Medicatie | De rol van de individuele correctiefactor bij diabetes type 1

Door Debruyne Anaïs1-3 en Professor dr. Christophe De Block4,5

1 Departement Verpleeg- en Vroedkunde, Centre for Research and Innovation in Care (CRIC), Faculteit Geneeskunde- en Gezondheidswetenschappen, Universiteit Antwerpen
2Nurse and Pharmaceutical Care (www.nuphac.eu)
3AZ Klina
4Faculteit Geneeskunde- en Gezondheidswetenschappen, Universiteit Antwerpen
5Universitair Ziekenhuis Antwerpen

Binnen de complexe zorg voor mensen met diabetes type 1 speelt farmacologische precisie een cruciale rol. Tijdens de Medicatie Meesterlijk webinar over diabetes type 1, gepresenteerd door Prof. dr. Christophe De Block, werd opnieuw duidelijk hoe belangrijk kennis van individuele insulinetherapie is voor de verpleegkundige praktijk.

Type 1-diabetes vereist een balans tussen de juiste dosis insuline, voeding en lichamelijke activiteit. Elke patiënt is anders en dat vraagt om een individuele insulinebenadering. Deze insulinebenadering heeft een tweeledig doel, enerzijds minder glucoseschommelingen, anderzijds minder hyperglycemieën en geen hypoglycemieën waardoor de patiënt een betere levenskwaliteit heeft. Eén van de belangrijkste parameters binnen deze gepersonaliseerde aanpak is de individuele correctiefactor (ICF) ook wel insulinegevoeligheidsfactor genoemd. In dit artikel gaan we dieper in op de betekenis van de ICF, hoe deze wordt berekend en toegepast en welke rol verpleegkundigen kunnen opnemen in het veilig en doeltreffend hanteren van deze kennis.

Betekenis individuele correctiefactor

Een individuele correctiefactor is essentieel bij insulinetherapie. Werken met een standaard correctieschema, zoals “1 eenheid per 50 mg/dl”, is immers niet optimaal. Dit illustreren we met een voorbeeld:
Patiënt 1 spuit per maaltijd 6 + 7 + 7 eenheden kortwerkende insuline en 10 eenheden langwerkende insuline. Patiënt 2 daarentegen spuit 20 + 20 + 20 eenheden kortwerkende en 30 eenheden langwerkende insuline. Wanneer beiden ’s ochtends een glycemie van 200 mg/dl hebben, zouden ze volgens een correctiefactor van 50 elk 2 eenheden moeten bijspuiten. U begrijpt dat 2 eenheden niet hetzelfde betekent voor patiënt 1 als voor patiënt 2: voor patiënt 1 is dit een stijging van 30% (van 6 naar 8 eenheden), terwijl dit voor patiënt 2 slechts 10% extra is (van 20 naar 22 eenheden). Patiënt 2 is immers veel insuline resistenter dan patiënt 1.

De ICF geeft aan met hoeveel mg/dl één eenheid snelwerkende insuline de bloedglucose verlaagt. Deze factor verschilt per individu en wordt beïnvloed door diverse omstandigheden. Verpleegkundigen moeten zich bewust zijn van factoren die de ICF beïnvloeden. ‘’Zo zal lichamelijke activiteit de insulinegevoeligheid doen stijgen, waardoor ook de ICF stijgt. Infecties en stress zorgen dan weer voor een daling van de gevoeligheid, waardoor ook de ICF afneemt’’, aldus prof. De Block.

De verpleegkundige gebruikt de ICF om te berekenen hoeveel eenheden snelwerkende insuline nodig zijn om de bloedsuikerspiegel binnen het streefbereik te brengen. Na het bepalen van de ICF kan vervolgens de correctiebolus berekend worden.

1800-regel

De ICF wordt berekend aan de hand van de 1800-regel. Hierbij wordt 1800 gedeeld door de totale dagelijkse dosis insuline (TDI). Een patiënt die bijvoorbeeld een TDI heeft van 90 eenheden, heeft een insulinegevoeligheidsfactor van 20 (1800/90E). Concreet betekent dit dus dat één eenheid snelwerkende insuline, de bloedsuikerspiegel met 20 mg/dl verlaagt.

Berekening van de correctiebolus

Aan de hand van de ICF kan de juiste correctiebolus berekend worden door het toepassen van volgende formule: (bloedsuikerspiegel – streefwaarde bloedsuikerspiegel) / ICF. Een patiënt meet bijvoorbeeld voor de maaltijd een bloedsuikerspiegel van 190 mg/dl, terwijl de streefwaarde 100 mg/dl is. Bij een ICF van 20 betekent dit dat de patiënt 4.5 eenheden snelwerkende insuline extra nodig heeft, bovenop de maaltijdinsuline: (190mg/dl -100mg/dl) / 20) = 4.5 eenheden.

Verpleegkundige relevantie

Voor verpleegkundigen betekent dit dat zij, in nauwe samenwerking met de patiënt en het multidisciplinaire diabetesteam, kunnen bijdragen aan een dynamische en individuele glycemiecontrole. De ICF laat verpleegkundigen toe om snel en accuraat insulinecorrecties te berekenen bij hyperglycemieën, educatie aan te bieden aan patiënten over zelfcorrectie, hypoglycemieën te beperken door overcorrectie te vermijden en individuele variabiliteit in insulinebehoefte te begrijpen. Integratie van de ICF in de dagdagelijkse praktijk draagt op deze manier bij aan minder complicaties, een betere kwaliteit van leven en een verhoogde patiëntveiligheid.

 

Bronvermelding

Evans, L. (2022, 14 juli). Insulin sensitivity Factor (ISF) explained. Diabetes Qualified. https://www.diabetesqualified.com.au/insulin-sensitivity-factor-explained

Hegab, A. M. (2022). Diurnal Variation of Real-Life Insulin Sensitivity Factor Among Children and Adolescents With Type 1 Diabetes Using Ultra-Long-Acting Basal Insulin Analogs. Frontiers in Pediatrics, 10. https://doi.org/10.3389/fped.2022.854972

Pasquel, F. J., Lansang, M. C., Dhatariya, K., & Umpierrez, G. E. (2021).   Management of diabetes and hyperglycaemia in the hospital. The Lancet              Diabetes & Endocrinology, 9 (3), 174–188. https://doi.org/10.1016/s2213-8587(20)30381-8


Tragere zorg voor snellere resultaten

Veronique Norga is ergotherapeute en opgeleid in krachtgericht herstel. Ze werkt in Gent als mobiele wijkwerker GGZ, buiten de beschermde context van klassieke zorgstructuren. Daar ontmoet ze mensen die vaak buiten beeld blijven. Stap voor stap zoekt ze met hen een weg naar passende zorg en ondersteuning.

