Hartfalen | Nieuwe richtlijn hartfalen en uitkomst RIZIV-consensusvergadering
De nieuwe richtlijn hartfalen zet de toon voor een meer geïntegreerde zorgaanpak, waarin educatie, opvolging en multidisciplinaire samenwerking centraal staan. Ook tijdens de recente RIZIV-consensusvergadering werd bevestigd dat veel heropnames vermijdbaar zijn als patiënten beter begrijpen wat hartfalen precies betekent en hoe ze hun medicatie correct innemen.
Chronisch hartfalen is geen eenduidige diagnose maar een complex klinisch syndroom, met uiteenlopende symptomen en een onderliggende structurele of functionele aandoening van het hart. De consensusvergadering bevestigde dat vooral de ziekenhuisopnames wegen op de gezondheidskosten, terwijl net daar winst te boeken valt door een betere organisatie van de transmurale zorg. Voor patiënten maakt educatie een wereld van verschil: wie begrijpt waarom medicatie strikt genomen moet worden en welke alarmsignalen belangrijk zijn, herkent sneller verergering en vraagt op tijd hulp. Toch blijkt uit de praktijk dat dit inzicht vaak ontbreekt.
Educatie als hoeksteen van zorg
In de nieuwe richtlijn krijgt educatie een prominentere plaats dan voorheen. Vandaag gebeurt die vooral in ziekenhuizen door gespecialiseerde hartfalenverpleegkundigen. In de eerste lijn bestaat echter nog geen nomenclatuurnummer voor hartfaleneducatie, in tegenstelling tot diabeteseducatie. Dat vormt een drempel voor bredere implementatie.
“Als we de richtlijn willen uitvoeren zoals bedoeld, dan is deze taak bij uitstek in veilige handen van verpleegkundigen”, zegt huisarts Miek Smeets, actief binnen HeartsConnect, het Lerend Netwerk Hartfalen. “Waar diabeteseducatie ook door diëtisten kan gebeuren, zien we bij hartfalen een andere complexiteit. Daarom zijn er opleidingen voor eerstelijnsverpleegkundigen tot hartfalen educator die jaarlijks worden georganiseerd in verschillende regio’s en een postgraduaat hartfalen voor ziekenhuisverpleegkundigen. Daarnaast loopt aan de Universiteit Antwerpen een navorming hartfalen voor verpleegkundigen in de huisartsenpraktijk.
Nood aan een gestructureerd zorgtraject
Zowel de richtlijn als het consensusrapport onderstrepen het belang van een gestructureerd zorgpad voor hartfalen. Waar diabetes al jaren met een zorgtraject werkt, is dat voor hartfalen nog niet het geval. Nochtans toont internationale literatuur aan dat multidisciplinaire zorg, gecombineerd met educatie en opvolging, leidt tot minder heropnames en een betere levenskwaliteit.
“Dit stond ook in 2008 al op de agenda, en opnieuw tijdens de consensusvergadering”, zegt Miek. “We weten wat werkt, alleen is het beleid nog niet mee. Idealiter krijgt elke patiënt een gestructureerd, patiëntgericht opvolgplan mee naar de eerste lijn. Zo kan de zorg naadloos worden overgenomen.” In grotere ziekenhuizen belt de hartfalenverpleegkundige patiënten al na ontslag op en overlopen ze samen de medicatie. Het maakt volgens studies niet uit of dat telefoontje van een arts of verpleegkundige komt, zolang de opvolging verzekerd is.
Telemonitoring als extra hulpmiddel
De consensusvergadering besteedde ook aandacht aan niet-invasieve telemonitoring, waarbij parameters zoals gewicht, bloeddruk en klachten worden opgevolgd. Dat laat toe om sneller bij te sturen en heropnames te vermijden. Toch is de eerstelijn vaak niet betrokken in deze systemen. “Een testproject van het Wit-Gele Kruis in Turnhout en Herentals toont dat het anders kan”, vertelt Miek. “Daar combineert men telemonitoring en digitale zorg met een huisbezoek van de thuisverpleegkundige. Zo zie je de volledige context van de patiënt.” Dergelijke projecten bewijzen dat telemonitoring beter werkt wanneer iemand opvolgt, contact maakt en tijdig ingrijpt. Ook hier speelt de verpleegkundige een sleutelrol.
Multidisciplinair samenwerken
Hartfalen treft vooral oudere patiënten met meerdere zorgverleners rond zich. De consensus benadrukt dat samenwerking tussen huisarts, cardioloog, verpleegkundige, apotheker en kinesitherapeut geen luxe is maar noodzaak. “Alle bouwstenen zijn er voor een zorgpad hartfalen”, besluit Miek. “Nu is het nog wachten op beleid.”
Tot die structurele verankering er komt, blijft de praktijk bepalend. Door patiënten wegwijs te maken, medicatie-inname op te volgen, beweging te stimuleren en transmurale afstemming te versterken, helpen verpleegkundigen heropnames voorkomen en bouwen ze mee aan warme, duurzame hartfalenzorg.
Medicatie | Wat elke verpleegkundige moet weten over ‘deprescribing’: van kennis naar actie in de dagelijkse praktijk
Door Degefaye Zelalem Anlay 1-3 & Kristel Paque1,2,4
1Centre for Research and Innovation in Care (CRIC), Universiteit Antwerpen, België
2Nurse and Pharmaceutical Care (www.nuphac.eu)
3End-of-Life Care Research Group, Vrije Universiteit Brussel en Universiteit Gent, Brussel, België
4HAST, HBO5 Verpleegkunde, Hasselt, België
In het complexe zorglandschap van vandaag zijn verpleegkundigen meer dan alleen zorgverleners. Ze zijn klinische toezichthouders, pleitbezorgers voor patiënten en wegwijzers binnen het zorgsysteem. Een domein waarin hun rol steeds belangrijker wordt, maar vaak ondergewaardeerd, is deprescribing: het geplande en begeleide proces van het verlagen van de dosis of het stoppen van geneesmiddelen die mogelijk schade veroorzaken of geen voordelen meer bieden [1]. Deprescribing betekent niet dat zorg wordt onthouden, maar draait om het optimaliseren van de behandeling. Het volgt een gestructureerd proces dat bestaat uit het opstellen van een volledige medicatielijst, het beoordelen van de risico’s en voordelen van elk geneesmiddel, het identificeren van kandidaat-geneesmiddelen voor stopzetting en het implementeren van een plan met voortdurende monitoring op ontwenningsverschijnselen of verslechtering van de klinische toestand [2]. Dit proces kan reactief zijn – als reactie op bijwerkingen of interacties – of proactief, gepland samen met de patiënt voordat problemen ontstaan. Toch wordt in veel zorginstellingen deprescribing pas overwogen nadat schade is opgetreden [3].
Ondanks de toenemende beschikbaarheid van bronnen die uitleggen wanneer en hoe medicatie af te bouwen [4], blijft deze praktijk slecht geïntegreerd in de dagelijkse klinische zorg [5]. Dit is vooral zorgwekkend voor oudere volwassenen, die vaak meerdere geneesmiddelen gebruiken. Naarmate de gezondheidstoestand evolueert en leeftijdsgebonden veranderingen de stofwisseling van medicatie beïnvloeden, kunnen geneesmiddelen die ooit geschikt waren, ineffectief of zelfs schadelijk worden.
De voordelen van deprescribing zijn aanzienlijk. Het verminderen van het aantal geneesmiddelen kan bijwerkingen verminderen, interacties tussen geneesmiddelen beperken, kosten verlagen en de therapietrouw verbeteren. Het kan de kwaliteit van leven verhogen door de last van onnodige behandelingen te verlichten.
