Evidence-based practice voor veilige en kwaliteitsvolle zorg

Eind 2022 wordt de vzw Platform Wetenschap en Praktijk (PW&P) ontbonden. Meer dan dertig jaar ondersteunde deze vzw op prominente wijze de wetenschappelijke ontwikkeling van de verpleeg- en vroedkunde. Vandaag worden de verschillende initiatieven verder gedragen door onder andere de AUVB-UGIB-AKVB, de VBOV en ebpracticenet.

In 1990 zag het Platform Wetenschap en Praktijk (PW&P) het levenslicht onder de naam Wetenschappelijke Vereniging voor Verpleegkunde en Vroedkunde (WVVV). Dertig jaar lang was het voornaamste doel het ondersteunen van de verwetenschappelijking van de praktijk van de verpleeg- en vroedkundigen. Onder andere door de samenwerking met het NVKVV en de aanwerving van een coördinator en webmaster vond de vzw begin 2010 zijn tweede adem. De naamsverandering kwam zo’n drie jaar later.

Brug tussen academische en professionele wereld

“Onze focus ligt op het sensibiliseren en implementeren van evidence-based practice (EBP) in de vroed- en verpleegkunde”, vertelt voorzitter Koen Van den Bossche. “Binnen de Wetenschappelijke Vereniging voor Verpleegkunde en Vroedkunde creëerden we vanuit verschillende werkgroepen rond onderwijs, beleid en pediatrie een vertaalslag van het onderzoek naar de toepassing van EBP in de praktijk.” Het PW&P bouwde daarop voort. Zo draagt het actief bij tot het leveren van veilige en kwaliteitsvolle zorg en bevordert de vzw het interdisciplinaire karakter van de zorg. Toch stopt de vzw eind dit jaar. “Onze organisatie evolueerde van een grote groep tot een beknopte kern van bestuursmedewerkers. Een aantal jaren geleden hield onze financiering op. Daarom definieerden we in 2015 drie belangrijke doelstellingen: het uitbouwen van een webportaal, het ter beschikking stellen van EBP-richtlijnen en het structureel borgstellen van het EBP-beleid in de beroepsorganisaties. Deze doelstellingen hebben we bereikt en onze initiatieven vonden hun weg in andere organisaties en structuren. Het is dus tijd om de fakkel door te geven.”

Belangrijke realisaties

De uitbouw van de Portal4Care-website is een van de realisaties van het PW&P. Dit tweetalige webportaal bundelt diverse hoogstaande kennisbronnen en stelt alle info vrij toegankelijk voor de verpleeg- en vroedkundigen. Een andere belangrijke mijlpaal was om samen met andere zorgberoepen en ebpracticenet[1] – waarvan PW&P stichtend lid is – de overheid te overtuigen de JBI-database[2] met EBP-richtlijnen aan te schaffen. Koen: “In België zijn er weinig richtlijnen gratis ter beschikking voor verpleeg- en vroedkundigen op de werkvloer. De JBI-database is betalend en voor hen dus onmogelijk om aan te schaffen. De richtlijnen, die bijdragen tot de kwaliteit van zorg, worden nu geleidelijk aan geprioriteerd, vertaald en gecontextualiseerd.” Tot slot kreeg het PW&P van de beroepsorganisatie AUVB-UGIB-AKVB de garantie dat ze zich op lange termijn zullen inzetten om EPB te integreren in de praktijk. “We wilden natuurlijk waarborgen dat het EBP-beleid gedragen wordt door het werkveld. Dat de AUVB hier nu mee aan de slag gaat, is een mooie bekroning op ons werk. Op deze manier zijn we zeker dat onze expertise blijft voortbestaan. Ook voor de vroedkundigen hebben we die garantie, aangezien de beroepsorganisatie VBOV zelf een wetenschappelijke cel oprichtte en van daaruit de EBP-aanpak voortzet.”

Binnenkort worden alle bestuursdocumenten van het PW&P in het KADOC van het NVKVV gearchiveerd. “We zijn bijzonder tevreden dat we dit kunnen doen, want zo blijft onze rijke geschiedenis en de uitgebreide informatie van ons platform ook in de toekomst gevrijwaard.”

[1] Ebpracticenet is het referentieplatform voor Evidence Based Practice voor alle Belgische zorgverleners. Hier vinden zorgverleners alle richtlijnen en andere EBP-informatie gevalideerd door het EBP-programma.

[2] De Joanna Briggs Institute-database bevat meer dan 1.000 EBP-richtlijnen en -samenvattingen, systematische reviews, een set EBP point-of-care tools, implementatie-ondersteuning en honderden video’s met e-learning applicaties en randinformatie.

Koen Van den Bossche


Out-of-pocket payments: “Werk financiële barrières weg”

Het KCE voerde samen met verschillende partners een analyse uit van de prestaties van het Belgische gezondheidssysteem voor mensen met een chronische aandoening[1]. Hierin willen ze niet alleen de pijnpunten bloot leggen, maar ook kwaliteit, toegankelijkheid en gelijkheid van zorg benaderen en verbeteren. Een element daarvan zijn de out-of-pocket payments of de bijdragen ten laste van de patiënt. Else Tambuyzer, directeur van het Vlaams Patiëntenplatform, noemt de studie een zeer goede zaak. “Al ligt de focus nog te vaak op de ziektelast voor de maatschappij en niet op de levensdoelen van de patiënt.”

Door de vergrijzing hebben steeds meer mensen chronische zorg nodig. Dit heeft gevolgen voor hun levenskwaliteit en op hun budget voor de gezondheidsuitgaven. De overheid ondersteunt hen zo goed als mogelijk, maar de out-of-pocket payments blijven een heikel punt. Want een belangrijk deel van de uitgaven worden nog steeds gedragen door de patiënt zelf. Zowel de remgelden als de supplementen die niet gedekt worden door deverplichte ziekteverzekering. Dit kan barrières creëren waardoor zorg plots niet meer zo toegankelijk wordt. Zo toont de studie aan dat huishoudens met een chronische ziekte vaker financiële moeilijkheden hebben en stelt het vast dat er ruimte is om de financiële toegankelijkheid van zorg voor chronische patiënten te verbeteren.

