Voorschriftplicht hertekend: eenvoudiger zonder kwaliteitsverlies

De voorbije maanden veranderde er heel wat in de regelgeving rond thuisverpleging. Twee recente maatregelen springen eruit: de herziening van de voorschriftplicht en de toevoeging van een interpretatieregel. Volgens Kristien Scheepmans, stafmedewerker Verpleegkunde en expert bij Wit-Gele Kruis vzw en voorzitter van de  werkgroep thuisverpleegkundigen binnen NETWERK VERPLEEGKUNDE, hebben ze allebei een directe impact op artikel 8 van de nomenclatuur. De rode draad? Minder administratie, meer logica, en meer erkenning voor het klinisch inschattingsvermogen van verpleegkundigen.

De kern van de hervorming is dat de regels rond terugbetaling beter worden afgestemd op wat verpleegkundigen juridisch autonoom mogen doen. In het verleden zat daar een spanningsveld: verpleegkundigen mochten bepaalde handelingen zelfstandig uitvoeren volgens de beroepswetgeving, maar hadden toch een medisch voorschrift nodig om diezelfde handelingen terugbetaald te krijgen via artikel 8[1].

“Vroeger stonden er in artikel 8 verstrekkingen die autonoom mochten gebeuren, maar toch een voorschrift vereisten voor terugbetaling”, legt Kristien Scheepmans uit. Wondzorg is een bekend voorbeeld. Met de invoering van een specifieke nomenclatuur voor wondzorg verdween die bijkomende voorschriftplicht al grotendeels, met enkele uitzonderingen zoals, redonzorg en debridement. Nu wordt die lijn breder doorgetrokken, onder meer door recente aanpassingen aan de lijst met B1- en B2-handelingen: sommige handelingen verschuiven van B2 (met voorschrift) naar B1 (zonder voorschrift). Denk aan bijvoorbeeld medicinale zalven toedienen of een eenmalige blaassondage.

“Een belangrijk voordeel is de vermindering van de administratieve last, zowel voor verpleegkundigen als voor patiënten die langs de huisarts moeten om de voorschriften”, verduidelijkt Kristien. Het bestendigt ook de professionalisering van de verpleegkundige die op basis van klinisch oordeel autonoom bepaalde zorgaktes kan opstarten. Bijgevolg kunnen artsen zich focussen op het voorschrijven van aktes waarbij een voorschrift echt nodig is.

Interpretatieregel: één prestatie, meerdere zorgverleners

Naast de voorschriftplicht kwam er een nieuwe interpretatieregel bij artikel 8[2]. Die is praktijkgedreven en gaat specifiek over de verstrekking ‘voorbereiding en toediening van medicatie bij chronische psychiatrische patiënten’. In de praktijk wordt medicatie vaak door een verpleegkundige voorbereid en later door een zorgkundige toegediend. Alleen: bij controles werd de terugbetaling soms geweigerd wanneer de prestatie door een zorgkundige werd geattesteerd, omdat de verstrekking als één geheel werd bekeken, en ‘voorbereiding’ nu eenmaal niet tot de bevoegdheid van de zorgkundige behoort. De interpretatieregel verduidelijkt nu dat de prestatie wel kan worden terugbetaald, zolang elk onderdeel door de juiste zorgverlener gebeurt. “Het is geen uitzondering,” benadrukt Kristien, “maar een verduidelijking van een correcte toepassing en interpretatie van die regel, waardoor het in de praktijk mogelijk blijft zoals het al werd toegepast.”

De puzzel richting juni 2026

Met de komst van nieuwe functieprofielen rijzen ook nog andere vragen. Sommige handelingen zijn B1 voor de Verpleegkundige Verantwoordelijk voor Algemene Zorg (VVAZ), maar B2 voor de basisverpleegkundige. In praktijken met gemengde profielen creëert dat onduidelijkheid: wie mag nu wat? Met de instroom van basisverpleegkundigen richting juni 2026 wordt het dringend tijd om die onzekerheid weg te werken. “We zijn samen met de sector, de mutualiteiten en het RIZIV aan het bekijken hoe we dit op punt stellen”, zegt Kristien. “Alle puzzelstukjes liggen er. Nu komt het erop aan de puzzel te leggen, op een eenvoudige, werkbare manier.”

Tot slot beklemtoont Kristien dat binnen al deze wijzigingen de interprofessionele afstemming cruciaal blijft. “Het afschaffen van de voorschriftplicht betekent niet dat communicatie met artsen, zorgvragers en andere betrokkenen minder belangrijk wordt. Het verpleegkundig dossier blijft een hoeksteen.”

[1] https://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2025/09/08/2025006770/staatsblad

[2] https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article.pl?language=nl&sum_date=2025-09-24&lg_txt=N&numac_search=2025006812


Verpleegkundige in de huisartsenpraktijk: motor van kwaliteit, samenwerking en toegankelijke eerstelijnszorg

De werkdruk in Vlaamse huisartsenpraktijken blijft stijgen. De zorgvraag wordt steeds complexer: chronische aandoeningen nemen toe, preventie krijgt een grotere plaats en meer zorg verschuift van het ziekenhuis naar de eerste lijn. Daardoor komt de toegankelijkheid en kwaliteit van zorg onder druk te staan. In dit veranderende zorglandschap wordt één functie steeds belangrijker: de verpleegkundige in de huisartsenpraktijk.

Volgens opleidingscoördinatoren van het postgraduaat Verpleegkundige in de huisartsenpraktijk Lucky Botteldooren (UAntwerpen) en Vanessa Gauwe (Arteveldehogeschool) is de tijd rijp om deze functie volwaardig te omarmen. “Wie vandaag een afspraak probeert te maken bij een huisarts, merkt meteen hoe sterk de werkdruk is toegenomen”, zegt Lucky. “Chronische zorg, preventie en de opvolging van kwetsbare patiënten vragen veel tijd, terwijl acute zorgvragen blijven binnenstromen. Eén consult biedt daardoor vaak onvoldoende ruimte om alles kwaliteitsvol te behandelen. Voor veel praktijken wordt het zo een uitdaging om zorg toegankelijk en kwalitatief te houden.”

Binnen dat veranderende zorglandschap krijgt de verpleegkundige in de huisartsenpraktijk een steeds centralere rol. Deze verpleegkundige ondersteunt de behandeling, begeleiding en opvolging van een diverse en vaak zorgintensieve patiëntenpopulatie. De samenwerking met de huisarts is daarbij duidelijk complementair: de huisarts blijft de centrale spil, terwijl de verpleegkundige de praktijk versterkt vanuit een autonome, interdisciplinaire positie.

Op zowel organisatorisch als klinisch vlak draagt de verpleegkundige bij aan een efficiëntere werking en aan laagdrempelige, doelgerichte zorg. Dat maakt de rol onmisbaar voor een toekomstbestendige eerstelijnszorg waarin kwaliteit, continuïteit en toegankelijkheid centraal staan.

Evolutie naar meer verantwoordelijkheid

Vanessa vult aan: “De verpleegkundige in de huisartsenpraktijk is voor veel mensen iets nieuws. Niet alleen voor huisartsen maar ook voor verpleegkundigen zelf. Vanzelfsprekend zijn er technische taken als bloedafnames, EKG, spirometrie, cerumen verwijderen en cryotherapie, maar het gaat veel breder dan dat. Denk aan preventieve, chronische en complexe zorg en geestelijke gezondheidszorg.” Op het vlak van preventie kan de verpleegkundige, in nauwe samenwerking met de arts, patiëntengroepen screenen op risico’s zoals cardiovasculaire aandoeningen of diabetes. De verpleegkundige volgt op of patiënten deelnemen aan bevolkingsonderzoeken en motiveert hen waar nodig tot een gezondere leefstijl. Daarnaast kan deze zorgverlener patiënten met afwijkende waarden, zoals een verhoogde bloeddruk, tijdig detecteren en een thuisbloeddrukmeting opstarten, preoperatieve consulten organiseren en educatie en voorlichting geven, bijvoorbeeld rond anticonceptie en seksueel overdraagbare infecties.

