Hartfalen | Nieuwe richtlijn hartfalen en uitkomst RIZIV-consensusvergadering
De nieuwe richtlijn hartfalen zet de toon voor een meer geïntegreerde zorgaanpak, waarin educatie, opvolging en multidisciplinaire samenwerking centraal staan. Ook tijdens de recente RIZIV-consensusvergadering werd bevestigd dat veel heropnames vermijdbaar zijn als patiënten beter begrijpen wat hartfalen precies betekent en hoe ze hun medicatie correct innemen.
Chronisch hartfalen is geen eenduidige diagnose maar een complex klinisch syndroom, met uiteenlopende symptomen en een onderliggende structurele of functionele aandoening van het hart. De consensusvergadering bevestigde dat vooral de ziekenhuisopnames wegen op de gezondheidskosten, terwijl net daar winst te boeken valt door een betere organisatie van de transmurale zorg. Voor patiënten maakt educatie een wereld van verschil: wie begrijpt waarom medicatie strikt genomen moet worden en welke alarmsignalen belangrijk zijn, herkent sneller verergering en vraagt op tijd hulp. Toch blijkt uit de praktijk dat dit inzicht vaak ontbreekt.
Educatie als hoeksteen van zorg
In de nieuwe richtlijn krijgt educatie een prominentere plaats dan voorheen. Vandaag gebeurt die vooral in ziekenhuizen door gespecialiseerde hartfalenverpleegkundigen. In de eerste lijn bestaat echter nog geen nomenclatuurnummer voor hartfaleneducatie, in tegenstelling tot diabeteseducatie. Dat vormt een drempel voor bredere implementatie.
“Als we de richtlijn willen uitvoeren zoals bedoeld, dan is deze taak bij uitstek in veilige handen van verpleegkundigen”, zegt huisarts Miek Smeets, actief binnen HeartsConnect, het Lerend Netwerk Hartfalen. “Waar diabeteseducatie ook door diëtisten kan gebeuren, zien we bij hartfalen een andere complexiteit. Daarom zijn er opleidingen voor eerstelijnsverpleegkundigen tot hartfalen educator die jaarlijks worden georganiseerd in verschillende regio’s en een postgraduaat hartfalen voor ziekenhuisverpleegkundigen. Daarnaast loopt aan de Universiteit Antwerpen een navorming hartfalen voor verpleegkundigen in de huisartsenpraktijk.
Nood aan een gestructureerd zorgtraject
Zowel de richtlijn als het consensusrapport onderstrepen het belang van een gestructureerd zorgpad voor hartfalen. Waar diabetes al jaren met een zorgtraject werkt, is dat voor hartfalen nog niet het geval. Nochtans toont internationale literatuur aan dat multidisciplinaire zorg, gecombineerd met educatie en opvolging, leidt tot minder heropnames en een betere levenskwaliteit.
“Dit stond ook in 2008 al op de agenda, en opnieuw tijdens de consensusvergadering”, zegt Miek. “We weten wat werkt, alleen is het beleid nog niet mee. Idealiter krijgt elke patiënt een gestructureerd, patiëntgericht opvolgplan mee naar de eerste lijn. Zo kan de zorg naadloos worden overgenomen.” In grotere ziekenhuizen belt de hartfalenverpleegkundige patiënten al na ontslag op en overlopen ze samen de medicatie. Het maakt volgens studies niet uit of dat telefoontje van een arts of verpleegkundige komt, zolang de opvolging verzekerd is.
Telemonitoring als extra hulpmiddel
De consensusvergadering besteedde ook aandacht aan niet-invasieve telemonitoring, waarbij parameters zoals gewicht, bloeddruk en klachten worden opgevolgd. Dat laat toe om sneller bij te sturen en heropnames te vermijden. Toch is de eerstelijn vaak niet betrokken in deze systemen. “Een testproject van het Wit-Gele Kruis in Turnhout en Herentals toont dat het anders kan”, vertelt Miek. “Daar combineert men telemonitoring en digitale zorg met een huisbezoek van de thuisverpleegkundige. Zo zie je de volledige context van de patiënt.” Dergelijke projecten bewijzen dat telemonitoring beter werkt wanneer iemand opvolgt, contact maakt en tijdig ingrijpt. Ook hier speelt de verpleegkundige een sleutelrol.
Multidisciplinair samenwerken
Hartfalen treft vooral oudere patiënten met meerdere zorgverleners rond zich. De consensus benadrukt dat samenwerking tussen huisarts, cardioloog, verpleegkundige, apotheker en kinesitherapeut geen luxe is maar noodzaak. “Alle bouwstenen zijn er voor een zorgpad hartfalen”, besluit Miek. “Nu is het nog wachten op beleid.”
Tot die structurele verankering er komt, blijft de praktijk bepalend. Door patiënten wegwijs te maken, medicatie-inname op te volgen, beweging te stimuleren en transmurale afstemming te versterken, helpen verpleegkundigen heropnames voorkomen en bouwen ze mee aan warme, duurzame hartfalenzorg.
Medicatie | Wat elke verpleegkundige moet weten over ‘deprescribing’: van kennis naar actie in de dagelijkse praktijk
Door Degefaye Zelalem Anlay 1-3 & Kristel Paque1,2,4
1Centre for Research and Innovation in Care (CRIC), Universiteit Antwerpen, België
2Nurse and Pharmaceutical Care (www.nuphac.eu)
3End-of-Life Care Research Group, Vrije Universiteit Brussel en Universiteit Gent, Brussel, België
4HAST, HBO5 Verpleegkunde, Hasselt, België
In het complexe zorglandschap van vandaag zijn verpleegkundigen meer dan alleen zorgverleners. Ze zijn klinische toezichthouders, pleitbezorgers voor patiënten en wegwijzers binnen het zorgsysteem. Een domein waarin hun rol steeds belangrijker wordt, maar vaak ondergewaardeerd, is deprescribing: het geplande en begeleide proces van het verlagen van de dosis of het stoppen van geneesmiddelen die mogelijk schade veroorzaken of geen voordelen meer bieden [1]. Deprescribing betekent niet dat zorg wordt onthouden, maar draait om het optimaliseren van de behandeling. Het volgt een gestructureerd proces dat bestaat uit het opstellen van een volledige medicatielijst, het beoordelen van de risico’s en voordelen van elk geneesmiddel, het identificeren van kandidaat-geneesmiddelen voor stopzetting en het implementeren van een plan met voortdurende monitoring op ontwenningsverschijnselen of verslechtering van de klinische toestand [2]. Dit proces kan reactief zijn – als reactie op bijwerkingen of interacties – of proactief, gepland samen met de patiënt voordat problemen ontstaan. Toch wordt in veel zorginstellingen deprescribing pas overwogen nadat schade is opgetreden [3].