Al begint de discussie bij (het gebrek aan) een duidelijke definitie van een chronische ziekte. “Zo’n definitie is moeilijk, want je sluit automatisch bepaalde zaken uit. Ook binnen ziektes en aandoeningen heb je nog een breed spectrum”, zegt Else Tambuyzer. “Vanuit het Vlaams Patiëntenplatform juichen we deze studie toe. Al pleiten we dat er meer naar de PROM’s en PREM’s gekeken wordt. Het is zoeken naar een evenwicht tussen de medische doelen van de zorgverlener en de levensdoelen van de patiënt. Een kinesitherapeut of arts kan bij een knieprobleem bijvoorbeeld willen dat de persoon zijn volledige mobiliteit terugwint, terwijl de patiënt misschien tevreden is als die de kinderen aan het schooltje om de hoek kan ophalen zonder pijn te lijden.”

Meer informatie verspreiden

Naast de remgelden die de patiënt betaalt, zijn er ook nog de out-of-pocket payments. Dit zijn extra supplementen, niet terugbetaalde medicatie, transport, voedingssupplementen, … Die eigen betalingen vormen een financiële barrière en kunnen leiden tot enerzijds het uitstellen van bepaalde zorgen of anderzijds het niet meer vervullen van bepaalde basisbehoeften. Nochtans is financiële toegankelijkheid een basisvoorwaarde voor een goed functionerend gezondheidssysteem, staat in de studie.

Iets waar het Vlaams Patiëntenplatform achter staat. “Chronische patiënten leven vaak van een vervangingsinkomen”, licht Else toe. “Ze zijn ook meer thuis, dus hun energiefactuur ligt hoger en er komen kosten van behandelingen aan huis bij kijken. Er zijn wel maatregelen, maar die info is moeilijk te vinden of te begrijpen. Het is ook niet altijd duidelijk welke maatregel voor die individuele patiënt van toepassing is. Ik zie hier een rol weggelegd voor sociaal verpleegkundigen. Zij zijn een laagdrempelig aanspreekpunt en staan dicht bij de patiënt. Ze kunnen die dan ook informeren, maar enkel als ze de informatie zelf beheersen. Twijfelen ze of een bepaalde maatregel van toepassing is voor een patiënt? Dan kunnen ze altijd doorverwijzen naar de mutualiteit.”

Supplementen gestegen

Het totale kostenaandeel voor patiënten is stabiel gebleven. Van 17,8 procent in 2008 tot 17,9 procent in 2016. Al is de verdeling wel veranderd. Zo is het aandeel van de remgelden gedaald van 15,3 naar 13,5 procent en steeg het aandeel van de supplementen van 2,5 naar 4,3 procent. Die supplementen zijn dan erelonen, materiaal- en kamersupplementen. In 2018 bedroeg het aandeel van de eigen betaling voor ziekenhuiszorg 19 procent, waarvan 6,2 procent remgelden en 12,8 procent supplementen.

“De prijslijst bij een ziekenhuisopname moet dan ook veel duidelijker”, zegt Else. “Welke kosten zijn voor welke patiënten van toepassing? Wat wordt terugbetaald en wat niet? Welke artsen zijn geconventioneerd en wat zijn de gevolgen voor de factuur? We doen graag nog enkele algemene voorstellen om de betaalbaarheid van zorg te verbeteren. De afschaffing van het verbod op de derdebetalersregeling is een stap in de goede richting. Maar deze regeling is niet verplicht. De patiënt moet er naar vragen, als de zorgverlener geen initiatief neemt. We pleiten voor een verplichte toepassing van de derdebetalersregeling naar alle zorgverleners zodat zorg niet langer uitgesteld wordt. Voor de maximumfactuur werd het plafond voor de laagste inkomens recent verlaagd tot 250 euro. Toch is hier nog ruimte voor verbetering. Bepaalde medicatie zoals pijnstillers of laxativa die voor chronisch zieken belangrijk is, is niet inbegrepen. Hetzelfde geldt voor vervoerskosten. Het duurt ook lang eer deze maximumfactuur in werking treedt. Een periode van drie à vier maanden financieel overbruggen kan voor velen een probleem zijn. We moeten erover waken dat zorg niet langer om financiële redenen uitgesteld wordt.”

[1] Maertens de Noordhout C, Devos C, Adriaenssens J, Bouckaert N, Ricour C, Gerkens S.. Evaluatie van de performantie van het gezondheidssysteem: zorg voor mensen met een chronische aandoening – Synthese. Health Services Research (HSR). Brussel: Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE). 2022. KCE Reports VOLAs.


Mama’s van niet-Belgische origine geven vaker borstvoeding

Vrouwen die bevallen zijn geven weer meer borstvoeding. Die evolutie is al een tijdje aan de gang. Het Federaal Borstvoedingscomité, waar ook het NVKVV lid van is, beschikt over nieuwe cijfers die dit aantonen. Deze zijn afkomstig uit de presentatie van Opgroeien/Kind en Gezin, gebaseerd op de geboortes in de periode 2019-2020. Hieruit blijkt dat de cijfers van borstvoeding verschillen naar zwangerschapsduur, origine en kansarmoede.

Uit cijfers blijkt dat het aantal kinderen dat borstvoeding krijgt op dag 6 is toegenomen. Enerzijds neemt het aantal boorlingen met moeders van niet-Belgische origine toe, anderzijds is er ook een toename van borstvoeding bij moeders van Belgische origine. Zo’n 89,9 procent van alle kinderen met allochtone mama’s krijgen borstvoeding. Er is nauwelijks een verschil te constateren of ze al dan niet in kansarmoede leven, terwijl dat bij autochtone moeders wel duidelijk verschilt: 72,5 procent bij moeders die niet in kansarmoede leven ten opzichte van 47,7 procent bij moeders die in kansarmoede leven.

Uit de cijfers van Opgroeien/Kind en Gezin blijkt ook dat het aantal prematuren met uitsluitend borstvoeding op dag 6 aanzienlijk lager ligt dan bij niet-prematuren. Het aantal prematuren dat uitsluitend borstvoeding krijgt ligt veel lager dan bij niet-prematuren.