“De verpleegkundige in de huisartsenpraktijk bezit de competenties om in samenwerking met de huisarts chronische zorg op te nemen zoals diabetes, COPD, cardiovasculair risicomanagement, ouderenzorg en psychosociale zorg”, voegt Lucky toe. “Daarbij staat doelgerichte zorg centraal: samen met de patiënt bepalen welke gezondheidsuitkomsten en levensdoelen prioritair zijn en hoe de zorg daarop kan worden afgestemd.”

Daarnaast werkt de verpleegkundige mee aan evidencebased protocolzorg, waardoor binnen de praktijk gestandaardiseerde en goed gestructureerde zorg ontstaat, waarin huisarts, verpleegkundige en patiënt precies weten welke stappen te volgen. Tegelijk worden patiënten zowel individueel als op populatieniveau opgevolgd zodat problemen vroeger worden opgespoord en de zorg tijdig kan worden bijgestuurd.

Op vlak van complexe zorg kan de verpleegkundige een centrale rol opnemen in de zorgcoördinatie: betrokken zorgprofessionals worden op elkaar afgestemd, de continuïteit van het zorgtraject bewaakt en zo ontstaat een brug naar het ziekenhuis of de thuisverpleegkundige. Daarnaast kan de verpleegkundige vroegtijdige zorgplanningsgesprekken voeren of patiënten met hartfalen mee nauw opvolgen.

Ook populatiemanagement behoort tot de opdracht van de verpleegkundige. Daarbij vertrek je niet vanuit één individuele zorgvraag, maar kijk je naar de gezondheid en noden van een volledige doelgroep. In de huisartsenpraktijk betekent dit: de populatie in kaart brengen en stratificeren, de zorgkwaliteit evalueren en gerichte interventies uitvoeren en opvolgen.

Het grote voordeel is dat je proactiever en preventiever kunt werken, beter inspeelt op de noden van groepen zoals ouderen of patiënten met chronische aandoeningen, en de zorg efficiënter organiseert. Vanessa licht toe: “Huisartsen weten hoe dit moet, maar de tijd ontbreekt hen vaak. Een verpleegkundige kan het proces ondersteunen, preventie en chronische zorg structureel verankeren in de werking en de arts inschakelen wanneer nodig.”

Van bloedafname naar burn-outbegeleiding

Naast de huisartsen en verpleegkundigen moeten ook patiënten meegenomen worden in het verhaal. Wanneer de arts vertrouwen in de verpleegkundige uitstraalt, neemt de patiënt dat vertrouwen over. Vanessa: “We merken dat patiënten de rolverdeling vlot aanvaarden, op voorwaarde dat helder is waarvoor ze bij wie terecht kunnen.”

Verpleegkundigen bewijzen hun meerwaarde niet alleen in chronische zorg en preventie. Ook in psychosociale en geestelijke gezondheidszorg, verslavingszorg, gedeelde zorg bij burn-outopvolging en infectieraadpleging maken zij in uiteenlopende domeinen het verschil. “Recent onderzoek toont dat interdisciplinaire samenwerking in de eerstelijnspraktijk leidt tot kwalitatievere zorgopvolging en zelfs kan bijdragen aan het verminderen van sociale ongelijkheid[1]”, voegt Lucky toe.

Daarnaast toont de COOPERATE-study van Dr. Marieke Geijsels een duidelijke positieve associatie tussen het volgen van het postgraduaat Verpleegkundige in de huisartsenpraktijk en het takenpakket dat verpleegkundigen effectief opnemen. Deze verpleegkundige voert vaker consultaties rond chronische aandoeningen, houdt zich intensiever bezig met leefstijlcoaching en plant meer individuele preventieve onderzoeken. Ook binnen populatiemanagement en kwaliteitsverbetering is deze verpleegkundige sterker vertegenwoordigd. Zo worden vaker SUMEHR’s – digitale samenvattingen van het medisch dossier – aangemaakt, wordt actiever meegewerkt aan vaccinatiecampagnes en worden kwaliteitsverbeteringsprojecten frequenter opgenomen. Bovendien voeren deze bepaalde technische handelingen, zoals uitstrijkjes en spirometrie, merkbaar vaker uit.

Vanessa: “De rolomschrijving van een verpleegkundige in een huisartsenpraktijk staat niet in steen gebeiteld. Demografie van de populatie, eigen ervaring en interesse als verpleegkundige, en workload bij de huisarts bepalen mee hoe de functie eruitziet, en dat is iets wat startende verpleegkundigen onderschatten. Ze denken vooral aan technische taken en wondzorg, terwijl consultvoering en coachen van patiënten met een chronische problematiek, van acute zorg naar begeleiding, er evenzeer bijhoren. Het is een heel breed scala. Voor gedreven verpleegkundigen die een afwisselende en boeiende job willen is dit natuurlijk fantastisch.”

Werken binnen een huisartsenpraktijk die aansluit bij de eigen professionele waarden

Vanessa benadrukt hoe belangrijk het is dat verpleegkundigen bewust kiezen voor een praktijk waarvan visie en verwachtingen aansluiten bij hun eigen professionele waarden. “Wat willen de artsen bereiken met de functie van de verpleegkundige? Hoe zien zij samenwerking? Hoe wordt zorg georganiseerd? Die afstemming bepaalt mee het werkplezier en de impact van de functie.”

Ook de financieringsvorm van een praktijk speelt een rol. “Of een praktijk werkt in een prestatie-, forfaitair of New Deal-model, beïnvloedt hoe taken worden ingevuld en welke incentives beschikbaar zijn,” zegt Lucky. “Maar los van het systeem blijft de kern dezelfde: samenwerking organiseren rond kwaliteitsvolle, toegankelijke zorg.”

Professionalisering via het postgraduaat

Wie zich verder wil verdiepen in de functie van VIHP, kan terecht in het postgraduaat aan Arteveldehogeschool of Universiteit Antwerpen. Vanessa: “De opleiding versterkt verpleegkundige competenties in praktijkorganisatie, preventie, chronische zorg en psychosociale begeleiding.”

Het kwaliteitsverbeterend project vormt de rode draad van de opleiding vormt. “Studenten vertrekken vanuit een realistische, praktijkgerichte probleemstelling en voeren grondig onderzoek uit. Ze stemmen af met het artsenteam en analyseren kritisch de bestaande werking. Door dit proces ontwikkelen en verduidelijken ze stap voor stap hun specifieke rol als verpleegkundige binnen de huisartsenpraktijk”, legt Lucky uit. “De echte meerwaarde schuilt in het projectmatig samenwerken. Tijdens zo’n traject groeit niet alleen de kwaliteit van zorg, maar ook de samenwerking. Huisarts, secretariaatsmedewerker en verpleegkundige stemmen af, herverdelen verantwoordelijkheden en bouwen samen aan een structurele aanpak – veel krachtiger dan losse initiatieven.”