Hoewel alle onnodige geneesmiddelen in aanmerking komen voor deprescribing, krijgen bepaalde geneesmiddelen, vastgelegd via expertconsensus, prioriteit vanwege hun hogere risicoprofiel en de complexiteit bij het beoordelen van hun geschiktheid. Voorbeelden zijn benzodiazepines, antipsychotica, statines, tricyclische antidepressiva, protonpompremmers, anticholinergica, cholinesteraseremmers, opioïden en selectieve serotonineheropnameremmers (SSRI’s) [6]. Voor veel van deze geneesmiddelen zijn inmiddels richtlijnen voor deprescribing gepubliceerd die geraadpleegd kunnen worden om kennis en vaardigheden te vergroten. Bronnen zoals de website Deprescribing.org bieden evidence-based richtlijnen, trainingsmateriaal en patiëntenbrochures ter ondersteuning van het deprescribingproces [1]. Het Belgisch Centrum voor Farmacotherapeutische Informatie (BCFI) biedt daarnaast een e-learningmodule over afbouwen van medicatie aan [7].
Verpleegkundigen, als onmisbare en veelzijdige zorgverleners, bevinden zich in een unieke positie om deprescribing-initiatieven te bevorderen. Afhankelijk van hun bevoegdheden kunnen verpleegkundigen potentieel ongepaste medicatie (potentially inappropriate medications, PIM’s) identificeren, bijwerkingen monitoren, de coördinatie met voorschrijvers ondersteunen en patiënten en hun families betrekken bij gedeelde besluitvorming. Hun frequente contact met patiënten en holistische perspectief stelt hen in staat subtiele veranderingen in de gezondheidstoestand op te merken. Bijvoorbeeld, als een verpleegkundige observeert dat een patiënt verward is, duizelig wordt of vaker valt – mogelijk door een sederend of anticholinerg geneesmiddel – dan moet dit worden gedocumenteerd en onmiddellijk worden gemeld aan de voorschrijvende arts. Dit opent de deur naar een medicatiebeoordeling en mogelijk deprescribing. Verpleegkundigen kunnen ook gesprekken initiëren met de patiënt en hun familie om zorgen, voorkeuren en doelen met betrekking tot medicatiegebruik te verkennen. Zo zorgen ze ervoor dat behandelplannen aansluiten bij de veranderende behoeften en waarden van de patiënt.
Toch melden zorgprofessionals, waaronder verpleegkundigen, verschillende barrières bij het implementeren van deprescribing. Deze barrières omvatten beperkte tijd voor medicatiebeoordelingen, gebrek aan financiële stimulans, het ontbreken van nationale richtlijnen en de lage prioriteit die deprescribing in veel zorginstellingen krijgt, ondanks het belang ervan. Hoewel verpleegkundigen nauw samenwerken met patiënten voelen ze vaak dat ze weinig invloed hebben op beslissingen rond voorschrijven en afbouwen van medicatie, wat de integratie van deprescribing in de dagelijkse praktijk belemmert [5]. Deze kloof is opvallend omdat verpleegkundigen een cruciale rol kunnen spelen als actieve deelnemers aan deprescribing-initiatieven – dus niet als toeschouwers, maar als drijvende krachten van verandering. Door een proactieve rol op te nemen, kunnen zij bijdragen aan de integratie van deprescribing in de dagelijkse zorg en de verschuiving van een reactieve benadering naar een toekomstgerichte praktijk die de patiëntveiligheid en -uitkomsten verbetert [8].
Referenties
- deprescribing.org. What is Deprescribing? [Available from: https://deprescribing.org/what-is-deprescribing/.
- Scott IA, Hilmer SN, Reeve E, et al. Reducing inappropriate polypharmacy: the process of deprescribing. JAMA Intern Med. 2015;175(5):827-34.
- Wright DJ, Scott S, Buck J, et al. Role of nurses in supporting proactive deprescribing. Nurs Stand. 2019;34(3):44-50.
- Anlay DZ, Paque K, Van Leeuwen E, et al. Tools and guidelines to assess the appropriateness of medication and aid deprescribing: An umbrella review. Br J Clin Pharmacol. 2024;90(1):12-106.
- Anlay DZ, Peremans L, Cohen J, et al. Deprescribing for nursing home residents with limited life expectancy: A qualitative study to identify barriers and enablers for healthcare professionals. Geriatric Nursing. 2025;62:1-11.
- Farrell B, Tsang C, Raman-Wilms L, et al. What are priorities for deprescribing for elderly patients? Capturing the voice of practitioners: a modified delphi process. PLoS One. 2015;10(4):e0122246.
- Belgisch Centrum voor Farmacotherapeutische Informatie (BCFI). Goed en veilig gebruik van geneesmiddelen: deprescribing; [cited 2025 Jul 14]. Available from: https://www.bcfi.be/nl/chapters/1?frag=9991233&matches=deprescribing [
- Hart L, Berrou I. 463 Understanding the role of nurses in deprescribing medicines for older people: A systematic review. Int J Pharm Pract. 2023;31(Supplement_1):i18-i9.
Verzekeringen | Zekerheid in elke zorgsituatie
Een fout is snel gebeurd: een bril die valt, een zetel die beschadigd raakt of een misverstand tijdens het toedienen van zorg. Als verpleegkundige kunnen de gevolgen groot zijn, zowel menselijk als financieel. Daarom biedt NETWERK VERPLEEGKUNDE haar leden ook in 2026 een krachtige beroepsaansprakelijkheidsverzekering (BA) en een aanvullende bescherming met gewaarborgd inkomen en (optioneel) uitgebreide rechtsbijstand.
Als verpleegkundige heb je het leven van je zorgvrager in handen, maar even goed zijn hoorapparaat, een fles vruchtensap of belangrijke medicatie. Dat loopt niet altijd goed af. Ogenschijnlijk kleine incidenten leiden soms tot dure claims. Een verpleegkundige maakte het mee bij het uitnemen van een hoorapparaat: het toestel viel, was onherstelbaar beschadigd en moest volledig vervangen worden. Door de BA-verzekering via NETWERK VERPLEEGKUNDE werd deze schade volledig vergoed, zonder vrijstelling. De verpleegkundige hoefde dus geen enkele extra kost te dragen.
Via NETWERK VERPLEEGKUNDE geniet je opnieuw van een sterk groepstarief met uitgebreide polisvoorwaarden die ongewijzigd blijven voor 2026–2027. De verzekering is beschikbaar voor alle verpleegkundigen: zorgkundigen, basisverpleegkundigen, VVAZ, hoofdverpleegkundigen, zelfstandigen en coördinatoren. In loondienst of als zelfstandige. Zelfstandigen kunnen bovendien kiezen voor een formule met uitgebreide rechtsbijstand, bijvoorbeeld bij RIZIV-geschillen of onenigheid binnen groepspraktijken.
Wanneer het ernstiger wordt
Soms gaat het om meer dan materiële schade. Word je beschuldigd van een medische fout of kom je terecht bij de Federale Toezichtcommissie? Dan heeft dat impact op je reputatie en je gemoedsrust. Rechtsbijstand is dan onmisbaar.
Eén van de casussen toont hoe ver dat kan gaan. Een verpleegkundige diende – zonder het te weten – een lege vaccinatiespuit toe die een collega als grap had klaargelegd. De verpleegkundige werd opgeroepen bij de Federale Toezichtcommissie. Door de gekoppelde rechtsbijstand kreeg ze ondersteuning van een gespecialiseerde advocaat, zonder bijkomende kosten.