Ondanks de toenemende beschikbaarheid van bronnen die uitleggen wanneer en hoe medicatie af te bouwen [4], blijft deze praktijk slecht geïntegreerd in de dagelijkse klinische zorg [5]. Dit is vooral zorgwekkend voor oudere volwassenen, die vaak meerdere geneesmiddelen gebruiken. Naarmate de gezondheidstoestand evolueert en leeftijdsgebonden veranderingen de stofwisseling van medicatie beïnvloeden, kunnen geneesmiddelen die ooit geschikt waren, ineffectief of zelfs schadelijk worden.
De voordelen van deprescribing zijn aanzienlijk. Het verminderen van het aantal geneesmiddelen kan bijwerkingen verminderen, interacties tussen geneesmiddelen beperken, kosten verlagen en de therapietrouw verbeteren. Het kan de kwaliteit van leven verhogen door de last van onnodige behandelingen te verlichten.
Hoewel alle onnodige geneesmiddelen in aanmerking komen voor deprescribing, krijgen bepaalde geneesmiddelen, vastgelegd via expertconsensus, prioriteit vanwege hun hogere risicoprofiel en de complexiteit bij het beoordelen van hun geschiktheid. Voorbeelden zijn benzodiazepines, antipsychotica, statines, tricyclische antidepressiva, protonpompremmers, anticholinergica, cholinesteraseremmers, opioïden en selectieve serotonineheropnameremmers (SSRI’s) [6]. Voor veel van deze geneesmiddelen zijn inmiddels richtlijnen voor deprescribing gepubliceerd die geraadpleegd kunnen worden om kennis en vaardigheden te vergroten. Bronnen zoals de website Deprescribing.org bieden evidence-based richtlijnen, trainingsmateriaal en patiëntenbrochures ter ondersteuning van het deprescribingproces [1]. Het Belgisch Centrum voor Farmacotherapeutische Informatie (BCFI) biedt daarnaast een e-learningmodule over afbouwen van medicatie aan [7].
Verpleegkundigen, als onmisbare en veelzijdige zorgverleners, bevinden zich in een unieke positie om deprescribing-initiatieven te bevorderen. Afhankelijk van hun bevoegdheden kunnen verpleegkundigen potentieel ongepaste medicatie (potentially inappropriate medications, PIM’s) identificeren, bijwerkingen monitoren, de coördinatie met voorschrijvers ondersteunen en patiënten en hun families betrekken bij gedeelde besluitvorming. Hun frequente contact met patiënten en holistische perspectief stelt hen in staat subtiele veranderingen in de gezondheidstoestand op te merken. Bijvoorbeeld, als een verpleegkundige observeert dat een patiënt verward is, duizelig wordt of vaker valt – mogelijk door een sederend of anticholinerg geneesmiddel – dan moet dit worden gedocumenteerd en onmiddellijk worden gemeld aan de voorschrijvende arts. Dit opent de deur naar een medicatiebeoordeling en mogelijk deprescribing. Verpleegkundigen kunnen ook gesprekken initiëren met de patiënt en hun familie om zorgen, voorkeuren en doelen met betrekking tot medicatiegebruik te verkennen. Zo zorgen ze ervoor dat behandelplannen aansluiten bij de veranderende behoeften en waarden van de patiënt.
Toch melden zorgprofessionals, waaronder verpleegkundigen, verschillende barrières bij het implementeren van deprescribing. Deze barrières omvatten beperkte tijd voor medicatiebeoordelingen, gebrek aan financiële stimulans, het ontbreken van nationale richtlijnen en de lage prioriteit die deprescribing in veel zorginstellingen krijgt, ondanks het belang ervan. Hoewel verpleegkundigen nauw samenwerken met patiënten voelen ze vaak dat ze weinig invloed hebben op beslissingen rond voorschrijven en afbouwen van medicatie, wat de integratie van deprescribing in de dagelijkse praktijk belemmert [5]. Deze kloof is opvallend omdat verpleegkundigen een cruciale rol kunnen spelen als actieve deelnemers aan deprescribing-initiatieven – dus niet als toeschouwers, maar als drijvende krachten van verandering. Door een proactieve rol op te nemen, kunnen zij bijdragen aan de integratie van deprescribing in de dagelijkse zorg en de verschuiving van een reactieve benadering naar een toekomstgerichte praktijk die de patiëntveiligheid en -uitkomsten verbetert [8].
Referenties
- deprescribing.org. What is Deprescribing? [Available from: https://deprescribing.org/what-is-deprescribing/.
- Scott IA, Hilmer SN, Reeve E, et al. Reducing inappropriate polypharmacy: the process of deprescribing. JAMA Intern Med. 2015;175(5):827-34.
- Wright DJ, Scott S, Buck J, et al. Role of nurses in supporting proactive deprescribing. Nurs Stand. 2019;34(3):44-50.
- Anlay DZ, Paque K, Van Leeuwen E, et al. Tools and guidelines to assess the appropriateness of medication and aid deprescribing: An umbrella review. Br J Clin Pharmacol. 2024;90(1):12-106.
- Anlay DZ, Peremans L, Cohen J, et al. Deprescribing for nursing home residents with limited life expectancy: A qualitative study to identify barriers and enablers for healthcare professionals. Geriatric Nursing. 2025;62:1-11.
- Farrell B, Tsang C, Raman-Wilms L, et al. What are priorities for deprescribing for elderly patients? Capturing the voice of practitioners: a modified delphi process. PLoS One. 2015;10(4):e0122246.