De uitdaging

Welke ethische uitdagingen zie jij binnen jouw domein? Welke boeien jou het meest?

“Mijn functie is het resultaat van een hervorming in de GGZ waarbij meer wordt ingezet op ambulante, mobiele en buurtgerichte zorg, en minder op langdurige ziekenhuisopnames”, vertelt Veronique. “GGZ vertrekt vaak van een gemotiveerde hulpvraag en een gerichte doorverwijzing. Maar net daar wringt het. Veel mensen vinden de weg naar gepaste zorg niet, of durven uit schaamte of wantrouwen geen hulp vragen. Zo blijven ze onder de radar.” Vanuit dat besef startte Stad Gent een financieringsproject rond casefinding in de wijk. Veronique trekt sindsdien door buurten, op zoek naar mensen die anders onzichtbaar blijven voor de hulpverlening. Ze vangt signalen op, bouwt voorzichtig een band op en leidt mensen toe naar zorg die bij hen past. “Het belangrijkste is vertrouwen winnen”, verduidelijkt ze. “Mijn opleiding in krachtgericht herstel steunt mij daarin. De focus ligt op dialoog en regie bij de cliënt, niet op zelf oplossingen aandragen. Je bouwt stap voor stap een vertrouwensrelatie op, tot iemand klaar is voor reguliere zorg of ondersteuning.”

De ethische spanning zit voor Veronique in die traagheid. “Veel cliënten wonen in sociale hoogbouw, omringd door buren die hun gedrag als storend ervaren. Dan worstel ik met de vraag: zorg ik voor de persoon die ik begeleid of voor de omgeving? Onlangs begeleidde ik iemand die luid riep en door de gangen dwaalde door een psychose. Voor iemand inzicht krijgt in zijn problematiek en openstaat voor hulp, ben je vaak maanden verder. Voor buren is dat moeilijk vol te houden. En dan is er nog privacy. Hoe leg je uit wat speelt zonder iemands verhaal prijs te geven? Hoe vraag je begrip zonder vertrouwen te schaden?”

Daarbij staat ze vaak alleen. “Ik heb geen team om meteen op terug te vallen. Bij een crisis moet je snel ingrijpen. Maar wat is proportioneel? Wanneer schakel je politie in? Wanneer ga je voor gedwongen opname? En wat doet dat met de vertrouwensband?” Gelukkig is er gedeeld zorgoverleg. Twee keer per maand delen verschillende hulpverleners een lokaal waar buurtbewoners terechtkunnen met uiteenlopende vragen, van een lekkende kraan tot medische zorgen. “Dat is ook voor ons een moment om casussen te bespreken en advies te vragen.” Veronique benadrukt hoe essentieel die verbinding is: “Zonder mensen om mee te denken, hou je dit werk niet vol.”

De tool: presentie

Welke methode vind je zelf bruikbaar om hiermee om te gaan?

“Ik trek niet met methodieken de straat op. Ik ga als mens.” Ze beweegt zich door een wijk als gewone voorbijganger, zonder dat haar professionele rol meteen zichtbaar is. Haar uitgangspunt is aanwezig zijn en luisteren. Pas als iemand zelf aangeeft nood te hebben aan psychische hulp, formuleert ze suggesties. “Ik vertrek nooit met oplossingen in mijn zak.” Dat wordt duidelijk in een casus. Ze begeleidde een man met ernstig middelengebruik die eerder al geïnterneerd was. Nuchter is hij charmant en aanspreekbaar, onder invloed wordt hij agressief. De voorbije weken ging het bergaf. Buren klaagden en zijn moeder drong aan op een opname. “Ik wilde eerst begrijpen hoe hij hier zelf naar keek.” In het gesprek kwam naar voren dat hij een opname overwoog, maar doodsbang was voor de ontwenning. “In plaats te pushen, zochten we naar wat hij nodig had om die periode te kunnen dragen.” Uiteindelijk volgde een opname, op zijn tempo en vanuit zijn eigen keuze. Veronique noemt het tragere zorg. “Paradoxaal genoeg levert dat vaak snellere resultaten op omdat je minder weerstand hebt. Het is ook duurzamer: alleen wat van binnenuit komt, houdt stand.”

Hoe ga je daarbij te werk?

“Oordeelloos en respectvol aanwezig zijn. Van mens tot mens, in dialoog over wat iemand nodig heeft.” Dat illustreert ze met een casus van een vrouw die zich isoleert. Niemand raakte binnen, ook hulpverleners niet. Veronique ontdekte dat ze uit hetzelfde dorp kwamen en gebruikte dat als ingang. “Ik stelde me niet voor met mijn naam of functie, maar gewoon met die afkomst. Dat werd het eerste bruggetje. Tot vandaag ben ik de enige die ze binnenlaat. De vrouw is ernstig paranoïde. Ze maakte meteen duidelijk dat ze geen psychiater of medicatie wil. Dat respecteerde ik. In plaats van te overtuigen, bleef ik geregeld langskomen. Gaandeweg begon de vrouw te vertellen: over slapeloosheid, angst en de brievenbus die ze niet durfde openen. Ze vroeg of ik met haar wilde meegaan. Zo leegden we wekenlang samen de brievenbus.”

Intussen legden ze een hele weg af. Ze installeerden onder meer camera’s om haar angst voor inbraak te temperen. “Het neemt haar paranoia niet weg, maar biedt wel een veiliger gevoel. Ze slaapt en functioneert beter, zonder medicatie. Dat is presentie”, besluit Veronique. “Door nabijheid en vertrouwen iemand opnieuw regie laten ervaren over het eigen leven.”


Wondzorg | Nieuwe uitgave van Handboek Wondzorg

Tien jaar na de vorige editie verschijnt een vernieuwde uitgave van het Handboek Wondzorg van het Wit-Gele Kruis van Vlaanderen. De wondzorgexperten uit de vijf provincies actualiseerden, samen met externe auteurs en deskundigen, de inhoud en herwerkten de structuur. Zo sluit het boek nog beter aan bij de recente evidentie en de praktijk van zorgprofessionals in uiteenlopende settings.