Extra bescherming bij uitval
Voor zelfstandige thuisverpleegkundigen liggen de risico’s hoger. Door een ongeval, een acute aandoening of langdurige ziekte kan je volledige inkomen plots wegvallen. De verzekering gewaarborgd inkomen vangt dat op met een vaste dagvergoeding, zodat je financiële stabiliteit hebt tijdens je herstelperiode. Zo voorkom je dat een periode van arbeidsongeschiktheid leidt tot financiële problemen.
Of je nu in loondienst werkt of zelfstandig verpleegkundige aan de slag gaat: een BA-verzekering is geen luxe, wel een noodzakelijke vorm van bescherming. Door de voordelige premies, uitgebreide voorwaarden en optie tot gewaarborgd inkomen en rechtsbijstand, krijgen leden van NETWERK VERPLEEGKUNDE toegang tot een solide vangnet dat meegroeit met hun verantwoordelijkheden. Belangrijk om weten: de verzekering komt enkel tussen als je aansluiting in orde is op het moment van het incident.
Nieuwe categorieën vanaf 2027
Veranderingen in het zorglandschap vragen dat de verzekeringsmaatschappijen mee evolueren om een optimale dekking te bieden. Daarom werd vanaf 2027 een herstructurering van het aanbod onderhandeld met de nodige instanties. De uitgebreide polisvoorwaarden en interessant groepstarief blijven ongewijzigd. Daarnaast werden ook de voorwaarden van de polis rechtsbijstand aangepast, zowel voor het bediendestatuut als het zelfstandigenstatuut, elk met een ongewijzigd tarief.
| Categorie | Omschrijving | Premie 2027 |
| Cat. 1 – Bedienden | Zorgkundigen, basisverpleegkundigen en verpleegkundige algemene zorg (VVAZ), inclusief specialisaties. | €75 |
| Cat. 2 – Zelfstandig verpleegkundige | Incl. zelfstandig gespecialiseerde verpleegkundige (VVAZ, wondzorg, … ) | €95 |
| Cat. 3 – Zelfstandigen met uitgebreide rechtsbijstand | Rechtsbijstand o.a. bij RIZIV-geschillen en geschillen in groepspraktijken. | €230 |
| NIEUWE VANAF 2027 Cat. 4 – Verpleegkundig specialist in loondienst |
€95 | |
| NIEUWE VANAF 2027 Cat. 5 – Zelfstandige verpleegkundig specialist |
€125 | |
| NIEUWE VANAF 2027 Cat. 6 – Zelfstandige verpleegkundig specialist met uitgebreide rechtsbijstand |
Zelfstandige verpleegkundig specialisten met uitgebreide rechtsbijstand voor o.a. bij RIZIV-geschillen en geschillen in groepspraktijken. | €245 |
Rouw | Respectvolle zorg na overlijden
Wanneer iemand overlijdt, komt veel op familie en zorgverleners af. Voor verpleegkundigen maakt de voorbereiding voor de lijktooi een onderdeel uit van de laatste zorg voor hun patiënt. Het gaat daarbij niet alleen om techniek, maar ook om nabijheid, communicatie en respect voor de overledene.
Lijktooi betekent het lichaam van een overleden persoon zo natuurlijk en sereen mogelijk verzorgen. Vaak is dat het eerste beeld dat familie zal zien. “Dat beeld blijft hen bij, soms een leven lang”, zegt Thomas Heiremans, partner en woordvoerder bij Sereni Uitvaartplanners. “Daarom is het waardevol om kort na het overlijden enkele eenvoudige handelingen te doen.”
Concreet gaat het om kleine gebaren: de ogen zachtjes sluiten, de handen rustig op elkaar of naast het lichaam leggen en de kin ondersteunen met een subtiel opgerolde windel. Ook incontinentiemateriaal voorzichtig aanbrengen hoort daarbij. “Zulke praktische zaken helpen om een waardig laatste beeld te bewaren en geven familie de kans om hun dierbare in alle sereniteit te groeten.”
Nabijheid en communicatie
Behalve technische zorg speelt de menselijke kant een grote rol. Familieleden willen vaak nog afscheid nemen. Betrek de familie dan ook bij het creëren van een warme sfeer, demp het licht, leg het dekbed eventueel samen mooi, voorzie een bloemetje of een kaarsje. Ook communicatie maakt een verschil. Familie voelt zich gesteund wanneer je uitlegt wat mogelijk is en wat ze kunnen verwachten. Dat is zeker belangrijk bij een onverwacht of traumatisch overlijden, bijvoorbeeld na een ongeval. “Stel jezelf altijd de vraag: zou ik mijn geliefde zo willen zien? Bied familie de kans om afscheid te nemen, ook al is dat maar kort. Geef die kans ook aan collega’s die soms jarenlang voor een bewoner zorgden. Dat moment kan een belangrijke stap zijn in het verdere rouwproces.”
Samenwerking in zorg
Verpleegkundigen en uitvaartzorgers vinden elkaar in dezelfde kern: zorg. Soms duurt het enkele uren voor een begrafenisondernemer ter plaatse is. In die tussentijd staat de verpleegkundige dicht bij de familie en het lichaam. “Dat is een kwetsbare maar zeer waardevolle rol”, besluit Thomas. “Een goede samenwerking en rituelen of wensen open bespreken brengt families veel rust. “Daarin zijn verpleegkundigen van onschatbare waarde.”
Enkele tips bij lijktooi:
- Gebruik geen extra producten. Na het overlijden herstelt de huid niet meer, dus intensieve verzorging is niet nodig.
- Ga zacht te werk. Wil je toch de overledene wat opfrissen, dep dan voorzichtig met een lauwwarm washandje.
- Werk samen. Schakel een collega (of waarom niet iemand van de familie) in om het lichaam te herpositioneren om drukplekken of letsels te vermijden.
- Sluit ogen en mond niet zelf met lijm of zwachtels. Daar bestaan professionele methodieken voor die uitvaartzorgers toepassen.
- Blijf neutraal. Vermijd religieuze of culturele symbolen als je de overtuiging van de overledene niet kent.
- Hou het eenvoudig en respectvol. Een rustige, zorgzame houding zegt vaak meer dan extra handelingen.
- Werk met vertrouwen. Ga kalm en met respect te werk. Dat geeft ook familieleden een gevoel van rust.
- Betrek familieleden of vertrouwde collega’s. Bespreek voorkeuren indien mogelijk vooraf en nodig hen uit om dit moment samen te beleven.
Zorgkunde | Microdegree zorgkundige voor studenten ergotherapie
Het microdegree zorgkundige voor studenten ergotherapie is een vorming die wordt aangeboden door enkele hogescholen in Vlaanderen. De Federale Raad voor de Paramedische Beroepen (FRPB) en de Technische Commissie voor de Paramedische Beroepen (TCPB) formuleerden een advies in 2022.
Studenten ergotherapie kunnen een microdegree volgen, aanvullend op hun eerste bachelorjaar ergotherapie. Vandaag krijgen studenten basisverpleegkunde en VVAZ automatisch het visum van zorgkundige nadat ze voor hun eerste jaar slaagden. Sinds het KB van 23 oktober 2023 en KB van 7 mei 2024 kunnen vroedkundigen na te slagen voor het eerste jaar van de opleiding, onder dezelfde voorwaarden als de VVAZ en de basisverpleegkundige, het visum van zorgkundige behalen. Om dit binnenkort ook voor studenten ergotherapie via een bijkomend microdegree mogelijk te maken, zal afhangen van de federale wetgeving die gewijzigd moet worden.