[1] Bos, P., Danhieux, K., Wouters, E. et al. Navigating diabetes care inequities: an observational study linking chronic care model’s structural elements to process and outcomes of type 2 diabetes care in Belgium. Int J Equity Health 24, 15 (2025). https://doi.org/10.1186/s12939-024-02372-4

Werkgroep Verpleegkundigen in een Huisartsenpraktijk (VIHP)

De Werkgroep VIHP is op zoek naar enthousiaste collega’s die hun expertise en inzichten willen delen, willen samenwerken aan innovatie, projecten en richtlijnen, en willen bijdragen aan het versterken van het expertisegebied van verpleegkundigen in de huisartsenpraktijk. Je krijgt er de kans om ervaringen uit te wisselen, inhoudelijke thema’s mee vorm te geven en een actieve stem te hebben binnen de eerstelijnszorg.

Ben jij verpleegkundige en actief in een huisartsenpraktijk? Deel je de visie dat de rol van de VIHP veel verder gaat dan louter technische handelingen? Bouw dan mee aan de verdere ontwikkeling en professionalisering van ons vakgebied.

Neem contact op met Marieke Schroven via administratie@netwerkverpleegkunde.be

Meer weten?

Ontdek de postgraduaatsopleiding VIHP van de Universiteit Antwerpen.

Ontdek de postgraduaatsopleiding VIHP van de Arteveldehogeschool.


Pilootproject nieuwe manier van werken thuisverpleging

De thuisverpleging bevindt zich op een kruispunt van verschillende uitdagingen. De vergrijzing van de bevolking en de groeiende groep chronische patiënten leggen een steeds zwaardere druk op een krimpende groep zorgverleners. De werkdruk stijgt en alle tekenen wijzen erop dat dit een blijvende trend zal zijn. Een andere, meer toekomstbestendige manier van werken dringt zich op zodat de aanpak van de sector beter aansluit bij de realiteit van vandaag en morgen.

Vertegenwoordigers uit de thuisverpleging gingen samen met het RIZIV en de verzekeringsinstellingen aan tafel zitten om een vernieuwde manier van werken te ontwikkelen. Die aanpak beoogt de patiënt en kwalitatieve zorg centraal te stellen, zonder de werktevredenheid van zorgverleners uit het oog te verliezen. Bij een nieuwe werkwijze hoort ook een herziening van de financiering. Het resultaat is een gemoderniseerde werkwijze die twee jaar getest wordt tijdens een pilootproject onder wetenschappelijke begeleiding van het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE).

Minder focus op prestaties, meer op tijd en zorg

Vandaag worden thuisverpleegkundigen, grotendeels, betaald per uitgevoerde handeling en volgens bepaalde forfaitaire financieringsmechanismen. Dat systeem legt de nadruk op prestaties en leidt tot meer tijdsdruk. Zorgen die veel tijd vragen, maar niet als aparte prestatie worden vergoed – zoals overleg, begeleiding of preventie – komen daardoor soms in de knel.

In het pilootproject wordt onderzocht of een andere aanpak mogelijk is. In plaats van betaling per handeling, wordt gekeken naar een vergoeding per uur. Zo telt niet alleen wat een verpleegkundige doet, maar ook hoeveel tijd daarvoor nodig is. Dat maakt het mogelijk om zorg beter af te stemmen op de noden van de patiënt. Niet alleen technisch verpleegkundige handelingen, maar ook preventie, uitleg en emotionele ondersteuning krijgen zo meer ruimte.

Daarnaast wordt ook nagedacht over een vorm van praktijkfinanciering. Daarbij krijgen praktijken een stimulans voor een goede organisatie, samenwerking, kwaliteitsbeleid en verdere professionalisering.

Wat betekent dit voor de praktijk?

Het pilootproject wil nagaan of deze manier van werken haalbaar is in de dagelijkse realiteit van de thuisverpleging. De nieuwe aanpak moet de kwaliteit van zorg ondersteunen, patiënten meer autonomie geven, samenwerking met andere zorgverleners versterken en de werkdruk voor verpleegkundigen beter beheersbaar maken. Belangrijk: het gaat om een testfase. Deelname aan het project betekent niet dat dit systeem automatisch de nieuwe standaard wordt.

Wetenschappelijke opvolging

Het project wordt gedurende twee jaar opgevolgd door het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE). Zij verzamelen en analyseren gegevens over onder meer patiënttevredenheid, tijdsbesteding en werktevredenheid. Op basis daarvan formuleren ze aanbevelingen voor een mogelijk toekomstig financieringsmodel. Na afloop van het project wordt beslist of, en in welke vorm, deze manier van werken breder kan worden ingevoerd. NETWERK VERPLEEGKUNDE volgt de evolutie van dit project uiteraard mee op.

Met dit pilootproject wil de sector samen zoeken naar oplossingen voor de uitdagingen in de thuisverpleging. Door ruimte te geven aan tijd, samenwerking en kwaliteit, wordt gekeken hoe zorg ook in de toekomst haalbaar en mensgericht kan blijven. Meer informatie over het project vind je op de officiële communicatiekanalen van het RIZIV.


Controle met oog voor de praktijk

Wanneer thuisverpleegkundigen gecontroleerd worden door het RIZIV, roept dat vaak vragen en ongerustheid op. Wat gebeurt er precies na zo’n controle? Wie beoordeelt het dossier? En welke rol speelt de Kamer van eerste aanleg daarin?

De Kamer van eerste aanleg is een administratief rechtscollege binnen het RIZIV dat dossiers beoordeelt waarin mogelijke inbreuken op de regelgeving worden vastgesteld. “Je kan het vergelijken met een rechtbank, maar dan niet in de klassieke zin”, zegt Peter Maes, zelf een ervaren thuisverpleegkundige en lid van de Kamer. “Het is een formele procedure, met duidelijke regels en ruimte voor context.”

Wanneer komt een dossier bij de Kamer terecht?

Een dossier komt niet zomaar bij de Kamer van eerste aanleg. Eerst voert de Dienst voor Geneeskundige Evaluatie en Controle van het RIZIV een onderzoek uit. Dat kan het gevolg zijn van een klacht, bijvoorbeeld van een patiënt, collega of ex-partner, maar ook van opvallende cijfers in de aanrekeningen. “Wie hoge bedragen factureert, springt sneller in het oog”, legt Peter uit. “Dat betekent niet automatisch dat er iets fout loopt. Veel thuisverpleegkundigen werken avonden, weekends en feestdagen. Maar als de cijfers ver boven het gemiddelde liggen, start het RIZIV soms een onderzoek.”

Dat onderzoek gebeurt grondig en kan meerdere maanden duren. Inspecteurs bevragen patiënten, naasten, huisartsen en collega’s. Het onderzoeksteam bestaat meestal uit een verpleegkundige en een jurist, om zowel de praktijk als de regelgeving correct te beoordelen.

Van onderzoek naar zitting

Na afloop van het onderzoek formuleert het RIZIV een standpunt. Dat dossier wordt vervolgens behandeld door de Kamer van eerste aanleg, een orgaan dat verbonden is aan de Dienst voor Geneeskundige Evaluatie en Controle. Een zitting lijkt op een rechtbankzitting, maar met een eigen samenstelling. Aan tafel zitten onder meer: de betrokken zorgverlener (eventueel bijgestaan door een advocaat), een griffier, twee adviserend geneesheren van de ziekenfondsen, een voorzitter met juridische achtergrond en twee leden met verpleegkundige expertise. “Die verpleegkundige leden brengen de realiteit van het werkveld binnen”, zegt Peter. “Wij kennen de context: wisselende patiëntentoestanden, interpretatieverschillen en de druk van het dagelijkse werk.”