Het handboek bestaat al meer dan twintig jaar. Wat startte met drie aparte boekjes over wondzorg, groeide uit tot één uitgebreid naslagwerk. De vorige update dateerde van 2016. Hoog tijd dus voor een nieuwe editie. “De afgelopen jaren kwam er heel wat evidentie bij”, zegt Johanna Cooreman, stafmedewerker verpleegkunde. “Dan is het logisch dat ook onze publicatie mee-evolueert.”

Kristel De Vliegher, diensthoofd verpleegkunde en innovatie, vult aan: “Voor elk hoofdstuk zoeken we in overleg met onze wondzorgexperten uit de vijf provincies de meest geschikte auteur uit de praktijk. Zo schrijven zorgprofessionals met specifieke expertise mee aan het boek en krijgt de uitgave een brede onderbouw.”

Logischer opgebouwd met nieuwe thema’s

De inhoud kreeg een duidelijke structuur met zes blokken: algemene wondzorgprincipes, acute wonden, chronische wonden, stomazorg, specifieke wondzorgtechnieken, en wetgeving & geïntegreerde aanpak rond wondzorg. “We wilden het boek meer evidencebased en gebruiksvriendelijker maken voor de lezer”, vervolgt Johanna. Behalve een revisie van de bestaande inhoud, versterken enkele nieuwe hoofdstukken die opbouw. Zo kregen incontinentie-geassocieerde dermatitis (IAD), L-PRF (autologe bloedafgeleide celtherapie), en de wondbeoordeling via T.I.M.E. CDST, een eigen plaats. Het hoofdstuk over verbandkeuze bij een wonde kreeg een grondige herwerking, met geïntegreerde productfiches en QR-codes naar actuele productinformatie. “Zo brengen we theorie en praktijk dichter bij elkaar.”

Betrouwbaar kompas in complexe zorg

Het handboek start bij anatomie en fysiologie van de huid en bouwt via het wondhelingsproces, de wondbeoordeling en wondbehandeling op naar meer specifieke wondzorg bij onder andere diabetesvoetwonden, oncologische wonden en ulcussen, decubitus, brandwonden en negatieve druktherapie. Daarnaast is er aandacht voor pijnmanagement en voeding in relatie tot wondzorg, omdat deze factoren een belangrijke invloed hebben op wondheling en comfort. Die brede aanpak geeft zorgprofessionals theoretisch inzicht en een praktische houvast. Volgens Kristel blijft die sterke onderbouw cruciaal. “Het is een uitgebreid, evidencebased boek met veel referenties. Studenten, maar ook verpleegkundigen, artsen en andere zorgprofessionals kunnen erop terugvallen en weten dat de informatie correct is. Die zekerheid heb je in het huidig AI-gestuurde landschap niet meer. In de praktijk is het een hands-on tool om mee te werken.”

Het handboek bundelt actuele kennis en praktijkervaring in één overzichtelijk geheel. “Wij brengen expertise samen in dit referentiewerk”, besluit Kristel. “Want het vereist kennis en vaardigheden om wondheling te bevorderen, complicaties te voorkomen en de kwaliteit van leven van de patiënt te verbeteren, in welke setting je ook werkt.”

Symposium wondzorg

Op 5 juni stelt het Wit-Gele Kruis van Vlaanderen het vernieuwde handboek voor. Sprekers zoals Kris Bernaerts, Michiel Claes en prof. dr. Frank Nobels brengen praktijkgerichte sessies rond wondzorg, elk vanuit hun expertise. De vijf provinciale wondzorgexperten staan in voor een praktijkgerichte afsluiter. Tijdens het symposium is er ook de mogelijkheid om kennis te maken met de nieuwste wondbehandelingen aan de standen van firma’s met wondzorgproducten. Het symposium richt zich tot verpleegkundigen, artsen, wondzorgspecialisten en onderwijs.

Datum: vrijdag 5 juni 2026
Tijdstip: 13.30 tot 17.00 uur, gevolgd door een afsluitende netwerkdrink
Locatie: Provinciehuis Leuven

Meer info hier.


De Sociale Kaart als kompas in de eerste lijn

Wie in de thuiszorg werkt, weet hoe snel een zorgvraag breder wordt dan verpleegkundige handelingen alleen. Een patiënt zoekt psychologische ondersteuning, een mantelzorger dreigt uit te vallen of iemand botst op sociale problemen. Dan begint het zoeken: wie kan ik inschakelen, en hoe vind ik snel de juiste contactgegevens? De Sociale Kaart wil daar een antwoord op bieden. Maar hoe bruikbaar is dat instrument vandaag in de praktijk?

De Sociale Kaart is een online overzicht van zorg- en welzijnsaanbieders in Vlaanderen en Brussel. Het platform bundelt identificatiegegevens, contactgegevens en basisinformatie over organisaties en individuele zorgverleners. De Vlaamse overheid beheert het platform en voedt het deels met authentieke databanken, aangevuld met informatie van zorgaanbieders zelf. In theorie biedt de Sociale Kaart één centrale toegangspoort tot het zorglandschap. In de praktijk hangt de meerwaarde sterk af van hoe actueel en volledig de gegevens zijn.

Zorgverleners aan zet

Simon Boonaert is beleidsmedewerker bij het team farmaceutische zorg en innovatie van Apotheia[1], de beroepsvereniging van apothekers in Vlaams-Brabant, Limburg en Mechelen. Hij volgt onder meer projecten rond eerstelijnszorg op. Apothekers gebruiken de Sociale Kaart vooral bij doorverwijzing. “Als laagdrempelige zorgverlener komen apothekers vaak in contact met mensen met een bredere zorg- of welzijnsvraag”, licht Simon toe. “Dan is het belangrijk dat je snel ziet wie in de buurt actief is. Daarnaast raden we apothekers aan hun eigen fiche te controleren en specialisaties aan te vullen. Denk aan vaccinatie of tabakologie. Zo blijven ze zichtbaar voor collega’s in de eerste lijn en versterken ze hun rol binnen het netwerk.”

Ook voor andere zorgverleners in de eerste lijn is dat netwerkdenken essentieel. In de thuiszorg duiken geregeld vragen op die verder reiken dan verpleegkundige zorg. Je zoekt een psycholoog met expertise in rouw, een CAW in de buurt of een dienst gezinszorg die snel kan opstarten. Hilde Deneyer, covoorzitter bij Apotheia, vult aan: “Door steeds kortere hospitalisatietijden komen mensen sneller naar huis, soms met complexe zorgnoden die een geïntegreerde zorgaanpak vergen. Om de zorgcontinuïteit te garanderen is het belangrijk om te weten wie in de lokale buurt mee kan ondersteunen. En dat reikt verder dan technische zorg alleen. Ook in welzijn en lokaal bestuur zijn belangrijke contactpunten om naar door te verwijzen.”