- Belgisch Centrum voor Farmacotherapeutische Informatie (BCFI). Goed en veilig gebruik van geneesmiddelen: deprescribing; [cited 2025 Jul 14]. Available from: https://www.bcfi.be/nl/chapters/1?frag=9991233&matches=deprescribing [
- Hart L, Berrou I. 463 Understanding the role of nurses in deprescribing medicines for older people: A systematic review. Int J Pharm Pract. 2023;31(Supplement_1):i18-i9.
Verpleegkundige autonomie in de Belgische pers
Het wereldwijde tekort aan verpleegkundigen zet de zorgkwaliteit onder druk. Ook in België blijven duizenden vacatures open. Naast werkdruk speelt onderwaardering een grote rol in de erkenning van het beroep. Verpleegkundigen worden vaak gereduceerd tot uitvoerders, of tijdens crisissen tot helden, waardoor hun expertise en beslissingsruimte onderbelicht blijven. Media beïnvloeden hoe zij worden gepercipieerd, en dus ook beroepskeuze, identiteit en waardering. Onderzoek naar hun representatie is daarom nodig.
Methode en resultaten
Deze studie onderzocht hoe verpleegkundige autonomie wordt voorgesteld in Belgische kwaliteitskranten. Een taalkundig onderzoek, meer bepaald een ‘kritische discoursanalyse’, werd uitgevoerd op artikels uit De Tijd en De Standaard. Daarbij werd onderzocht hoe verpleegkundige autonomie en beeldvorming in de geselecteerde krantenartikels werden geconstrueerd via woordkeuze, taalgebruik en tekststructuur, en hoe deze constructies eventuele machtsverhoudingen zichtbaar maken of reproduceren.
Uit de analyse kwamen vier dominante perspectieven naar voren. Het eerste thema, ‘schijnautonomie’, toonde hoe verpleegkundigen wel meer taken krijgen, maar zelden beslissingsbevoegdheid of inspraak. Autonomie werd in de gebruikte taal gekoppeld aan efficiëntie en inzetbaarheid, niet aan beleidsmatige zeggenschap of klinisch leiderschap.
Het tweede thema, ‘discursieve uitsluiting’, verwees naar de structurele afwezigheid van verpleegkundige stemmen in de berichtgeving. Minder dan de helft van de 29 geïncludeerde artikels bevatte een direct of indirect citaat van een verpleegkundige; in de overige artikels blijven zij afwezig of worden ze collectief benoemd als deel van een ‘multidisciplinair team’. Artsen, beleidsmakers en managers domineerden de nieuwsberichten. Hierdoor blijft het verpleegkundig perspectief onderbelicht in publieke debatten over hun eigen beroep.
Een derde thema, ‘autonomie binnen structurele beperkingen’, legde bloot hoe verantwoordelijkheid toenam terwijl contextuele factoren zoals werkdruk, personeelstekort en ethische spanningen amper benoemd werden. Verpleegkundigen dragen zo een groeiende verantwoordelijkheid, terwijl ze opereren binnen een systeem dat hun autonomie tegelijkertijd beperkt.
Tot slot benadrukte het vierde thema ‘relationele en morele autonomie’ het dagelijkse, betrokken handelen van verpleegkundigen. Deze dimensies worden echter zelden erkend als professioneel of deskundig, en blijven vaak onzichtbaar als vorm van klinische en moreel gemotiveerde besluitvorming. Ook al kon dit onderzoek eveneens een beperkt aantal artikels vinden die verpleegkundigen voorstelden als deskundige en reflectieve actoren, deze representatie blijft jammer genoeg vooralsnog uitzonderlijk.
Conclusie
Verpleegkundige autonomie vereist structurele inspraak in beleid én zichtbaarheid in het publieke debat. Media zouden niet enkel beleidslijnen moeten bekrachtigen, maar ook de dagelijkse realiteit van de beroepspraktijk tonen. Hoewel het vakgebied wetenschappelijk en professioneel sterk is geëvolueerd, blijft de beeldvorming vaak hangen in achterhaalde clichés. Wie verpleegkundigen nog ‘heldinnen’ of ‘engelen’ noemt, miskent hun deskundigheid en beslissingsvermogen. Bewuste mediapraktijken en actieve betrokkenheid van verpleegkundigen kunnen hun werk en expertise beter zichtbaar maken voor het brede publiek.
Pratishtha Ojha is dialyseverpleegkundige bij Ziekenhuis Aan de Stroom (ZAS) en behaalde haar Master in de Verpleegkunde, afstudeerrichting verpleegkundig specialist, aan de Universiteit Antwerpen. Haar masterproef werd bekroond voor de meeste impact in het domein verpleegkunde, toegekend door het Netwerk Verpleegkunde en de FNBV.
Verzekeringen | Zekerheid in elke zorgsituatie
Een fout is snel gebeurd: een bril die valt, een zetel die beschadigd raakt of een misverstand tijdens het toedienen van zorg. Als verpleegkundige kunnen de gevolgen groot zijn, zowel menselijk als financieel. Daarom biedt NETWERK VERPLEEGKUNDE haar leden ook in 2026 een krachtige beroepsaansprakelijkheidsverzekering (BA) en een aanvullende bescherming met gewaarborgd inkomen en (optioneel) uitgebreide rechtsbijstand.
Als verpleegkundige heb je het leven van je zorgvrager in handen, maar even goed zijn hoorapparaat, een fles vruchtensap of belangrijke medicatie. Dat loopt niet altijd goed af. Ogenschijnlijk kleine incidenten leiden soms tot dure claims. Een verpleegkundige maakte het mee bij het uitnemen van een hoorapparaat: het toestel viel, was onherstelbaar beschadigd en moest volledig vervangen worden. Door de BA-verzekering via NETWERK VERPLEEGKUNDE werd deze schade volledig vergoed, zonder vrijstelling. De verpleegkundige hoefde dus geen enkele extra kost te dragen.
