestatie naar prestatie toewerken en meer tijd aan goede zorg besteden? Kortom: hoe stappen we weg van een focus op prestaties, werken we toe naar een meer patiëntgerichte thuisverpleging en hoe koppelen we daar een gepaste financiering aan?”
Bottom-uptraject
De New Deal voor de thuisverpleging vloeit onder meer voort uit de bredere hervorming van het verpleegkundig beroep. Je merkt wel dat de sector er voor openstaat. In de Overeenkomstencommissie van het RIZIV wordt momenteel een pilootproject uitgewerkt. Dat kan inspiratie bieden voor het nieuwe organisatie- en financieringsmodel. De bedoeling is om bottom-up te werken.”
Een andere inspiratiebron voor deze hervorming is de New Deal voor de huisartsen. Ook dit groeide vanuit de beroepsgroep zelf uit tot een nieuw afsprakenkader tussen de overheid en de huisartsen. “De verwachtingen van elke partij in functie van de patiënt en de financiering zijn daarin verduidelijkt. Geïntegreerd zorg staat centraal, met interdisciplinaire samenwerking preventie en opvolging van patiënten. Voor de thuisverpleging willen we geen copy-paste, maar dezelfde principes kunnen wel toegepast worden. De huidige regering treft nu de nodige voorbereidingen. Deze New Deal moet wat ons betreft deel uitmaken van het volgende regeerakkoord en een prioriteit zijn voor de volgende legislatuur.”
Samenwerken
Samenwerken met anderen, waaronder zowel andere zorgberoepen zal noodzakelijk zijn om in de thuisverpleging kwaliteitsvolle zorg te blijven bieden. Net zoals de samenwerking tussen de eerste en tweede lijn. “De toekomst is er niet een van terreinafbakening. We moeten weg van de eigen belangen. In de verpleegkunde is werk genoeg voor iedereen. Thuisverpleegkundigen moeten bruggen slaan met ziekenhuizen, huisartsen en andere eerstelijnsberoepen. Tijdens covid kwamen dat soort samenwerkingen tot stand. Die bleken nuttig en succesvol. Dat moeten we bewaren. Ook de samenwerking met gezinszorg wordt gefaciliteerd door het nieuwe KB rond ADL. Daarin maakten we een duidelijker onderscheid tussen zorg en bijstand. Idealiter zet de gezinszorg in op ADL (Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen) zodat de verpleegkundigen zich kunnen concentreren op zorg. ”
Hoe ondersteunt de praktijkassistent als paramedisch beroep de verpleegkundige in de eerste lijn dan? “Naast bijvoorbeeld het opnemen van een onthaalfunctie en de uitvoering van administratieve en logistieke taken, kan de praktijkassistent bepaalde door een arts toevertrouwde handelingen uitvoeren binnen specifieke richtlijnen en protocollen van de praktijk, zoals bijvoorbeeld bepaalde parameters meten, bepaalde stalen afnemen of een point of care test afnemen zoals een covid- of zwangerschapstest. De veneuze bloedafnames kan enkel onder fysiek toezicht van de arts. De praktijkassistent kan dus niet geheel los van een arts functioneren”, verduidelijkt Katrien. “In een multidisciplinaire praktijk waar ook een verpleegkundige werkt, ondersteunt deze functie wel de verpleegkundige zodat die zich kan focussen op specifieke zorgen zoals bijvoorbeeld preventieve behandelplannen opstellen of chronische ziektes opvolgen.”
Verbinding tussen buurtbewoners en professionals
Een buurt waar mensen elkaar kunnen ontmoeten, met elkaar verbinden en kleine dingen voor elkaar doen, met diensten en voorzieningen die voor iedereen toegankelijk zijn. Klinkt het als een buurt waar jij graag zou wonen? Met zorgzame buurten zette het Departement Zorg de voorbije jaren in op dit soort lokale netwerken. De resultaten van het project worden op 22 april voorgesteld in Brussel. Secretaris-generaal Karine Moykens licht al een tipje van de sluier.