Oordelen met kennis van de praktijk

De Kamer beoordeelt het dossier in zijn geheel. Dat gebeurt zowel op basis van cijfers als met aandacht voor verpleegkundige context en intentie. Peter: “In veel gevallen gaat het om administratieve fouten. Dan volgt een rechtzetting en een terugbetaling van een bedrag. Wanneer er sprake is van herhaalde of duidelijke fraude, zijn de gevolgen zwaarder.”

De Katz-schaal duikt opvallend vaak op in dossiers. Ze bepaalt enerzijds de afhankelijkheidsgraad van patiënten en anderzijds de forfaitaire vergoeding. Dat maakt de Katz-schaal tot een van de meest besproken en betwiste elementen in dossiers. “De Katz-schaal blijft gevoelig”, verduidelijkt Peter. “De toestand van een patiënt kan sterk schommelen. Wat je vandaag observeert, kan morgen anders zijn. Dat maakt interpretatie moeilijk.”

De uitspraak van de Kamer volgt meestal enkele weken tot maanden na de zitting. De gevolgen verschillen per dossier: van terugbetaling van onterecht ontvangen bedragen over administratieve geldboetes of in ernstige gevallen: zwaardere sancties. Wie het niet eens is met de beslissing, kan beroep aantekenen bij de Kamer van beroep. Die herbekijkt het dossier, maar focust vooral op de juridische correctheid van de eerste uitspraak.

Ruimte voor verdediging

Een belangrijk principe binnen de procedure is het recht op verdediging. Zorgverleners krijgen de kans om hun standpunt schriftelijk en mondeling toe te lichten. “Je kan en mag je verhaal doen”, aldus Peter. “Dat is cruciaal. Zeker omdat je vaak moet oordelen over situaties die niemand letterlijk heeft zien gebeuren.” Daarom is goede dossiervorming essentieel. “Noteer wat je observeert en waarom je bepaalde keuzes maakt. Ook details kunnen later belangrijk zijn om je inschatting te verantwoorden.”

Misverstanden en vooroordelen

In het werkveld bestaan nog heel wat misverstanden over de Kamer van eerste aanleg, die soms als een strafmechanisme wordt gezien. Dat beeld klopt niet, benadrukt Peter: “Het doel is niet om te straffen, maar om correcte toepassing van de regels te bewaken en misbruik aan te pakken.” Daarbij houdt de Kamer rekening met de realiteit van het verpleegkundige beroep en met de intentie waarmee zorg wordt verleend. Duidelijke dossiervorming, overleg en zorgvuldige opvolging van de Katz-schaal helpen om keuzes te onderbouwen. “Ik ben ervan overtuigd dat 99 procent van de thuisverpleegkundigen de job wel correct uitvoert”, besluit hij. “Onze taak is om die groep te beschermen en de achterpoortjes uit het systeem te halen. In het belang van de patiënt en van ons beroep.”


Met een verpleegkundige werkt het beter: geïntegreerde zorg voor chronische aandoeningen in de eerste lijn

De zorg voor patiënten met een chronische aandoening vraagt veel tijd in de eerste lijn. Tijd die er door het huisartsentekort niet is. Een mogelijke oplossing? De verpleegkundige in de huisartsenpraktijk. In haar doctoraat vergeleek huisarts Katrien Danhieux die zorg tussen multi- en monodisciplinaire praktijken. De uitkomst is helder: praktijken die verpleegkundigen structureel inzetten, scoren hoger op kwaliteit van zorg.

Katrien Danhieux is huisarts in wijkgezondheidscentrum De Vlier in Sint-Niklaas en rondde in januari 2025 haar doctoraatsstudie af over de kwaliteit van zorg voor chronische aandoeningen in de huisartsenpraktijk. “Het onderzoek kadert in een groter Europees project, waar ik door mijn ervaring in verschillende praktijken interesse in had. Wat ik zelf het meest opvallende resultaat vind, is het verschil in kwaliteit van zorg tussen praktijken met en praktijken zonder een verpleegkundige. Zo is er een veel kleiner verschil tussen kwetsbare en niet-kwetsbare patiënten in een huisartspraktijk die met het Chronic Care Model werkt. Veel interventies in de gezondheidszorg vergroten die equity gap. Wij vonden iets dat die kloof net verkleint.”

Zorgkwaliteit in kaart gebracht

Voor haar studie analyseerde Katrien 66 huisartsenpraktijken, zowel mono- als multidisciplinair. “Elke praktijk kreeg een score op basis van het Chronic Care Model. Dat model kijkt naar hoe een praktijk georganiseerd is, hoe zelfmanagement ondersteund wordt en hoe er verbinding is met de lokale gemeenschap.” Daarnaast bracht het Rainbow Model de mate van integratie in beeld. “Zorg kan geïntegreerd zijn op verschillende niveaus, zoals beleid, praktijk en patiënt. Een gedeeld patiëntendossier is daar een concreet voorbeeld van. Het maakt samenwerking mogelijk en versterkt de continuïteit.”

De doorslaggevende factor

Uit het onderzoek kwam één element duidelijk naar voren. “De aanwezigheid van een verpleegkundige blijkt de sterkste voorspeller van kwaliteitsvolle zorg”, benadrukt Katrien. Verpleegkundigen kunnen verantwoordelijkheid opnemen voor stabiele patiënten met een chronische aandoening. Dat creëert ruimte voor de huisarts en kan dus helpen om het huisartsentekort op te vangen. “Door taken anders te organiseren, benut je de competenties binnen het team beter. Tegelijk vergroot het de aantrekkelijkheid van de eerste lijn voor verpleegkundigen die elders afhaken. Wie het ziekenhuis verlaat omdat het werk fysiek te zwaar wordt, vindt in de huisartsenpraktijk een functie met meer autonomie. Bovendien kan je een langdurige relatie opbouwen met patiënten.”

Meer dan taakdelegatie

Toch werkt nog niet elke praktijk met een verpleegkundige. Katrien: “Financiering en cultuur spelen daarin mee, al voel ik wel verandering. In steeds meer gemeentes vind je intussen wel een multidisciplinaire praktijk. Al kost het uitwerken van afspraken en protocollen tijd. Die investering rendeert pas echt wanneer verpleegkundigen een inhoudelijke rol opnemen. Wie hen beperkt tot taken zoals bloedafnames, laat veel potentieel liggen. De grootste meerwaarde zit in de opvolging van stabiele chronische patiënten en het versterken van zelfmanagement.”

Van onderzoek naar praktijk

Vandaag werkt Katrien mee aan een vervolgonderzoek binnen het Europese project JACARDI. Haar collega Laurent Desmet, zelf verpleegkundige met ervaring in de huisartsenpraktijk, leidt het project. “Uit het eerdere onderzoek bleek dat praktijken ondersteuning nodig hebben om meer geïntegreerd te werken. Tijdens workshops met huisartsen en verpleegkundigen werken we concrete protocollen uit. De good practices uit mijn doctoraat vormen daarvoor een stevig vertrekpunt.” Wat dat oplevert voor de praktijk, wordt de komende periode duidelijk.


Van papier naar realtime: hoe digitale gegevensdeling thuishospitalisatie versterkt

Sinds 2023 is er een wettelijk kader voor thuishospitalisatie. Er ontstonden verschillende initiatieven in Belgische ziekenhuizen voor de zorgpaden thuishospitalisatie OPAT en oncologie. Een nauwe samenwerking met de eerste lijn is daarbij onontbeerlijk. Informatie moet vlot doorstromen bij het ontslag van een patiënt naar de thuisverpleging, en gegevens voor de opvolging van de behandeldag thuis moeten teruggekoppeld worden naar de zorgverleners in het ziekenhuis. In dat proces zaten heel wat knelpunten. Een werkgroep, getrokken door  UZ Leuven en Wit-Gele Kruis Vlaams-Brabant en in samenwerking met nexuzhealth, zette een pilootproject op. Ze delen met ons de eerste resultaten.