Via NETWERK VERPLEEGKUNDE geniet je opnieuw van een sterk groepstarief met uitgebreide polisvoorwaarden die ongewijzigd blijven voor 2026–2027. De verzekering is beschikbaar voor alle verpleegkundigen: zorgkundigen, basisverpleegkundigen, VVAZ, hoofdverpleegkundigen, zelfstandigen en coördinatoren. In loondienst of als zelfstandige. Zelfstandigen kunnen bovendien kiezen voor een formule met uitgebreide rechtsbijstand, bijvoorbeeld bij RIZIV-geschillen of onenigheid binnen groepspraktijken.
Wanneer het ernstiger wordt
Soms gaat het om meer dan materiële schade. Word je beschuldigd van een medische fout of kom je terecht bij de Federale Toezichtcommissie? Dan heeft dat impact op je reputatie en je gemoedsrust. Rechtsbijstand is dan onmisbaar.
Eén van de casussen toont hoe ver dat kan gaan. Een verpleegkundige diende – zonder het te weten – een lege vaccinatiespuit toe die een collega als grap had klaargelegd. De verpleegkundige werd opgeroepen bij de Federale Toezichtcommissie. Door de gekoppelde rechtsbijstand kreeg ze ondersteuning van een gespecialiseerde advocaat, zonder bijkomende kosten.
Extra bescherming bij uitval
Voor zelfstandige thuisverpleegkundigen liggen de risico’s hoger. Door een ongeval, een acute aandoening of langdurige ziekte kan je volledige inkomen plots wegvallen. De verzekering gewaarborgd inkomen vangt dat op met een vaste dagvergoeding, zodat je financiële stabiliteit hebt tijdens je herstelperiode. Zo voorkom je dat een periode van arbeidsongeschiktheid leidt tot financiële problemen.
Of je nu in loondienst werkt of zelfstandig verpleegkundige aan de slag gaat: een BA-verzekering is geen luxe, wel een noodzakelijke vorm van bescherming. Door de voordelige premies, uitgebreide voorwaarden en optie tot gewaarborgd inkomen en rechtsbijstand, krijgen leden van NETWERK VERPLEEGKUNDE toegang tot een solide vangnet dat meegroeit met hun verantwoordelijkheden. Belangrijk om weten: de verzekering komt enkel tussen als je aansluiting in orde is op het moment van het incident.
Nieuwe categorieën vanaf 2027
Veranderingen in het zorglandschap vragen dat de verzekeringsmaatschappijen mee evolueren om een optimale dekking te bieden. Daarom werd vanaf 2027 een herstructurering van het aanbod onderhandeld met de nodige instanties. De uitgebreide polisvoorwaarden en interessant groepstarief blijven ongewijzigd. Daarnaast werden ook de voorwaarden van de polis rechtsbijstand aangepast, zowel voor het bediendestatuut als het zelfstandigenstatuut, elk met een ongewijzigd tarief.
| Categorie | Omschrijving | Premie 2027 |
| Cat. 1 – Bedienden | Zorgkundigen, basisverpleegkundigen en verpleegkundige algemene zorg (VVAZ), inclusief specialisaties. | €75 |
| Cat. 2 – Zelfstandig verpleegkundige | Incl. zelfstandig gespecialiseerde verpleegkundige (VVAZ, wondzorg, … ) | €95 |
| Cat. 3 – Zelfstandigen met uitgebreide rechtsbijstand | Rechtsbijstand o.a. bij RIZIV-geschillen en geschillen in groepspraktijken. | €230 |
| NIEUWE VANAF 2027 Cat. 4 – Verpleegkundig specialist in loondienst |
€95 | |
| NIEUWE VANAF 2027 Cat. 5 – Zelfstandige verpleegkundig specialist |
€125 | |
| NIEUWE VANAF 2027 Cat. 6 – Zelfstandige verpleegkundig specialist met uitgebreide rechtsbijstand |
Zelfstandige verpleegkundig specialisten met uitgebreide rechtsbijstand voor o.a. bij RIZIV-geschillen en geschillen in groepspraktijken. | €245 |
“We willen blijven zorgen, maar niet op deze manier”
Belgische zorg- en hulpverleners lopen een hoog tot zeer hoog risico op burn-out. Dat blijkt uit de nationale welzijnsbevraging Be.well.pro. Een andere opvallende vaststelling? De helft van de ondervraagden kan zich niet voorstellen hun job tot aan het pensioen vol te houden. Driekwart wil dat nochtans wel, op één voorwaarde: het werk moet anders georganiseerd worden. Interessante cijfers die een boeiend beeld geven van de zorgsector van nu.
Hoe gaat het vandaag echt met de mensen die onze zorg- en welzijnssector dragen? Dat was de centrale vraag van de nationale welzijnsbevraging Be.well.pro, een initiatief van de FOD Volksgezondheid en wetenschappelijk uitgewerkt door Sciensano. Tussen 13 januari en 23 maart 2025 vulden bijna 35.000 zorg- en hulpverleners de vragenlijst volledig in, een respons die zelden gezien wordt in dit soort studies. De resultaten geven een genuanceerd en tegelijk onmiskenbaar urgent beeld van een sector. Daarin blijven motivatie en maatschappelijke betrokkenheid torenhoog, maar worden de grenzen van werkbaarheid steeds scherper voelbaar.
We spraken met Vincent De Prez, wetenschappelijk medewerker bij Sciensano, die samen met collega’s Robrecht De Schreye en Bart Peeters mee verantwoordelijk was voor de uitwerking, validatie en analyse van de bevraging.
Ongeziene blik op hele zorg- en welzijnslandschap
Dat Be.well.pro zo breed werd opgezet, is volgens Vincent een belangrijke stap vooruit. “Voor het eerst bevroegen we 41 verschillende beroepsgroepen”, zegt hij. “Van verpleegkundigen, artsen en zorgkundigen tot maatschappelijk werkers, opvoeders, ergotherapeuten, psychologen en medewerkers in de sociale hulpverlening. Dat maakt dit rapport uniek in België.”
De schaal van de studie vergde een grondige voorbereiding. De vragenlijst werd opgebouwd op basis van internationaal gevalideerde schalen, zoals de Burnout Assessment Tool (BAT) van professor Hans De Witte, en vooraf getest in een pilootfase met duizenden deelnemers. “We wilden geen losse flodder, maar een solide wetenschappelijke nulmeting”, verduidelijkt Vincent. “Die laat toe om toekomstige evoluties te monitoren, al is het nog onzeker of en wanneer een herhaalde bevraging volgt.”
