Nooit wennen

Tom Rummens ruilde zijn carrière in de cultuursector in voor een bacheloropleiding tot verpleegkundige. Zijn ervaringen en indrukken als zij-instromer schrijft hij voor Netwerk Verpleegkunde neer.

Plots is het daar, het beeld dat me terugbrengt naar negentien jaar geleden. Het verschijnt op mijn netvlies tijdens mijn stage op de afdeling pediatrie van het UZ Brussel. Ik maak een bronchoscopie mee en zie hoe een kind van enkele maanden oud daar ligt. Door mijn hoofd raast een flashback naar de eerste dagen van september 2006. Mijn zoon was pasgeboren en kreeg een hersenbloeding. Het beeld dat ik tijdens mijn stage zag, riep een levendige herinnering op aan het kleine hoopje mens, geïntubeerd en omringd door een veelheid aan kabels, leidingen, pompen en machines. Zomaar ineens zag ik hem daar in mijn verbeelding terug liggen. Maar deze keer stond ik aan de andere kant. De flashback duurde hooguit enkele seconden en ik kon hem snel parkeren, al dacht ik er de dagen nadien nog regelmatig aan terug.

Het lijkt me een uitdaging om in de zorg te werken en niet te vergeten hoe heftig de situaties eigenlijk zijn die voor verpleegkundigen dagelijkse kost zijn. Je kan ook niet anders: het is ondenkbaar dat je telkens zou invoelen wat een patiënt of diens familie meemaakt. Het zou volstrekt onmogelijk zijn om dan nog professioneel te handelen.

En toch denk ik dat hier iets potentieel moois schuilt in diegenen die op latere leeftijd in het vak stappen. Een opleiding verpleegkunde na een carrière in de fameuze school of life: het geeft onvermijdelijk een breder perspectief. Het is een ander leerproces, er is minder ruimte en tijd voor gewenning.

Zijzelf zijn het allang vergeten, maar ik weet nog perfect hoe verpleegkundigen en artsen de situatie met mijn zoon destijds hebben aangepakt. Nooit zal ik vergeten hoe een verpleegkundige me toen heeft uitgelegd wat al die machines deden en hoe ik de monitor kon aflezen. Hij had gezien hoe hard ik daarmee bezig was, hoeveel nood ik had aan handvaten om tenminste het gevoel te krijgen dat ik de situatie controleerde. Hij gaf een uitleg van nog geen twee minuten, een fait divers voor hem. Maar daarmee gaf hij mij het beetje grond onder mijn voeten dat ik op dat moment zo hard nodig had.

Is dat niet het grootste gevaar van lange loopbanen, in de zorg of daarbuiten? Dat we wennen aan wat in elke job bijzonder is? Zoals ik gewend was geraakt aan een leven in theaterzalen, alsof dat het alledaagse leven was, met als jammerlijk gevolg dat het op den duur niet meer lukte om écht geraakt te worden door wat zich op de planken afspeelt. Ik had al zoveel gezien, ik kende iedereen, ik wist hoe het werkte en het wonder doofde onverbiddelijk uit. Opnieuw appreciëren wat een vak zo bijzonder en betekenisvol maakt, in het midden van een mensenleven: wellicht schuilt daar het grootste potentieel van de zij-instromers.

PS: terwijl ik dit schrijf, zingt mijn zoon de longen uit zijn lijf in de kamer naast me. Met hem kwam alles meer dan goed.

Copyright foto: Fred Debrock


Eén leven

Tom Rummens ruilde zijn carrière in de cultuursector voor een bacheloropleiding tot verpleegkundige. Zijn ervaringen en indrukken als zij-instromer schrijft hij voor Netwerk Verpleegkunde neer.

