Medicatie | De rol van de individuele correctiefactor bij diabetes type 1
Door Debruyne Anaïs1-3 en Professor dr. Christophe De Block4,5
1 Departement Verpleeg- en Vroedkunde, Centre for Research and Innovation in Care (CRIC), Faculteit Geneeskunde- en Gezondheidswetenschappen, Universiteit Antwerpen
2Nurse and Pharmaceutical Care (www.nuphac.eu)
3AZ Klina
4Faculteit Geneeskunde- en Gezondheidswetenschappen, Universiteit Antwerpen
5Universitair Ziekenhuis Antwerpen
Binnen de complexe zorg voor mensen met diabetes type 1 speelt farmacologische precisie een cruciale rol. Tijdens de Medicatie Meesterlijk webinar over diabetes type 1, gepresenteerd door Prof. dr. Christophe De Block, werd opnieuw duidelijk hoe belangrijk kennis van individuele insulinetherapie is voor de verpleegkundige praktijk.
Type 1-diabetes vereist een balans tussen de juiste dosis insuline, voeding en lichamelijke activiteit. Elke patiënt is anders en dat vraagt om een individuele insulinebenadering. Deze insulinebenadering heeft een tweeledig doel, enerzijds minder glucoseschommelingen, anderzijds minder hyperglycemieën en geen hypoglycemieën waardoor de patiënt een betere levenskwaliteit heeft. Eén van de belangrijkste parameters binnen deze gepersonaliseerde aanpak is de individuele correctiefactor (ICF) ook wel insulinegevoeligheidsfactor genoemd. In dit artikel gaan we dieper in op de betekenis van de ICF, hoe deze wordt berekend en toegepast en welke rol verpleegkundigen kunnen opnemen in het veilig en doeltreffend hanteren van deze kennis.
Betekenis individuele correctiefactor
Een individuele correctiefactor is essentieel bij insulinetherapie. Werken met een standaard correctieschema, zoals “1 eenheid per 50 mg/dl”, is immers niet optimaal. Dit illustreren we met een voorbeeld:
Patiënt 1 spuit per maaltijd 6 + 7 + 7 eenheden kortwerkende insuline en 10 eenheden langwerkende insuline. Patiënt 2 daarentegen spuit 20 + 20 + 20 eenheden kortwerkende en 30 eenheden langwerkende insuline. Wanneer beiden ’s ochtends een glycemie van 200 mg/dl hebben, zouden ze volgens een correctiefactor van 50 elk 2 eenheden moeten bijspuiten. U begrijpt dat 2 eenheden niet hetzelfde betekent voor patiënt 1 als voor patiënt 2: voor patiënt 1 is dit een stijging van 30% (van 6 naar 8 eenheden), terwijl dit voor patiënt 2 slechts 10% extra is (van 20 naar 22 eenheden). Patiënt 2 is immers veel insuline resistenter dan patiënt 1.
De ICF geeft aan met hoeveel mg/dl één eenheid snelwerkende insuline de bloedglucose verlaagt. Deze factor verschilt per individu en wordt beïnvloed door diverse omstandigheden. Verpleegkundigen moeten zich bewust zijn van factoren die de ICF beïnvloeden. ‘’Zo zal lichamelijke activiteit de insulinegevoeligheid doen stijgen, waardoor ook de ICF stijgt. Infecties en stress zorgen dan weer voor een daling van de gevoeligheid, waardoor ook de ICF afneemt’’, aldus prof. De Block.
De verpleegkundige gebruikt de ICF om te berekenen hoeveel eenheden snelwerkende insuline nodig zijn om de bloedsuikerspiegel binnen het streefbereik te brengen. Na het bepalen van de ICF kan vervolgens de correctiebolus berekend worden.
1800-regel
De ICF wordt berekend aan de hand van de 1800-regel. Hierbij wordt 1800 gedeeld door de totale dagelijkse dosis insuline (TDI). Een patiënt die bijvoorbeeld een TDI heeft van 90 eenheden, heeft een insulinegevoeligheidsfactor van 20 (1800/90E). Concreet betekent dit dus dat één eenheid snelwerkende insuline, de bloedsuikerspiegel met 20 mg/dl verlaagt.
Berekening van de correctiebolus
Aan de hand van de ICF kan de juiste correctiebolus berekend worden door het toepassen van volgende formule: (bloedsuikerspiegel – streefwaarde bloedsuikerspiegel) / ICF. Een patiënt meet bijvoorbeeld voor de maaltijd een bloedsuikerspiegel van 190 mg/dl, terwijl de streefwaarde 100 mg/dl is. Bij een ICF van 20 betekent dit dat de patiënt 4.5 eenheden snelwerkende insuline extra nodig heeft, bovenop de maaltijdinsuline: (190mg/dl -100mg/dl) / 20) = 4.5 eenheden.
Verpleegkundige relevantie
Voor verpleegkundigen betekent dit dat zij, in nauwe samenwerking met de patiënt en het multidisciplinaire diabetesteam, kunnen bijdragen aan een dynamische en individuele glycemiecontrole. De ICF laat verpleegkundigen toe om snel en accuraat insulinecorrecties te berekenen bij hyperglycemieën, educatie aan te bieden aan patiënten over zelfcorrectie, hypoglycemieën te beperken door overcorrectie te vermijden en individuele variabiliteit in insulinebehoefte te begrijpen. Integratie van de ICF in de dagdagelijkse praktijk draagt op deze manier bij aan minder complicaties, een betere kwaliteit van leven en een verhoogde patiëntveiligheid.
Bronvermelding
Evans, L. (2022, 14 juli). Insulin sensitivity Factor (ISF) explained. Diabetes Qualified. https://www.diabetesqualified.com.au/insulin-sensitivity-factor-explained
Hegab, A. M. (2022). Diurnal Variation of Real-Life Insulin Sensitivity Factor Among Children and Adolescents With Type 1 Diabetes Using Ultra-Long-Acting Basal Insulin Analogs. Frontiers in Pediatrics, 10. https://doi.org/10.3389/fped.2022.854972
Pasquel, F. J., Lansang, M. C., Dhatariya, K., & Umpierrez, G. E. (2021). Management of diabetes and hyperglycaemia in the hospital. The Lancet Diabetes & Endocrinology, 9 (3), 174–188. https://doi.org/10.1016/s2213-8587(20)30381-8
Wondzorg | Nieuwe uitgave van Handboek Wondzorg
Tien jaar na de vorige editie verschijnt een vernieuwde uitgave van het Handboek Wondzorg van het Wit-Gele Kruis van Vlaanderen. De wondzorgexperten uit de vijf provincies actualiseerden, samen met externe auteurs en deskundigen, de inhoud en herwerkten de structuur. Zo sluit het boek nog beter aan bij de recente evidentie en de praktijk van zorgprofessionals in uiteenlopende settings.
Het handboek bestaat al meer dan twintig jaar. Wat startte met drie aparte boekjes over wondzorg, groeide uit tot één uitgebreid naslagwerk. De vorige update dateerde van 2016. Hoog tijd dus voor een nieuwe editie. “De afgelopen jaren kwam er heel wat evidentie bij”, zegt Johanna Cooreman, stafmedewerker verpleegkunde. “Dan is het logisch dat ook onze publicatie mee-evolueert.”