Een op de twee niet tot aan het pensioen
Een van de meest in het oog springende resultaten: slechts 49 procent van de respondenten ziet zichzelf in de huidige job blijven tot aan het pensioen. Vincent nuanceert: “Je kan dat op twee manieren bekijken. Het slechte nieuws is dat de helft twijfelt. Het goede nieuws is dat de andere helft het wel ziet zitten. Bovendien, als je mij als dertiger vraagt of ik mijn huidige job tot aan mijn pensioen wil blijven doen, kan ik daar ook niet met zekerheid op antwoorden. Het belangrijkste is eigenlijk wat uit de vervolgvraag komt. Namelijk driekwart wil blijven, als het werk aangepast wordt. Dat toont dat het probleem niet ligt bij gebrek aan motivatie. De sector zit vol mensen die willen blijven bijdragen. Maar ze botsen op een werkomgeving die dat vaak onmogelijk maakt.”
De pijnpunten zijn duidelijk te situeren in drie domeinen: werkdruk en tijdsdruk, onvoldoende autonomie of inspraak in organisatie van het werk en tot slot, een verstoorde werk-privébalans. “De intrinsieke motivatie is sterk aanwezig”, oppert Vincent. “Maar motivatie alleen compenseert geen structurele werkdruk.”
Werk-privébalans: een belangrijk alarmsignaal
Uit de bevraging blijkt dat 68,6 procent van de zorgverleners een negatieve impact van het werk op het privéleven ervaart. Voor beroepsgroepen met structureel onregelmatige uren, zoals verpleeg- en zorgkundigen, is de balans extra kwetsbaar. “Dat zien we ook terug in de cijfers rond burn-out”, vult Vincent aan. “12,5 procent van de bevraagden heeft een risico op burn-out. Maar is dat nu hoog of laag? Als je dat in absolute cijfers zou uitdrukken, is 12,5 procent van 35.000 respondenten meer dan 3.500 personen die eigenlijk een substantieel risico ervaren. Niet min, toch?” Vooral jongere zorgverleners (25-44 jaar) lopen verhoogd risico. “Dat verbaast mij niet”, zegt Vincent. “Veel zorgverleners staan in levensfases waarin de druk op meerdere fronten hoog is: jonge kinderen, mantelzorg voor ouders, financiële onzekerheid. Combineer dat met onregelmatige uren, overuren, wisselende diensten of emotioneel belastende situaties, en je krijgt een cocktail die mensen uitput.”
Sociale steun, autonomie en waardering: de stille motoren
Een van de lichtpunten in het rapport is de hoge mate van ervaren teamsteun. Dat lijkt een belangrijke beschermfactor. “Collegiale steun werkt als buffer”, verklaart Vincent. “Voorgaand onderzoek toont aan dat teams waarin mensen zich gedragen en gehoord voelen, minder risico lopen op burn-out. Maar steun van collega’s kan een slecht georganiseerde werkstructuur niet volledig compenseren.”
Wat ook blijk uit internationaal onderzoek is dat zorgverleners die meer autonomie ervaren – inspraak in uurroosters, werkwijze, caseload of taakverdeling – duidelijk beter scoren op welzijn. Zo toonde de WHO-studie, The Mental Health of Nurses and Doctors (MeND) survey, aan dat hogere autonomie bij artsen in heel Europa samenhangt met minder psychologische klachten. Voor verpleegkundigen daarentegen blijft autonomie een pijnpunt. “De cijfers kunnen die vergelijking niet rechtstreeks maken”, waarschuwt Vincent, “maar het is wel zo dat autonomie en waardering vaak samenhangen met minder stress.”
De vertaalslag is nu aan de sector
Be.well.pro is bedoeld als startpunt voor de sector. Sciensano koos er bewust voor de resultaten neutraal te presenteren. “Wij reiken de cijfers aan. Maar het zijn de beleidsmakers, werkgevers en beroepsverenigingen die ze moeten vertalen naar concrete acties.” En laten we vooral niet vergeten: uit de resultaten blijkt ook dat zorg- en hulpverleners heel wat positieve elementen ervaren in hun job. De meeste respondenten voelen sociale steun, ervaren zingeving en halen motivatie uit hun rol. “We horen geen roep om minder zorg”, besluit Vincent “We horen een roep om zorg te kunnen blijven geven, op een manier die menselijk en houdbaar is. Dat is de uitdaging voor de komende jaren.”
Bronnen
Welzijnswijzer be.well.pro: Be.well.pro: https://www.health.belgium.be/nl/www.bewellpro.be/resultaten
The Mental Health or Nurses and Doctors (MeND) survey: https://www.who.int/europe/publications/i/item/WHO-EURO-2025-12709-52483-81031
Zelfmanagementondersteuning: een opportuniteit voor België
Door Katja Swinnen en Leia Vrancken, Hogeschool UCLL, R&E Health Innovation
In het voorjaar publiceerde de OESO het PaRIS-rapport (Patient Reported Indicator Surveys).1 In deze grootschalige internationale studie werd de kwaliteit van zorg geëvalueerd op basis van ervaringen van mensen met een chronische aandoening. Negentien landen namen deel, waaronder ook België.
De resultaten zijn op vele vlakken positief: België scoort goed op toegankelijkheid van zorg en vertrouwen in zorgverleners. Toch toont het rapport een belangrijke uitdaging. Veel landen, waaronder België, doen het minder goed op het vlak van zelfmanagementondersteuning (ZMO), de begeleiding van patiënten om zelf actief met hun aandoening om te gaan, keuzes te maken en problemen aan te pakken in het dagelijks leven. Het rapport toont dat in België 85 procent van de patiënten naar een huisartsenpraktijk gaan waar zelfmanagement voornamelijk wordt ondersteund door het geven van verbale informatie. Wanneer het gaat over geschreven informatie gaat dit nog maar over 51 procent. De percentages dalen drastisch bij gestructureerde ZMO-interventies, zoals het samen opstellen van doelen en actieplannen (31 procent), doorverwijzing naar zelfmanagementeducatie (16 procent), of behandeling door een zorgverlener die getraind is in patient empowerment (7 procent).