Kristof Muylaert, stafmedewerker Zorgkwaliteit bij Wit-Gele Kruis Vlaams-Brabant, schetst de uitgangssituatie: “Gegevensdeling bestond uit een papieren voorschrift met een overzicht van een aantal parameters afgenomen tijdens het laatste ziekenhuisbezoek en – in het geval van een behandeling met antitumorale middelen (ONCO-zorgpad) – een blad met een QR-code. Die code leidde naar een vragenlijst waarin thuisverpleegkundigen parameters en ruimere symptoomlast konden ingeven, die vervolgens teruggingen naar het behandelteam in het ziekenhuis. Voor thuishospitalisatie met antibiotica (OPAT-zorgpad) werd de vragenlijst nog op papier ingevuld en pas aan het einde van een cyclus of van de week ingescand en doorgestuurd naar de apotheek.”

Informatie, maar niet geïntegreerd

Hoewel informatie werd gedeeld, gebeurde dat niet gestructureerd of geïntegreerd. Zorgverleners hadden geen vlotte toegang tot deze gegevens. Bovendien verschilde de inhoud van deze gegevensdeling per ziekenhuis en werd de informatie in het ziekenhuis manueel toegevoegd aan het EPD, wat het proces vertraagde. “Voor de eerste lijn betekenden die vragenlijsten ook een dubbele registratie”, vult Evi Vandeneede aan, verpleegkundig specialist thuishospitalisatie en transmurale zorg oncologie in het UZ Leuven. “Naast de parameters die ze ons in het ziekenhuis bezorgden, moesten thuisverpleegkundigen hun eigen systemen blijven invullen.”

Gestandaardiseerde vragenlijsten als hefboom

Ook de FOD Volksgezondheid merkte dat er verbeterpunten waren in de transmurale communicatie bij thuishospitalisatie en lanceerde eind 2024 een oproep tot innovatieve digitaliseringsprojecten. Kristof: “Eerstelijnspartners en ziekenhuizen vonden elkaar eerder in werkgroepen voor thuishospitalisatie OPAT en oncologie om hun werking op elkaar af te stemmen. Of een patiënt nu in Limburg of West-Vlaanderen antitumorale middelen toegediend krijgt: de parameters die een thuisverpleegkundige moet opvolgen, zijn dezelfde. Die gestandaardiseerde vragenlijsten vormden het vertrekpunt voor het pilootproject.”

Via cocreatie vond men al consensus rond inhoud en tijdstip van de gegevensdeling . “Dat er vanuit de FOD middelen kwamen om hier een digitaal vervolg aan te geven, was perfect qua timing.” Naast UZ Leuven namen ook de andere ziekenhuizen uit het Plexus-netwerk deel, samen met het Jessa Ziekenhuis in Hasselt, het Imeldaziekenhuis in Bonheiden en het AZ Sint-Jan in Brugge. Ook thuiszorgorganisatie i-mens en it-partner nexuzhealth werkten mee aan het pilootproject.

Het ontslagmoment als startpunt

“De start van zo’n proces is het ontslag van de patiënt uit het ziekenhuis”, licht Jany Coenen toe, stafmedewerker digitale zorg bij het Wit-Gele Kruis. “De aanvrager voorziet een voorschrift en ontslagdocumentatie waarin de thuisverpleegkundige een sectorbrede standaard aan info vindt die nodig is om de zorg verder te zetten: parameters, maar ook voorgeschiedenis en psychosociale context. Een briefing die een holistisch beeld geeft van de toestand van de patiënt.”

Die documentatie wordt via de eHealthBox bezorgd aan de thuisverpleegkundige organisatie. “De keuze voor dit systeem van de overheid ligt voor de hand. Het is veilig en GDPR-proof. Bovendien is het een utopie te denken dat alle zorgverleners ooit in dezelfde applicatie zullen werken. Wat wel haalbaar is, is systemen zo inzetten dat ze met elkaar kunnen communiceren en data kunnen uitwisselen.”

Realtime informatie tot aan het bed van de patiënt

De documentatie komt binnen bij de thuisverpleegkundige organisatie en wordt in de applicatie gedispatched naar de betrokken afdeling. Het voorschrift wordt decentraal verwerkt en de zorgactes ingepland met een uniek voorschriftnummer. Dat OrderID is onlosmakelijk verbonden met het voorschrift en gaat mee in alle uitgaande communicatie naar het ziekenhuis, om transparantie te bieden over welke zorgen wanneer en onder welk voorschrift werden uitgevoerd.

“Een ander voordeel van deze digitale manier van werken is dat de informatie niet enkel in de backoffice beschikbaar is”, benadrukt Jany. “Ook elke verpleegkundige aan het bed van de patiënt kan tijdens de zorg de ontslagdocumenten raadplegen. We vallen niet meer terug op papieren voorschriften die gedateerd of verloren raken.” Tijdens elk bezoek worden er registraties uitgevoerd, ook wanneer de zorg – bijvoorbeeld door de medische toestand van de patiënt – niet kon worden uitgevoerd. Afhankelijk van het voorgeschreven product vult de thuisverpleegkundige een specifieke vragenlijst in. Zowel de status van de zorgactes als de vragenlijst en de ingevulde waarden, worden kort na het bezoek automatisch verzonden.

Gestructureerde data, geen extra platform

De ingevulde vragenlijst bestaat uit gestructureerde data die vanuit de applicatie van de thuisverpleegkundige organisatie rechtstreeks landt in het zorgdossier van de patiënt in het ziekenhuis. Via een overzichtspagina in het klinisch werkstation weet het behandelteam meteen of het bezoek heeft plaatsgevonden en welke zorgen al dan niet werden uitgevoerd. Daarnaast worden de belangrijkste parameters en symptoomlast weergegeven in de zorgmodule. Elke zorgverlener heeft op die manier directe toegang tot deze informatie. “We kiezen er bewust voor om geen apart platform te installeren”, zegt Kristof. “Dat zou opnieuw een tussenoplossing creëren. Met dit systeem kan iedereen in zijn eigen applicatie blijven werken, terwijl er wel een gemeenschappelijke ‘taal’ is om data correct uit te wisselen.” Dat neemt ook het probleem van dubbele registratie weg. “Bovendien kunnen organisaties die met een ander EPD-systeem werken later eenvoudig instappen”, merkt Evi op.

Snellere opvolging, kortere lijnen

Nu de data in realtime beschikbaar is, kunnen ook alarmeringen ingesteld worden bij bepaalde signalen. Al nuanceert Kristof: “Bij afwijkende parameters rekenen we in de eerste plaats op het klinisch redeneren van de thuisverpleegkundigen. Zij nemen sowieso telefonisch contact op met het ziekenhuis wanneer een vragenlijst negatief uitkomt. Die korte lijnen blijven behouden.”

Jany vult aan: “Het verschil is dat de zorgverlener in het ziekenhuis nu meteen het volledige, actuele dossier kan openen. Ook hier ondersteunt digitalisering de communicatie.”