Advies van federale instanties
Welke paramedische beroepen en studenten zouden baat hebben bij een registratie als zorgkundige? En aan welke aanvullende eisen moet worden voldaan om de nodige vaardigheden te verwerven? Hierover formuleerden de FRPB en TCPB in 2022 een advies over alle paramedische beroepsbeoefenaars. Zo vinden ze de erkenning van paramedische studenten als zorgkundige een interessante piste om de toegankelijkheid van zorg te waarborgen. Niet alleen ontwikkelen ze zo tijdens hun opleiding meer patiëntgerichte contacten en vaardigheden, ze ervaren ook competenties uit een ander gezondheidszorgberoep, wat kan leiden tot betere samenwerkingen. Wat absoluut niet de bedoeling mag zijn, is iemand verplichten zich als zorgkundige te laten registreren om arbeidstekorten op te vullen. Tekorten aan zorgpersoneel situeren zich namelijk ook op het niveau van de paramedische beroepen en vaak hebben deze beroepen geen professioneel raakvlak. Denk maar aan orthopedisch technologen of audiologen. Bovendien werken paramedische beroepen meestal op medisch voorschrift (soms ook bepaalde handelingen in autonomie) en dus onder voogdij van de behandelende arts.
Daarnaast merkt de adviestekst op dat de zorgkundige handelingen deel uitmaken van de verpleegkundige zorg. Waar de zorgkundige focust op zorg, logistiek en educatie, situeert zich dat bij paramedische beroepen eerder op begeleiding, preventie en beoordeling. Ook het opleidingsniveau verschilt. Paramedische beroepen hebben een bachelordiploma, zorgkundigen meestal niet. De FRPB en TCPB vragen zich af of het niet nuttiger is te bekijken om de handelingen van paramedische beroepen uit te breiden met die van zorgkundigen.
Een andere mogelijke piste is volgens hen om voor studenten die slaagden voor de cursussen, vrijstellingen te geven wanneer die zich heroriënteert naar de opleiding zorgkundige. Zo worden persoonlijke keuzes gestimuleerd zonder een nieuw soort zorgkundig profiel in het leven te roepen.
Beroepsgroep mee aan tafel
Hoe kijken ergotherapeuten hier zelf naar? “We vinden het vooral jammer dat de opleiding en het principe van de microdegree zorg besproken wordt zonder onze beroepsgroep mee aan tafel te vragen”, zegt Stijn De Baets, voorzitter van Ergotherapie Vlaanderen. “Het is niet de rol waarin we de ergotherapeut zien schitteren. In de ouderenzorg draaien we al onwettelijk mee in de zorg voor bewoners door het tekort aan personeel en dan met name voor ADL-taken. Als ergotherapeut werk je rond de zelfredzaamheid van mensen, rond zinvolle tijdsbesteding. Daar bieden wij een grote meerwaarde.”
De beroepsvereniging erkent dat er veel beweegt rond het statuut van de ergotherapeut. “Op alle niveaus is er erkenning voor ons beroep, maar de financiering blijft uit. We zijn absoluut voorstander van inzetten op innovatie en van samenwerken met het onderwijs. Toch moeten we opletten dat we de ergotherapeut blijven inzetten op de sterktes van het beroep en op de plaats waar we het meest kunnen betekenen. We zijn specialisten in dagelijks handelen, zoals verpleegkundigen specialisten zijn in zorgen voor mensen. Laat elke beroepsgroep meebeslissen hoe ze hun rol het beste kunnen invullen door hen te betrekken bij belangrijke gesprekken zoals de registratie als zorgkundige. Laat ons samen constructief nadenken.”
NETWERK VERPLEEGKUNDE communiceerde in 2022 dat er op deze manier een vangnet gecreëerd wordt voor een groep studenten die bijvoorbeeld vroegtijdig hun studies beëindigen. Het biedt ook de optie aan deze studenten om na de schoolactiviteiten als zorgkundige aan de slag te gaan. Uiteraard stellen we hierbij strikte voorwaarden aan de opleiding die ze bijkomend moeten volgen, conform de vroedkundigen. Daarnaast is het belangrijk te beseffen dat de titel ‘zorgkundige’ een verpleegkundige functie is (WUG 2015). De zorgkundige werkt altijd onder toezicht en delegatie van verpleegkundigen. Dus ook wanneer een potentiële kandidaat na het behalen van de titel zorgkundige in een latere fase afstudeert als bijvoorbeeld vroedkundige of ergotherapeut, zijn verpleegkundige handelingen enkel toegelaten wanneer deze kandidaat wordt tewerkgesteld als zorgkundige binnen een zorgorganisatie en dit steeds onder toezicht en delegatie van een verpleegkundige.
Medicatie | Vaccinatiebeleid in globale infectieziektebestrijding en maternale preventie
Door Elke Loots1,2, Kirsten Maertens3 en Pierre van Damme3
1 Departement Verpleeg- en Vroedkunde, Centre for Research and Innovation in Care (CRIC), Nurse and Pharmaceutical Care , Faculteit Geneeskunde- en Gezondheidswetenschappen, Universiteit Antwerpen
2 Ziekenhuis aan de Stroom (ZAS), Antwerpen
3 Centrum voor de Evaluatie van Vaccinaties, Vaccin- en Infectieziekteninstituut, Universiteit Antwerpen
Op 23 april 2025 gaven emeritus prof. dr. Pierre Van Damme (Universiteit Antwerpen, Centrum voor de Evaluatie van Vaccinaties) en prof. dr. Kirsten Maertens (Universiteit Antwerpen, Centrum voor de Evaluatie van Vaccinaties) een gezamenlijk webinar in het kader van de navormingsreeks Medicatie Meesterlijk, een initiatief van NuPhaC en het Centre for Research and Innovation in Care (Universiteit Antwerpen) met als doel de kennis over farmacotherapie en farmaceutische zorg bij verpleegkundigen te verdiepen. Dit artikel biedt een inhoudelijk overzicht van het actuele vaccinatiebeleid, met bijzondere aandacht voor wereldwijde bestrijding van infectieziekten en vaccinatiestrategieën tijdens de zwangerschap.
Vaccinatie: een fundamentele pijler van onze volksgezondheid
Vaccinatie vormt een van de meest impactvolle strategieën binnen onze volksgezondheid, met een bewezen effect op de bestrijding van infectieziekten en het beperken van de bijhorende morbiditeit en mortaliteit [1,2]. Dit wordt bereikt door het aantal vatbare personen in de bevolking te verminderen en bescherming te bieden tegen infectie en/of dragerschap. Bovendien kan vaccinatie groepsimmuniteit creëren: wanneer een voldoende groot deel van de populatie immuun is, neemt de circulatie van de ziekteverwekker af, waardoor ook niet-gevaccineerden indirect beschermd worden [3,4]. Dit fenomeen in cruciaal voor het beschermen van kwetsbare groepen die zelf niet gevaccineerd kunnen worden.
Vaccinatie vormt daarmee een essentiële pijler van volksgezondheid en een krachtig instrument om infectieziekten op populatieniveau te bestrijden. Binnen infectiecontrole onderscheiden we drie niveaus: (1) ziektecontrole (vermindering van incidentie en morbiditeit), (2) eliminatie (regionale stopzetting van transmissie) en (3) eradicatie (wereldwijde uitroeiing van een ziekteverwekker). Eradicatie is enkel mogelijk wanneer de overdracht exclusief van mens op mens gebeurt, de mens de enige gastheer is en er een effectieve interventie beschikbaar is. Vandaag zijn pokken het enige voorbeeld van succesvolle wereldwijde eradicatie [5,6].