Zoeken naar oorzaken en oplossingen

De Waalse partij CDH diende in 2021 een wetsvoorstel in om mensen die borstvoeding in de openbare ruimte verhinderen of verbieden een boete zouden ontvangen van 26 tot 500 euro. De laatste jaren wordt dan ook vaak vastgesteld dat moeders die hun baby in het openbaar proberen te voeden beledigd, vernederd of agressief benaderd werden. Nochtans wordt in de materniteiten in ons land ingezet op het geven van borstvoeding. Zo zijn er dertig materniteiten in ons land met het BFHI-label, het Baby Friendly Hospital Initiative dat in 1991 door de Wereldgezondheidsorganisatie en Unicef in het leven geroepen werd. Deze materniteiten zijn referentieplekken voor een goede start en ondersteuning van borstvoeding.

Naar de concrete oorzaak van die grote verschillen is het zoeken. Al zijn er wel enkele indicatoren. Mama’s in kansarmoede staan voor zeer uitdagende omstandigheden. Een factor die kan meespelen is dat we bij deze moeders van Belgische origine vaker een middelenverslaving vaststellen, meer dan bij allochtone moeders. Maar er moet ook de vraag gesteld worden of we in België misschien in een borstvoedingsonvriendelijk land leven? Een positieve mindset creëren rond borstvoeding start al zeer vroeg, in de kleuterschool. Daarnaast moeten we ook aan de slag met andere vraagstukken. Bereiken we onze kansarme moeders wel voldoende? Kunnen we sensibiliseringsacties opzetten, eventueel in samenwerking met Kind en Gezin? Hoe kan het Federaal Borstvoedingscomité hier een rol in spelen? Werk op de plank, dus.

De impact van borstvoeding op het klimaat

Unicef biedt enkele studies aan die de impact van borstvoeding en babyvoeding op het klimaat bestuderen[1]. Zo zou een hoger borstvoedingspercentage in een land in direct verband staan met een betere gezondheid van baby’s en volwassenen, bijdragen tot het terugdringen van broeikasgassen en de milieu-impact van voedselalternatieven verminderen. De alternatieven voor moedermelk verbruiken namelijk veel water en hebben daardoor een grotere ecologische voetafdruk. Borstvoeding zou op die manier dus niet enkel goed zijn voor mama en kind, ook voor het klimaat.

Je raadpleegt de studies via de website van Unicef.

[1] Binns. C. et al. 2021. Climate Change, Food Supply and Dietary Guidelines. Vol. 42:233-255. https:doi.org/101146/annurev-publhealth-012420-105044


Slaap, oudere, slaap?

Eén op drie Belgen kampt met slaapproblemen. Bij ouderen zien we zelfs dat één op twee kampt met een vorm van slapeloosheid of insomnia. Slaapproblemen bestaan uit problemen met het inslapen, doorslapen of vroeg ontwaken. Slapeloosheid wordt vastgesteld als deze klachten langer dan drie nachten per week gedurende drie maanden lang aanhouden. Al zijn de effecten van slapeloosheid vaak snel voelbaar na enkele nachten zonder goede kwalitatieve slaap. Slecht slapen gaat gepaard met gestegen vermoeidheid en futloosheid overdag, de neiging om overdag bij te slapen, vergeetachtigheid, prikkelbaarheid en moeite om jezelf te concentreren of de focus erbij te houden. Daardoor gaan je algehele functioneren en prestaties achteruit.

Zijn die symptomen van slaaptekorten ook bij ouderen zichtbaar?

Bij ouderen zien we vooral leeftijdgerelateerde veranderingen in slaap zoals bijvoorbeeld meer tijd doorbrengen in bed (ook overdag), maar minder tijd doorbrengen in slaap. Daarnaast zien we dat ouderen vaker wakker liggen vooraleer ze inslapen. Ze worden vaker wakker ’s nachts en ze hebben ontwaken ’s morgens te vroeg. Dat maakt dat hun slaap eerder gefragmenteerd en oppervlakkig verloopt. Op termijn resulteren deze veranderingen in slaapproblemen die gekenmerkt worden door algehele vermoeidheid overdag, dutten, futloosheid, weinig energie om de dag door te komen, negatieve en zelfs depressieve gedachten, alsook meer kans op angst en stressgerelateerde problematiek en problemen met het geheugen en concentratie.

Wat kan je dan als verpleegkundige doen aan slaapproblemen bij ouderen?

Het is belangrijk om vermoeidheid en slaapproblemen op te merken en bespreekbaar te maken. Merk je dat je patiënten klagen over vermoeidheid overdag en merk je dat er veel geslapen wordt overdag? Of merk je dat je patiënten vaak wakker liggen ’s nachts waardoor ze zichzelf overdag niet fris en monter voelen om aan het dagelijkse activiteitenpatroon te kunnen deelnemen? Bevraag hun slaap dan.

Slaap in kaart brengen, hoe doe je dat?

Bij het in kaart brengen van slaap is zowel de slaapkwantiteit als de slaapkwaliteit van belang. Volgens de laatste internationale richtlijnen geldt dat ouderen (65+) idealiter 7 à 8 uur slapend doorbrengen tijdens de nacht. Hier zit dagslaap niet ingerekend. Bevraag ook hoelang het voor ouderen duurt om in slaap te vallen alsook hoe vaak ze ’s nachts wakker worden. Wat betreft de slaapkwaliteit kan je ouderen vragen hoe goed ze slapen, hoe lang ze wakker liggen, in welke mate ze zich hierin frustreren, maar ook hoe verfrissend hun algemene slaap is, de volgende morgen. Volgende vragen kunnen daarin als gespreksopener dienen: Ben je ’s morgens uitgerust om de dag door te komen? Voel je je fris en actief om aan de dag te beginnen? Vind je het vervelend als je ’s nachts wakker ligt? Waar denk je dan aan? Die antwoorden geven een indicatie van de slaapkwaliteit. Slaapkwaliteit kan je ook gaan bevragen aan de hand van gevalideerde meetschalen zoals PSQI (Pittsburgh Sleep Quality Index) of ISI (Insomnia Severity Index).

Ouderen nemen toch net slaapmedicatie om beter te slapen?