Positieve eerste evaluatie

Binnen Wit-Gele Kruis Vlaams-Brabant werd de nieuwe manier van werken eind 2025 geëvalueerd. De eerste resultaten zijn bemoedigend. Zowel verpleegkundigen als administratief medewerkers staan positief tegenover het nieuwe proces, voor zowel het ONCO- als het OPAT-zorgpad. De ingebouwde vragenlijst wordt als gebruiksvriendelijk en ondersteunend ervaren, en de voorschriften zijn duidelijker en toegankelijker dan voorheen.

Dat ook patiënten de verandering waarderen, blijkt duidelijk. “Ze vinden het geruststellend dat hun thuisverpleegkundige over de meest actuele ziekenhuisinformatie beschikt – en omgekeerd”, merkt Kristof op.

Blik op de toekomst

De werkgroep kijkt intussen vooruit. “Wanneer meer ziekenhuizen en thuisverpleegkundige organisaties aansluiten, kunnen zij ook met de gestandaardiseerde en geïntegreerde vragenlijsten werken”, zegt Kristof. “Vandaag lopen de oude en nieuwe werkwijze nog naast elkaar, maar we hopen dit breder te kunnen uitrollen dan enkel de betrokken partners van het pilootproject.” Ook Evi ziet potentieel in andere zorgpaden. “Wat hier ontwikkeld en gecocreëerd werd, kan perfect vertaald worden naar nieuwe initiatieven waarin transmurale communicatie een sleutelrol speelt.”

De echte uitdaging wordt niet meer data delen, maar bepalen voor welke zorgpaden welke dataset echt een meerwaarde heeft. Zo wordt kwaliteit van zorg maximaal ondersteund en zijn processen efficiënt, haalbaar en duurzaam.


Nieuwe wetgeving dringt functiedifferentiatie op

Hoe kunnen we de zorg beter organiseren en verpleegkundigen optimaal inzetten volgens hun competenties? Deze vragen bepaalden mee de contouren van de nieuwe visie op verpleegkunde, die oproept tot functiedifferentiatie. Wij spraken met Solange Indenkleef, directeur zorg van het Wit-Gele Kruis Limburg en provinciaal coördinator van het consortium Limburg, over de impact van de nieuwe wetgeving op de thuisverpleegkunde. Samen met het Wit-Gele Kruis Limburg zette ze een systeem met wijkteams op poten om in te spelen op het bewegende zorglandschap. “Er zijn al mooie stappen gezet, maar we zijn er nog niet.”

Het consortium Limburg ontstond tijdens de coronacrisis als een samenwerking tussen acht zorgorganisaties. Wat begon als een ad hoc-oplossing van de overheid om de zorg draaiende te houden, groeide uit tot een structureel model. “De crisis was slechts een katalysator. De onderliggende problematieken, zoals personeelstekorten en complexe regelgeving, bleven bestaan. Reden te meer om de krachten te blijven bundelen”, zegt Solange.

Een belangrijk speerpunt van het consortium is kennisoverdracht. Zo merkten ze dat nieuwe beleidsinformatie moeilijk doorstroomde naar de grote groep thuisverpleegkundigen. Via opleidingen en webinars bereikt die informatie de doelgroep nu wel. Bovendien kijkt het consortium niet alleen naar de uitdagingen van nu, maar ook naar die van de toekomst. “We voerden al hervormingen door op basis van de noden binnen het netwerk Limburg. Aan ons nu om de nieuwe regelgeving in dit nieuwe model in te passen.”

De functieladder: een nieuwe kijk op totaalzorg

“Al zolang ik me herinner staat de taakverdeling tussen HBO5- en bachelorverpleegkundigen ter discussie”, begint Solange. “In de praktijk voeren ze vaak dezelfde handelingen uit, ondanks hun verschillende statuut. De functieladder brengt daar nu verandering in. Voor het eerst is er een strikter onderscheid tussen de basisverpleegkundige en de verpleegkundige verantwoordelijk voor de algemene zorg (VVAZ).” Daar waar de VVAZ autonoom mag handelen in complexe situaties, kan de basisverpleegkundige dat niet langer. Concreet betekent dit dat de basisverpleegkundige alle C-handelingen nu aan de VVAZ moet overlaten. Bovendien zijn bepaalde handelingen, zoals intermittent sonderen, voor een basisverpleegkundige een B2-handeling en voor een VVAZ een B1-handeling. “De rol van de basisverpleegkundige wordt ingeperkt, waardoor die altijd zal moeten samenwerken met een VVAZ of arts in complexe situaties.”

Tegelijkertijd opent de functieladder nieuwe deuren. Zorgkundigen kunnen thuisverpleegkundigen voortaan ondersteunen bij alledaagse taken zoals hygiënische zorgen, wat ademruimte biedt. “Toch zullen we als thuisverpleegkundigen moeten leren loslaten”, waarschuwt de coördinator. “We zijn het gewoon om alles voor de zorgvrager te doen en dat siert ons. Dit is dan ook geen pleidooi tegen totaalzorg. Alleen hoeven we niet alle zorgen zelf uit te voeren.” Daarnaast creëert de introductie van de verpleegkundig specialist (masterniveau) en de klinisch verpleegkundig onderzoeker (doctoraatsniveau) nieuwe carrièremogelijkheden binnen de verpleegkunde. Zo worden talenten en competenties optimaal ingezet. “Je kan de functieladder opklimmen. De juiste persoon op de juiste plaats.”

Hoewel de ladder tal van opportuniteiten brengt, vraagt die tegelijk om een doordachte organisatie en nauwe samenwerking. Door de nieuwe regelgeving dringt een herstructurering zich op. Het Wit-Gele Kruis Limburg gaf alvast het goede voorbeeld met de introductie van wijkteams, een eerste poging om tot een gedifferentieerde en nauwere samenwerking met alle zorgorganisaties te komen. Solange: “Eén wijkteam bestaat uit zeven à acht verpleegkundigen die verantwoordelijk zijn voor honderd patiënten. Elke cluster van drie wijkteams wordt aangestuurd door een VVAZ-verpleegkundige, in de rol van wijkteamcoach. Deze coach heeft zowel een coördinerende als een klinische functie: die evalueert complexe zorgsituaties, begeleidt het team in de zorgverlening en garandeert een vlotte communicatie. Na een succesvolle testfase is dit model inmiddels uitgerold in alle afdelingen van het Wit-Gele Kruis Limburg. De evaluaties zijn bijzonder hoopgevend.”

Een wettelijk kader voor ADL en bekwame helper

Naast de functieladder schept de WUG-wetgeving nu ook een wettelijk kader voor assistenten bij Activiteiten uit het Dagelijkse Leven (ADL). “Wat in de praktijk al gebeurde, wordt nu eindelijk bij wet vastgelegd”, stelt Solange. Ondersteuners zonder medische achtergrond mogen nu in niet-complexe situaties basiszorg verlenen. Dit omvat onder andere medicatietoediening, hygiënische zorg en metingen. “Met andere woorden: de buurvrouw mag nu wel medicatie geven aan mijn zieke moeder zonder tussenkomst van een thuisverpleegkundige.”

Vooral in woonzorgcentra, waar het personeelstekort nijpend is, brengt deze maatregel verlichting. Toch blijft kwaliteitsbewaking een belangrijk aandachtspunt. “Je kan wel iemand aanleren hoe die een patiënt hygiënisch verzorgt, maar als verpleegkundige grijp je zo’n momenten aan om de gezondheidstoestand van de patiënt te screenen. Die klinische blik ontbreekt vaak bij ADL-ondersteuners. De uitdaging ligt in het garanderen van de zorgkwaliteit zonder de autonomie van deze zorgondersteuners te ondermijnen.”