Hindernissen en uitdagingen voor duurzame infectiecontrole
Hoewel infectieziekten zoals polio en mazelen theoretisch aan de voorwaarden voor eradicatie voldoen, blijkt dit in de praktijk bijzonder complex. De lage vaccinatiegraad, vaccinatietwijfel, maatschappelijke ongelijkheid, en instabiliteit in conflictgebieden vormen substantiële obstakels [7,8]. Daarnaast ondermijnen structurele uitdagingen zoals logistieke beperkingen, ontoereikende infrastructuur, onvoldoende koelvoorzieningen voor vaccins en beperkte monitoring de doeltreffendheid van vaccinatieprogramma’s.
Een bijkomende complexiteit ontstaat bij het gebruik van orale levende verzwakte vaccins, zoals bij polio. Mutaties kunnen leiden tot circulatie van vaccinafgeleide virussen, wat in sommige gevallen nieuwe uitbraken veroorzaakt [9,10]. Dit risico heeft de ontwikkeling gestimuleerd van genetisch stabielere orale vaccins, onder meer getest in Belgische onderzoekscentra.
Het waarborgen van een hoge en aanhoudende vaccinatiegraad vereist niet alleen wetenschappelijke innovatie, maar ook blijvende politieke wil en maatschappelijke betrokkenheid. Preventieve gezondheidszorg — met vaccinatie als speerpunt — blijft zo een voortdurend samenspel tussen beleid, praktijk en wetenschap [11,12].
De rol van verpleegkundigen in vaccinatieprogramma’s
Een vaak onderbelicht, maar cruciaal aspect binnen het vaccinatiebeleid is de rol van verpleegkundigen. Zij zijn onmisbaar voor het toegankelijk maken en uitvoeren van vaccinatieprogramma’s, zowel in ziekenhuizen en woonzorgcentra als in de eerstelijnszorg. In België beschikken zij over de wettelijke bevoegdheid om vaccinaties toe te dienen, mits ze hiervoor opgeleid zijn en handelen binnen een protocol of op voorschrift van een arts [13,14].
Toch reikt hun rol verder dan enkel het toedienen van vaccins. Verpleegkundigen zijn vaak het eerste aanspreekpunt voor patiënten en spelen een sleutelrol bij het bevorderen van vaccinatievertrouwen en -bereidheid. Door correcte informatie te geven, vragen te beantwoorden en misvattingen te weerleggen, dragen zij actief bij tot het terugdringen van vaccinatietwijfel [15,16]. Deze educatieve en communicatieve rol maakt verpleegkundigen tot centrale actoren in het realiseren van een hoge vaccinatiegraad.
In internationale contexten, vooral in lage- en middeninkomenslanden waar artsenschaarste of logistieke beperkingen heersen, zijn verpleegkundigen vaak de spilfiguren in grootschalige vaccinatiecampagnes. Hun inzet draagt rechtstreeks bij aan de verwezenlijking van volksgezondheidsdoelstellingen zoals ziektecontrole, eliminatie en waar mogelijk eradicatie. Het erkennen en versterken van hun rol is daarom fundamenteel voor een succesvol en duurzaam vaccinatiebeleid, zowel nationaal als wereldwijd [17,18].
Vaccinatie tijdens de zwangerschap: bescherming voor twee
Naast de algemene vaccinatiestrategieën wint vaccinatie tijdens de zwangerschap internationaal aan belang als strategie ter bescherming van zowel moeder als kind. Zwangere vrouwen en hun ongeboren kind lopen een verhoogd risico op ernstige complicaties bij infectieziekten zoals griep en COVID-19. Bovendien is de pasgeborene in de eerste levensmaanden bijzonder kwetsbaar voor infectieziekten zoals kinkhoest, aangezien het kind nog te jong is om al beschermd te zijn door eigen vaccinaties. Een oplossing is vaccinatie tijdens de zwangerschap: door vrouwen tijdens de zwangerschap te vaccineren, maken zij antistoffen aan die via de placenta en later ook via borstvoeding aan het kind worden doorgegeven. Deze beschermende antistoffen bieden passieve immuniteit aan het pasgeboren kind tijdens de kwetsbare eerste levensmaanden [19,20].
Onderzoek toont aan dat vaccinatie tijdens de zwangerschap met aanbevolen vaccins (bv. griep, kinkhoest, RSV en COVID-19) veilig en effectief is, en bijdraagt aan het verminderen van maternale complicaties, vroeggeboorte en neonatale hospitalisatie en sterfte. Hoewel maternale antistoffen de eigen immuunrespons van het kind op latere vaccinaties enigszins kunnen verminderen, een fenomeen dat bekend staat als ‘blunting’, blijkt de klinische impact hiervan beperkt en wordt deze ruimschoots gecompenseerd door de voordelen die maternale vaccinatie in de eerste levensmaanden biedt [21-24].
Vaccinatie tijdens de zwangerschap past daarmee binnen een bredere visie op preventieve gezondheidszorg, waarbij extra aandacht gaat naar kwetsbare groepen. Deze strategie draagt namelijk bij aan het verkleinen van gezondheidsverschillen en het terugdringen van moeder- en kindersterfte wereldwijd, een ambitie die centraal staat in de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen van de WHO [25].
Referenties
- Andre FE, Booy R, Bock HL, Clemens J, Datta SK, John TJ, et al. Vaccination greatly reduces disease, disability, death and inequity worldwide. Bull World Health Organ. 2008;86(2):140–6. doi:10.2471/BLT.07.040089.
- World Health Organization. Immunization coverage. Geneva: WHO; 2023.
- Fine P, Eames K, Heymann DL. “Herd immunity”: A rough guide. Clin Infect Dis. 2011;52(7):911–6. doi:10.1093/cid/cir007.
- Plans P. Vaccination strategies for the control and elimination of measles, mumps and rubella. Hum Vaccin Immunother. 2013;9(4):823–35. doi:10.4161/hv.22912.
- Fenner F, Henderson DA, Arita I, Jezek Z, Ladnyi ID. Smallpox and its eradication. Geneva: World Health Organization; 1988.
- Hopkins DR. Smallpox: ten years gone. N Engl J Med. 1988;318(7): 485–92. doi:10.1056/NEJM198802183180706.
- World Health Organization. Poliomyelitis. Geneva: WHO; 2024.
- Moss WJ. Measles. Lancet. 2017;390(10111):2490–502. doi:10.1016/S0140-6736(17)31463-0.
- Burns CC, Diop OM, Sutter RW, Kew OM. Vaccine-derived polioviruses. J Infect Dis. 2014;210 Suppl 1:S283-93. doi:10.1093/infdis/jiu295.
- Macklin GR, O’Reilly KM, Grassly NC, Edmunds WJ, Mach O, Santhana Gopala Krishnan R, et al. Evolving epidemiology of poliovirus serotype 2 following withdrawal of the type 2 oral poliovirus vaccine. Science. 2020;368(6489):401-5. doi:10.1126/science.aay3356.
- Orenstein WA, Ahmed R. Simply put: Vaccination saves lives. Proc Natl Acad Sci U S A. 2017;114(16):4031-3. doi:10.1073/pnas.1704507114.
- MacDonald NE, SAGE Working Group on Vaccine Hesitancy. Vaccine hesitancy: Definition, scope and determinants. Vaccine. 2015;33(34):4161-4. doi:10.1016/j.vaccine.2015.04.036.
- Frawley JE, McKenzie K, Broom A. The role of nurses in promoting vaccination uptake: A scoping review. Vaccine. 2022;40(6):918-26. doi:10.1016/j.vaccine.2021.12.039.
- World Health Organization. Role of nurses and midwives in immunization. Geneva: WHO; 2018.
- Betsch C, Schmid P, Heinemeier D, Korn L, Holtmann C, Böhm R. Beyond confidence: Development of a measure assessing the 5C psychological antecedents of vaccination. PLoS One. 2018;13(12):e0208601. doi:10.1371/journal.pone.0208601.