Voor thuisverpleegkundigen ligt de meerwaarde dus vooral in snelle en gerichte doorverwijzing binnen de eigen regio. Tegelijk vraagt het platform inzicht in de structuur ervan. Wie niet precies weet waar te zoeken, verliest snel het overzicht.

De vinger op de wonde

Een recent rapport van het Vlaams Instituut voor de Eerste Lijn onderzocht hoe de Sociale Kaart functioneert in de praktijk. De conclusie is helder: er is grote nood aan een volledig en betrouwbaar overzicht van het zorgaanbod. Voor doorverwijzing en netwerkvorming blijft zo’n instrument onmisbaar. “Het rapport wijst ook op knelpunten”, zegt Simon. “Gegevens zijn niet altijd volledig of actueel en duidelijke informatie over patiëntenstops, wachttijden of specifieke expertises ontbreekt soms.” De zoekfunctie levert regelmatig onverwachte resultaten op, waarbij niet-lokale aanbieders bovenaan verschijnen. Dat bemoeilijkt efficiënt gebruik. Er zijn heel wat werkpunten die het platform eenvoudiger in gebruik kunnen maken.

Succes begint bij jezelf

De Sociale Kaart staat of valt met de betrokkenheid van zorgverleners. Wie wil dat het platform betrouwbaar blijft, controleert het best regelmatig zijn eigen profiel. Kloppen je contactgegevens? Zijn je specialisaties zichtbaar? Werk je nog op het juiste adres?

Door de kaart actief te gebruiken bij doorverwijzing en je gegevens correct te houden, draag je bij aan een gedeeld en actueel overzicht van het zorglandschap. Dat maakt het verschil: voor jou, je collega’s en de patiënt.

[1] www.apotheia.be

Zet jezelf op de (Sociale) Kaart

Ga naar www.desocialekaart.be en maak een gebruikersprofiel aan. Voeg contactgegevens en specialisaties toe.


Veranderen om te behouden

De Belgische ziekenhuiszorg staat bekend om haar kwaliteit en toegankelijkheid. Toch waarschuwt een expertenrapport van de Interministeriële Conferentie Volksgezondheid (IMC) dat ons huidige model zijn grenzen bereikt. De conclusie is helder: zonder ingrepen komt zowel de zorgkwaliteit als het welzijn van zorgverleners onder druk. Het rapport Veranderen om te behouden (2026–2036) schetst daarom een toekomstvisie voor het ziekenhuislandschap. Die visie vraagt actie, van alle spelers in het veld.

Het rapport vertrekt vanuit een eenvoudige vaststelling. De zorgvraag stijgt, de middelen blijven beperkt en het aantal zorgverleners groeit onvoldoende mee. Tegelijk blijft het ziekenhuisaanbod sterk versnipperd, met veel sites die zich dicht bij elkaar bevinden en gelijkaardige zorg aanbieden. Die structuur vraagt veel personeel en middelen, terwijl ze niet altijd bijdraagt aan betere zorguitkomsten. “Als we niets doen, dreigt het systeem zichzelf uit te putten. De bedoeling van dit rapport is net om de kwaliteit en solidariteit van onze zorg te vrijwaren op de lange termijn”, zegt Thérèse Van Durme, verpleegkundige en onderzoeker aan de UCLouvain. Zij maakte deel uit van de onafhankelijke expertencommissie die in opdracht van de Interministeriële Conferentie Volksgezondheid aanbevelingen formuleerde voor de hervorming van het ziekenhuislandschap.

Hervormen in geen keuze meer

België telt anno 2026 meer dan honderd acute ziekenhuizen, verspreid over bijna tweehonderd sites. Dat netwerk creëert een goede bereikbaarheid, maar leidt daarenboven tot inefficiënt gebruik van personeel en infrastructuur. Sommige afdelingen draaien met lage volumes, terwijl ze wel een volledige 24/7-bezetting vragen. Vooral bij hoogcomplexe en tijdkritische zorg weegt dat door op kwaliteit en veiligheid.

Daarbovenop komt een structureel tekort aan verpleegkundigen. De vergrijzing van de bevolking verhoogt de zorgvraag, terwijl veel zorgverleners de komende jaren met pensioen gaan. Ziekenhuizen sluiten bedden of voeren opnamestops in, wat de werkdruk verder verhoogt. Thérèse: “De uitdaging is dubbel. We moeten voldoende zorgcapaciteit garanderen en haalbare jobs creëren. Dat lukt alleen als we het aanbod anders organiseren.”

Ook de organisatie van spoedzorg vormt een knelpunt. Spoeddiensten vangen vandaag zowel levensbedreigende situaties als niet-dringende zorgvragen op. Dat leidt tot overbelasting, lange wachttijden en oneigenlijk gebruik. Het rapport pleit daarom voor een duidelijke hertekening van de dringende medische hulp, met centrale triage en een sterkere rol voor de huisartsenwachtposten.

Daarnaast wijst het rapport op het belang van voldoende veerkracht in het zorgsysteem. Seizoensgebonden pieken, zoals griepepidemieën, zetten ziekenhuizen heel sterk onder druk. De experten benadrukken dat hervormingen alleen kunnen slagen wanneer zorgstructuren ook in zulke periodes voldoende capaciteit en flexibiliteit behouden, want hier botsen we nu tegen onze grenzen aan.

Vier types zorgvoorzieningen

De kern van het voorstel bestaat uit een indeling van het ziekenhuislandschap in vier types zorgvoorzieningen. Elk type krijgt een duidelijk afgebakende rol.

Regionale algemene ziekenhuizen (RAZ) blijven instaan voor een breed aanbod aan acute zorg, inclusief spoeddiensten. Universitaire ziekenhuizen (UZ) combineren die rol met hooggespecialiseerde zorg, onderzoek en opleiding. Lokale medische centra (LMC) focussen op planbare en ambulante zorg, zoals daghospitalisatie en consultaties. Ziekenhuizen voor intermediaire zorg (ZIZ) richten zich ten slotte op revalidatie en herstel, vaak na een acute opname.