Kristel De Vliegher, diensthoofd verpleegkunde en innovatie, vult aan: “Voor elk hoofdstuk zoeken we in overleg met onze wondzorgexperten uit de vijf provincies de meest geschikte auteur uit de praktijk. Zo schrijven zorgprofessionals met specifieke expertise mee aan het boek en krijgt de uitgave een brede onderbouw.”
Logischer opgebouwd met nieuwe thema’s
De inhoud kreeg een duidelijke structuur met zes blokken: algemene wondzorgprincipes, acute wonden, chronische wonden, stomazorg, specifieke wondzorgtechnieken, en wetgeving & geïntegreerde aanpak rond wondzorg. “We wilden het boek meer evidencebased en gebruiksvriendelijker maken voor de lezer”, vervolgt Johanna. Behalve een revisie van de bestaande inhoud, versterken enkele nieuwe hoofdstukken die opbouw. Zo kregen incontinentie-geassocieerde dermatitis (IAD), L-PRF (autologe bloedafgeleide celtherapie), en de wondbeoordeling via T.I.M.E. CDST, een eigen plaats. Het hoofdstuk over verbandkeuze bij een wonde kreeg een grondige herwerking, met geïntegreerde productfiches en QR-codes naar actuele productinformatie. “Zo brengen we theorie en praktijk dichter bij elkaar.”
Betrouwbaar kompas in complexe zorg
Het handboek start bij anatomie en fysiologie van de huid en bouwt via het wondhelingsproces, de wondbeoordeling en wondbehandeling op naar meer specifieke wondzorg bij onder andere diabetesvoetwonden, oncologische wonden en ulcussen, decubitus, brandwonden en negatieve druktherapie. Daarnaast is er aandacht voor pijnmanagement en voeding in relatie tot wondzorg, omdat deze factoren een belangrijke invloed hebben op wondheling en comfort. Die brede aanpak geeft zorgprofessionals theoretisch inzicht en een praktische houvast. Volgens Kristel blijft die sterke onderbouw cruciaal. “Het is een uitgebreid, evidencebased boek met veel referenties. Studenten, maar ook verpleegkundigen, artsen en andere zorgprofessionals kunnen erop terugvallen en weten dat de informatie correct is. Die zekerheid heb je in het huidig AI-gestuurde landschap niet meer. In de praktijk is het een hands-on tool om mee te werken.”
Het handboek bundelt actuele kennis en praktijkervaring in één overzichtelijk geheel. “Wij brengen expertise samen in dit referentiewerk”, besluit Kristel. “Want het vereist kennis en vaardigheden om wondheling te bevorderen, complicaties te voorkomen en de kwaliteit van leven van de patiënt te verbeteren, in welke setting je ook werkt.”
Symposium wondzorg
Op 5 juni stelt het Wit-Gele Kruis van Vlaanderen het vernieuwde handboek voor. Sprekers zoals Kris Bernaerts, Michiel Claes en prof. dr. Frank Nobels brengen praktijkgerichte sessies rond wondzorg, elk vanuit hun expertise. De vijf provinciale wondzorgexperten staan in voor een praktijkgerichte afsluiter. Tijdens het symposium is er ook de mogelijkheid om kennis te maken met de nieuwste wondbehandelingen aan de standen van firma’s met wondzorgproducten. Het symposium richt zich tot verpleegkundigen, artsen, wondzorgspecialisten en onderwijs.
Datum: vrijdag 5 juni 2026
Tijdstip: 13.30 tot 17.00 uur, gevolgd door een afsluitende netwerkdrink
Locatie: Provinciehuis Leuven
Meer info hier.
Preventie | De toekomstperspectieven van gezondheidstoezicht
Gezondheidstoezicht is cruciaal om de gezondheid van werknemers te bevorderen en beschermen. Die verplichte medische opvolging gebeurt door de arbeidsarts, maar door een tekort aan artsen en een groeiend takenpakket, spelen arbeidsverpleegkundigen een steeds grotere rol. Afgelopen zomer bracht de Hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het Werk (HRPBW) een nieuw advies uit voor de toekomstige hervorming van het systeem. Dit moet jij erover weten.
De externe diensten voor preventie en bescherming op het werk kampen al jaren met ernstige personeelstekorten, vooral aan arbeidsartsen. Tegelijk legt het federale regeerakkoord extra opdrachten bij deze diensten. Minder mensen, meer taken en dezelfde wettelijke opdrachten die blijven gelden: dat is een stevige bottleneck. Daarom kwam de HRPBW afgelopen zomer met een advies dat focust op vier aspecten: risicoanalyse als basis van het gezondheidstoezicht, een duidelijke taakverdeling tussen de arbeidsarts en verpleegkundigen, verstandig gebruik van digitale tools en een passende opleiding voor arbeidsverpleegkundigen. In een volgende fase bespreekt de raad ook de frequentie van gezondheidstoezicht en bij welke risico’s dat toezicht noodzakelijk is.
Risicoanalyse als vertrekpunt
Elke job is anders, dus verschillen ook de gezondheidsrisico’s die erbij komen kijken. Een generiek, periodiek medisch onderzoek schiet zijn doel voorbij. Gerichte maatregelen en analyses hebben meer impact. Wanneer risico’s uniform en zorgvuldig in beeld worden gebracht, kunnen preventie en zorg ermee aan de slag. De Co-Prev, een koepelorganisatie van de Externe Diensten voor Preventie en Bescherming op het Werk (EDPBW), reikt handvaten aan zodat verschillende EDPBW’s de risico’s in alle ondernemingen op dezelfde manier kunnen meten. Zo moet het kwaliteitszorgsysteem gewaarborgd worden en kan men nieuwe risico’s tijdig en proactief identificeren en aanpakken.
Enter: de arbeidsverpleegkundige
Om als verpleegkundige handelingen over te nemen van arbeidsartsen zijn duidelijke en wetenschappelijk onderbouwde protocollen nodig, opgemaakt volgens de taak of het onderzoek. Multidisciplinariteit en een regelmatige opvolging via de FOD WASO en de sociale gesprekpartners zijn de basis van deze taakdelegatie. De eindverantwoordelijkheid blijft bij de arbeidsarts, de arbeidsverpleegkundige verlicht diens takenpakket en werkt tekortkomingen en vertragingen in de opvolging weg. Het resultaat: een doeltreffende gezondheidsopvolging die werknemers veilig en gezond aan het werk houdt.
Digitale tools verstandig gebruiken
Ze helpen ons werk heel erg voorruit en tegelijk houden ze grote risico’s in: digitale tools. Het gebruik ervan moet dus aan strikte voorwaarden onderworpen zijn, zoals het respecteren van de regels rond gegevensbescherming en duidelijke afspraken middels sociaal overleg.
Goed opgeleid is goed begonnen
Arbeidsverpleegkundigen beschikken minimaal over een bachelordiploma, of gelijkwaardig door ervaring voor verpleegkundigen die al in dienst zijn. Wanneer een verpleegkundige taken overneemt van de arbeidsarts, moet een postgraduaat arbeidsverpleegkunde gevolgd worden – al is hier ook een vrijstelling mogelijk als je als verpleegkundige voldoende ervaring kan voorleggen. Die graduaatsopleiding werd in 2023 gelanceerd om een antwoord te bieden op de nieuwe uitdagingen in het kader van welzijn op het werk en het tekort aan arbeidsartsen. Wat leer je? Je taken kritisch evalueren, prodromen snel herkennen, vlot communiceren met de onderzochte werknemers, arbeidsartsen en andere preventieadviseurs. Zo word je als arbeidsverpleegkundige een essentiële actor in het duurzaam aan het werk houden van werknemers.