- Jarrett C, Wilson R, O’Leary M, Eckersberger E, Larson HJ. Strategies for addressing vaccine hesitancy – A systematic review. Vaccine. 2015;33(34):4180-90. doi:10.1016/j.vaccine.2015.04.040.
- Cutts FT, Claquin P, Danovaro-Holliday MC, Rhoda DA. Monitoring vaccination coverage: Defining the role of surveys. Vaccine. 2016;34(35):4103-9. doi:10.1016/j.vaccine.2016.06.053.
- World Health Organization. Global Vaccine Action Plan 2011-2020. Geneva: WHO; 2013.
- Munoz FM, Jamieson DJ. Maternal immunization. Obstet Gynecol. 2019;133(4):739-53.
- Swamy GK, Heine RP. Vaccinations for pregnant women. Obstet Gynecol. 2015;125(1):212-26.
- Zaman K, Roy E, Arifeen SE, Rahman M, Raqib R, Wilson E, et al. Effectiveness of maternal influenza immunization in mothers and infants. N Engl J Med. 2008;359(15):1555-64. doi:10.1056/NEJMoa0708630.
- Amirthalingam G, Campbell H, Ribeiro S, Fry NK, Ramsay M, Miller E, et al. Sustained effectiveness of the maternal pertussis immunization program in England 3 years following introduction. Clin Infect Dis. 2016;63(suppl 4):S236-43. doi:10.1093/cid/ciw559.
- Abu Raya B, Edwards KM, Scheifele DW, Halperin SA. Pertussis and influenza immunisation during pregnancy: A landscape review. Lancet Infect Dis. 2017;17(7):e209-22. doi:10.1016/S1473-3099(17)30190-1.
- Maertens K, Caboré RN, Huygen K, Hens N, Van Damme P, Leuridan E. Pertussis vaccination during pregnancy in Belgium: Results of a prospective controlled cohort study. Vaccine. 2016 Jan 2;34(1):142-50. doi: 10.1016/j.vaccine.2015.10.100.
- Perin J, Mulick A, Yeung D, Villavicencio F, Lopez G, Strong KL, et al. Global, regional, and national causes of under-5 mortality in 2000–19: an updated systematic analysis with implications for the sustainable development goals. Lancet Child Adolesc Health. 2022;6(2):106-15. doi:10.1016/S2352-4642(21)00311-4.
Medicatie | Veilig omgaan met vervallen en ongebruikte geneesmiddelen
Door apr. Simon Boonaert
Geneesmiddelen zijn geen gewone producten: de afvalverwerking vereist een specifieke aanpak om risico’s voor gezondheid, privacy en milieu te vermijden. Vervallen of ongebruikte geneesmiddelen breng je terug naar de apotheek. Vaak ben je als verpleegkundige het eerste aanspreekpunt en kan je de patiënt hierover informeren.
Waarom correcte vernietiging essentieel is
Vervallen of ongebruikte geneesmiddelen bevatten actieve stoffen die, bij slechte bewaring of verwerking schadelijk kunnen zijn voor mens en milieu. Ze horen niet thuis in de vuilnisbak of het toilet, en mogen ook niet worden aangeboden aan het recyclagepark. Antibiotica vormen hierbij een belangrijk voorbeeld: wanneer ze via het afvalwater in het oppervlaktewater terechtkomen, kunnen ze bijdragen aan de ontwikkeling van antibioticaresistentie. Bovendien kunnen geneesmiddelen bij gebruik anders dan voorgeschreven gevaarlijk zijn. Daarom is het belangrijk om deze niet langer dan nodig thuis te bewaren.
Inzameling van vervallen of ongebruikte geneesmiddelen
Volgens het KB van 21 januari 2009 heeft de apotheker de plicht om vervallen of ongebruikte geneesmiddelen (ook als ze niet in die apotheek werden aangekocht) te aanvaarden als ze op de juiste manier worden aangeboden. Het is hierbij belangrijk om de medicatie zonder verpakking en bijsluiter aan te bieden om het werk van de apotheker te vergemakkelijken. Om medische informatie geheim te houden wordt het etiket best verwijderd of onleesbaar gemaakt voor deze wordt weggegooid.
In samenwerking met de gewesten organiseert en financiert de gehele farmaceutische sector een selectieve inzameling van vervallen of ongebruikte geneesmiddelen. In 2023 werd op deze manier 431 ton geneesmiddelen ingezameld en vernietigd in Vlaanderen.
Wat zal de apotheker terugnemen?
- Niet-gebruikte (zet)pillen en capsules (mogen nog in de strip zitten), inclusief homeopathische en dierengeneesmiddelen.
- Restjes zalf in de tube.
- Siropen en (restanten van) vloeibare geneesmiddelen (bv. neus- en oordruppels) in hun flessen.
- Niet-gebruikte patches.
- Restanten van sprays en aerosolflacons.
- Voorgevulde spuiten in hun blisterverpakking.
Wat zal de apotheker niet terugnemen?
| Lege verpakkingen van geneesmiddelen | Recyclage |
| Lege en propere glazen flesjes | ♻ glasbol of via huis-aan-huis ophaling |
| Injectienaalden | ♻ In een naaldcontainer via recyclagepark of ophaling klein gevaarlijk afval (kga) |
| Lege en propere plastic flesjes | ♻ blauwe pmd-zak |
| Lege doordruk- en kunststofverpakkingen | ♻ huishoudelijk restafval |
| Niet-geneesmiddelen | Recyclage |
| Restanten van cosmetica | ♻ huishoudelijk restafval |
| Dieet- en babyvoeding, vitaminebereidingen en kruidenproducten | ♻ huishoudelijk restafval of gft |
| Restanten van chemicaliën en cosmetica met gevaarlijke stoffen | ♻ recyclagepark |
| Radiografieën | ♻ ziekenhuis, recyclagepark of kga |
Meer info over wat te doen met vervallen geneesmiddelen vind je terug op www.apotheek.be.
Evidence | Van wereldvoorbeeld naar bestuurlijk fiasco?
Door Jef Adriaenssens
Er staat een ingrijpende reorganisatie op til van het netwerk rond evidence-based practice in België. Het RIZIV en de FOD Volksgezondheid beslisten om de federale financiering van Evikey en haar vzw’s eind 2025 stop te zetten. Zij zien vanaf 1 januari 2026 hun financiële middelen naar het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) gaan. Jef Adriaenssens, voorzitter van Ebpracticenet, bestuurder bij WOREL en staflid van Cebam, geeft tekst en uitleg.
Evikey is het Belgische netwerk voor evidence-based practice (EBP). Het brengt expertisecentra, EPB- en gezondheidsactoren samen en beheert belangrijke EBP-databanken en richtlijnen voor verschillende gezondheidszorgberoepen. Misschien zegt Evikey je niets, maar CDLH, Cebam, Ebpracticenet, WOREL, Minerva, … doen zeker en vast een belletje rinkelen. Al deze vzw’s verliezen vanaf 1 januari 2026 hun werkingsmiddelen. Het KCE zal voortaan sturing geven aan EBP-gerelateerde activiteiten in ons land.
“Hoe dat er in de praktijk zal uitzien, weten we nog niet”, licht Jef Adriaenssens toe. “Er is nog veel onduidelijkheid op het vlak van rolinvulling, personeelsinzet en expertiseverdeling. Hierover gaan we in overleg met het KCE. De worstcasescenario’s die op tafel liggen, zijn die van collectief ontslag van onze medewerkers – met een braindrain tot gevolg – tot de ontbinding van de vzw’s. Daarnaast moeten verschillende cruciale projecten en processen, binnen onder meer Ebpracticenet, dringend opgestart worden om de continuïteit van de organisatie te waarborgen. Elke vraag om financiën voor deze projecten wordt momenteel tegengehouden. Mijn grootste vrees is dat we jaren achteruit gekatapulteerd worden. Alsof decennia van opbouw nooit hebben bestaan.”