Als maatschappij evolueren we weg van de idylle van het dorp waar iedereen elkaar kent. Maar ook in steden en verstedelijkte buurten kunnen we verbinden met en rekenen op onze buren. Het inzetten op Zorgzame Buurten uit het Vlaamse Regeerakkoord leidde tot een grote projectoproep. Op 1 maart 2022 gingen 132 projecten in Vlaanderen en Brussel van start. Ze werden begeleid door een consortium van meer dan vijftien Vlaamse en Brusselse universiteiten, hogescholen en middenveldorganisaties, gecoördineerd door de Koning Boudewijnstichting.
Vanuit beroepsorganisaties hebben we de kleine misvorming om deze vraag te stellen: wie verstaan jullie onder professionals. Zijn dat organisaties, zorgverleners of gaat dit breder?
Karine Moykens: “Onder zorgprofessionals verstaan we alle professionals die werkzaam zijn in de
verschillende welzijns- en gezondheidssectoren, zowel in zorgvoorzieningen zoals ziekenhuizen of kinderopvang, als zelfstandige zorgverstrekkers zoals verpleegkundigen, apothekers of artsen. In het kader van Zorgzame Buurten hebben we echter de mening, talenten en krachten van burgers nodig en daarnaast ook vrijwilligers, mantelzorgers en professionals uit de zorgsectoren en uit heel wat andere sectoren: lokale besturen, omgeving, wonen, onderwijs, socio-culturele organisaties, jeugdorganisaties, culturele organisaties, … Ook de handelaars in de buurt dragen bij. Heel veel mensen blijken bijvoorbeeld hun hart te luchten bij de kapper.”
Vanuit federale wetgeving zijn heel wat initiatieven lopende om informele zorg te versterken. We denken hierbij aan de bekwame helper en het KB over de taken die zij voortaan mogen uitvoeren en die toebehoren aan de activiteiten uit het algemene dagelijkse leven (ADL). Hoe kijkt u naar deze initiatieven in relatie tot de zorgzame buurten?
“De neuzen van de federale en Vlaamse overheid staan op dat vlak in dezelfde richting. Een Zorgzame Buurt gaat over zicht thuis en goed voelen in een buurt, net zoals over toegang tot betaalbare, kwalitatieve zorg en ondersteuning. De gerichte inzet van zorgprofessionals maakt dit mogelijk in functie van wat mensen nodig hebben en wensen met de middelen en het personeel dat beschikbaar is. Hetzelfde geldt voor een federaal initiatief zoals de bekwame helper. Als iemand van de gezinszorg bijvoorbeeld medicatie mag toedienen – uiteraard bij één bepaalde persoon en op basis van het zorgplan van een behandelend arts of verpleegkundige – dan is dat een win-win. Bij de persoon die de zorg nodig heeft, hoeft maar één persoon langs te komen en de arts of verpleegkundige heeft meer tijd voor zorg waar wel medische en klinische kennis voor nodig is.”
We lezen in het rapport dat we moeten bewaken dat informele zorgverleners niet worden ingezet om professionele zorgverleners te vervangen. Begrijpt u dat deze grens soms wazig zal zijn? Impliceert dit ook dat we van een zeer strikte regelgeving in de toekomst misschien beter evolueren naar een samenleving met meer vertrouwen en het plaatsen van iedereen in hun sterktes?
“We zetten in op Zorgzame Buurten om de levenskwaliteit van mensen te verhogen. Dat is een algemene term, met voor- en nadelen. Er wordt bottom-up op maat van elke buurt gewerkt en tegelijk zit er veel in vervat zoals verbondenheid versterken door ontmoeting. Zodra mensen elkaar kennen en vertrouwen, zijn ze ook bereid om kleine dingen voor elkaar te doen. Door sociale netwerken die ontstaan in de buurt, worden mensen met een kwetsbaarheid, met noden die professionele hulp vereisen, makkelijker gedetecteerd en doorverwezen. De connectie met professionele, laagdrempelige en toegankelijke zorg en ondersteuning in de wijk is dan ook noodzakelijk. Het is namelijk niet de bedoeling dat buren plots de professionele zorg en ondersteuning vervangen. Iedereen kan iets betekenen voor iemand anders. Het vraagt een flexibele aanpak die erg waardevol is, want elke buurt is verschillend.”
Is er Vlaamse en/of federale wetgeving waartegen jullie vandaag botsen die het realiseren van Zorgzame Buurten bemoeilijkt?