Vaak nemen ouderen chronisch medicatie om beter te kunnen slapen. Dat kan een vertekend beeld geven over hun slaap. Wat we geleerd hebben uit de literatuur is dat de slaapmedicatie op lange termijn vaak meer negatieve effecten met zich meebrengt. Slaapmedicatie kent heel wat bijwerkingen zoals concentratieverlies, evenwichtsstoornissen, vergeetachtigheid en zelfs gedaalde slaapkwaliteit. Daarnaast zorgen slaapmedicatie ook voor gewenning en zelfs afhankelijkheid. Als verpleegkundige kan je dus ook aandacht hebben voor de negatieve bijwerkingen van slaapmedicatie. Herneem de sectie bijwerkingen van de bijsluiters grondig en maak een risicoanalyse van de oudere die je voor je hebt. Als je weet dat slaapmedicatie ook evenwichtsstoornissen teweeg brengt, dan zorg je er best voor dat de oudere ’s avonds, ’s nachts en ‘s morgens op een veilige manier in en uit bed kan om valincidenten te voorkomen. Als je weet dat slaapmedicatie concentratieverlies en vergeetachtigheid met zich meebrengt, dan word je als verpleegkundige wellicht meegaander als ouderen geen zin meer hebben in bepaalde activiteiten, en kan je het activiteitenaanbod wellicht wat aanpassen op maat van deze oudere. En hoewel activering van ouderen een positief effect kan hebben op hun slaappatroon is regelmaat en ritme enorm belangrijk voor ons bioritme.

Wil je als verpleegkundige dus bijdragen aan een goed geolied bioritme van de ouderen die je verzorgt, probeer dan te streven naar ritme en regelmaat. Dat wil zeggen, ochtendzorgen en maaltijden keurig inplannen op quasi dezelfde tijdstippen. Langs de andere kant kan je er ook voor zorgen dat de avondzorgen en de activiteiten die bedtijd voorafgaan ook steeds op dezelfde tijdstippen doorgaan. Ben je verantwoordelijk voor het activiteitenpatroon overdag? Plan dan activiteiten in waarin beweging, daglicht en buitenlucht vooropstaan. Die helpen je bioritme ook te balanceren en te resetten.

Helpen dutjes overdag dan niet om verloren slaap in te halen?

Het is een utopische gedachte dat je met dutjes overdag, verloren nachtslaap zou kunnen inhalen. Verloren slaap haal je nooit meer in. Net als je de voorbije tijd ook niet meer kan terugdraaien, zal je slaap van voorbije nachten niet kunnen inhalen door te gaan bijslapen overdag. Wat je wel kan doen is de volgende dag en nacht te focussen op activiteiten en patronen die je slaap ten goede komen in de toekomstige nachten. Slapen overdag als lapmiddel om verloren slaap in te halen is dus niet aanbevolen. Een powernap of kort dutje overdag kunnen echter wel om de energiedip (die we allemaal wel eens ervaren) tegen te gaan. Beperk een powernap in de namiddag dus tot maximaal 30 minuten en steeds voor 15 uur. Als je dit beperkt in tijd zorg je ervoor dat je geen gehele slaapcyclus doorloopt, dat je niet tot in je diepe slaap terecht komt en dus ook geen slaap van de volgende nacht gaat afsnoepen waardoor je ’s avonds weer langer gaat wakker liggen.

Hoe kan een slaaptherapeut dan helpen bij slaapproblemen?

Het spreekt voor zich dat mensen met vage vermoeidheidssymptomen niet steeds naar de dokter lopen. Iedereen is wel al eens vermoeid zeker? Toch kan het lonen om slaapproblemen meteen en bij de wortel aan te pakken. Je hoeft er dus geen drie maanden mee rond te lopen vooraleer je hiervoor hulp hoeft te zoeken. Als er vermoedens zijn van slaapproblemen of als ouderen zich storen aan hun slaappatroon, dan loont het om ouderen door te sturen naar een slaaptherapeut. Een slaaptherapeut kan ouderen op niet-farmacologische wijze helpen bij hun bestaand slaapprobleem. Verder kan slaaptherapie ook preventief ingezet worden om slaapproblemen in de toekomst te gaan voorkomen. Tijdens slaaptherapie worden evidence based methoden uit cognitieve gedragstherapie gecombineerd met lichaamsgerichte ontspanningstechnieken om mensen beter toe te leiden naar ontspanning en slaap. Tevens helpt slaaptherapie voor mensen die slaapmedicatie wensen af te bouwen. Dit laatste gebeurt steeds onder medewerking van de voorschrijvend arts.

Wil je meer weten over slaap of de behandeling van slaapproblemen? Ga dan een kijkje nemen op www.slaappraktijk.be

 

 

Bronnen:

  • Ohayon et al. (2017). National Sleep Foundation’s sleep quality recommendations: first report. Sleep Health; 3(1):6-19. doi: 10.1016/j.sleh.2016.11.006.
  • Hirshkowitz et al. (2015). National Sleep Foundation’s updated sleep duration recommendations: final report. Sleep Health;1(4):233-243. doi: 10.1016/j.sleh.2015.10.004.
  • Vanderlinden et al. (2020) Effects of physical activity programs on sleep outcomes in older adults: a systematic review. Int J Behav Nutr Phys Act; 5;17(1):11. doi: 10.1186/s12966-020-0913-3.
  • Vanderlinden et al. (2021). The relation between physical activity and sleep in older adults. The associations with movement behaviours and effects of a real-life lifestyle program. PhDThesis, KULeuven (Leuven, Belgium)
  • Vanderlinden (2020). Infographic Slaapkwaliteit en Slaapkwantiteit. https://slaappraktijk.be/


Een complete en zorgvuldige dekking voor verpleegkundigen

Onze leden kunnen via het NVKVV een verzekering burgerlijke aansprakelijkheid voor medische beroepen afsluiten. Als beroepsorganisatie namen we in 1994, samen met meester Jan Vande Moortel van advocatenkantoor Advamo, het voortouw om deze verzekering voor verpleegkundigen te realiseren. Ook vandaag is deze polis nog steeds de meest volledige en voordelige op de markt voor alle verpleegkundigen.

Een verpleegkundige die iets bezwarends meemaakt voelt zich vaak onvoldoende bijgestaan door de verzekering van de zorginstelling waar hij/zij werkt. Dat was in 1994 de aanleiding om voor de verpleegkundigen een verzekering burgerlijke aansprakelijkheid op maat te maken, zowel voor de zelfstandig verpleegkundige , als voor de verpleegkundige in ziekenhuizen of woonzorgcentra. “Een verzekering ‘Burgerlijke aansprakelijkheid medische beroepen’ dekt de schade aan derden, die een verpleegkundige, tijdens de uitoefening van haar beroep kan veroorzaken”, zegt Christine Demeyer van CPS Verzekeringen. Al 28 jaar lang volgt ze deze verzekering op de voet. “Dat een zelfstandig verpleegkundige deze verzekering afsluit is vanzelfsprekend. Een verpleegkundige in dienstverband wordt verzekerd door de werkgever, doch bij een probleem, een klacht van een patiënt, een juridische procedure, is de rechtsbijstand die meeverzekerd wordt in deze polis, een uitzonderlijke ondersteuning voor de verzekerde.