België als pionier
In de jaren 90 werd evidence-based medicine (later evidence-based practice) wereldwijd op de kaart gezet door David Sackett en Gordon Guyatt[1],[2]. Zij legden aan de McMaster University in Canada de basis voor een methodiek die beslissingen in de zorg onderbouwt met wetenschappelijk bewijs, professionele expertise en patiëntwaarden. België behoorde tot de vroege aanhangers. Al in de jaren 90 ontstonden aan de universiteiten — organisch en met bescheiden middelen — academische EBP-kenniscellen zoals CEBAM, Minerva, WOREL, SESA en Ebpracticenet. Zij pionierden met richtlijnontwikkeling, kritische besprekingen, opleidingen en campagnes.
Toch bleef de impact op de praktijk aanvankelijk beperkt. Een scharniermoment volgde tussen 2016 en 2018, toen minister Maggie De Block aan het KCE de opdracht gaf om een plan uit te tekenen om de krachten te bundelen in een netwerkstructuur[3],[4], later gekend als Evikey. Op zes jaar tijd werd Evikey een performant platform met hoge output en zichtbare impact: duizenden richtlijnen (deels producten uit eigen ontwikkeling, deels buitenlandse gecontextualiseerde vertaalde content) via Ebpracticenet, degelijke patiëntinformatie via Gezondheid en Wetenschap en Info Santé, en een reeks opleidingen en sensibilisatiecampagnes via de kernpartners.
En dat met zeer beperkte middelen, amper 0,0066 procent van het gezondheidszorgbudget[5]. België werd over de jaren internationaal zelfs een voortrekker: het enige land met een groot, centraal, online, tweetalig, gratis en landbreed verspreid EBP-aanbod. De efficiëntie, academische kwaliteit en maatschappelijke meerwaarde stonden buiten kijf.
Jef: “Misschien was een zware netwerkkoepel niet meer nodig en was er nog wel ergens efficiëntiewinst te halen. Maar dat dit gebeurde zonder overleg of transitieplan heeft grote gevolgen. Deze beslissing is niet alleen strategisch onbegrijpelijk, ze is ook respectloos tegenover de wetenschappelijke inspanningen van de grote groep betrokkenen. In tijden waarin gezondheidszorg snakt naar betrouwbaarheid, transparantie en efficiëntie, kiest de overheid ervoor een performant netwerk abrupt droog te leggen. Als voorzitter van de grootste vzw binnen Evikey kijk ik met verslagenheid toe hoe alles dreigt verloren te gaan. Want EBP is geen modewoord of subsidiestroom. Het is een ethisch kompas voor goede zorg. En dat kompas verdient het om verdedigd te worden — wetenschappelijk, maatschappelijk en politiek. Dus, beleidsmakers, herzie het plan, kom op jullie stappen terug en ga in overleg met de stakeholders om te komen tot een constructieve oplossing.”
[1] Sackett DL, Rosenberg WM, Gray JA, Haynes RB, Richardson WS. Evidence based medicine: what it is and what it isn’t. BMJ. 1996;312(7023):71–72.
[2] Guyatt GH et al. Evidence-Based Medicine: A New Approach to Teaching the Practice of Medicine JAMA. 1992;268(17):2420–2425
[3] Adriaenssens J, Eyssen M, Mertens R, Benahmed N, Paulus D, Ameye F, Bossens M, Cauwenberg C, Cools A, Doms K, Everaert E, Gheysen M, Haelterman M, Laloup M, Malonne H, Meeus P, Penninckx W, Roisin T, Walraevens M. Het Belgische EBP Plan. Health Services Research (HSR). Brussels. Belgian Health Care Knowledge Centre (KCE). 2017. KCE Reports 291.
[4] Adriaenssens J, Jonckheer P, Vriesacker K, Sonnaert M, Van Bruystegem E, Eyssen M. The Belgian EBP Network: operationalisation of processes and governance structures for the Federal EBP Programme. Health Services Research (HSR) Brussels: Belgian Health Care Knowledge Centre (KCE). 2019. KCE Reports 317
[5] RIZIV. (2025). Gezondheidszorgbegroting 2025: Beslissing van de ministerraad. Geraadpleegd op 12 juli 2025, van https://www.riziv.fgov.be/SiteCollectionDocuments/gezondheidszorgbegroting_2025.pdf
Gevolgen voor jou als lid
De inkanteling van alle evidence-based informatie binnen het KCE heeft gevolgen voor de leden van NETWERK VERPLEEGKUNDE. Via hun lidmaatschap hebben zij namelijk toegang tot de CDLH-databank. Het KCE wordt door deze nieuwe regeling namelijk beheerder van CDLH. De beroepsorganisatie gaat in overleg om dit voordeel voor onze leden te blijven garanderen.
Medicatie | Een nieuw tijdperk in antistolling: van VKA naar DOAC
Door Marie Blondeel1,2 en Hein Heidbuchel3,4
Op 7 mei 2025 hield prof. dr. Hein Heidbuchel (Universiteit Antwerpen, UZA) een webinar voor Medicatie Meesterlijk — een initiatief van NuPhaC en het Centre for Research and Innovation in Care (Universiteit Antwerpen) om de farmacotherapeutische kennis van verpleegkundigen te verdiepen. Als vooraanstaand cardioloog en voormalig voorzitter van de European Heart Rhythm Association (EHRA) deelde prof. Heidbuchel zijn expertise over de plaats van directe orale anticoagulantia in de hedendaagse cardiovasculaire zorg.
Van klassieke bloedverdunners naar doelgerichte therapie
Waar vitamine K-antagonisten (VKA’s) zoals Marcoumar en Marevan jarenlang de hoeksteen waren van trombo-embolische preventie, luidden de directe orale anticoagulantia (DOACs) een nieuwe fase in. VKA’s werken aspecifiek en vereisen intensieve monitoring via INR-controles. DOACs (ook wel NOACs genoemd) remmen daarentegen selectief factor Xa of trombine en vereisen in de meeste gevallen geen routinecontroles. “We hoeven geen INR-bepalingen meer te doen. We geven een vaste dosis en in sommige gevallen een vaste, gereduceerde dosis”, aldus prof. Heidbuchel. Deze eenvoud draagt bij aan betere kwaliteit van leven en therapietrouw bij patiënten.
Grenzen en verfijning van de standaard
Hoewel DOACs wereldwijd de voorkeur genieten, blijven er klinische uitzonderingen waarin VKA’s beter geschikt zijn. Bij mechanische hartkleppen en ernstige mitralisstenose leverden DOACs bijvoorbeeld inferieure resultaten op. “Daar toonden de DOACs niet beter te zijn. Integendeel”, aldus prof. Heidbuchel.
Ook andere patiëntkenmerken zoals nierfunctie, leeftijd en lichaamsgewicht bepalen de keuze en dosering. Elke DOAC wordt in meer of mindere mate renaal geklaard. De nierfunctie is daarom essentieel voor veiligheid. Er bestaan per DOAC specifieke doseerregels, doorgaans met reductie zodat de Cockroft-Gault klaring ≤50 ml/min wordt. Voor apixaban geldt een specifieke doseerregel, het zogenaamde 2-uit-3-principe. Dit houdt in dat de standaarddosering van 5 mg tweemaal daags wordt verlaagd naar 2,5 mg tweemaal daags wanneer twee van de volgende drie criteria van toepassing zijn: ouder dan 80 jaar, <60 kg of creatinine >1,5 mg/dL.