Lees hier meer over de toekomst van gezondheidstoezicht.
Medicatie | Farmacotherapie bij astma en COPD: rol van inhalatietherapie en biologicals
Door Gianni Wijnants1,2,4 en Thérèse Lapperre3,5
1 Departement Verpleeg- en Vroedkunde, Centre for Research and Innovation in Care (CRIC), Faculteit Geneeskunde- en Gezondheidswetenschappen, Universiteit Antwerpen
2 Nurse and Pharmaceutical Care (www.nuphac.eu)
3 Faculteit Geneeskunde- en Gezondheidswetenschappen, Universiteit Antwerpen
4 Universitair Ziekenhuis Antwerpen
5Afdeling Pneumologie, Universitair Ziekenhuis Antwerpen
Prof. dr. Thérèse Lapperre (Uantwerpen, UZA) verzorgde een webinar in de reeks Medicatie Meesterlijk, een initiatief van NuPhaC en Centre for Research and Innovation in Care, Uantwerpen, om de kennis over farmacotherapie en farmaceutische zorg bij verpleegkundigen te verdiepen. Kon je er niet bij zijn? Hieronder een samenvatting van de belangrijkste inzichten rond obstructieve longziekten, inhalatietherapie en nieuwe behandelmogelijkheden.
Obstructieve longziekten: niet one size fits all
Astma en COPD worden vaak in één adem genoemd, toch berusten ze op verschillende ziekteprocessen en vereisen ze een andere aanpak. Astma is een chronische inflammatoire aandoening van de luchtwegen met symptomen zoals wheezing, kortademigheid en hoesten. Astma wordt gekenmerkt door een verdikte luchtwegwand en een verhoogde reactiviteit van gladde spiercellen, klachten variëren in de tijd en zijn vaak uitgelokt door allergenen, virussen, sigarettenrook of inspanning. Het gaat hier dus om een heterogene aandoening waarbij niet elke astmapatiënt hetzelfde is. Bij astma streven we naar volledige symptoomcontrole, geen nachtelijke klachten, geen nood aan noodmedicatie en een normale longfunctie. 1
COPD daarentegen is meestal het gevolg van langdurige blootstelling aan schadelijke deeltjes of gassen, zoals tabaksrook. Hierbij raken de (kleine) luchtwegen en/of alveolen blijvend beschadigd wat leidt tot aanhoudende respiratoire symptomen en een beperkte luchtstroom. Voorkomen is hier beter dan genezen, want de schade is onomkeerbaar. Het behandeldoel is dan ook realistischer namelijk klachten verlichten, exacerbaties beperken en verdere achteruitgang van de longfunctie afremmen 2.
Inhalatietherapie
Bij obstructieve longziekten draait de behandeling grotendeels om wat en vooral hoe patiënten inademen. Inhalatiemedicatie is de hoeksteen van de therapie, met middelen die rechtstreeks werken waar het probleem zich bevindt, in de luchtwegen. De belangrijkste groepen zijn de kort en langwerkende β₂-agonisten (SABA/LABA), kort en langwerkende muscarine-antagonisten (SAMA/LAMA) en inhalatiecorticosteroïden (ICS). Kortwerkende β₂-agonisten (SABA) zoals salbutamol verlichten snel maar worden volgens de huidige GINA-richtlijnen niet meer als monotherapie aanbevolen omdat ze de onderliggende inflammatie niet behandelen en bij overgebruik risico’s meebrengen zoals paradoxale bronchospasmen met exacerbaties en risico op gewenning.1
Bij mild astma wordt een combinatie van ICS en een langwerkende β₂-agonist (LABA), zoals formoterol in één inhalator (bv. Inuvair®) gebruikt als noodmedicatie. Bij matige vormen wordt dit ook als onderhoud toegepast (MART-principe: Maintenance and Reliever Therapy). 1,3-4 β₂-agonisten relaxeren het bronchiale gladde spierweefsel terwijl ICS luchtweginflammatie en exacerbaties verminderen maar vereisen correcte inhalatietechniek en therapietrouw. Naast de β₂-agonisten zijn er de muscarine-antagonisten. Kortwerkende vormen (SAMA) zoals ipratropium en langwerkende vormen (LAMA) zoals tiotropium blokkeren de muscarinereceptoren en zorgen eveneens voor relaxatie van de luchtwegen. Bijwerkingen zijn een droge mond en risico op verergering van urineretentie of glaucoom. Bij COPD vormen LABA/LAMA de standaardbehandeling om symptomen te verlichten en exacerbaties te voorkomen. Bij frequente opstoten kan toevoeging van ICS aan LABA/LAMA, samen triple-therapie genoemd, effectief zijn, vooral als er tevens sprake is van verhoogde bloed eosinofielen. ICS kan echter ook het risico op pneumonie bij COPD verhogen, zeker bij oudere patiënten. 2,5
Bij frequente exacerbaties kan azithromycine (500 mg, driemaal per week; of dagelijks 250 mg) bovenop inhalatietherapie het risico op opstoten verminderen bij zowel astma als COPD door een vermoedelijke antivirale, antibacteriële en immuunmodulerende werking. 6-7
Het belang van inhalatietechniek
Ademen gaat vanzelf maar inhaleren niet, en juist daar loopt het regelmatig mis. Een geneesmiddel verliest zijn waarde als het de longen nooit bereikt. Het succes van inhalatietherapie hangt dus niet alleen af van het geneesmiddel maar ook van het toestel en de inhalatietechniek. Dosisaerosolen (MDI) vragen een goede coördinatie tussen indrukken en rustig inademen. Zonder voorzetkamer of juiste techniek belandt een groot deel van de dosis in de keel in plaats van in de longen. Poederinhalatoren (DPI) activeren pas bij een krachtige inademing wat ze minder geschikt maakt voor patiënten met beperkte inspiratoire kracht. De soft mist inhaler (SMI) vormt een tussenoplossing met een langere zwevende mist die meer tijd geeft om correct te inhaleren. Verneveling wordt vooral toegepast bij ernstige opstoten in het ziekenhuis of wanneer het gebruik van andere toestellen niet mogelijk is. 8-12
“De meest duurzame inhalator is diegene die de patient correct gebruikt,” aldus prof. Lapperre. Een juiste techniek kost niets, maar bespaart veel. Educatie is daarom onmisbaar bij de start van therapie, na elke verandering en bij elke controle. Patiënten hebben nood aan duidelijke uitleg, een demonstratie en de kans om de techniek zelf te oefenen en herhalen. Leg stap voor stap het juiste gebruik uit: kin omhoog, volledig uitademen, daarna krachtig of juist rustig inademen afhankelijk van het type inhalator, mondstuk goed omsluiten en vervolgens 5 tot 10 seconden de adem vasthouden zodat het geneesmiddel optimaal inwerkt. Bij gebruik van ICS is het spoelen van mond en keel essentieel om schimmelinfecties en heesheid te voorkomen. Ook onderhoud is belangrijk, een DPI moet droog worden bewaard en een voorzetkamer moet wekelijks 30 minuten worden gereinigd in water met afwasmiddel en vervolgens aan de lucht worden gedroogd. 13-14