Nochtans is ZMO een cruciale factor voor een hogere kwaliteit van zorg. ZMO wordt beschouwd als een essentieel onderdeel van persoonsgerichte zorg. Patiënten die zich gesteund voelen in hun zelfzorg rapporteren hogere tevredenheid, meer levenskwaliteit en betere gezondheidsuitkomsten.2,3 Het PaRIS-rapport toont daarnaast aan dat ZMO het vertrouwen van patiënten verhoogt: zowel in zichzelf als in het zorgsysteem.
De resultaten vormen dus een wake-upcall voor België. Ons zorgsysteem is sterk gericht op acute en curatieve zorg, terwijl de groeiende groep chronisch zieken een andere benadering vraagt: één waarin verpleegkundigen en andere zorgverleners een sleutelrol spelen. Door hun nabijheid, communicatieve vaardigheden en holistische kijk op de mens, zijn verpleegkundigen bij uitstek geschikt om patiënten te ondersteunen in het versterken van hun eigen regie.
Bij Health Innovation, een expertisecentrum van Hogeschool UCLL R&E, wordt al enkele jaren sterk ingezet op dit thema. Binnen opleidingen en navormingen leren studenten en professionals hoe ze zelfmanagement kunnen ondersteunen in de praktijk, door motiverende gespreksvoering, gezamenlijke besluitvorming en patiëntenautonomie een centralere plaats te geven in het zorgproces. Hogeschool UCLL biedt hierdoor enkele belangrijke bouwstenen die het gebrek aan gestructureerde ZMO-interventies in België kan opvullen. Opleidingen in ZMO voor zorgverleners zijn geen luxe, maar een noodzakelijke investering om zorgverleners de tools te geven waarmee ze patiënten echt kunnen empoweren en de kwaliteit van chronische zorg duurzaam kunnen verbeteren.
Bronnen
- OECD. Does Healthcare Deliver? Results from the Patient-Reported Indicator Surveys (PaRIS). Paris; 2025.
- Timmermans L, Golder E, Decat P, Foulon V, Van Hecke A, Schoenmakers B. Characteristics of self-management support (SMS) interventions and their impact on Quality of Life (QoL) in adults with chronic diseases: An umbrella review of systematic reviews. Health Policy. 2023;135.
- Zimbudzi E, Lo C, Misso ML, Ranasinha S, Kerr PG, Teede HJ, et al. Effectiveness of self-management support interventions for people with comorbid diabetes and chronic kidney disease: A systematic review and meta-analysis. Systematic Reviews. 2018;7(1).
Gestructureerde equipe of gestructureerd zorgteam: wat is het verschil?
Sinds de nieuwe wetgeving duiken nieuwe termen op in de verpleegkunde en dat leidt hier en daar tot verwarring. Vooral de begrippen ‘gestructureerde equipe’ en ‘gestructureerd zorgteam’ worden door elkaar gehaald. Toch gaat het om twee verschillende vormen van samenwerking, met elk hun eigen regels en context.
Gestructureerde equipe: samenwerking met zorgkundigen
De gestructureerde equipe bestaat uit verpleegkundigen (VVAZ, HBO5 of basisverpleegkundigen) en zorgkundigen. Binnen dit kader kan een verpleegkundige bepaalde handelingen delegeren aan een zorgkundige, zoals voorzien binnen de grenzen van diens bevoegdheid. Dat mag enkel als:
- de handeling op de officiële lijst voor zorgkundigen staat
- de zorgkundige bekwaam is
- er toezicht is door een verpleegkundige
Hierbij is belangrijk te vermelden dat toezicht niet gelijk staat aan fysiek toezicht. De samenwerking in een gestructureerde equipe is al jaren goed geregeld in de koninklijke besluiten van 2006, 2015 en 2019 en is vandaag volledig in werking. Je vindt ze in zowat elke zorginstelling: van ziekenhuizen tot woonzorgcentra en thuisverpleging. Opgelet, wanneer men geen handelingen delegeert aan zorgkundigen, is er dus ook geen gestructureerde equipe aanwezig in de betrokken zorginstelling of op de betrokken dienst.
Gestructureerd zorgteam: nieuw en multidisciplinair
Het gestructureerd zorgteam brengt een nieuwe manier van samenwerken tussen verschillende zorgberoepen. In zo’n team kan een verpleegkundige (VVAZ of HBO5) bepaalde handelingen toevertrouwen aan andere zorgprofessionals, zoals kinesitherapeuten, ergotherapeuten of diëtisten – maar niet aan zorgkundigen.
De wet van 18 mei 2024 maakt dit wettelijk mogelijk. De concrete lijst met handelingen die mogen worden gedelegeerd, is evenwel nog niet gekend. Daardoor werkt het gestructureerd zorgteam vandaag nog niet in de praktijk. Zodra die lijst gekend, gestemd en goedgekeurd wordt, en verschijnt in het Belgisch Staatsblad, wordt duidelijk welke taken verpleegkundigen mogen delegeren aan welke gezondheidszorgberoepen.
Zorginstellingen zullen zelf kunnen kiezen of ze met een gestructureerd zorgteam aan de slag gaan. Het is dus geen verplicht kader, maar een extra mogelijkheid om samenwerking te organiseren. Enkel wanneer verpleegkundigen effectief handelingen delegeren aan andere gezondheidszorgberoepen, is er sprake van een gestructureerd zorgteam. Beslist een zorginstelling of een dienst om dat niet te doen, dan blijven ze buiten dit kader werken.

Wat betekent de nieuwe begroting voor de thuisverpleegkunde?
De begroting van de gezondheidszorg blijft elk jaar een complexe puzzel. Door de dieprode federale cijfers was die in 2025 nog moeilijker te leggen. Elke sector moet van de federale regering stevig besparen. Binnen de gezondheidszorg werd met argusogen ook naar de thuisverpleegkunde gekeken. Hendrik Van Gansbeke, algemeen coördinator van het Wit-Gele Kruis en vertegenwoordiger van verpleegkundigen binnen het RIZIV, geeft tekst en uitleg bij het goedgekeurde gezondheidszorgbudget.