Praktijkcomplexiteit: interacties en adherentie
VKA therapie was zeer onderhevig aan interacties met andere geneesmiddellen of voeding. Ofschoon minder belangrijk voor DOACs, moeten toch een aantal interacties in overweging genomen worden. Geneesmiddelen die de P-glycoproteïne of CYP3A4 beïnvloeden, kunnen DOAC-spiegels verhogen en zo het bloedingsrisico doen toenemen. Prof. Heidbuchel wees op het belang van tabellen daarover (bv. in de EHRA Practical Guide on NOAC therapy*), softwareondersteuning en kritisch klinisch inzicht.
Een ander aandachtspunt is therapietrouw. Omdat er bij DOACs geen eenvoudige bloedtest beschikbaar is zoals bij VKA’s, is er geen objectieve bevestiging van inname. “Als men de medicatie niet neemt, is men niet beschermd”, klinkt het. Oplossingen zijn educatie, digitale herinneringen, (smart) pillendozen of opvolging via apotheekgegevens.
Chirurgie, combinatietherapie en toekomstperspectief
DOACs bieden het voordeel dat ze perioperatief voorspelbaar geklaard worden (afhankelijk van de nierfunctie). Hierdoor is bridging met heparines niet nodig. Ingrepen met een laag bloedingsrisico kunnen vaak gewoon doorgaan met het moment van de laagste plasmaspiegel als ideaal tijdstip. Voor andere ingrepen hangt het moment van de laatste dosis af van het type ingreep, DOAC en nierfunctie. Wederom: bekijk de overzichtelijke schemata die daarvoor bestaan.*
Er zijn klinische situaties met nood aan plaatjesremmers, zoals na stentimplantatie. Dat verhoogt evenwel het bloedingsrisico van ontstolling (DOAC of VKA). Prof. Heidbuchel benadrukte het belang van duidelijke communicatie in het dossier over hoelang welke combinaties moeten worden doorgenomen. “Een maand triple therapy (d.i. DOAC + 2 plaatjesremmers) na stenting voor acuut coronair syndroom is vaak het maximum nu”, lichtte hij toe. “Bij electieve stenting is dat zelfs verkort tot drie à zeven dagen. En bij stabiel coronair lijden (≥1 jaar na stenting) kan enkel de DOAC volstaan.”
Tot slot werd vooruitgeblikt naar factor XIa-inhibitoren — middelen in ontwikkeling die mogelijks even efficiënt antitrombotisch werken en met nog lager bloedingsrisico. De ontstollingswetenschap staat niet stil.
1 Departement Verpleeg- en Vroedkunde, Centre for Research and Innovation in Care (CRIC), Faculteit Geneeskunde- en Gezondheidswetenschappen, Universiteit Antwerpen
2 Nurse and Pharmaceutical Care (www.nuphac.eu)
3 Faculteit Geneeskunde- en Gezondheidswetenschappen, Universiteit Antwerpen
4 Universitair Ziekenhuis Antwerpen
*: Steffel J, Collins R, Antz M, Cornu P, Desteghe L, Haeusler KG, Oldgren J, Reinecke H, Roldan-Schilling V, Rowell N, Sinnaeve P, Vanassche T, Potpara T, Camm AJ, Heidbuchel H. The 2021 European Heart Rhythm Association Practical Guide on the Use of Non-Vitamin K Antagonist Oral Anticoagulants in Patients with Atrial Fibrillation. Europace 2021;23(10):1612-1676.
Studenten | Leren met patiënten in plaats van over
Bij VIVES krijgen studenten verpleeg- en vroedkunde een lespakket dat verder gaat dan theorie en techniek. Ze leren met ervaringswerkers en bouwen zo van bij de start aan echte patiëntparticipatie. Met de leergemeenschap die studenten, docenten en ervaringswerkers samenbrengt, groeit het besef: leren doe je niet enkel over de patiënt, maar des te meer van en met de patiënt.
De Hogeschool VIVES, met campussen in Kortrijk, Brugge en Roeselare, kiest resoluut voor patiëntenparticipatie als een fundament van de opleiding. Doorheen lessen, stages en opdrachten maakt VIVES plaats voor de stem van patiënten en cliënten. Het begon als een klein initiatief binnen de geestelijke gezondheidszorg, maar intussen is het een breed gedragen aanpak in de opleidingen verpleegkunde, vroedkunde en sociaal werk. Met de leergemeenschap als motor. “Studenten en patiënten vormen allebei kwetsbare groepen”, zegt Bart Debyser, lector en onderzoeker. “Toch hebben ze elk waardevolle inzichten die jammer genoeg niet altijd gehoord worden. Met onze leergemeenschap Participatie in zorg en welzijn inspireren we zorgvragers, mantelzorgers, studenten, docenten en zorgverleners om de voordelen te omarmen van patiëntenparticipatie in alle fasen van het onderwijs: van voorbereiding over uitvoering tot en met de evaluatie van onderwijsactiviteiten.”
Ervaringswerkers bouwen mee aan het lespakket
Op elke campus waar een bacheloropleiding verpleegkunde wordt georganiseerd, is er een ervaringswerker aan de slag. Op de campus in Roeselare bijvoorbeeld schuift Fien Neirynck mee aan tafel. Ze is mantelzorger en ervaringswerker. “Ik geef input bij lessen, lees cursussen na en vul ze aan, en bespreek met lectoren welke thema’s studenten het best leren kennen. Denk aan de impact van ziekte op relaties, het gezinsleven of seksualiteit.”
Ervaringswerkers vormen samen met de lector een tandem bij de voorbereiding. De werkvormen variëren, gaande van gesprekstechnieken oefenen tot diepgaande rollenspelen. Die aanpak maakt indruk. “Sommige studenten focussen in het begin enkel op hun techniek. Tijdens rollenspelen confronteer ik hen daarmee, op een heel waarheidsgetrouwe manier. Dan voelen ze hoe pijnlijk dat kan zijn. Dat moment vergeten ze nooit.”
Bart benadrukt dat patiëntenparticipatie veel verder gaat dan alleen tijdens de behandeling van een medische aandoening. “We werken met een diverse poule van ervaringswerkers. We behandelen casussen van diagnose tot thuiszorg en laten ervaringswerkers aan het woord met diverse achtergronden op het vlak van inkomen, religie, voorkeuren, … Zo moedigen we een open mindset aan.”
Van student tot ambassadeur
VIVES gelooft in participatie vanaf de eerste les tot op de werkvloer. “We willen studenten vormen tot ambassadeurs van patiëntenparticipatie”, vervolgt Fien Hauspie, lector verpleegkunde en betrokken bij de leergemeenschap. “Ze komen terecht in zorginstellingen waar participatie soms nog zoek is. Toch merken we dat studenten daar vaak het verschil maken. Ze stellen vragen, zoeken dialoog en proberen ruimte te creëren.”
Vier keer per jaar komen docenten, studenten, ervaringswerkers en mensen uit het werkveld samen. De leergemeenschap wil namelijk behalve studenten ook het werkveld en andere onderwijsinstellingen inspireren. “We beantwoorden concrete vragen zoals: Hoe vind je ervaringswerkers? Hoe werk je samen? Hoe voorzie je correcte vergoedingen of ondersteuning? Hoe betrek je patiënten tijdens stages? Zo maken we dat participatie niet eindigt bij mooie woorden, maar zichtbaar wordt in de opleiding en in de zorginstellingen.”