“Ons zorgsysteem vandaag wil kwalitatieve zorg aanbieden aan mensen, maar we stoten hiermee op grenzen. Het is belangrijk om in te zetten op intersectorale samenwerking en samenwerking met andere domeinen om tot geïntegreerde zorg en ondersteuning te komen. Die ontschotting is een must, maar ligt zeker niet voor de hand. Het zal tijd vergen. We moeten hierin stappen vooruit zetten.”
Welke rol ziet u binnen het project Zorgzame Buurten weggelegd voor verpleegkundigen? Specifiek voor de thuisverpleging en verpleegkundigen die binnen zorginstellingen werken, zoals de ziekenhuizen en de woonzorgcentra?
“Heel wat woonzorgcentra zetten zich nu al in op een Zorgzame Buurt, als trekker van een project of netwerkpartner. De buurt wordt betrokken bij het leven in het woonzorgcentrum op veel manieren: ruimtes voor buitenschoolse kinderopvang of studerende jongeren, het openstellen van het restaurant, … Daarnaast gaan woonzorgcentra na wat ze betekenen voor de buurt, vanuit hun expertise. Zo is er een woonzorgcentrum dat haar fitnessruimte ter beschikking stelt van de buurt of ruimte biedt aan een eerstelijnspsycholoog die het woonzorgcentrum één dag per week gebruikt als antenne omdat er in de buurt nood bleek aan die zorg. Er liggen heel veel kansen in de buurten. Thuisverpleegkunde is een federale bevoegdheid, al heb ik vanuit het project wel enkele ideeën. Zo botsen thuisverpleegkundigen vaak op de grenzen van hun kunnen door de grote vraag en tijdsdruk. Er moet over nagedacht worden of we kunnen evolueren naar wijkteams. Thuisverpleegkundigen worden zo een bekend gezicht in de buurt en verliezen minder tijd door verplaatsingen. Bovendien worden ze zo een laagdrempelig aanspreekpunt in de buurt en kunnen ze connecteren met andere basiswerkers met andere expertises. Die verbinding tussen disciplines kan een antwoord bieden voor mensen met complexe zorgnoden. Hier moet de komende jaren over nagedacht worden, zowel binnen de Vlaamse overheid als samen met de federale overheid.”
Hoe wordt dit verder gefinancierd? Zal een zorgverlener die actief inzet op samenwerking ook een prestatie/vergoeding ontvangen?
“Het Departement Zorg heeft beleidsaanbevelingen gevraagd aan het Steunpunt Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. De resultaten worden bekend gemaakt en besproken tijdens het Symposium. Die aanbevelingen moeten ons, de lokale overheden, de stakeholders, het terrein helpen om zorgzame buurten te verduurzamen. Omdat een projectduur van twee jaar kort was om aan een zorgzame buurt te werken, werd beslist dat de projecten die dat wilden, nog een jaar verder konden met een iets beperktere subsidie en met specifieke aandacht voor de verduurzaming van hun project. Vanuit de overheid moeten we bekijken hoe we zorgzame buurten mogelijk maken zodat maatwerk en flexibiliteit behouden blijven. Tegelijk zijn we er ook verantwoordelijk voor om een kader te scheppen dat kwaliteit en een goede inzet van maatschappelijke middelen garandeert. Dat is zeker een uitdaging.”
Als we kijken naar het aantal niet-actieven in België tussen 21 en 65 jaar, geeft een bepaald percentage aan niet de noodzaak te hebben om te moeten werken of om al mantelzorger te zijn. Zien jullie vooral bij deze groep een mogelijke stijging van het aantal informele zorgverleners?
“Zorgzame Buurten vertrekken van krachten en talenten van mensen en van organisaties. Mensen met een kwetsbaarheid vergeten soms zelfs dat ze bepaalde talenten hebben. Als ze erop worden aangesproken, bloeien ze open. Zo beteken je iets voor anderen en de maatschappij. Soms krijgen mensen opnieuw het zelfvertrouwen waardoor ze, als ze ver van de arbeidsmarkt staan, ook stappen durven zetten naar betaald werk. Een Zorgzame Buurt is een positief verhaal, van kansen en zorgzaamheid. We vertrekken vanuit het vertrouwen in mensen en willen informele zorg zeker niet verplicht opleggen.”