Die differentiatie moet vermijden dat elke site alles blijft doen. Thérèse: “Niet elke zorg moet overal aangeboden worden. Voor complexe zorg telt ervaring en volume. Voor andere zorgvormen speelt nabijheid een grotere rol.” Het rapport benadrukt daarom het principe: nabije zorg waar mogelijk, geconcentreerde zorg waar nodig. Dat vraagt duidelijke keuzes, gebaseerd op objectieve criteria zoals bereikbaarheid, volumes en zorgnoden in de regio.

Daarbovenop schuift het rapport meer transparantie naar voren als hefboom voor kwaliteitsverbetering. Inzicht in prestaties en zorguitkomsten kan zorgorganisaties helpen om gerichte keuzes te maken. Tegelijk vraagt die openheid om zorgvuldige duiding, zodat cijfers correct geïnterpreteerd worden en niet los van hun context gelezen.

Meer dagzorg, minder klassieke opnames

Een belangrijke katalysator ligt in de verdere uitbouw van daghospitalisatie en ambulante zorg. Dankzij minder invasieve technieken en betere anesthesie kunnen steeds meer ingrepen veilig zonder overnachting plaatsvinden. Dat biedt comfort voor de patiënt, verlicht de druk op ziekenhuisbedden en moet vermijden dat te veel zorgprofessionals ’s nachts en tijdens weekends moeten werken.

Binnen die logica spelen lokale medische centra en dagziekenhuizen een belangrijke rol, maar ook andere zorgsettings evolueren mee richting kortere verblijven en sterkere verbinding met de eerste lijn. Ze kunnen ruimte bieden voor samenwerking, preventie en patiënteneducatie. “Dergelijke settings maken zorg toegankelijk en overzichtelijk”, aldus Thérèse. “Ze vormen een brug tussen ziekenhuis en thuissituatie.”

Impact op het werkveld

Voor zorgprofessionals betekent deze hervorming meer dan een hertekening van gebouwen en structuren. Ze raakt rechtstreeks aan het dagelijkse werk. De verschuiving naar dagzorg en intermediaire zorg vraagt andere competenties, meer samenwerking en een sterkere focus op coördinatie.

Ook de manier waarop het rapport tot stand kwam, maakt dat perspectief zichtbaar. Binnen de expertencommissie zat Thérèse als verpleegkundige mee aan tafel, naast een huisarts, verschillende specialisten en managers. Dat leidde tot een bredere blik op de voorstellen en meer aandacht voor de dagelijkse zorgpraktijk. Het rapport erkent expliciet de rol van verpleegkundigen in geïntegreerde zorgtrajecten. Toch blijft hun plaats in governance en besluitvorming een aandachtspunt. “Beslissingen over zorgorganisatie hebben alleen zin als alle betrokken zorgprofessionals mee aan tafel zitten”, benadrukt Thérèse. “Zij kennen de praktijk en dragen de uitvoering.”

Populatiemanagement wint eveneens aan belang. Ziekenhuizen krijgen de opdracht om niet alleen individuele zorg te leveren, maar evenwel bij te dragen aan de gezondheid van een hele regio. Dat opent kansen voor verpleegkundigen in preventie, educatie en de opvolging van chronische patiënten.

Randvoorwaarden geven de doorslag

De experten zien deze hervorming als een noodzakelijke stap die pas effect heeft wanneer ook financiering, organisatie en samenwerking mee veranderen. Vooral de manier waarop ziekenhuizen vandaag gefinancierd worden, speelt daarbij een sleutelrol. Zolang inkomsten afhangen van volume en prestaties, blijven ziekenhuizen geneigd om zorg zoveel mogelijk binnen de eigen muren te organiseren.

Daarnaast vraagt geïntegreerde zorg afstemming tussen beleidsniveaus en zorglijnen. De huidige versnippering tussen federale en deelstatelijke bevoegdheden bemoeilijkt besluitvorming voor vlotte integratie van de zorg. Digitale ondersteuning en gedeelde data moeten samenwerking faciliteren, met aandacht voor privacy en toegankelijkheid. “Zonder aangepaste financiering en bestuur blijft het risico bestaan dat goede ideeën stranden”, zegt Thérèse. “Dat zou zeer jammer zijn, want het zou de ondergang betekenen van ons solidaire zorgsysteem. We horen heel wat stemmen uit het veld die het daarmee eens zijn.”

Tijd voor actie

De experten laten weinig ruimte voor uitstel. Niets doen vormt geen optie, zo stelt het rapport expliciet. De budgettaire druk neemt toe, de arbeidsmarkt krimpt en de zorgvraag blijft stijgen. Zonder hervorming dreigt een zorgsysteem waarin ongelijkheden toenemen en de draagkracht van het werkveld verder onder druk komt te staan. Dat is onhoudbaar.

De voorgestelde veranderingen raken daarom aan alle zorgprofessionals en organisaties die betrokken zijn bij zorgverlening. Ze bepalen mee hoe zorg georganiseerd wordt, hoe samenwerking vorm krijgt en hoe zorgverleners hun rol kunnen blijven opnemen. “Dit debat gaat niet alleen over structuren”, besluit Thérèse. “Het gaat over hoe we als samenleving zorg blijven dragen voor elkaar, en hoe we zorgverleners daarin ondersteunen.”

In de komende maanden vertalen beleidsmakers de aanbevelingen in concrete plannen. Daarbij vragen ze input vanuit het werkveld. Verschillende beroepsgroepen en organisaties, waaronder NETWERK VERPLEEGKUNDE, krijgen de kans om advies te geven en aandachtspunten aan te reiken over kwaliteit, haalbaarheid en de impact op de zorgpraktijk. Wordt met zekerheid vervolgd.


Zorg met Impact

Kwaliteitsverbetering vraagt methodiek. In het boek Zorg met Impact bundelen drie lectoren van Hogeschool PXL evidencebased practice en projectmatig werken in één geheel. Het boek ondersteunt zorgprofessionals die klinische vragen systematisch willen analyseren, onderbouwen en vertalen naar uitvoerbare verbetertrajecten op de eigen afdeling.