Nieuwe ontwikkelingen: biologicals
Voor patiënten met ernstig astma ligt de oplossing dieper in het immuunsysteem en zijn biologicals beschikbaar die zich richten op specifieke ontstekingsroutes (bv. anti-IgE, anti-IL-5, anti-IL-4/13, of TSLP-remmers). Biologicals verminderen de luchtweginflammatie, het aantal exacerbaties en de nood aan systemische corticosteroïden. Xolair®/omalizumab blokkeert IgE en wordt ingezet bij allergisch astma. Nucala®/Mepolizumab, Fasenra®/benralizumab en Cinqaero®/reslizumab richten zich op interleukine-5 (IL-5), en verminderen eosinofiele ontsteking. IL-5 is een stof die verantwoordelijk is voor de aanmaak en overleving van eosinofielen, dit zijn ontstekingscellen die schade aan de luchtwegen veroorzaken. 15-16
Dupixent®/dupilumab blokkeert IL-4 en IL-13, cruciale cytokines in type 2-inflammatie. IL-4 en IL-13 zijn twee boodschapperstoffen die zorgen voor zwelling, slijmvorming en overgevoeligheid van de luchtwegen. Het meest recente middel, Tezspire®/tezepelumab, grijpt nog vroeger in op de ontstekingscascade door TSLP, een zogenoemd ‘alarmin’ te blokkeren. Hierdoor kan het ook effect hebben bij patiënten waarbij de klassieke T2 ontstekingsmarkers minder duidelijk aanwezig zijn. Biomarkers zoals bloed-eosinofielen of uitgeademde FeNO helpen bij selectie. 14-15 Bij ernstig COPD zijn de eerste studies met biologicals die inwerken op IL-5, IL-4/IL-13 en IL-33 veelbelovend maar de toepassing blijft voorlopig beperkt en terugbetaling in België is er nog niet. 17
Referenties
- Global Initiative for Asthma – GINA. News 2025. https://ginasthma.org/news/
- 2025 GOLD Report – Global Initiative for Chronic Obstructive Lung Disease – The global strategy for Diagnosis, Management and Prevention of COPD. https://goldcopd.org/2025-gold-report/
- Singh D, Corradi M, Bindi E, et al. Relief of methacholine-induced bronchospasm with extrafine beclomethasone dipropionate/formoterol in comparison with salbutamol in asthma. Pulm Pharmacol Ther. 2012;25(5):392-398.
- Papi A, Corradi M, Pigeon-Francisco C, Baronio R, Siergiejko Z, Petruzzelli S, et al. Beclometasone-formoterol as maintenance and reliever treatment in patients with asthma: a double-blind, randomised controlled trial. Lancet Respir Med. 2013;1(1):23-31.
- Pascoe S, Barnes N, Brusselle G, Compton C, Criner GJ, Dransfield MT, et al. Blood eosinophils and treatment response with triple and dual combination therapy in chronic obstructive pulmonary disease: analysis of the IMPACT trial. Lancet Respir Med. 2019;7(9):745-756.
- Gibson PG, Yang IA, Upham JW, Reynolds PN, Hodge S, James AL, et al. Effect of azithromycin on asthma exacerbations and quality of life in adults with persistent uncontrolled asthma (AMAZES): a randomised, double-blind, placebo-controlled trial. Lancet. 2017;390(10095):659-668.
- Albert RK, Connett J, Bailey WC, Casaburi R, Cooper JAD, Criner GJ, e.a. Azithromycin for Prevention of Exacerbations of COPD. New England Journal Of Medicine. 24 augustus 2011;365(8):689–98.
- Newman SP. Principles of metered-dose inhaler design. Eur Respir Rev. 2005;14(94):102-108.
- Kaur I, Singh H, Bhandari R, Kaur S, Arora S, Singh B, et al. Inhalation therapy: An update. Expert Opin Drug Deliv.2015; Epub ahead of print.
- Terzano C. Pressurised metered dose inhalers and add-on devices: which combination for which patient? Pulm Pharmacol Ther. 2001;14(5):351-366.
- Newman SP. Inhaler treatment options in COPD. Respir Care. 2005;50(9):1177-1190.
- Pitcairn G, Reader S, Pavia D, Newman SP. Deposition of corticosteroid aerosol in the human lung by metered-dose inhaler: Influence of actuator design. J Aerosol Med. 2005;18(3):264-272.
- Hagedoorn P, de Boer A, Frijlink HW. Het belang van inhalatietechnologie voor een optimale luchtwegbehandeling. Ned Tijdschr Allergie Astma. 2016;16(4):130.
- Alle inhalatoren – MyPuff [Internet]. MyPuff. 2025. https://www.mypuff.be/nl/puff/
- Brusselle GG, Koppelman GH. Biologic therapies for severe asthma. N Engl J Med. 2022;386(2):157-171.
- Lambrecht BN, Hammad H. The immunology of asthma. Nat Immunol. 2015;16(1):45-56.
- Polverino F, Sin DD. Type 2 airway inflammation in COPD. Eur Respir J. 2024;63(5):2400150.
Kinderverpleegkunde | Intensieve zorg op maat voor jongeren met obesitas
Ruim twee jaar is de zorg voor kinderen en jongeren met overgewicht en obesitas in België grondig versterkt. Dankzij de invoering van pediatrische multidisciplinaire obesitascentra (PMOC) en de volledige terugbetaling van dieetadvies wordt eerst maximaal ingezet op ambulante begeleiding. Voor jongeren bij wie dat traject onvoldoende blijkt, vormt het Zeepreventorium in De Haan een noodzakelijke volgende stap.
Kinderen en jongeren worden vandaag eerst opgevolgd via de huisarts, het CLB of Kind en Gezin en starten vervolgens in een PMOC. “Dat is een belangrijke verandering sinds de maatregel van december 2023”, verduidelijkt Inge Wuyts, maatschappelijk werker in het Zeepreventorium. “De bedoeling is om het ambulante traject maximaal te benutten. Soms dringt een intensievere begeleiding zich op en kan een doorverwijzing naar een residentieel revalidatiecentrum aangewezen zijn.”
Die doorverwijzing gebeurt via een uitgebreid aanmeldingsformulier met medische gegevens, maar ook met duidelijke doelstellingen voor het verblijf. “Het gaat niet alleen over gewicht”, benadrukt Axelle Beniest, verpleegkundige in een van de leefgroepen. “We werken rond fysieke conditie, therapietrouw, mentaal welzijn en de draagkracht van het gezin. Vaak lopen die doelen door elkaar en worden ze tijdens het traject bijgestuurd.”
Holistische aanpak in de praktijk
Het Zeepreventorium werkt volgens een uitgesproken multidisciplinaire aanpak. Jongeren krijgen wekelijks begeleiding door een psycholoog en diëtist en volgen meerdere bewegingssessies per week bij de kinesitherapeut. “Maar het stopt daar niet”, zegt Axelle. “Wij werken hier echt holistisch. Lichaam en geest beïnvloeden elkaar voortdurend. Als jongeren zich fysiek beter voelen, zie je vaak ook mentale vooruitgang en andersom.”