Het stimuleren van informele zorg is als het ware een nieuwe maatschappelijke rol voor iedereen. Correct?
“Nieuw is dat niet. Het zou afbreuk doen aan de inzet die zoveel mensen nu al vrijwillig opnemen. We moeten wel opnieuw leren met een zorgzame en open blik naar elkaar te kijken. Wat een probleem is voor één buurtbewoner, is geen probleem voor de andere. Wat een goede oplossing is voor één bewoner, is geen oplossing voor de andere. Er zijn ook geen twee soorten mensen: zorggevers en zorgvragers. Iedereen heeft krachten en talenten en iedereen is kwetsbaar op een bepaald moment in zijn of haar leven en kan wel eens steun gebruiken. Als mensen dat weer beseffen, durven ze misschien ook wel om hulp te vragen, om hulp aan te bieden en te aanvaarden. Die open, zorgzame houding, daar moeten we als maatschappij toch echt samen op inzetten.”
Benieuwd naar de resultaten van het wetenschappelijk onderzoek en de ervaringen van de projecten zorgzame buurten? Registreer je voor het Symposium op 22 april in The Egg in Brussel via www.zorgzamebuurten.be.
De verpleegkundige in de huisartsenpraktijk vs. de praktijkassistent
Een zorgsysteem dat onder druk staat, vraagt de nodige oplossingen. Ook in de huisartsenpraktijken zijn er acute problemen die aangepakt moeten worden. Daarop biedt de New Deal een antwoord. Het is nieuwe, bijkomende financiering met ruimte voor een praktijkassistent. Het voorstel ligt op tafel, tegen de zomer worden de resultaten verwacht. Ann Van den Bruel, zelf huisarts en professor huisartsgeneeskunde aan de KU Leuven legt het belang van deze New Deal voor huisartsen en voor verpleegkundigen uit.
In heel wat steden en gemeenten zijn vandaag huisartsentekorten en dus ook patiëntenstops. Het probleem is dubbel. Door COVID-19 kwam veel extra werk bij de huisartsen terecht. “Maar ook nieuwe zorgvragen door de vergrijzing, multi-morbiditeit en het toenemende aantal chronisch zieken”, zegt Ann Van den Bruel. “We werken niet enkel reactief meer, maar ook preventief en proactief. We informeren patiënten over leven met een chronische ziekte, over medicatie, … Dat vraagt coördinatie van zorg. In vijftien jaar tijd zijn het aantal consultaties bij de huisarts met twintig procent gestegen, maar de ondersteuning volgde niet.” Toch ziet Ann ook een lichtpuntje, want er zijn wel meer huisartsen dan vroeger. “Maar ze werken anders dan de vorige generaties. Met meer aandacht voor de work-lifebalance. Er zijn dus meer huisartsen, maar er is minder huisartsentijd.”
Taken en handelingen
Dat eerstelijnszorg meer kan samenwerken, werd al aangetoond tijdens de covidpandemie. Ook huisartsen kunnen zich anders organiseren en kiezen met wie ze samenwerken. Daar draait de New Deal rond. Vandaag werken veel huisartsen al met een onthaalmedewerker die de administratie en planning regelt. Vaak is er ook een verpleegkundige aanwezig. “De verpleegkundige stelt handelingen zoals wondzorg, vaccinatie, bloedafnames, een EKG, spirometrie, … Die zitten in de toolbox van technische handelingen van een verpleegkundige”, zegt Ann. “Daar kan ook het opvolgen van chronische ziektes bijkomen, volgens gestandaardiseerde protocollen waarin staat wie wat autonoom of gesuperviseerd doet. Bij ons in het medisch huis volgen verpleegkundigen personen met diabetes op en doen ze maandelijks huisbezoeken bij kwetsbare ouderen. Ze bekijken en bespreken er thematieken zoals voeding, valpreventie, vroegtijdige zorgplanning, medicatie, … Ze zijn een waardevolle vertrouwenspersoon voor de zorgvrager en een belangrijke tussenschakel met een signaalfunctie naar de huisarts toe.”