De NVKVV polis biedt twee dekkingen. De BA verzekering betaalt de schadevergoeding aan derden, als de aansprakelijkheid van de verzekerde bewezen is.”

De dekkingen zijn geschreven volgens de behoeften van een verpleegkundige. Ze worden regelmatig aangepast aan de recente wetgeving. Zo is er, sinds de oprichting van het Fonds voor medische ongevallen bijvoorbeeld, dekking bij verdediging voor dit fonds. Heel recent werd ook de waarborg toegevoegd ‘Dekking voor juridische experten’, gezien er regelmatig een beroep gedaan wordt op een verpleegkundige als expert in juridische commissies. Verpleegkundigen hebben ook recht op verdediging bij schuldig verzuim. In deze polis werd deze dekking uitzonderlijk opgenomen mits ‘opzettelijkheid’ uitgesloten wordt.

Rechtsbijstand

De waarborg rechtsbijstand is een eerstelijns juridische bijstand is een specifieke uitbreiding en unieke dekking voor NVKVV-leden. Bij klacht tegen een verzekerd lid, een negatieve evaluatie door een klacht, gevaar voor reputatieschade door bijvoorbeeld destructief gebruik van sociale media, kan een verzekerd lid van het NVKVV een beroep doen op een consult met een gespecialiseerd advocaat, en op deze manier psychologische bijstand ontvangen, maar ook de eerste stappen voor de verdediging van de verpleegkundige voorbereiden.

“Bij schadebemiddeling is het doel het vermijden van langdurige gerechtelijke procedures tegen verpleegkundigen. Een commissie wordt samengeroepen om alle betrokkenen samen te brengen, onder leiding van bemiddelaar. Evident is de verdediging bij gerechtelijke procedures, Salduz bijstand, administratiegeschil met het Riziv, … We adviseren steeds een gespecialiseerd advocaat, maar de verpleegkundige heeft vrije keuze”, zegt Christine.

Tot 1 januari 2021 werd de polis onderschreven via de maatschappij Fidea, die fuseerde met de maatschappij Baloise. Sindsdien wordt de polis burgerlijke aansprakelijkheid beheerd bij Baloise. De waarborg rechtsbijstand wordt beheerd door Euromex. De wijziging van maatschappij heeft geen enkel gevolg voor de verpleegkundige. Hij of zij doet nog steeds een beroep op een polis die de laatste tendensen in de sector volgt. Daarnaast ben je als verpleegkundige ook verzekerd binnen de hele Europese Unie, wanneer je bijvoorbeeld kampen of reizen begeleidt. Je kan ook rekenen op bijstand wanneer je al dan niet als vrijwilliger aan de slag bent in een vaccinatiecentrum. Laat je je als thuisverpleegkundige voor een korte tijd (minder dan twee maanden) vervangen, dan is ook je vervanger gedekt door deze polis. “Deze verzekering is een zeer sterke en volledige polis aan een voordelige prijs voor de leden van het NVKVV”, besluit Christine.


Schatten ouders de ziekte van hun kind goed in?

In het ziekenhuis van Den Haag werden in 2019 op pediatrie en de dienst spoedgevallen 37 ouders van 26 kinderen met koorts geïnterviewd. Onderzoekers wilden te weten komen of ouders de ziekte van hun kind al dan niet goed inschatten. Zo kregen ze een goed zicht op de factoren waar ouders op letten om de ernst van de situatie van hun zieke kind in te schatten.

Kinderen en koorts, het valt vaak voor. Daarom is het belangrijk dat ouders de ernst van die koorts goed kunnen inschatten, zodat meteen de geschikte zorg kan opgestart worden. Ouders zijn in staat hun kind als ziek te identificeren[1] en ze beschikken over een ziekte-instinct om de ernst in te schatten[2]. Hoe ze de ernst van de ziekte beoordelen, is nog niet geweten. Dit kwalitatieve onderzoek in Den Haag geeft inzicht in het perspectief van de ouders.

In totaal namen 37 ouders, waarvan 24 moeders en 13 vaders, deel aan de studie[3]. Hun kinderen waren op het moment van het onderzoek tussen 0 en 5 jaar oud. Ouders moesten inschatten hoe ernstig de toestand van hun kind was en aangeven welke factoren meespeelden in die beoordeling. Welke tekenen en symptomen associëren zij met ernstige ziekte? En ook: welke signalen stellen hen gerust? Zo kunnen zorgverleners hun communicatie naar de ouders toe ook beter afstemmen.

Gedrag en energie

Alle ouders gaven aan dat ziekte meteen herkend wordt omdat hun kind anders doet dan normaal. Hun ouderlijke instinct wijst hen op subtiele verschillen in gedrag, energieniveau of stemming die hen doen aanvoelen dat iets niet klopt. Ouders met meerdere kinderen gaven aan dat deze tekenen verschillen van kind tot kind. Zo is hogere koorts niet meteen een alarmerende factor, terwijl minder eten of drinken en minder bewegen dat wel zijn.

Deze veranderingen kunnen ouders zeer nauwkeurig beschrijven. Ze vonden het moeilijker om specifieke ziektesymptomen te beschrijven, zoals kortademigheid of uitdroging. Ook eerdere ervaringen met een bepaald ziektebeeld beïnvloeden hoe ouders de ziekte inschatten. Zo beschouwen deze ouders extreme zwakte, futloosheid, ijlen, niet goed reageren of het niet wakker kunnen krijgen van hun kind meteen als alarmerend. De geruststelling komt er wanneer het gedrag of het energieniveau van het kind weer zoals normaal is.