De bekwame helper wordt eveneens verankerd. Dit koninklijk besluit stelt niet-gezondheidszorgbeoefenaars in staat om één specifieke verpleegkundige taak uit te voeren bij één specifieke persoon in een vaste context. Denk aan een leerkracht die insuline toedient aan een leerling. “Zo hoeft een thuisverpleegkundige niet speciaal tijdens de schoolpauzes langs te komen”, verduidelijkt Solange. Dit vereist extra opleiding en ondersteuning. “De zorgkwaliteit moet altijd gewaarborgd blijven. De taken verschuiven, maar de verantwoordelijkheid niet”, drukt ze op het hart. Het consortium ziet dit als een kans om de druk op de zorg te verlichten en de competenties van verpleegkundigen optimaal in te zetten. Tegelijkertijd benadrukt het de noodzaak van een duidelijke afbakening van verantwoordelijkheden en opleidingstrajecten.

Iedereen mee op de kar krijgen

De grootste uitdaging? “De thuisverpleegkundigen meekrijgen in dit verhaal”, zegt Solange resoluut. “Waarom veranderen als het systeem prima werkt? Maar als de context verandert en je blijft vastklampen aan oude gewoontes, loopt het mis. Helaas moeten ze dat vaak eerst zelf ervaren vooraleer ze ervoor openstaan.” Het Wit-Gele Kruis Limburg is daar het beste bewijs van.  Daar was de schaarste bij het zorgpersoneel zo groot dat de wijkteams met open armen ontvangen werden. De sleutel tot succes ligt volgens Solange in goede begeleiding en opleiding om de transitie te laten slagen. “Investeren is de boodschap, maar daar wringt in België nog te vaak het schoentje. We moeten deze uitdaging aangaan en durven springen. Hopelijk volgen de middelen ook.”

Verder blijft de definitie van complexe zorg een heikel punt. “Wat is complex en wat niet? Daar is nog veel onduidelijkheid over. En ik mis soms de onderbouwing waarom bepaalde handelingen onder B1 of B2 vallen. Sommige classificaties doen mijn wenkbrauwen fronsen”, zegt Solange. Tot slot is de samenwerking tussen het RIZIV en de overheid een voortdurende uitdaging. “Voor B2-handelingen is een voorschrift nodig, maar voor B1 niet. Zolang voorschriften nodig zijn voor terugbetalingen, moeten die twee instanties blijven overleggen.”

Voor Solange is het duidelijk: de drempels moeten overal omlaag. “Anders krijg je thuisverpleegkundigen onmogelijk mee op de kar. De nieuwigheden in de wetgeving zijn een grote stap vooruit, maar de echte uitdaging ligt in de implementatie ervan.”

De functieladder

  • Niveau 4: zorgkundigen
  • Niveau 5: basisverpleegkundigen
  • Niveau 6: verpleegkundigen verantwoordelijk voor algemene zorg (VVAZ)
  • Niveau 6: gespecialiseerde verpleegkundigen
  • Niveau 7: verpleegkundig specialisten
  • Niveau 8: klinisch verpleegkundig onderzoeker

Wat is het Consortium Thuisverpleging Limburg?

Tijdens de coronacrisis bundelden verschillende thuisorganisaties in Limburg hun krachten binnen het Consortium Thuisverpleging Limburg om cohortzorg te organiseren en triage- en vaccinatiecentra te ondersteunen.

Nu zetten ze deze samenwerking verder onder de vlag van het NPTV ( Nederlandstalig Platform voor Thuisverpleegkundigen). Het Consortium streeft naar een efficiënte informatiedoorstroming, maximale ondersteuning voor thuisverpleegkundigen en een signaalfunctie voor noden in de sector. Zo organiseerden ze een webinar over de nomenclatuur wondzorg, tweemaal een HomeCARE-event en opleidingen rond thuishospitalisatie.

Elke eerstelijnszone (ELZ) heeft een verantwoordelijke die in contact staat met de zorgraad, wat de samenwerking versterkt. Deelnemende partners zijn Altrio, Care-Support, CT-Paramedics & Zorgconnect, i-Mens, Mederi, OptiCare, VP Plus en Wit-Gele Kruis Limburg.  Voor vragen kan je terecht bij provinciaal coördinator Solange Indenkleef via solange.indenkleef@limburg.wgk.be .


Hoe vertaalsoftware een doorbraak betekent voor anderstalige thuisverpleegkundigen

Kunnen vertaalsoftware en het snelle 5G-netwerk meer arbeidsmogelijkheden creëren voor anderstalige thuisverpleegkundigen? Dat onderzocht zorgorganisatie i-mens samen met Orange en imec-SMIT van de VUB. De eerste resultaten zijn alvast veelbelovend.  

Communicatie binnen de zorg is cruciaal. Zeker bij thuisverpleegkundigen. Maar wat als de taalbarrière te groot is? Bij i-mens werken 10.000 mensen, waarvan 600 anderstaligen die geen gemeenschappelijke taal delen met hun leidinggevende of klanten. Net omdat i-mens inclusie en welbevinden hoog in het vaandel draagt, ging de zorgorganisatie op zoek naar een oplossing. Niet alleen voor de huidige anderstalige medewerkers, ook voor potentiële kandidaten. Want het aantal anderstaligen binnen de organisatie (4 procent) ligt nog altijd een stuk lager dan het Belgische gemiddelde (15 procent) bij de beroepsactieve bevolking. Werk aan de winkel, dus. Zeker met het oog op de krappe arbeidsmarkt.

Technologie met maatschappelijke impact

I-mens sloeg de handen in elkaar met Orange en met imec SMIT – VUB Brussel. Samen ontwikkelden ze vertaalsoftware die meer doet dan enkel simultaan vertalen. Wat deze tool anders maakt dan andere vertaalapps? Door de 5G-technologie kan er een onderscheid gemaakt worden tussen soorten internetverkeer en wordt er voorrang gegeven aan een prioriteitsoproep.

Evelyn De Kesel, expert innovatie bij i-mens, licht toe: “Onlangs had één van onze poetshulpen een auto-ongeluk op weg naar haar klant. Om de verzekeringspapieren en het aanrijdingsformulier in te vullen, kon ze vlot via videocall communiceren met haar leidinggevende en snel handelen.” Door de simultaanvertaling vormt taal geen barrière meer. Zo voelt de medewerker zich geconnecteerd met de leidinggevende en dat verhoogt het veiligheidsgevoel. Tegelijk kan de medewerker de live tool gebruiken in het contact met de klant. De eerste resultaten tonen vooruitgang op verschillende vlakken. “Door de app kan ik opnieuw zelfstandiger communiceren”, zegt ook Aleksandra, poetshulp bij i-mens.

Meer diversiteit op de werkvloer

De positieve impact van spraaktechnologie reikt verder dan enkel de werkvloer. De vertaalsoftware wordt nu ingezet bij sollicitatiegesprekken, waardoor het criterium om Nederlands te spreken voor bepaalde functies is weggevallen. Dit opent de deur voor een bredere instroom van anderstalige zorgverleners en draagt bij aan een meer inclusieve en diverse sector. “We hopen dat mensen die een andere taal spreken zich sneller welkom voelen en dat we elkaar, ondersteund door technologie, vlotter begrijpen”, zegt Evelyn De Kesel.

De toekomst van zorg en communicatie

Hoewel vertaaltechnologie geen wondermiddel is, bewijst dit project dat het een krachtig hulpmiddel kan zijn om communicatiebarrières in de zorgsector te doorbreken. De groeiende ervaring met obstakels en best practices helpt i-mens en andere zorgorganisaties om de inzet van vertaalsoftware verder te optimaliseren.