De verpleegkundige in de huisartsenpraktijk staat nog los van het voorstel om de functie van praktijkassistent in het leven te roepen. Zij kunnen een rol van betekenis opnemen wanneer een praktijk niet groot genoeg is om een verpleegkundige in dienst te nemen of in grote praktijken, waar ze de verpleegkundige ondersteunen. “Het is een rol tussen die van de onthaalmedewerker en de verpleegkundige. Ze zouden wel enkele eenvoudige klinische handelingen stellen, zoals de bloeddruk opmeten of bloedafnames uitvoeren, maar dienen geen medicatie toe en mogen niet vaccineren”, licht Ann toe. “Het zijn beperkte klinische taken die de praktijkassistent aanleert tijdens een opleiding van 1,5 jaar meteen na het secundair. Zo staat die opleiding volledig los van het postgraduaat verpleegkundige in de huisartsenpraktijk. Die opleiding is een meerwaarde, maar geen must voor wie als verpleegkundige bij een huisarts aan de slag wil.”
Educatie van zorgvragers
De huisartsensector is voor veel verpleegkundigen onbekend en dus onbemind terrein, waardoor ze vaak pas naar een huisartsenpraktijk kijken wanneer ze niet langer in een woonzorgcentrum of ziekenhuis kunnen werken door de fysieke of mentale belastingen. “We moeten er dus een positieve keuze van maken. Dat start al in de opleiding, maar ook door ons als huisartsen duidelijker te profileren. De skills die je hier nodig hebt zijn anders dan in ziekenhuizen en woonzorgcentra. Er is een groot educatief aspect verbonden aan je werk in een huisartsenpraktijk. Je leert patiënten hoe ze moeten omgaan met medicatie en welke rol je daarin kan opnemen, bijvoorbeeld. Het is zorgen op een andere schaal. Je bouwt een langdurige relatie op met de zorgvragers, soms zelfs decennialang. Bovendien is er meer regelmaat, hoef je tijdens de weekends niet te werken en minder manipulaties uit te voeren.”
Of de lijst met verpleegkundige handelingen moet uitgebreid worden wanneer er meer verpleegkundigen in de huisartsenpraktijken aan de slag gaan? “Dat is voorlopig niet nodig, denk ik. Maar het zal een leerproces zijn voor iedere huisarts om te bekijken welke handelingen ze willen doorgeven. Daarbij komt ook de evolutie naar meer ziekenhuiszorg in de thuisomgeving waarvoor aanpassingen in de eerste lijn zullen nodig zijn.”
Toegankelijker en meer kwaliteit
Tegen de zomer wordt verwacht dat de voorstellen zullen afgeklopt worden. Zo kunnen op 1 januari 2024 de eerste praktijken opstarten in het nieuwe model. In de beginfase zullen dat er een honderdtal zijn, zodat een goede begeleiding centraal blijft staan. “Deze New Deal zal ook naast het huidige systeem blijven bestaan. We willen niemand verplichten om de switch te maken. We merken uit bevragingen dat 70 procent van de huisartsen overweegt om over te stappen naar een nieuwe financieringsvorm. Die bereidheid is groter bij artsen onder de 40 jaar. Zij die aangeven niet te willen overstappen doen dat uit angst om inkomen te verliezen en omdat ze vrezen meer administratie te moeten voeren.”
Nochtans zijn de doelen van de New Deal duidelijk. Zo wordt toegewerkt naar voldoende en goed gespreide huisartsenpraktijken, met minder zinloze administratie en een betere toegankelijkheid voor de zorgvrager. Met een goed organisatiemodel, met taakdelegatie en ondersteuning, kan de huisarts zorg dragen voor meer mensen. Ook voor niet-planbare zorg buiten de traditionele werkuren. De resultaten zouden meer professionele tevredenheid, een uitbreiding van het takenpakket, minder contacten met de arts voor een chronisch stabiele patiënt en administratieve ondersteuning zijn. Dat leidt dan weer tot een betere zorgkwaliteit en toegankelijkheid. De daaraan gekoppelde financiering verloopt evenwichtiger en speelt in op beschikbaarheid, intra- en interdisciplinaire samenwerking, zorgcontinuïteit, kwaliteit, preventie en empowerment. “De bedoeling is om los te komen van de nomenclatuur, door met premies en per patiënt te werken in plaats van per prestatie. De huisarts ontvangt een premie op basis van het aantal geregistreerde patiënten in de praktijk. Daarmee kan hij dan de verpleegkundige vergoeden. Of dat een verpleegkundige in loondienst of op zelfstandige basis is, daar zijn geen voorschriften rond. De bedoeling is vooral de vrijheid te laten aan de praktijk om zich te organiseren zoals dat voor hen het beste werkt. Of we zo de tekorten uitbalanceren? Hopelijk kan dit een deel van het antwoord zijn maar we willen zo ook de uitstroom tegengaan. Door in een huisartsenpraktijk aan de slag te gaan, kan de New Deal ook een manier zijn om verpleegkundigen in de klinische zorg te houden als zij om welke reden dan ook niet meer in het ziekenhuis of woonzorgcentrum willen werken.