Verpleegkundigen maken integraal deel uit van die aanpak. Ze volgen medische parameters zoals bloeddruk en glycemie op, begeleiden medicatiegebruik en stemmen dagelijks af met de arts. “Veel jongeren komen hier met bijkomende aandoeningen zoals diabetes type 2 of hypertensie”, zegt Axelle.
Vertrouwen, educatie en ouders betrekken
“Het mooie aan onze job is dat je medische opvolging kan combineren met dagelijkse begeleiding in de leefgroep. Daardoor leer je jongeren echt kennen”, vertelt Axelle. Die nabijheid creëert ruimte voor educatie, zowel naar jongeren als naar hun ouders. “Wat een arts vertelt, komt niet altijd binnen. Als verpleegkundige kan je dat vertalen, herhalen en kaderen. Dat gaat over medicatie, maar evengoed over leefstijl, hygiëne of adviezen opvolgen van de diëtist.” Ook ouders worden actief betrokken. “Bij jongere kinderen is dat essentieel”, vult Inge aan. “Gezonde gewoontes moeten thuis verdergezet worden. Dat vraagt begeleiding, soms ook heropvoeding. Ouders hebben daar vaak nood aan.”
Duurzame verandering vraagt tijd
De slaagkansen van een residentieel traject laten zich niet vatten in snelle cijfers. Obesitas is een chronische aandoening en vraagt blijvende aandacht, ook na ontslag. “Vermageren op zich is nooit het doel, maar wel de gezonde levensstijl die jongeren levenslang moeten volhouden”, benadrukt Inge.
Die duurzaamheid zit volgens het team vooral in het aanleren van vaardigheden en inzicht. “Jongeren die hier vertrekken, hebben geleerd wat hun lichaam nodig heeft en hoe ze met moeilijke momenten kunnen omgaan”, zegt Axelle. “Ze kennen hun valkuilen beter en weten wanneer ze hulp moeten inschakelen.” Dat vertaalt zich niet altijd in een lineaire vooruitgang. Sommige jongeren keren later terug voor een kort opfristraject, bijvoorbeeld tijdens de overgang naar volwassenheid. “Dat zien we niet als falen”, benadrukt Axelle. “Integendeel: het toont dat jongeren weten waar ze terechtkunnen en verantwoordelijkheid nemen voor hun gezondheid.”
Beter voorkomen dan genezen
Thuisverpleegkundigen spelen voor deze doelgroep vooral een rol bij medicatieopvolging, bijvoorbeeld bij jongeren met diabetes. Toch zien Inge en Axelle ook een bredere preventieve rol. “Thuisverpleegkundigen kunnen al vroeg signalen oppikken en die doorspelen aan de huisarts.” Cruciaal daarbij is communicatie. “Open en duidelijke communicatie is de sleutel”, besluit Inge. “Als gezinnen zich begrepen voelen, haken ze minder snel af. En dat maakt uiteindelijk het verschil in langdurige zorg.”
Medicatie | Farmacotherapie bij ouderen: maatwerk vereist
Elyne De Baetselier1, Katrin Mulkens2
1Universiteit Antwerpen, Center for Research and Innovation in Care, Nurse and Pharmaceutical Care
2 Universitair Ziekenhuis Antwerpen
Medicatie Meesterlijk, een webinarreeks geïnitieerd door NuPhaC en het Centre for Research and Innovation in Care (UAntwerpen), draait nog steeds op volle toeren. Het doel is om de kennis over farmacotherapie en farmaceutische zorg bij verpleegkundigen te verdiepen. Netwerk Verpleegkunde publiceert regelmatig een samenvatting van een inspirerende sessie. Hieronder vind je enkele belangrijke boodschappen uit de webinar van Dr. Katrin Mulkens (geriater, UZA), die relevant zijn voor iedereen die betrokken is bij de (poly)farmacie van ouderen.
Geneesmiddelengebruik bij ouderen vraagt om een individuele aanpak omdat het verouderingsproces sterk verschillend kan zijn per persoon. De gemiddelde 80-jarige bestaat namelijk niet. Bovendien maken de fenomenen symptoommaskering, symptoomomkering of symptoomarmoede het stellen van een juiste diagnose en het evalueren van medicatie-effecten en neveneffecten complexer bij ouderen.
Veranderingen in de farmacokinetiek spelen een grote rol. Door een toename van vetmassa en afname van vochtmassa stijgt de concentratie van wateroplosbare geneesmiddelen (zoals lithium) sneller, terwijl vetoplosbare middelen (zoals benzodiazepines) langer in het lichaam blijven. Ook de verminderde leverdoorbloeding en verhoogde doorlaatbaarheid van de bloed-hersenbarrière beïnvloeden de werking van medicatie.
De meest relevante farmacokinetische verandering is de achteruitgang van de nierfunctie. Ouderen zijn gevoeliger voor elektrolytenstoornissen zoals hyponatriëmie of hyperkaliëmie, en lopen sneller risico op uitdroging, zeker op warme zomerdagen. Hypertensie, diabetes en veroudering van de nier zelf verergeren dit. Daarom is het cruciaal om bij het opstarten van medicatie de nierfunctie te controleren, zeker bij geneesmiddelen met een nauwe therapeutische range. De lijst van middelen die dosisaanpassing vereisen bij nierinsufficiëntie is lang, met o.a. ACE-remmers, diuretica, Aminoglycosiden, Aciclovir, (Lis)diuretica, Dabigatran, Rivaroxaban, Dapagliflozine, Metoclopramide, Allopurinol, Atenolol, Bisfosfonaten, Digoxine, Fluoroquinolones, Metformine en Lithium.
Ook de farmacodynamische kwetsbaarheid van ouderen is groot. Vooral geneesmiddelen die inwerken op het centraal zenuwstelsel (zoals opioïden, antidepressiva, antipsychotica) en het cardiovasculair stelsel vragen extra voorzichtigheid. Ze verhogen het risico op vallen, vooral bij nachtelijke toiletbezoeken in combinatie met bloeddrukverlagende middelen zoals alfablokkers. Tools zoals de STOPP-Fall-lijst kunnen helpen bij het inschatten van valrisico.
Wat ook niet mag vergeten worden is de verhoogde gevoeligheid voor hypo- en hyperthermie, zeker bij gebruik van antipsychotica die hier een versterkend effect op hebben. Verder is het risico op anticholinerge nevenwerkingen (zowel cerebrale als niet-cerebrale) bij ouderen ruim verhoogd door hun voorkomen bij meerdere types medicatie, zoals antipsychotica, tricyclische antidepressiva, antiparkinsonmiddelen en urologische spasmolytica. De ARS-lijst en ACB-calculator kunnen helpen bij het inschatten van anticholinerge belasting.
Verder is er het gevaar van een voorschrijfcascade, waarbij bijwerkingen verkeerd geïnterpreteerd worden als nieuwe aandoeningen en telkens nieuwe medicatie wordt opgestart. Een voorbeeld is het voorschrijven van Oxybutinine na urineverlies door Donepezil, wat kan leiden tot acute verwardheid.
Tot slot kunnen atypische bijwerkingen tot levensbedreigende situaties leiden zoals het ontstaan van hyponatriëmie bij gebruik van antidepressiva. Dit induceert een nog grotere sufheid en traagheid resulterend in een verkeerdelijke verhoging van de dosis antidepressivum door de voorschrijver met finaal epilepsie of bewustzijnsverlies.