Specifieke symptomen

Uit andere studies[4] blijkt dat ouders de ziekte als ernstig beoordelen op basis van gedragsveranderingen, terwijl zorgverleners dat doen vanuit specifieke symptomen en lichamelijk onderzoek. Dit onderzoek ondersteunt dat, gelet op het feit dat ouders die specifieke symptomen moeilijker herkennen. Daarom is het belangrijk om de alarmsignalen van de ouders niet te verwaarlozen in een beoordeling van de ernst van de ziekte door een zorgprofessional. Zij merken die veranderingen in het normale gedrag van een kind namelijk niet op. Specifieke symptomen zouden ook duidelijker uitgelegd moeten worden aan de ouders, bijvoorbeeld met duidelijke ontslaginstructies. Zo kunnen ze deze herkennen en interpreteren.

De onderzoekers concluderen dat ouders de ernst van de ziekte van hun kind vrij goed kunnen inschatten door een combinatie van alarmsignalen en geruststellingen. Ze gebruiken daarvoor het normale gedrag en de lichamelijke kenmerken van hun kind als referentie. Hoe groter het afwijkende gedrag, hoe ernstiger ouders de ziekte inschatten.

 

[1] Williams A, O’Rourke P, Keogh S. Making choices: why parents present to the emergency department for non-urgent care. Arch Dis Child 2009;94:817–20.

[2] Van den Bruel A, Haj-Hassan T, Thompson M, et al. Diagnostic value of clinical features at presentation to identify serious infection in children in developed countries: a systematic review. Lancet 2010;375:834–45.

[3] Kuijpers DL, Peeters D, Boom NC, et al. Parental assessment of disease severity in febrile children under 5 years of age: a qualitative study. BMJ Open 2021;11:e042609. https://bmjopen.bmj.com/content/11/3/e042609

[4] van der Werf ET, Redmond NM, Turnbull S, et al. Parental and clinician agreement of illness severity in children with RTIs: secondary analysis of data from a prospective cohort study. Br J Gen Pract 2019;69:e236–45.


Mensenrechten in woonzorgcentra te weinig opgevolgd tijdens coronacrisis

In maart 2020 bereikte de pandemie ons land, met bijhorende covidmaatregelen. De nationale mensenrechteninstelling Unia onderzocht de impact van die maatregelen in woonzorgcentra, bij bewoners, familie en personeel. Aan de hand van tientallen getuigenissen maakte Unia een onderzoeksrapport op. Het is een kritische reflectie met aanbevelingen en een oproep om na te denken over de plaats die we ouderen en ouderenzorg geven in onze maatschappij. De conclusie: de mensenrechten werden onvoldoende gerespecteerd.

In België woont 8,5% van de 65-plussers in woonzorgcentra, voor een gemiddelde verblijfsduur van iets meer dan twee jaar. “Tijdens de eerste lockdown betaalden zij (woonzorgcentra, nvdr.) een heel zware tol door COVID-19. WZC werden beschouwd als detentiecentra waar leeftijd geassocieerd werd met kwetsbaarheid, isolement en de dood. Deze nooit eerder geziene situatie bleek ook erg pijnlijk voor het personeel dat de bewoners begeleidt”, staat te lezen in het rapport[1]. Unia grijpt dit niet zomaar uit de lucht. Het baseert zich op eerder uitgevoerde onderzoeken[2] en op rapporten van onder meer Amnesty International België[3] en Artsen Zonder Grenzen[4].

In deze studie gaat Unia via kwalitatief onderzoek na wat de impact van de coronamaatregelen is op de bewoners, het personeel en het functioneren binnen de WZC. Aan de hand van 80 getuigenissen met medewerkers, gerontologen, geriaters, academici, … bieden ze een sociologisch en juridisch perspectief en een reeks aanbevelingen voor de overheid om mensenrechten in WZC beter te beschermen. Een beter crisisbeheer en het aanpakken van structurele obstakels zijn daarin cruciaal, net zoals participatie en autonomie van de bewoners.

Leeftijdsdiscriminatie

De coronacrisis bracht naast een lockdown ook heel wat maatregelen, richtlijnen en interpretaties met zich mee. Dit leidde tot grote misverstanden bij zorgverleners. Het personeel van WZC vindt dat de overheid de risico’s niet goed inschatte waardoor de maatregelen sociaal, emotioneel en fysiek isolement (bezoekverbod, geen activiteiten meer, maaltijden op de kamer) veroorzaakten, met risico’s op angst, verslechtering van de algemene gezondheidstoestand, agressie en emotionele instabiliteit. Ook depressies en zelfmoordpogingen kwamen voor.

Bewoners van woonzorgcentra werden tijdens de lockdown opgesloten omdat ze extra kwetsbaar zouden zijn. De focus op deze medische kwetsbaarheid deed ons de mens achter de bewoner vergeten. De maatregelen droegen daar nog extra toe bij en werkten ongewild ageïsme of leeftijdsdiscriminatie in de hand. Dat uit zich, vaak onbewust, in het beleid en in onze dagelijkse interacties met ouderen. Actief de vooroordelen tegenover ouderen aanpakken, is dan ook essentieel. Net zoals meer participatie van ouderen in het beleid. Hun stem werd tijdens de pandemie onvoldoende gehoord.

Tot slot bracht de pandemie ook structurele problemen aan het licht, zoals te weinig financiering, een gebrek aan coördinatie en onvoldoende erkenning voor het zorgpersoneel. De ernst van de situatie, de angst voor het virus en het gebrek aan personeel en middelen leidden tot te strenge maatregelen, en daardoor tot schendingen van rechten van de bewoners. Unia pleit dan ook voor maatregelen die de autonomie van ouderen in WZC vergroten, maar ook voor meer ondersteuning van zorgverleners vanaf de opleiding. Een mogelijkheid is om van het WZC een echte leefomgeving te maken en om meer de controleren op de mensenrechten.

 

[1] Unia (2021), De impact van COVID-19-maatregelen op mensenrechten in woonzorgcentra: een kwalitatief onderzoek. Brussel: Unia.

[2] Unia (2020), COVID-19: een test voor de mensenrechten. Brussel: Unia.

[3] Amnesty International België (2020), Woonzorgcentra in de dode hoek. De mensenrechten van ouderen tijdens de COVID-19-pandemie in België. Brussel: Amnesty International.

[4] Artsen Zonder Grenzen (2020), Overgelaten aan hun lot. De ervaring van Artsen Zonder Grenzen in de woonzorgcentra tijdens de COVID-19-epidemie in België. Brussel: Artsen Zonder Grenzen.