Rapport tijdsbesteding huisartsen
Minister van Volksgezondheid Frank Vandenbroucke en de FOD Volksgezondheid lieten een grootschalige bevraging uitvoeren naar de tijdsbesteding en werkervaring van huisartsen. Hiermee wil de minister inzicht krijgen op de impact van de covidpandemie op het beroep, maar ook op hun huidige en gewenste activiteitsgraad. Die input van het werkveld is belangrijk om de New Deal vorm te geven. Daaruit blijkt dat huisartsen willen evolueren naar een ander organisatiemodel met meer samenwerking en taakdelegatie. Uit de bevraging blijkt ook dat de huidige werkdruk te hoog ligt. De gewenste 40 uur werken per week ligt ver van de reële 50 uur per week. Een vierde van die gewerkte tijd gaat naar het aanvullen van patiëntendossiers, financiële administratie en het lezen van medische literatuur. De tijdsbesteding verschilt wel per regio in ons land.
Het volledige rapport lees je hier:
https://www.health.belgium.be/sites/default/files/uploads/fields/fpshealth_theme_file/20230417_nl_im_associates_-_rapport_tijdsindeling_huisartsen.pdf
Dementiezorg in Vlaanderen: “Thuisbegeleiders noodzakelijk voor kwalitatieve dementiezorg”
In België hebben zo’n 200.000 mensen een vorm van dementie[1]. Sterker nog, in 2022 was dit de grootste doodsoorzaak in ons land. Daarmee stoot het kanker en hart- en vaatziekten van de onbenijdbare troon. Maar is onze eerstelijnszorg ook klaar voor al deze mensen met dementie? Hoe moet de organisatie van zorg veranderen om personen met deze aandoening te ondersteunen. Jurn Verschraegen, directeur van het Expertisecentrum Dementie Vlaanderen en zelf jarenlang sociaal verpleegkundige, reikt antwoorden aan.
Het aantal mensen met dementie in ons land zal de komende jaren nog verder toenemen. Vandaag lijden in Vlaanderen en Brussel 141.000 mensen aan de ziekte. Tegen 2070 verwacht men dat dit er 283.000 zullen zijn[2]. Er bestaat medicatie die het ziekteproces vertraagt en door de vooruitgang in het identificeren van biomarkers spoort men dementie vroeger op, maar van genezing is nog lang geen sprake. “Al mogen we optimistisch zijn over de vooruitgang die geboekt wordt in het type geneesmiddelen dat het verloop van de ziekte aanpakken. Daar zit beweging in, maar het biedt geen soelaas voor wie nu dementie heeft. Het is geen reddingsboei”, zegt Jurn Verschraegen, directeur van het Expertisecentrum Dementie Vlaanderen. “Daarom moeten we inzetten op psycho-educatie en op primaire preventie. Studies in The Lancet tonen aan dat dit tot een reductie van 40 procent kan leiden.”
Je hersenen in topconditie houden door cognitief actief te blijven, dat is de boodschap. Het helpt dementie op latere leeftijd te voorkomen. Aan die preventie kunnen verpleegkundigen bijdragen in de groep van 40- tot 70-jarigen, vindt Jurn. “Je kan mensen altijd informeren, want iemand van 40 jaar kan zijn levensstijl nog aanpassen. Ga die persoon niet betuttelen of een schuldgevoel aanpraten, maar licht hem in over de risico’s en gevolgen en vooral over waar hij mee aan de slag kan. Heeft iemand een bureaujob? Dan zal hij vaak binnen zitten en weten we dat ook het risico op burn-out toeneemt. Motiveer deze persoon om naar buiten te gaan, om sociale contacten te leggen en te bewegen. Dat is goed voor het hart, maar ook voor het brein.”