Conclusie: Medicatie bij ouderen vereist maatwerk, met bijzondere aandacht voor de nierfunctie, verhoogde gevoeligheid voor bijwerkingen, valrisico en therapie-ontrouw. Regelmatige evaluatie en open communicatie met de patiënt zijn essentieel.
Zin om je kennis in farmacotherapie te verdiepen? Check dan de aankomende webinars via deze link.
Hartfalen | Nieuwe richtlijn hartfalen en uitkomst RIZIV-consensusvergadering
De nieuwe richtlijn hartfalen zet de toon voor een meer geïntegreerde zorgaanpak, waarin educatie, opvolging en multidisciplinaire samenwerking centraal staan. Ook tijdens de recente RIZIV-consensusvergadering werd bevestigd dat veel heropnames vermijdbaar zijn als patiënten beter begrijpen wat hartfalen precies betekent en hoe ze hun medicatie correct innemen.
Chronisch hartfalen is geen eenduidige diagnose maar een complex klinisch syndroom, met uiteenlopende symptomen en een onderliggende structurele of functionele aandoening van het hart. De consensusvergadering bevestigde dat vooral de ziekenhuisopnames wegen op de gezondheidskosten, terwijl net daar winst te boeken valt door een betere organisatie van de transmurale zorg. Voor patiënten maakt educatie een wereld van verschil: wie begrijpt waarom medicatie strikt genomen moet worden en welke alarmsignalen belangrijk zijn, herkent sneller verergering en vraagt op tijd hulp. Toch blijkt uit de praktijk dat dit inzicht vaak ontbreekt.
Educatie als hoeksteen van zorg
In de nieuwe richtlijn krijgt educatie een prominentere plaats dan voorheen. Vandaag gebeurt die vooral in ziekenhuizen door gespecialiseerde hartfalenverpleegkundigen. In de eerste lijn bestaat echter nog geen nomenclatuurnummer voor hartfaleneducatie, in tegenstelling tot diabeteseducatie. Dat vormt een drempel voor bredere implementatie.
“Als we de richtlijn willen uitvoeren zoals bedoeld, dan is deze taak bij uitstek in veilige handen van verpleegkundigen”, zegt huisarts Miek Smeets, actief binnen HeartsConnect, het Lerend Netwerk Hartfalen. “Waar diabeteseducatie ook door diëtisten kan gebeuren, zien we bij hartfalen een andere complexiteit. Daarom zijn er opleidingen voor eerstelijnsverpleegkundigen tot hartfalen educator die jaarlijks worden georganiseerd in verschillende regio’s en een postgraduaat hartfalen voor ziekenhuisverpleegkundigen. Daarnaast loopt aan de Universiteit Antwerpen een navorming hartfalen voor verpleegkundigen in de huisartsenpraktijk.
Nood aan een gestructureerd zorgtraject
Zowel de richtlijn als het consensusrapport onderstrepen het belang van een gestructureerd zorgpad voor hartfalen. Waar diabetes al jaren met een zorgtraject werkt, is dat voor hartfalen nog niet het geval. Nochtans toont internationale literatuur aan dat multidisciplinaire zorg, gecombineerd met educatie en opvolging, leidt tot minder heropnames en een betere levenskwaliteit.
“Dit stond ook in 2008 al op de agenda, en opnieuw tijdens de consensusvergadering”, zegt Miek. “We weten wat werkt, alleen is het beleid nog niet mee. Idealiter krijgt elke patiënt een gestructureerd, patiëntgericht opvolgplan mee naar de eerste lijn. Zo kan de zorg naadloos worden overgenomen.” In grotere ziekenhuizen belt de hartfalenverpleegkundige patiënten al na ontslag op en overlopen ze samen de medicatie. Het maakt volgens studies niet uit of dat telefoontje van een arts of verpleegkundige komt, zolang de opvolging verzekerd is.
Telemonitoring als extra hulpmiddel
De consensusvergadering besteedde ook aandacht aan niet-invasieve telemonitoring, waarbij parameters zoals gewicht, bloeddruk en klachten worden opgevolgd. Dat laat toe om sneller bij te sturen en heropnames te vermijden. Toch is de eerstelijn vaak niet betrokken in deze systemen. “Een testproject van het Wit-Gele Kruis in Turnhout en Herentals toont dat het anders kan”, vertelt Miek. “Daar combineert men telemonitoring en digitale zorg met een huisbezoek van de thuisverpleegkundige. Zo zie je de volledige context van de patiënt.” Dergelijke projecten bewijzen dat telemonitoring beter werkt wanneer iemand opvolgt, contact maakt en tijdig ingrijpt. Ook hier speelt de verpleegkundige een sleutelrol.
Multidisciplinair samenwerken
Hartfalen treft vooral oudere patiënten met meerdere zorgverleners rond zich. De consensus benadrukt dat samenwerking tussen huisarts, cardioloog, verpleegkundige, apotheker en kinesitherapeut geen luxe is maar noodzaak. “Alle bouwstenen zijn er voor een zorgpad hartfalen”, besluit Miek. “Nu is het nog wachten op beleid.”
Tot die structurele verankering er komt, blijft de praktijk bepalend. Door patiënten wegwijs te maken, medicatie-inname op te volgen, beweging te stimuleren en transmurale afstemming te versterken, helpen verpleegkundigen heropnames voorkomen en bouwen ze mee aan warme, duurzame hartfalenzorg.
Medicatie | Wat elke verpleegkundige moet weten over ‘deprescribing’: van kennis naar actie in de dagelijkse praktijk
Door Degefaye Zelalem Anlay 1-3 & Kristel Paque1,2,4
1Centre for Research and Innovation in Care (CRIC), Universiteit Antwerpen, België
2Nurse and Pharmaceutical Care (www.nuphac.eu)
3End-of-Life Care Research Group, Vrije Universiteit Brussel en Universiteit Gent, Brussel, België
4HAST, HBO5 Verpleegkunde, Hasselt, België
In het complexe zorglandschap van vandaag zijn verpleegkundigen meer dan alleen zorgverleners. Ze zijn klinische toezichthouders, pleitbezorgers voor patiënten en wegwijzers binnen het zorgsysteem. Een domein waarin hun rol steeds belangrijker wordt, maar vaak ondergewaardeerd, is deprescribing: het geplande en begeleide proces van het verlagen van de dosis of het stoppen van geneesmiddelen die mogelijk schade veroorzaken of geen voordelen meer bieden [1]. Deprescribing betekent niet dat zorg wordt onthouden, maar draait om het optimaliseren van de behandeling. Het volgt een gestructureerd proces dat bestaat uit het opstellen van een volledige medicatielijst, het beoordelen van de risico’s en voordelen van elk geneesmiddel, het identificeren van kandidaat-geneesmiddelen voor stopzetting en het implementeren van een plan met voortdurende monitoring op ontwenningsverschijnselen of verslechtering van de klinische toestand [2]. Dit proces kan reactief zijn – als reactie op bijwerkingen of interacties – of proactief, gepland samen met de patiënt voordat problemen ontstaan. Toch wordt in veel zorginstellingen deprescribing pas overwogen nadat schade is opgetreden [3].