Jorina Reekmans, Jo Vrancken en Joep Grosemans zijn drie lectoren-onderzoekers verpleeg- en vroedkunde aan de PXL Hogeschool, waar ze onderwijs combineren met praktijkgericht onderzoek rond evidencebased practice en projectmatig werken. Binnen de opleidingen en in het werkveld signaleerden zij een structurele kloof: enerzijds leren studenten hoe ze wetenschappelijke literatuur moeten analyseren en kritisch beoordelen, anderzijds verwachten zorgorganisaties dat bachelor verpleegkundigen actief meewerken aan kwaliteits- en innovatieprojecten. Een geïntegreerd kader dat die twee competenties systematisch met elkaar verbindt, ontbrak. “Je vond handboeken over evidencebased practice en aparte boeken over projectmanagement”, licht Joep toe. “Wij misten een methodiek die vertrekt vanuit een klinische vraag en eindigt bij een uitvoerbaar project op de afdeling.”

Stapsgewijs richting verbetertraject

Vanuit die vaststelling ontwikkelden de auteurs een helder traject dat verpleegkundigen begeleidt van eerste signaal tot concrete actie. Jorina: “De eerste stap is jouw klinische vraag scherp leren formuleren. Wat speelt er precies? Voor welke patiëntengroep of voor welke zorgprofessionals? Welke uitkomst wil je beïnvloeden? Die expliciete vraagstelling geeft richting aan het hele traject en voorkomt dat een literatuurstudie te breed of te vaag wordt.”

Daarna volgt de onderbouw. Je zoekt relevante literatuur en beoordeelt die kritisch. “Niet elk artikel heeft dezelfde bewijskracht”, benadrukt Jo. “Het boek leert zorgprofessionals hoe ze studies wegen, methodologische kwaliteit inschatten en nagaan of resultaten toepasbaar zijn binnen hun eigen zorgcontext. Zo groeit een gefundeerde basis voor verdere stappen.”

“In een derde fase vertaal je die onderbouw naar een uitvoerbaar project”, vervolgt Joep. “Je bepaalt doelstellingen, werkt gefaseerd, betrekt collega’s en bewaakt de voortgang. De nadruk ligt op realisme: projecten die passen binnen de mogelijkheden van een afdeling en die gedragen worden door het team.”

Wie aan de slag gaat met het boek doorloopt een helder traject van klinische vraag tot concreet verbeterproject op de afdeling. Jo besluit: “Realisme en haalbaarheid: dat was ons absolute doel.”

Wil je onderbouwd en projectmatig werken aan kwaliteitsverbetering op je afdeling? Zorg met Impact biedt een helder stappenplan met praktische tools om meteen aan de slag te gaan. Verkrijgbaar via OWL Press van uitgeverij Borgerhoff & Lamberigts en de gebruikelijke (online) boekhandels. Meer info via https://www.pxlexperts.be/pxl-bookbox-16-zorg-met-impact/.


Minder handen aan het bed, meer technologie: wat betekent dat voor het beroep?

De gezondheidszorg verandert snel. Personeelstekorten houden aan, teams verschuiven en technologie dringt steeds dieper door in het dagelijkse werk. In een editoriaal in The International Journal of Health Planning and Management analyseren McKee en Correia een fundamentele spanning: terwijl de zorg complexer wordt, groeit de inzet van minder uitgebreid opgeleide zorgverleners en van automatisering en artificiële intelligentie.

Veel landen kampen met tekorten aan zorgprofessionals. Beleidsmakers zoeken oplossingen door nieuwe functies te creëren of bestaande taken te verschuiven naar medewerkers met een kortere opleiding, zoals zorgassistenten of physician associates. Die medewerkers nemen administratieve taken of eenvoudige klinische handelingen over.

Volgens de auteurs schuiven sommige van deze functies intussen op naar complexere verantwoordelijkheden. Dat roept vragen op over patiëntveiligheid, klinisch redeneren en professionele verantwoordelijkheid. Onderzoek naar de inzet van zorgassistenten toont dat een grotere afhankelijkheid van minder opgeleide krachten samenhangt met minder gunstige patiëntuitkomsten. Bij physician associates bestaat minder uitgebreid onderzoek, maar ook daar leeft bezorgdheid binnen beroepsgroepen.

Voor verpleegkundigen raakt dit aan de kern van het beroep. Professionele autonomie steunt op gespecialiseerde kennis, opleiding en zelfregulering. Wanneer taken verschuiven zonder duidelijke afbakening of toezicht, ontstaat druk op die professionele ruimte.

Automatisering en AI: belofte en begrenzing

Naast taakverschuiving groeit het vertrouwen in technologie. Chatbots, beslissingsondersteuning en AI-toepassingen vinden hun weg naar triage, administratie en beeldanalyse. De auteurs erkennen dat AI administratieve lasten kan verlichten en waarde heeft in domeinen zoals radiologie of histopathologie.

Tegelijk wijzen ze op beperkingen. AI-systemen werken op basis van bestaande data en kunnen bestaande ongelijkheden versterken. Toepassingen die in de ene populatie goed presteren, doen dat niet automatisch in een andere. Daarnaast ontbreekt bij huidige systemen het vermogen tot klinisch redeneren in brede, complexe situaties. De zoektocht naar systemen die echt kunnen ‘redeneren’ blijft voorlopig onbeantwoord.

In een context van schaarste lijken technologie en taakverschuiving snelle oplossingen. Het onderzoek benadrukt dat dergelijke keuzes gevolgen hebben op de lange termijn. Korte ingrepen kunnen de kwaliteit van zorg en de professionele standaard onder druk zetten wanneer duidelijke regelgeving en toezicht ontbreken.

Wie bewaakt de kwaliteit?

Verpleegkundigen bevinden zich in het hart van deze evoluties. Zij werken in multidisciplinaire teams waar taken herschikt worden, en gebruiken digitale systemen en AI-ondersteuning in hun dagelijkse praktijk. Tegelijk dragen ze verantwoordelijkheid voor klinische observatie, vroegtijdige herkenning van achteruitgang en coördinatie van zorg.

Het artikel onderstreept het belang van duidelijke competentieafbakening, aangepaste regelgeving en betrokkenheid van beroepsgroepen bij beleidskeuzes. Voor verpleegkundigen betekent dit dat professionele expertise en klinisch redeneren expliciet erkend en beschermd moeten blijven binnen veranderende zorgmodellen.

McKee en Correia pleiten voor evidencebased beleid, met oog voor patiëntveiligheid en kwaliteit. Nieuwe rollen en technologieën vragen een doordacht kader, waarin opleiding, bevoegdheden en verantwoordelijkheid helder bepaald zijn. De toekomst van de zorg ligt niet in eenvoudige verkorting of vervanging van expertise, maar in het zorgvuldig integreren van nieuwe functies en technologieën binnen sterke, professioneel verankerde teams.