Ondersteuning voor mantelzorger
Dementie heeft een specifiek ziektebeeld. Het vraagt chronische zorg met zorgpersoneel dat weet hoe ze die zorg moeten opnemen en coördineren. In Nederland nemen casemanagers de lead in dementiezorg. Voor het Expertisecentrum Dementie Vlaanderen zijn ze noodzakelijk als we met ons land aan excellente dementiezorg willen doen. “Wij noemen ze thuisbegeleiders dementie”, zegt Jurn. “Mary Mittelman verricht aan de New York University al dertig jaar lang baanbrekend onderzoek naar dementiezorg. Zo ook naar de casemanagers die een gezin dat getroffen wordt door dementie ondersteunen. Haar onderzoek wijst aan dat een thuisbegeleider dementie de verhuis naar een woonzorgcentrum met gemiddeld 557 dagen[3] kan uitstellen, enkel en alleen door de primaire mantelzorger te ondersteunen. Want mantelzorg is niet voor iedereen weggelegd en voor wie het wel doet, is het immens zwaar. Je staat er vandaag alleen voor, terwijl de persoon voor wie je zorgt verandert, zowel fysiek als qua persoonlijkheid.”
De diensten maatschappelijk werk van de ziekenfondsen vervullen hun generalistische taak ten aanzien van personen met dementie. Thuisbegeleiders dementie helpen mantelzorgers en gezinnen met meer dan met het leggen van de zorgpuzzel, maar staan hen ook bij met emotionele steun en met raad en daad. “Foton in Brugge is pionier op dat vlak en recent zijn er beperkt initiatieven chronische zorg die hierin ook investeren. Maar voor het overige stel ik vast dat de leegte van gespecialiseerde dementiezorg opgevuld wordt door allerhande ‘coaches‘ waarvoor de kwaliteitscriteria niet bepaald zijn. Terwijl die kwaliteitsvolle dementiezorg en de thuisbegeleider eigenlijk standaard aangeboden zouden moeten worden. Ik vergelijk het vaak met de werking van Kind en Gezin wanneer je een kind krijgt. Het is intussen normaal dat ze twee- tot driemaal bij je thuis langskomen en dat je dan regelmatig opgevolgd wordt in een van de centra. Dat is vanzelfsprekend wanneer je zoon of dochter geboren wordt, waarom dan niet voor een mantelzorger die voor een naaste met dementie zorgt? Mantelzorgers hebben recht op gespecialiseerde deskundige ondersteuning. De complexiteit en impact van de aandoening vereist dat.”
Referentiekader dementie
Recent verschenen in de media verschillende verhalen over verdwijningen van personen met dementie. Kunnen mensen met dementie wel thuis verzorgd worden? “Verpleegkundigen, zeker in de thuiszorg, hebben een belangrijke signaalfunctie. Je interventietijd is beperkt, maar je kan in de thuisomgeving veel zaken oppikken”, zegt Jurn. “Het is een afweging die je maakt tussen wat mensen nog willen en kunnen tegenover de desoriëntatie. Daarover moet je vervolgens de mantelzorgers en de persoon met dementie informeren en hen begeleiden naar de mogelijkheden. Het is een dialoog over autonomie en geborgenheid. Daarvoor hebben we als expertisecentrum een integraal referentiekader voor dementie ‘Ik, jij, samen mens’ ontwikkeld. Het is een sectoroverschrijdend document voor de kwaliteit van leven, wonen en zorgen voor personen met dementie en toegankelijk voor mantelzorgers, professionele zorgverleners of zorginstellingen.”