Ondanks de toenemende beschikbaarheid van bronnen die uitleggen wanneer en hoe medicatie af te bouwen [4], blijft deze praktijk slecht geïntegreerd in de dagelijkse klinische zorg [5]. Dit is vooral zorgwekkend voor oudere volwassenen, die vaak meerdere geneesmiddelen gebruiken. Naarmate de gezondheidstoestand evolueert en leeftijdsgebonden veranderingen de stofwisseling van medicatie beïnvloeden, kunnen geneesmiddelen die ooit geschikt waren, ineffectief of zelfs schadelijk worden.
De voordelen van deprescribing zijn aanzienlijk. Het verminderen van het aantal geneesmiddelen kan bijwerkingen verminderen, interacties tussen geneesmiddelen beperken, kosten verlagen en de therapietrouw verbeteren. Het kan de kwaliteit van leven verhogen door de last van onnodige behandelingen te verlichten.
Hoewel alle onnodige geneesmiddelen in aanmerking komen voor deprescribing, krijgen bepaalde geneesmiddelen, vastgelegd via expertconsensus, prioriteit vanwege hun hogere risicoprofiel en de complexiteit bij het beoordelen van hun geschiktheid. Voorbeelden zijn benzodiazepines, antipsychotica, statines, tricyclische antidepressiva, protonpompremmers, anticholinergica, cholinesteraseremmers, opioïden en selectieve serotonineheropnameremmers (SSRI’s) [6]. Voor veel van deze geneesmiddelen zijn inmiddels richtlijnen voor deprescribing gepubliceerd die geraadpleegd kunnen worden om kennis en vaardigheden te vergroten. Bronnen zoals de website Deprescribing.org bieden evidence-based richtlijnen, trainingsmateriaal en patiëntenbrochures ter ondersteuning van het deprescribingproces [1]. Het Belgisch Centrum voor Farmacotherapeutische Informatie (BCFI) biedt daarnaast een e-learningmodule over afbouwen van medicatie aan [7].
Verpleegkundigen, als onmisbare en veelzijdige zorgverleners, bevinden zich in een unieke positie om deprescribing-initiatieven te bevorderen. Afhankelijk van hun bevoegdheden kunnen verpleegkundigen potentieel ongepaste medicatie (potentially inappropriate medications, PIM’s) identificeren, bijwerkingen monitoren, de coördinatie met voorschrijvers ondersteunen en patiënten en hun families betrekken bij gedeelde besluitvorming. Hun frequente contact met patiënten en holistische perspectief stelt hen in staat subtiele veranderingen in de gezondheidstoestand op te merken. Bijvoorbeeld, als een verpleegkundige observeert dat een patiënt verward is, duizelig wordt of vaker valt – mogelijk door een sederend of anticholinerg geneesmiddel – dan moet dit worden gedocumenteerd en onmiddellijk worden gemeld aan de voorschrijvende arts. Dit opent de deur naar een medicatiebeoordeling en mogelijk deprescribing. Verpleegkundigen kunnen ook gesprekken initiëren met de patiënt en hun familie om zorgen, voorkeuren en doelen met betrekking tot medicatiegebruik te verkennen. Zo zorgen ze ervoor dat behandelplannen aansluiten bij de veranderende behoeften en waarden van de patiënt.
Toch melden zorgprofessionals, waaronder verpleegkundigen, verschillende barrières bij het implementeren van deprescribing. Deze barrières omvatten beperkte tijd voor medicatiebeoordelingen, gebrek aan financiële stimulans, het ontbreken van nationale richtlijnen en de lage prioriteit die deprescribing in veel zorginstellingen krijgt, ondanks het belang ervan. Hoewel verpleegkundigen nauw samenwerken met patiënten voelen ze vaak dat ze weinig invloed hebben op beslissingen rond voorschrijven en afbouwen van medicatie, wat de integratie van deprescribing in de dagelijkse praktijk belemmert [5]. Deze kloof is opvallend omdat verpleegkundigen een cruciale rol kunnen spelen als actieve deelnemers aan deprescribing-initiatieven – dus niet als toeschouwers, maar als drijvende krachten van verandering. Door een proactieve rol op te nemen, kunnen zij bijdragen aan de integratie van deprescribing in de dagelijkse zorg en de verschuiving van een reactieve benadering naar een toekomstgerichte praktijk die de patiëntveiligheid en -uitkomsten verbetert [8].
Referenties
- deprescribing.org. What is Deprescribing? [Available from: https://deprescribing.org/what-is-deprescribing/.
- Scott IA, Hilmer SN, Reeve E, et al. Reducing inappropriate polypharmacy: the process of deprescribing. JAMA Intern Med. 2015;175(5):827-34.
- Wright DJ, Scott S, Buck J, et al. Role of nurses in supporting proactive deprescribing. Nurs Stand. 2019;34(3):44-50.
- Anlay DZ, Paque K, Van Leeuwen E, et al. Tools and guidelines to assess the appropriateness of medication and aid deprescribing: An umbrella review. Br J Clin Pharmacol. 2024;90(1):12-106.
- Anlay DZ, Peremans L, Cohen J, et al. Deprescribing for nursing home residents with limited life expectancy: A qualitative study to identify barriers and enablers for healthcare professionals. Geriatric Nursing. 2025;62:1-11.
- Farrell B, Tsang C, Raman-Wilms L, et al. What are priorities for deprescribing for elderly patients? Capturing the voice of practitioners: a modified delphi process. PLoS One. 2015;10(4):e0122246.
- Belgisch Centrum voor Farmacotherapeutische Informatie (BCFI). Goed en veilig gebruik van geneesmiddelen: deprescribing; [cited 2025 Jul 14]. Available from: https://www.bcfi.be/nl/chapters/1?frag=9991233&matches=deprescribing [
- Hart L, Berrou I. 463 Understanding the role of nurses in deprescribing medicines for older people: A systematic review. Int J Pharm Pract. 2023;31(Supplement_1):i18-i9.
Verzekeringen | Zekerheid in elke zorgsituatie
Een fout is snel gebeurd: een bril die valt, een zetel die beschadigd raakt of een misverstand tijdens het toedienen van zorg. Als verpleegkundige kunnen de gevolgen groot zijn, zowel menselijk als financieel. Daarom biedt NETWERK VERPLEEGKUNDE haar leden ook in 2026 een krachtige beroepsaansprakelijkheidsverzekering (BA) en een aanvullende bescherming met gewaarborgd inkomen en (optioneel) uitgebreide rechtsbijstand.
Als verpleegkundige heb je het leven van je zorgvrager in handen, maar even goed zijn hoorapparaat, een fles vruchtensap of belangrijke medicatie. Dat loopt niet altijd goed af. Ogenschijnlijk kleine incidenten leiden soms tot dure claims. Een verpleegkundige maakte het mee bij het uitnemen van een hoorapparaat: het toestel viel, was onherstelbaar beschadigd en moest volledig vervangen worden. Door de BA-verzekering via NETWERK VERPLEEGKUNDE werd deze schade volledig vergoed, zonder vrijstelling. De verpleegkundige hoefde dus geen enkele extra kost te dragen.
Via NETWERK VERPLEEGKUNDE geniet je opnieuw van een sterk groepstarief met uitgebreide polisvoorwaarden die ongewijzigd blijven voor 2026–2027. De verzekering is beschikbaar voor alle verpleegkundigen: zorgkundigen, basisverpleegkundigen, VVAZ, hoofdverpleegkundigen, zelfstandigen en coördinatoren. In loondienst of als zelfstandige. Zelfstandigen kunnen bovendien kiezen voor een formule met uitgebreide rechtsbijstand, bijvoorbeeld bij RIZIV-geschillen of onenigheid binnen groepspraktijken.