Op politiek vlak was 2025 op z’n minst een bewogen jaar te noemen. Door de moeizame federale regeringsvorming werd uitzonderlijk een voorlopige gezondheidsbegroting goedgekeurd in het Algemeen Beheerscomité van het RIZIV. Die lag vast op 39 miljard euro, met een lineaire indexering van 3,34 procent. “Dat gaf de sector ademruimte, maar er kwamen geen extra middelen bij voor de al vastgelegde prioriteiten in de thuisverpleging. We bleven dus op onze honger zitten”, vertelt Hendrik Van Gansbeke, algemeen coördinator van het Wit-Gele Kruis.
Wel opvallend: het zorgpersoneelsfonds (ZPF) voor zelfstandige thuisverpleegkundigen bleef rijkelijk in het budget opgenomen ondanks de vaststelling dat niet alle middelen benut worden. De sector hield er dus al rekening mee dat er links en rechts van het budget afgeroomd zou worden. “Elke sector moet inleveren”, beseft ook Hendrik. “Maar het moet in verhouding blijven.”
De eerste raming
In juni 2025 startten de voorbereidingen van de begroting voor 2026, op basis van de cijfers die tot dan voorhanden waren. De eerste technische raming ging uit van een totale uitgave van ruim 2,25 miljard euro voor de sector thuisverpleging, met een indexering van 2,70 procent.
“Als we dat omrekenden en projecteerden naar 2026, kwam je uit op een budget van ruim 2,4 miljard en maar liefst 54 miljoen voor het ZPF”, licht Hendrik toe. “Dat is een groot verschil. We merken dat niet alle middelen benut worden. Dat heeft veel te maken met de arbeidskrapte en het groeiende aantal verpleegkundigen die deeltijds werken of overstappen naar een andere sector. Onze overschotten worden dan elders in de begroting herbestemd.”
De kaarten opnieuw geschud
In juli 2025 kwam de opdrachtenbrief van de federale regering, die bijkomende besparingen oplegde aan verschillende zorgsectoren. De thuisverpleging werd niet expliciet genoemd, maar wel opgenomen in de groep van ‘andere sectoren’ waar samen 50 miljoen euro moest gevonden worden.
Nadien volgde in september 2025 een herziening van de technische raming. De index ging naar 2,72 procent, een stijging van 0,02 procent. Het voorlopige budget voor de thuisverpleegkunde werd nu vastgelegd op 2,38 miljard euro. Tegelijk kwam de boodschap dat de besparing voor de ‘andere sectoren’ teruggebracht werd tot 47 miljoen euro. Daarvan zou de thuisverpleegkunde 21 miljoen euro moeten ophoesten. “Daar zijn we uiteraard tegenin gegaan”, aldus Hendrik. “Onze sector onderschrijdt structureel, terwijl andere sectoren hun budgetten overschrijden. Dan rijst de vraag of en waarom wij zoveel zouden moeten inleveren.” De sector legde een voorstel op tafel met een besparing tussen 10 en 15 miljoen euro.
Definitieve goedkeuring budget en begroting 2026
De begroting en het budget voor 2026 zijn intussen definitief goedgekeurd, met daarin enkele alternatieven die de sector zelf naar voren schoof. Zo zijn de palliatieve forfaits (PP en PN) sinds 1 januari 2026 met 25 procent verlaagd, goed voor een besparing van bijna 12 miljoen euro. De maatregel moet de middelen gerichter inzetten voor patiënten met de zwaarste zorgnoden, en tegelijk de toegankelijkheid van palliatieve zorg bewaken.
Daarnaast besliste de Overeenkomstencommissie om de indexering van alle andere honoraria met 2,7 procent lineair toe te passen vanaf 1 januari 2026. Ondertussen zijn ook de volledige, geactualiseerde tarieven te raadplegen op de website van het RIZIV.
Vrouwen kunnen, ook als ze zwanger zijn, voor zichzelf denken
Françoise Dedrie, centrumverantwoordelijke van abortuscentrum Luna in Antwerpen, maakte de hele maatschappelijke evolutie rond abortus van dichtbij mee. Als jonge maatschappelijk werker liep ze stage bij het Centrum voor Seksuele Opvoeding en Gezinsplanning. “Toen ik daar begon, was abortus nog strafbaar. De wet op zwangerschapsafbreking kwam er pas in 1990. Er bestonden wel centra in de illegaliteit. Tijdens consultaties verwezen we vrouwen soms in het geniep door. Op voorwaarde dat we erop vertrouwden dat ze zouden zwijgen. Anders moesten ze uitwijken naar Nederland.” Vandaag blikt Françoise terug en vooruit. Want ook al is abortus wettelijk geregeld, de ethische gevoeligheden zijn springlevend.
De uitdaging
De Belgische wet laat een abortus toe binnen de eerste twaalf weken, na een psychosociaal gesprek en medisch consult in een abortuscentrum, en met een verplichte wachttijd van zes dagen. “Die voorwaarden zijn allesbehalve neutraal”, zegt Françoise. “Ze tonen hoe we vrouwen nog altijd paternalistisch behandelen. Alsof iemand die zwanger is niet meer helder kan nadenken. Wie naar ons komt, heeft vaak al nachten wakker gelegen, gepraat met partner of vrienden en hakt hier niet licht een knoop door. Dan zes dagen bedenktijd opleggen, voelt beschuldigend.”
Ook het vasthouden aan de grens van twaalf weken vindt ze problematisch. In Nederland kan een abortus tot de grens van levensvatbaarheid, in de praktijk tot 22 weken. “De veronderstelling dat vrouwen hun beslissing gewoon uitstellen als de termijn langer is, klopt niet. Helaas ontdekken sommige vrouwen die we zien pas laat dat ze zwanger zijn: door een spiraaltje, onregelmatige menstruatie of omdat ze dachten onvruchtbaar te zijn. Dan is twaalf weken vaak te kort. Soms verandert de situatie tijdens de zwangerschap: partnergeweld, een medische diagnose of een plotse breuk. Dan kan een zwangerschap die gewenst begon, alsnog onhoudbaar worden. Vergis je niet: die vrouwen gaan nog steeds voor een zwangerschapsafbreking, alleen gebeurt die niet in eigen land.”