Bron
McKee M, Correia T. The Future of the Health Professions: Navigating Shortages, Imbalances, and Automation. Int J Health Plann Manag. 2025;40:289–292.


Zijn verpleegkundigen voorbereid op cytostatica in de thuiszorg?

De impact van kanker op de gezondheidszorg is groot. Er is steeds meer vraag naar oncologische zorg. Sinds 1 juli 2023 is er in België de mogelijkheid om cytostatica toe te dienen in de thuiszorg. Door de invoering van de wet op thuishospitalisatie groeit de nood aan eerstelijnsverpleegkundigen die instaan voor de toediening van cytostatica. Het veilig toedienen van cytostatica in de eerstelijn vereist opleiding in neveneffectmonitoring, patiëntbegeleiding en zelfmanagementondersteuning.

Methode

Het onderzoek is een kwantitatieve pre-post studie met interventie- en controlegroep. De pre-test vragenlijst bestond uit theorie- en praktijkgerichte vragen. Direct na het invullen van de pre-test werden de deelnemers ingedeeld in de interventiegroep of de controlegroep. Bij de interventiegroep werden er drie educatieve video’s aangeboden. Bij de controlegroep werd gevraagd om de huidige standaarden op de dienst te bekijken. Eén week na het invullen van de pre-test werd de post-test afgenomen. De post-test vragen waren opnieuw theoretisch- en praktijkgerichte vragen. De kennistest, bestaande uit 29 vragen, is specifiek ontworpen om kennis over het gebruik van cytostatica te evalueren binnen diverse verpleegkundige contexten. Een score van 21 of hoger wordt beschouwd als voldoende kennis over cytostatica.

Resultaten

De analysegroep bestaat uit 78 deelnemers. Bij aanvang van de studie waren er 29 (37,2%) deelnemers geslaagd. De volledige groep deelnemers hadden een gemiddelde totaalscore op de pre-test van 18/29 (62,1%). De gemiddelde kennisscores lagen significant hoger bij verpleegkundigen die via de werkgever het voorbije jaar een bijscholing over cytostatica hadden gevolgd in vergelijking met de verpleegkundigen die geen dergelijke bijscholing hadden gevolgd (20,3/29, SD: 4,1 vs 17,3/29 SD: 5,4, p=0,023). Verpleegkundigen met een postgraduaat in de oncologische zorg behaalde eveneens gemiddeld hogere scores dan verpleegkundigen zonder het postgraduaat (23,3/29, SD: 1,8 vs 17,5/29, SD: 5,1, p<0,001). Ook verpleegkundigen die vonden dat hun kennis met betrekking tot cytostatica voldoende was scoorden gemiddeld hoger dan verpleegkundigen die hun kennis met betrekking tot cytostatica als onvoldoende inschatten (20,1/29, SD: 3,6 vs 16,3/29, SD: 6,3, p=0,005).

De resultaten van 18 deelnemers in de post-test werden geanalyseerd (10/18 interventiegroep en 8/18 controlegroep). Ondanks een significante stijging van de kennisscore in de controlegroep werd geen significant effect van de interventie op de kennisscore aangetoond.

Conclusie

Deze studie toont aan dat de algemene kennis van eerstelijnsverpleegkundigen over cytostatica momenteel beperkt is. Verdere studies met grotere en representatievere steekproeven zijn nodig om het effect van educatieve strategieën robuuster te onderbouwen. De scores in de pre-test tonen aan dat er nood is aan bijkomende opleidingen voor eerstelijnsverpleegkundigen rond cytostatica. Tegelijk tonen de pre-test scores aan dat bijkomende en gerichte opleidingen duidelijk geassocieerd zijn met een hoger basisniveau van kennis. Deze bevinding benadrukt het potentieel en de noodzaak van continue educatie in een evoluerende zorgcontext. Investeren in toegankelijke en relevante vorming kan een belangrijke hefboom zijn om de competentie en veiligheid in de thuiszorg verder te versterken.

Wie?

Ik ben Ward Quintens en behaalde vorig jaar mijn master in de verpleegkunde met afstudeerrichting verpleegkundig specialist. Momenteel ben ik werkzaam in het Imeldaziekenhuis te Bonheiden, halftijds op bijzondere zorgen (medium care en CCU) en halftijds als hartfalenverpleegkundige. Vanuit een sterke interesse in innovatie onderzocht ik in mijn masterproef de nieuwe wetgeving rond thuishospitalisatie.


Preventie | De toekomstperspectieven van gezondheidstoezicht

Gezondheidstoezicht is cruciaal om de gezondheid van werknemers te bevorderen en beschermen. Die verplichte medische opvolging gebeurt door de arbeidsarts, maar door een tekort aan artsen en een groeiend takenpakket, spelen arbeidsverpleegkundigen een steeds grotere rol. Afgelopen zomer bracht de Hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het Werk (HRPBW) een nieuw advies uit voor de toekomstige hervorming van het systeem. Dit moet jij erover weten.

De externe diensten voor preventie en bescherming op het werk kampen al jaren met ernstige personeelstekorten, vooral aan arbeidsartsen. Tegelijk legt het federale regeerakkoord extra opdrachten bij deze diensten. Minder mensen, meer taken en dezelfde wettelijke opdrachten die blijven gelden: dat is een stevige bottleneck. Daarom kwam de HRPBW afgelopen zomer met een advies dat focust op vier aspecten: risicoanalyse als basis van het gezondheidstoezicht, een duidelijke taakverdeling tussen de arbeidsarts en verpleegkundigen, verstandig gebruik van digitale tools en een passende opleiding voor arbeidsverpleegkundigen. In een volgende fase bespreekt de raad ook de frequentie van gezondheidstoezicht en bij welke risico’s dat toezicht noodzakelijk is.

Risicoanalyse als vertrekpunt

Elke job is anders, dus verschillen ook de gezondheidsrisico’s die erbij komen kijken. Een generiek, periodiek medisch onderzoek schiet zijn doel voorbij. Gerichte maatregelen en analyses hebben meer impact. Wanneer risico’s uniform en zorgvuldig in beeld worden gebracht, kunnen preventie en zorg ermee aan de slag. De Co-Prev, een koepelorganisatie van de Externe Diensten voor Preventie en Bescherming op het Werk (EDPBW), reikt handvaten aan zodat verschillende EDPBW’s de risico’s in alle ondernemingen op dezelfde manier kunnen meten. Zo moet het kwaliteitszorgsysteem gewaarborgd worden en kan men nieuwe risico’s tijdig en proactief identificeren en aanpakken.