Wanneer het ernstiger wordt
Soms gaat het om meer dan materiële schade. Word je beschuldigd van een medische fout of kom je terecht bij de Federale Toezichtcommissie? Dan heeft dat impact op je reputatie en je gemoedsrust. Rechtsbijstand is dan onmisbaar.
Eén van de casussen toont hoe ver dat kan gaan. Een verpleegkundige diende – zonder het te weten – een lege vaccinatiespuit toe die een collega als grap had klaargelegd. De verpleegkundige werd opgeroepen bij de Federale Toezichtcommissie. Door de gekoppelde rechtsbijstand kreeg ze ondersteuning van een gespecialiseerde advocaat, zonder bijkomende kosten.
Extra bescherming bij uitval
Voor zelfstandige thuisverpleegkundigen liggen de risico’s hoger. Door een ongeval, een acute aandoening of langdurige ziekte kan je volledige inkomen plots wegvallen. De verzekering gewaarborgd inkomen vangt dat op met een vaste dagvergoeding, zodat je financiële stabiliteit hebt tijdens je herstelperiode. Zo voorkom je dat een periode van arbeidsongeschiktheid leidt tot financiële problemen.
Of je nu in loondienst werkt of zelfstandig verpleegkundige aan de slag gaat: een BA-verzekering is geen luxe, wel een noodzakelijke vorm van bescherming. Door de voordelige premies, uitgebreide voorwaarden en optie tot gewaarborgd inkomen en rechtsbijstand, krijgen leden van NETWERK VERPLEEGKUNDE toegang tot een solide vangnet dat meegroeit met hun verantwoordelijkheden. Belangrijk om weten: de verzekering komt enkel tussen als je aansluiting in orde is op het moment van het incident.
Nieuwe categorieën vanaf 2027
Veranderingen in het zorglandschap vragen dat de verzekeringsmaatschappijen mee evolueren om een optimale dekking te bieden. Daarom werd vanaf 2027 een herstructurering van het aanbod onderhandeld met de nodige instanties. De uitgebreide polisvoorwaarden en interessant groepstarief blijven ongewijzigd. Daarnaast werden ook de voorwaarden van de polis rechtsbijstand aangepast, zowel voor het bediendestatuut als het zelfstandigenstatuut, elk met een ongewijzigd tarief.
| Categorie | Omschrijving | Premie 2027 |
| Cat. 1 – Bedienden | Zorgkundigen, basisverpleegkundigen en verpleegkundige algemene zorg (VVAZ), inclusief specialisaties. | €75 |
| Cat. 2 – Zelfstandig verpleegkundige | Incl. zelfstandig gespecialiseerde verpleegkundige (VVAZ, wondzorg, … ) | €95 |
| Cat. 3 – Zelfstandigen met uitgebreide rechtsbijstand | Rechtsbijstand o.a. bij RIZIV-geschillen en geschillen in groepspraktijken. | €230 |
| NIEUWE VANAF 2027 Cat. 4 – Verpleegkundig specialist in loondienst |
€95 | |
| NIEUWE VANAF 2027 Cat. 5 – Zelfstandige verpleegkundig specialist |
€125 | |
| NIEUWE VANAF 2027 Cat. 6 – Zelfstandige verpleegkundig specialist met uitgebreide rechtsbijstand |
Zelfstandige verpleegkundig specialisten met uitgebreide rechtsbijstand voor o.a. bij RIZIV-geschillen en geschillen in groepspraktijken. | €245 |
Rouw | Respectvolle zorg na overlijden
Wanneer iemand overlijdt, komt veel op familie en zorgverleners af. Voor verpleegkundigen maakt de voorbereiding voor de lijktooi een onderdeel uit van de laatste zorg voor hun patiënt. Het gaat daarbij niet alleen om techniek, maar ook om nabijheid, communicatie en respect voor de overledene.
Lijktooi betekent het lichaam van een overleden persoon zo natuurlijk en sereen mogelijk verzorgen. Vaak is dat het eerste beeld dat familie zal zien. “Dat beeld blijft hen bij, soms een leven lang”, zegt Thomas Heiremans, partner en woordvoerder bij Sereni Uitvaartplanners. “Daarom is het waardevol om kort na het overlijden enkele eenvoudige handelingen te doen.”
Concreet gaat het om kleine gebaren: de ogen zachtjes sluiten, de handen rustig op elkaar of naast het lichaam leggen en de kin ondersteunen met een subtiel opgerolde windel. Ook incontinentiemateriaal voorzichtig aanbrengen hoort daarbij. “Zulke praktische zaken helpen om een waardig laatste beeld te bewaren en geven familie de kans om hun dierbare in alle sereniteit te groeten.”
Nabijheid en communicatie
Behalve technische zorg speelt de menselijke kant een grote rol. Familieleden willen vaak nog afscheid nemen. Betrek de familie dan ook bij het creëren van een warme sfeer, demp het licht, leg het dekbed eventueel samen mooi, voorzie een bloemetje of een kaarsje. Ook communicatie maakt een verschil. Familie voelt zich gesteund wanneer je uitlegt wat mogelijk is en wat ze kunnen verwachten. Dat is zeker belangrijk bij een onverwacht of traumatisch overlijden, bijvoorbeeld na een ongeval. “Stel jezelf altijd de vraag: zou ik mijn geliefde zo willen zien? Bied familie de kans om afscheid te nemen, ook al is dat maar kort. Geef die kans ook aan collega’s die soms jarenlang voor een bewoner zorgden. Dat moment kan een belangrijke stap zijn in het verdere rouwproces.”
Samenwerking in zorg
Verpleegkundigen en uitvaartzorgers vinden elkaar in dezelfde kern: zorg. Soms duurt het enkele uren voor een begrafenisondernemer ter plaatse is. In die tussentijd staat de verpleegkundige dicht bij de familie en het lichaam. “Dat is een kwetsbare maar zeer waardevolle rol”, besluit Thomas. “Een goede samenwerking en rituelen of wensen open bespreken brengt families veel rust. “Daarin zijn verpleegkundigen van onschatbare waarde.”
Enkele tips bij lijktooi:
- Gebruik geen extra producten. Na het overlijden herstelt de huid niet meer, dus intensieve verzorging is niet nodig.
- Ga zacht te werk. Wil je toch de overledene wat opfrissen, dep dan voorzichtig met een lauwwarm washandje.
- Werk samen. Schakel een collega (of waarom niet iemand van de familie) in om het lichaam te herpositioneren om drukplekken of letsels te vermijden.
- Sluit ogen en mond niet zelf met lijm of zwachtels. Daar bestaan professionele methodieken voor die uitvaartzorgers toepassen.
- Blijf neutraal. Vermijd religieuze of culturele symbolen als je de overtuiging van de overledene niet kent.
- Hou het eenvoudig en respectvol. Een rustige, zorgzame houding zegt vaak meer dan extra handelingen.
- Werk met vertrouwen. Ga kalm en met respect te werk. Dat geeft ook familieleden een gevoel van rust.
- Betrek familieleden of vertrouwde collega’s. Bespreek voorkeuren indien mogelijk vooraf en nodig hen uit om dit moment samen te beleven.