Abortus is bovendien minder uitzonderlijk dan velen denken. Eén op de vier zwangerschappen in België is ongepland en één op de vijf vrouwen ondergaat ooit in haar leven een abortus. Het stereotype beeld van de tiener of probleemvrouw klopt niet. De gemiddelde vrouw die een abortus aanvraagt is 29 jaar, heeft een job, een partner en vaak al kinderen.
“Toch heerst er nog veel stigma”, benadrukt Françoise. “Vrouwen komen vaak met schaamte en het gevoel dat ze falen. Terwijl: vruchtbaarheid is nooit volledig te controleren. Geen enkele anticonceptie is honderd procent veilig. Zelfs na een sterilisatie gebeurt het. Dat er in dertig vruchtbare jaren eens iets fout loopt, is dus niet ondenkbaar.”
De tool: taalgebruik
Hoe ga je om met zo’n kwetsbaarheid? Voor Françoise begint het bij taal: “Het eerste wat je te horen krijgt wanneer je arts of gynaecoloog een zwangerschap vaststelt of bevestigt, is ‘proficiat!’. Dat is een invulling van de hulpverlener zelf, zonder te checken of de zwangerschap wel gewenst is. Mensen gebruiken ook nog vaak de uitdrukking ‘abortus plegen’ – een beladen term die verwijst naar het strafrecht en de connotatie van schuld draagt.”
In het centrum kiezen ze bewust voor neutrale taal. Ze spreken bijvoorbeeld consequent over ‘zwangerschap’, niet over ‘kindje’. Ze noemen een vrouw niet automatisch ‘mama’. Ze stellen open vragen: Was de zwangerschap gepland? Hoe kijk je er zelf naar? “Het lijkt klein, maar taal bepaalt de ruimte voor gesprek”, meent Françoise. “Onze taak is om geen oordeel te vellen, wel om te vragen welke betekenis de zwangerschap voor de vrouw heeft.”
Hoe ga je daarbij te werk?
België is een van de weinige landen waar counseling bij een abortus verplicht is. “Dat kan een valkuil zijn”, zegt Françoise. “Het risico is dat het gesprek sturend wordt. Wij beginnen altijd met de vraag: ‘Wil je hier met ons over praten?’ Als iemand dat niet wil, respecteren we dat. We geven de nodige praktische informatie over de afbreking maar laten de vrouw zelf bepalen wat ze deelt. Dat maakt dat ze zich veilig voelt. Ze hoeft zich bij ons niet te verantwoorden.”
Die basishouding – open, niet-oordelend, steunend – is ook een selectiecriterium voor medewerkers. “We verwachten dat onze mensen ruimte laten voor het hele verhaal: ook voor het verdriet dat met de beslissing tot een zwangerschapsafbreking kan gepaard gaan. Je merkt dat vrouwen opluchten als we zeggen: ‘Zolang dit jouw keuze is, steunen we je.’ Vanuit die vrije houding, voel je dat mensen zich veilig voelen om te vertellen en hun hart te luchten.”
Welke factoren zetten verpleegkundigen ertoe aan hun beroep te verlaten?
Het tekort aan verpleegkundigen in België heeft steeds meer invloed op onze gezondheidszorg. Dit onderzoeksproject wil een beter inzicht krijgen in de factoren die verpleegkundigen ertoe aanzetten hun beroep te verlaten, door ze te vergelijken met de literatuur.
Doelstelling
Het doel van dit onderzoek is om beter te begrijpen waarom verpleegkundigen hun job verlaten. Met die kennis kunnen er gerichte maatregelen genomen worden om verpleegkundigen langer in het beroep te houden.
Methoden
Na een literatuurstudie over de redenen en factoren waarom verpleegkundigen hun beroep verlaten, werd een vragenlijst opgesteld. Die werd verspreid onder voormalige verpleegkundigen uit Franstalig België. Ze werkten in ziekenhuizen, woonzorgcentra, de thuiszorg of de eerstelijnszorg. De gegevens werden voornamelijk kwantitatief geanalyseerd met behulp van beschrijvende statistieken en gepaarde T-tests.
Resultaten
De resultaten toonden aan dat er een significant verschil was tussen de werktevredenheid van de respondenten aan het einde van hun eerste jaar als verpleegkundige, vergeleken met hun werktevredenheid aan het einde van hun eerste jaar in hun nieuwe beroep. Ook kwamen de redenen waarom ze het verpleegkundige beroep verlieten vaak overeen met wat er in de literatuur wordt beschreven als factoren die de intentie om het beroep te verlaten versterken. Verder gaf een groot deel van de deelnemers aan bereid te zijn om terug te keren naar het beroep van verpleegkundige, op voorwaarde dat er iets verandert aan de werkomstandigheden.
Conclusie
Dit onderzoek bevestigt dat de bekende redenen waarom verpleegkundigen twijfelen aan hun job, ook echt leiden tot het verlaten van het beroep. Deze factoren beter begrijpen en structurele oplossingen uitwerken, zou moeten leiden tot meer professionele tevredenheid bij verpleegkundigen. In sommige gevallen kan dit zelfs resulteren in meer mensen die terugkeren naar het beroep. Die werktevredenheid is belangrijk om onze gezondheidszorg goed te laten werken.
Over Lidwina Louviaux
Nadat ik mijn bachelor verpleegkunde behaalde aan de Haute École de Namur-Liège-Luxembourg (HENALLUX), volgde ik een specialisatie in oncologie aan de Haute École Léonard de Vinci in Brussel. Tijdens mijn werk in de oncologie begon ik een master in de volksgezondheidswetenschappen aan de UCLouvain. Voor mijn masterproef onderzocht ik waarom verpleegkundigen hun beroep verlaten. Momenteel werk ik als zorgcoördinator oncologie in het CHU UCL Namen.