Cruciale rol van de verpleegkundige in het GGZ-aanbod

Het nijpend tekort in de GGZ is niemand onbekend. De in juli aangekondigde extra investeringen door de Vlaamse regering komen dan ook niets te vroeg. Om de juiste zorg aan te bieden op het juiste moment en afgestemd op de zorgvrager is de rol van de psychiatrisch verpleegkundige van onschatbare waarde. Al is daar momenteel geen financiële erkenning voor. De volledige werkgroep GGZ van het NVKVV werkte een voorstel uit om die rol duidelijker te kaderen, vooral voor mensen met psychisch lijden in de eerstelijn. Hanne Vandewiele, Verpleegkundig Specialist Psychiatrie in UZ Gent en lid van de werkgroep legt uit.

Eind 2020 diende Kamerlid Els Van Hoof een wetsvoorstel in om van psychologisch consulent een erkend geestelijk gezondheidszorgberoep te maken. Het doel: het ambulant GGZ-aanbod toegankelijker en efficiënter organiseren. De werkgroep GGZ van het NVKVV sluit zich hier bij aan en pleit voor een billijke vergoeding voor de prestaties van autonome psychiatrisch verpleegkundigen, hetzij via nomenclatuur, hetzij via financiering. Ook bijkomende financiering om dit via ziekenhuizen te stimuleren, is een mogelijkheid. “Onze werkgroep stelde in juni een uitbreiding op het wetsvoorstel voor. Een psychiatrische verpleegkundige is uitstekend geplaatst om zorgvragers in het dagelijkse leven te ondersteunen. En zo de hiaten in het huidige aanbod op te vangen. We zien dit als een complementair verhaal op het bestaande GGZ-aanbod. Alleen is dit nu niet voorzien in de nomenclatuur”, legt Hanne uit.

Unieke gepersonaliseerde aanpak

Ambulante consultaties bij een psychiatrisch verpleegkundige worden vandaag niet terugbetaald. Deze extra kost wordt meestal doorgerekend naar de zorgvrager, die het vaak financieel niet zo breed heeft. “En net deze mensen kunnen de extra zorg goed gebruiken”, zegt Hanne. “Bovendien is de verpleegkundige de ideale verbinding tussen therapie en het leven van alledag. Ze zijn nauwer betrokken bij de persoon, kennen daarom de persoonlijke problematiek zeer goed en kunnen sneller en vroeger signalen opvangen.” De psychiatrisch verpleegkundige biedt met andere woorden de houvast die een zorgvrager nodig heeft om zaken die in de therapie naar boven komen om te zetten in de praktijk en vast te houden door een nauwere opvolging . “In vaktermen noemen we dit de skilled companion. Iemand die een helikopterzicht heeft over de leefcontext, die het brede netwerk rond de zorgvrager kent en kan inschakelen. En die over verschillende levensdomeinen informatie of vaardigheden bijbrengt, volledig afgestemd op de unieke situatie van de zorgvrager.”

Complementair verhaal

Psychiatrische verpleegkundigen dragen ertoe bij dat de stap naar het echte leven vlotter verloopt na bijvoorbeeld een opname. “Nu is er een lacune op dat vlak. Door bredere ondersteuning te bieden aan de zorgvrager verkleinen we bovendien de kans op heropname”, vertelt Hanne. Een ander aspect is dat van preventie en vroegsignalering. “Omdat de verpleegkundige dichter bij de zorgvrager staat en het contact in vele gevallen laagdrempeliger is voor de zorgvrager en zijn entourage, kan de verpleegkundige ook beter aan preventie doen. Of tijdig signalen opvangen zodat de persoon sneller de stap zet naar de geestelijke gezondheidszorg die hij nodig heeft. Zo kunnen we ernstigere problemen voorkomen of net zorgen dat mensen met ernstige chronische klachten (EPA’s) niet afhaken of ontmoedigd geraken.” Het is met andere woorden een aansluiting op het bestaande GGZ-aanbod, maar in een toegankelijke context die de juiste hulp(verlener) dicht bij de juiste zorgvrager brengt.

Inzetten op preventie en gebruik maken van een bredere groep werkkrachten zal ook de problematiek van de lange wachtrijen ten goede komen. “We moeten onze GGZ efficiënter en effectiever benutten in al zijn facetten, dus zowel in de ambulante zorg als in de zorginstellingen. De psychiatrisch verpleegkundige vormt hierbij een mooie link tussen de verschillende betrokken disciplines. En dit draagt bij tot de kwaliteit van de zorg en dus tot het welzijn van de zorgvrager. De volgende stap is nu dat onze werkgroep GGZ samenzit met Kamerlid Van Hoof om dit verder uit te diepen.”


Kinderen met visuele en auditieve beperking dreigen uit de boot te vallen door decreet leersteun

Vanaf 1 september 2022 vervangt het decreet leersteun het huidige M-decreet voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften. Een goede zaak, vindt de werkgroep Gehandicaptenzorg van het NVKVV, waarin belangrijke centra van zorg en onderwijs vertegenwoordigd zijn. Toch vereist de aanpak van mensen met een visuele en een auditieve beperking extra aandacht. Iets wat vandaag in het decreet ontbreekt.

Jan Lannoy is lid van de werkgroep Gehandicaptenzorg en verpleegkundige bij de vzw Ganspoel. Deze leef- en leeromgeving voor kinderen met een visuele beperking is samen met De Kade en Spermalie een belangrijk expertisecentrum in Vlaanderen. “We begeleiden zowel kinderen in het buitengewoon en gewoon onderwijs, als in hun thuisomgeving”, zegt Jan. “Doorheen de jaren bouwden we heel wat kennis op en die dreigt door het decreet leersteun verloren te gaan.”

Zijn collega en directrice Katrien Strauven treedt hem bij: “Het decreet is een goede zaak om efficiënter te werken en specifieke hulp sneller bij de kinderen te brengen. Het opzet is goed, maar de organisatie werkt niet en de complexiteit komt niet naar voor. Zeker bij kinderen met een visuele beperking, een relatief kleine groep waarvoor historische expertise nodig is. En die bouwden centra zoals Ganspoel gedurende de jaren op. Minister Ben Weyts ziet de doelgroepen met 36 regionale centra te breed waardoor wij vrezen dat kinderen met een visuele beperking uit de boot zullen vallen.”