De signaalfunctie van verpleegkundigen is volgens Jurn ook cruciaal om naast een klinische diagnose ook tijdig een zorgdiagnose te kunnen maken. Dat houdt vroegtijdige zorgplanning in, maar ook dagelijkse vraagstukken zoals zelf autorijden, hoe de zorg georganiseerd zal worden, … “Er is een schaarste in de zorg, we moeten keuzes maken en mensen met expertise op de juiste manier inzetten. Zorg moet naar waarde geschat worden, op basis van competenties. Maak de multidisciplinaire equipe bekend bij de mantelzorger en de omgeving van de persoon met dementie. De thuisbegeleider kan daar de lead nemen. Samen met de Thomas More hogeschool werken we intussen het functieprofiel voor de thuisbegeleider uit. Het kan absoluut een verpleegkundige zijn, zolang die persoon maar over de juiste vaardigheden beschikt en aan de vooropgestelde kwaliteitscriteria voldoet.”
Voorbereide eerstelijnszorg
Of de eerstelijnszorg klaar is voor de dementiecijfers die op ons afkomen? “Het wordt een kwestie van kennis en vaardigheden. We hebben meer referentieverpleegkundigen dementie nodig en de referentierol in de thuiszorg dient te worden opgenomen. Er is een gefinancierde opleiding van 66 uren waarmee zowel bachelor- als HBO5-verpleegkundigen referent dementie kunnen worden in een woonzorgcentrum. Zo vorm je kennisbakens”, licht Jurn toe. “Ook voor ziekenhuizen en de diensten geriatrie kan dit. Daarnaast denk ik dat de oplossing niet meteen bij de zorgverleners gezocht moet worden. De sense of urgency ontbreekt vandaag. We ontkennen dit op korte termijn, maar zullen de impact op lange termijn wel voelen. We beseffen nog niet dat dit ook een demografisch probleem is. De woonzorgcentra zijn zeer duur en de beeldvorming is belabberd, enkel door de wanpraktijken die de media uitvoerig belicht. Daarnaast zijn er zware tekorten aan personeel waardoor er bedden leegstaan. Het zorgpersoneel zal tegen 2040 met 3 procent stijgen, de vergrijzing met 25 procent. Die cijfers haal je niet meer in. Er zijn geen centen en geen mensen om plots 25 procent meer woonzorgcentra te bouwen. Voor mij schuilt de oplossing in de maatschappij en in de buurten waar mensen ook zorgzaam zijn voor mekaar. Lintbebouwing is de doodsteek voor het sociale weefsel en werkt eenzaamheid in de hand. We moeten durven out of the box denken op het vlak van deskundigheid, mensen, voorzieningen en alternatieve woonvormen zoals intergenerationeel cohousen. Stap af van het medische model en kijk naar de essentie van een beroep. Die thuisbegeleider is cruciaal als we de eerstelijnszorg willen voorbereiden, maar we moeten ook nog belangrijke stappen zetten in preventie en sensibilisering. Alleen zo garanderen we kwaliteit en continuïteit van zorg voor mensen met dementie.”
Het referentiekader voor dementie bestel je via infocentrum.dementie.be/boeken-publicaties.
[1] https://www.sciensano.be/nl/pershoek/dementie-wordt-de-belangrijkste-doodsoorzaak-belgie
[2] Cijfers via het Expertisecentrum Dementie Vlaanderen
[3] Mittelman, M. S., Haley, W. E., Clay, O. J., & Roth, D. L. (2006). Improving caregiver well-being delays nursing home placement of patients with Alzheimer disease. Neurology, 67(9), 1592-1599.
Zo train je hersengezondheid
De Expertisecentra Dementie zetten sterk in op preventie. Het toont aan dat dementie op hoge leeftijd stevig verlaagd kan worden door een hersengezonde levensstijl op middelbare leeftijd (40 tot 75 jaar). Onder het motto: wat goed is voor je hart, is goed voor je hersenen, lanceerden ze de website 2 voor de prijs van 1. Hierop vind je heel wat tips om je hersenen gezond te houden, maar ook heel veel weetjes over dementie.
- Blijf cognitief actief, door bijvoorbeeld een taal te leren
- Blijf sociaal actief
- Beperk je alcoholgebruik en stop met roken
- Kook mediterraans en eet voldoende fruit
- Pak hoorproblemen aan
- Blijf in beweging
- Beperk je schermtijd
En sudoku’s en kruiswoordraadsels dan? Door ze dagelijks te doen word je er goed in, maar hersengezondheid houdt in dat je cognitief uitdagend in de weer bent en dat doe je niet door de focussen op één specifieke taak.
Meer info: 2voordeprijsvan1.be