Enter: de arbeidsverpleegkundige

Om als verpleegkundige handelingen over te nemen van arbeidsartsen zijn duidelijke en wetenschappelijk onderbouwde protocollen nodig, opgemaakt volgens de taak of het onderzoek. Multidisciplinariteit en een regelmatige opvolging via de FOD WASO en de sociale gesprekpartners zijn de basis van deze taakdelegatie. De eindverantwoordelijkheid blijft bij de arbeidsarts, de arbeidsverpleegkundige verlicht diens takenpakket en werkt tekortkomingen en vertragingen in de opvolging weg. Het resultaat: een doeltreffende gezondheidsopvolging die werknemers veilig en gezond aan het werk houdt.

Digitale tools verstandig gebruiken

Ze helpen ons werk heel erg voorruit en tegelijk houden ze grote risico’s in: digitale tools. Het gebruik ervan moet dus aan strikte voorwaarden onderworpen zijn, zoals het respecteren van de regels rond gegevensbescherming en duidelijke afspraken middels sociaal overleg.

Goed opgeleid is goed begonnen

Arbeidsverpleegkundigen beschikken minimaal over een bachelordiploma, of gelijkwaardig door ervaring voor verpleegkundigen die al in dienst zijn. Wanneer een verpleegkundige taken overneemt van de arbeidsarts, moet een postgraduaat arbeidsverpleegkunde gevolgd worden – al is hier ook een vrijstelling mogelijk als je als verpleegkundige voldoende ervaring kan voorleggen. Die graduaatsopleiding werd in 2023 gelanceerd om een antwoord te bieden op de nieuwe uitdagingen in het kader van welzijn op het werk en het tekort aan arbeidsartsen. Wat leer je? Je taken kritisch evalueren, prodromen snel herkennen, vlot communiceren met de onderzochte werknemers, arbeidsartsen en andere preventieadviseurs. Zo word je als arbeidsverpleegkundige een essentiële actor in het duurzaam aan het werk houden van werknemers.

Lees hier meer over de toekomst van gezondheidstoezicht.


Watercrematie: een zachter en groener afscheid

Steeds meer mensen kiezen voor crematie, maar ecologisch gezien is dat niet langer onschuldig. Een klassieke crematie verbruikt veel energie en stoot aanzienlijke hoeveelheden CO₂ en fijnstof uit. Daarom onderzoeken verschillende landen milieuvriendelijkere alternatieven. In Wilrijk loopt sinds kort het eerste proefproject met watercrematie, ook wel aquamatie of resomatie genoemd. Een milieuvriendelijkere vorm van lijkbezorging waarbij het lichaam wordt ontbonden in warm water in plaats van door vuur.

Bij aquamatie gebeurt alles in een roestvrijstalen drukvat gevuld met 95 procent water en vijf procent kaliumhydroxide. Het mengsel wordt opgewarmd tot 150 à 160 graden Celsius. Door de combinatie van warmte, druk en alkalische vloeistof breken de weefsels van het lichaam langzaam af. Na vier uur blijft enkel een poreus beendergestel over. Dat wordt gedroogd en vermalen tot een wit poeder dat in een urne aan de nabestaanden wordt meegegeven, net als bij een klassieke crematie.

Minder energie, minder uitstoot

Een crematieoven verbruikt gas, produceert CO₂ en laat sporen van kwik en andere stoffen vrij. Aquamatie verbruikt volgens voorlopige studies tot vijf keer minder energie en stoot nauwelijks schadelijke gassen uit. Bovendien zijn er geen vlammen, rook of geur. Het proces vraagt wel zo’n 1.500 liter water per overledene, maar dat water wordt nadien gezuiverd. Onderzoekers testen hoe het afvalwater het best behandeld kan worden, zodat er geen resten van zware metalen of geneesmiddelen overblijven. “Strikt genomen zou het gezuiverde water zelfs drinkbaar kunnen zijn,” zegt milieuwetenschapper Koen Goossens (UA), “al roept dat bij velen begrijpelijke weerstand op.”

Pilootproject in Vlaanderen

Voor alle duidelijkheid: watercrematie is in België nog niet toegestaan. Het crematorium Pontes in Wilrijk voert sinds het najaar van 2025 proefcrematies uit met lichamen die aan de wetenschap werden geschonken. Het pilootproject loopt in samenwerking met de KU Leuven, de Universiteit Antwerpen, VITO, de Vlaamse Milieumaatschappij en Aquafin. De Vlaamse overheid wil de techniek een kans geven, maar wacht eerst op wetenschappelijke resultaten, een advies van de Hoge Gezondheidsraad en een ethisch en wettelijk kader. Daarbij rijzen vragen: wat gebeurt er met het gezuiverde water? Hoe ervaren nabestaanden dit afscheid? En hoe verzoen je respect voor het lichaam met een proces dat doet denken aan een laboratoriumhandeling?

Een menswaardige beleving

De beleving van de uitvaart blijft belangrijk. Nabestaanden kunnen, net als bij crematie, aanwezig zijn bij het moment van invoer. Het lichaam ligt niet in een kist maar in een natuurlijke lijkwade van wol of katoen, op een houten invoerplank. Alles wat het water ingaat, moet biologisch afbreekbaar zijn. Het proces verloopt stil en sereen, zonder vuur of rook. Dat maakt het voor sommigen psychologisch zachter, al zal het even duren voor de methode breed aanvaard is. Toen crematie werd ingevoerd, was er ook weerstand. Vandaag kiest meer dan 75 procent van de Vlamingen ervoor. Wellicht volgt aquamatie ooit hetzelfde pad, zoals nu al het geval is in Ierland en verschillende Amerikaanse staten.

Ethische en praktische vragen

De betrokken onderzoekers willen alle thema’s grondig uitklaren. “Het gaat niet enkel over techniek”, zegt Tom Wustenberghs, directeur van Pontes. “Een waardig afscheid blijft de kern. Pas als we zeker zijn van de ecologische en menselijke meerwaarde, kunnen we aquamatie echt aanbieden.” De eerste resultaten van het proefproject worden later dit jaar verwacht, waarna tegen 2027 mogelijk een wettelijk kader volgt.