Hoe dan ook: voor de zorgsector betekent dit een wereld van verschil. Niet alleen kunnen anderstalige medewerkers efficiënter communiceren met patiënten en met collega’s, ze brengen ook diverse achtergronden mee in het team. De toekomst van de zorg is digitaler en inclusiever dan ooit.


Bijscholing voor toegankelijke thuiszorg, met financiële compensatie

In hun ‘Health Professionals Report: Capacity, Accessibility and Production’ brengt het RIZIV het landschap van de verpleegkundigen in België in kaart. Het rapport analyseert onder meer de geografische toegankelijkheid en betaalbaarheid van verpleegkundige zorg. Een van de heldere conclusies: door zich te blijven bijscholen dragen thuisverpleegkundigen bij aan toegankelijke en kwalitatieve zorg in de thuiscontext. Het RIZIV zet er meteen ook een jaarlijkse bijdrage van 175 euro tegenover.

Het rapport is gebaseerd op cijfers en statistieken uit de periode 2013 tot 2023. In die tijdsspanne van tien jaar tekenden zich enkele opvallende tendensen af. In 2023 telde ons land 21.850 verpleegkundige FTE’s. Met 86 procent vrouwen blijft het een hoofdzakelijk vrouwelijk beroep. De densiteit was in Brussel het laagst, met 6,56 verpleegkundigen per 10.000 inwoners. Koploper Limburg telde dan weer ruim 33 verpleegkundigen per 10.000 inwoners, vijf keer zoveel als in de hoofdstad. In alle gewesten is de densiteit over de onderzoeksperiode wel aanzienlijk toegenomen.

Indicatoren voor toegankelijke zorg

De geografische spreiding van verpleegkundigen over België is een belangrijke factor, in het bijzonder voor de thuisverpleegkunde. Een ongelijke verdeling kan de toegankelijkheid en kwaliteit van de thuiszorg in bepaalde regio’s onder druk zetten. Extra aandacht voor de toegankelijkheid in minder dense verpleegkundige gebieden – met Brussel als koploper, gevolgd door Waals-Brabant en Antwerpen – is dus wenselijk. Ook de analyse van demografische gegevens zoals de leeftijden en genderverdeling binnen het verpleegkundige beroep biedt relevante inzichten voor een goede, duurzame planning en organisatie van de thuisverpleegkunde.

Blijven leren en evolueren

Eeuwig leren zit verpleegkundigen in het bloed. Ook als thuisverpleegkundige school je je het best regelmatig bij. Zo waarborg je mee de zorgkwaliteit in de thuisomgeving van je patiënten en speel je in op hun evoluerende behoeftes. Het RIZIV erkent het belang van bijscholing en biedt daarom een financiële vergoeding voor verpleegkundigen die opleidingen volgen. Jaarlijks kan je daarom zo 175 euro van je leerbudget terugkrijgen. Om recht te hebben op deze vergoeding moet je aan enkele voorwaarden voldoen, onder meer het ontvangen van de telematicapremie en het volgen van minimaal vijf uur erkende bijscholing per jaar.

Individuele of groepsvergoeding

Je vraagt de financiële vergoeding voor bijscholing uiterlijk op 15 september aan voor opleidingen in het voorgaande jaar. Was je in dat jaar geen lid van een dienst voor thuisverpleegkunde en had je een uniek derdebetalersnummer? Dan kan je een individuele vergoeding aanvragen. Was je wel aangesloten bij een dienst? Dan vraagt de verantwoordelijke van de dienst een groepsvergoeding aan voor de leden. De aanvraagprocedure verloopt via de webtoepassing ‘PremieAanvragen’ op ProGezondheid.

Weten of jij recht hebt op de bijscholingspremie? Ontdek het hier.


Een goede verzekering voor verpleegkundigen: geen overbodige luxe

Als verpleegkundige draag je dagelijks zorg voor anderen. Maar wat als er iets misgaat? Een fout in de medicatie, een juridisch geschil over een behandeling of zelf kampen met een langdurige arbeidsongeschiktheid kunnen grote gevolgen hebben, niet alleen voor je patiënt, ook voor jou persoonlijk. Een goede beroepsaansprakelijkheidsverzekering (BA) is daarom essentieel.

NETWERK VERPLEEGKUNDE biedt haar leden een uitgebreide BA-verzekering aan een voordelig tarief. Die dekt zowel schadeclaims als juridische bijstand. Het grote voordeel ten opzichte van andere verzekeringen? Geen vrijstelling, lage premies en maximale bescherming. Naast de BA-verzekering zijn er voor zelfstandige thuisverpleegkundigen extra voordelen, zoals een verzekerd inkomen bij arbeidsongeschiktheid en een jaarlijkse RIZIV-toelage.

Extra risico’s als zelfstandige

Zelfstandige thuisverpleegkundigen kunnen te maken krijgen met extra risico’s. Je werkt alleen, zonder directe collega’s om op terug te vallen en je hebt nauw contact met patiënten en hun familie. Dat maakt de kans op schadeclaims en juridische problemen groter. Daarnaast is er een financieel risico: als je zelf ziek wordt of een ongeval krijgt, heeft dit een impact op je inkomen. Zonder bescherming kan dit grote gevolgen hebben. Daarom biedt NETWERK VERPLEEGKUNDE niet alleen een BA-verzekering, maar ook een gewaarborgd inkomen-verzekering waarmee je jouw toekomst veiligstelt.

Uit de praktijk

Sophie is een ervaren thuisverpleegkundige. Tijdens een drukke ochtendronde verwisselt ze per ongeluk twee medicatiedosissen. Haar patiënt krijgt een te hoge dosis, met ernstige gevolgen. De familie dient een klacht in en eist een schadevergoeding. Haar BA-verzekering via NETWERK VERPLEEGKUNDE dekt deze juridische kosten en schadeclaim volledig. Sophie hoeft zelfs geen vrijstelling te betalen waardoor ze niet met bijkomende kosten hoeft af te rekenen.

Wat dan als je zelf uitvalt? Peter, een zelfstandige thuisverpleegkundige, kreeg plots af te rekenen met een hernia. Daardoor was hij enkele maanden arbeidsongeschikt en had hij geen inkomen. Hij dreigde in financiële problemen te komen. Gelukkig kon hij terugvallen op zijn gewaarborgd inkomen-verzekering. Daarmee kreeg hij een uitkering van 60 euro per dag. Dit gaf hem de tijd om te herstellen zonder financiële kopzorgen.

Slim gebruikmaken van de RIZIV-toelage

Naast de BA-verzekering en de gewaarborgd inkomen-verzekering reken je via NETWERK VERPLEEGKUNDE ook op een jaarlijkse RIZIV-toelage van 629,34 euro. Hiervoor moeten zelfstandige thuisverpleegkundigen toegetreden zijn tot de nationale overeenkomst, voldoende prestaties aanrekenen en in hoofdberoep werken. Dit bedrag kan dienen als pensioenopbouw, spaargeld met gegarandeerde rente of extra sociale zekerheid. Bovendien is er voor leden van de beroepsorganisatie een verlaagde instapkost van 1,5 procent in plaats van 4 procent, waardoor je meer overhoudt van je toelage.

Zoek je meer informatie over de verzekeringen van NETWERK VERPLEEGKUNDE? Of wil je weten welke voordelen we nog voor onze leden in petto hebben? Je vindt alle informatie hier.