Expertise samen houden

Het is net de vage omschrijving van wat er met kinderen met een visuele en auditieve beperkingen zal gebeuren, waardoor de werkgroep om een aanpassing vraagt. “Visuele aandoeningen zijn een grote range en sommige daarvan zijn echt zeldzaam”, zegt Sarah Lannoy, algemeen directeur van Ganspoel. “Ook de technologie evolueert constant en niet ieder centrum kan dat blijven opvolgen op investeren in die hulpmiddelen. Er is niet één probleem en één expert. Er begeleiden steeds meerdere mensen. Daarom vinden we het zo belangrijk om die expertise samen te houden.”

“Voor verpleegkundigen is dat niet anders”, zegt Jan. “Ook wij bouwen een knowhow op over het omgaan met een visuele beperking. Dit leer je niet op de schoolbanken, wel in het veld. Hou er ook rekening mee dat veel aandoeningen degeneratief zijn. Visus is een medische diagnose waardoor we voor veel ouders een vertrouwenspersoon zijn. Want ook ouders moeten opgevangen worden wanneer ze de diagnose van hun kind horen. Wij kaderen de medische uitleg van artsen, leggen verslagen en symptomen uit en kunnen eventuele nieuwe technieken introduceren. De werking van centra zoals Ganspoel is zoals dat van een uurwerk. Het zijn allemaal tandjes die in elkaar klikken door de goede samenwerking en de gezamenlijke kennis.”

Daarom pleit de werkgroep en ook de centra voor kinderen met een auditieve en visuele beperking voor een uitzondering voor deze doelgroep. “Maak werk van één aanmeldingspunt en twee scholen. Dat houdt de organisatie simpel en vergroot het werkingsgebied”, zegt Katrien. “Regionaal werken is een logische keuze, maar we mogen de kennis en de middelen niet versnipperen. We moeten inzetten op een professioneel beleid dat de mensen stabiliteit geeft. Door enkel buitengewoon onderwijs overeind te houden, hou je het systeem niet recht. Leersteuncentra zullen zich vergalopperen aan deze doelgroep door het gebrek aan specifiek expertise en ervaring. Laat ons dus bij onze niche blijven, een niche met een aanzienlijke schaalgrootte.”


Participatie van kinderen en jongeren is een proces, een middel en een doel

In 2015 startte de Belgische overheid hervormingen binnen de GGZ voor kinderen en jongeren. Met de noden en behoeften van de zorgvrager als centraal uitgangspunt. Participatie is hier een logisch onderdeel van. Jo Holsbeek en Karolien Weemaes werken beide voor de FOD Volksgezondheid, respectievelijk als attaché en als adjunct federaal coördinator. Ze leggen uit waarom een conceptueel kader en model nodig zijn om de vooruitgang kracht bij te zetten.

Participatie van kinderen en jongeren in de GGZ is een relatief nieuw concept in België. Ook internationaal zijn praktijkvoorbeelden dun bezaaid. “Participatie gaat verder dan aangepaste zorg bieden”, steekt Karolien van wal. “Het is een basisrecht van elk kind en elke jongere en gaat over hun actieve betrokkenheid op alle niveaus. Op het microniveau betekent dat inspraak in hun individuele begeleiding- en behandelingstraject. Al eindigt het daar niet. Het beslaat ook het meso- en macroniveau.”

Jo vult aan: “Op mesoniveau stelt zich de vraag: hoe richt je de verschillende zorgvoorzieningen, zoals een privépraktijk of een gespecialiseerde dienst in een ziekenhuis, in zodat het kind of de jongere voelt dat de zorg zich aan hen aanpast? En dan spreek ik niet alleen over de architectuur of inkleding van een ruimte. Ook over hoe je participatie vertaalt in de aanpak van een zorgvoorziening.” Op het macroniveau betekent het dan weer dat kinderen en jongeren mee het beleid kunnen sturen. “Dat vergt een andere manier van werken”, vertelt Jo. “Bijvoorbeeld door interviews af te nemen en focusgroepen op te richten. Het belangrijkste is dat je hen vooraf betrekt in de totstandkoming van het beleid en niet achteraf gaat checken of iets wel oké is.”

Bovendien kunnen modellen of voorbeelden uit het buitenland, bijvoorbeeld omwille van cultuurverschillen, niet zomaar gekopieerd worden. “We zitten in België ook nog eens met een complexe structuur op gewestelijk en federaal niveau”, zegt Karolien. “Toch is het interessant om te weten wat op internationaal vlak beweegt. Een goed voorbeeld is sociale media en de ontwikkeling van apps. Je bereikt kinderen en jongeren op een heel andere manier dan volwassenen. Via andere kanalen of aangepaste websites met kindvriendelijke uitleg.”

Actieve betrokkenheid

Karolien: “Door participatie nemen we de noden, wensen en vragen van kinderen en jongeren mee in rekening. Wat leidt tot meer toegankelijke, kwaliteitsvolle en effectievere zorg. We geven hen een stem, maar ze willen ook gehoord worden en een passend gevolg zien aan wat ze voorstellen. En dus ook feedback krijgen. Het betekent niet dat het kind of de jongere alles zelf bepaalt en de zorgverlener of -voorziening daar blind in meegaat. Het gaat over het creëren van een dialoog, over hen effectieve inspraak geven en actief betrekken in de GGZ.” Jo: “Ze worden niet de regisseur maar de coproducent.”

Het roept natuurlijk ook een aantal vragen op. “Bij de zorgverleners is er bezorgdheid over hoe dit concreet in zijn werk gaat. Hoe pak je dit aan? Hoe ver ga je hierin? We hebben gemerkt dat een duidelijke definitie nodig is. Ondersteund door een conceptueel kader en model. Dat ligt nu op tafel. De volgende stap is het vertalen naar de werkvloer”, vertelt Karolien. “Participatie biedt enorme kansen. Als zorgverleners ben je meer bewust van je eigen professionele handelen en bied je meer hulpverlening op maat aan. Als kind of jongere word je in je kracht gezet, omdat je gehoord wordt. Het focust op hun vaardigheden en competenties. We zijn ervan overtuigd dat de evenwaardigheid van hun standpunt en mening ons echt naar een hoger niveau gaat tillen in de organisatie van de GGZ.”