“Het moeilijkste ter wereld is dat je maar één keer leeft”, zo luidt de onthutsende openingszin van de schitterende roman De keizer van Gladness van Ocean Vuong. Maar het is niet omdat je maar één leven hebt, dat je er niet meerdere dingen mee kan doen. En dus besloot ik, na een loopbaan van meer dan twintig jaar in de cultuursector en een handvol inspirerende ervaringen als vrijwilliger in de zorg, dat het tijd was voor iets anders. Ik schreef me in voor de bacheloropleiding verpleegkunde aan de Arteveldehogeschool in Gent. Het was de start van een pad vol nieuwe ‘eerste keren’.

Intussen zit ik in het tweede jaar, heb ik de eerste stages achter de rug en via #kiesvoordezorg ook een eerste werkervaring tijdens de zomer, op de dienst neurologie in het AZ Sint-Lucas in Gent. Nooit eerder hapte ik zo vaak naar adem dan het afgelopen anderhalf jaar. Alles is nieuw, weg routine. Ik ben geen ervaren professional meer die kan terugvallen op voorkennis, ervaring en een netwerk. Plots ben ik opnieuw student en breng ik grote stukken van de dag door met medestudenten die generatiegenoten zijn van mijn eigen kinderen, een anachronisme in mijn eigen leven.

Ik zit op de trein, op weg naar mijn stage in het kinderziekenhuis van het UZ Brussel, ik glimlach en vraag me af in welk verhaal ik in godsnaam beland ben. Ik zie mezelf zitten met de brooddoos van mijn kinderen in het auditorium, of in een praktijklokaal, verwikkeld in een komische maar heldhaftige strijd met katheters, optreknaalden en urinezakken. Gelukkig doe ik dat samen met een hele bende collega-zij-instromers. Samen gaan we soms koffiedrinken in de Overpoort, alsof het allemaal nog niet absurd genoeg is.

En toch heb ik nog geen seconde spijt gehad van dit alles. Want meer dan ooit heb ik het gevoel dat ik inderdaad maar één keer leef en dat ik er tegelijk meer aan het uithalen ben dan ik ooit voor mogelijk hield. Zelfs op deze korte tijd sprokkelde ik al zoveel momenten bij elkaar die me altijd zullen bijblijven. Ontmoetingen met zorgvragers die bleven plakken. Soms harde situaties als je ziet dat we veel kunnen, maar niet alles, om mensen beter te maken. Morele stress wanneer je voelt dat de sector onder druk staat en je ziet hoe je niet altijd kan doen wat je in de ideale wereld zou moeten doen. Die kleine, warme dopamineshot als je voor iemand een verschil kon maken, hoe klein ook.

En doorheen dat alles loopt een vraag: waar wil ik uiteindelijk belanden, wie wil ik worden met de rugzak die ik meedraag, in dit nieuwe verhaal? Dat opnieuw kunnen uitzoeken is misschien wel het grootste cadeau dat je jezelf kan doen, zo ergens in het midden van je loopbaan.

Copyright foto: Fred Debrock


Waarheidspluralisme bij intensieve psychiatrische zorgen

Vincent Van Baelen is docent interculturele en psychiatrische verpleegkunde aan Thomas More Mechelen. Verder werkt hij nog als verpleegkundige op de High & Intensive Care (HIC) afdeling van het Universitair Psychiatrisch Centrum KU Leuven en als public health nurse in Noord-Tanzania. In 2025 voltooide hij een postgraduaat toegepaste ethiek aan de KU Leuven.

In september 2025 verscheen het boek De waarheid heeft vier gezichten van cultuurfilosoof en ethicus Simon Truwant. Hij biedt hierin een heldere inleiding in filosofische waarheidsconcepten en toont het belang ervan voor een constructief, respectvol en inclusief publiek debat, ook in complexe maatschappelijke discussies. Kunnen deze concepten ook helpen binnen zorgoverleg in acute psychiatrische zorgverlening voor personen met een psychotische kwetsbaarheid?

Een ‘HIC-zorgafstemmingsgesprek’ (ZAG) is een wederkerend overleg op een High & Intensive Careafdeling waarbij patiënt, naasten en betrokken zorgverleners samenkomen. Het doel is de zorg af te stemmen, gezamenlijke doelen te bepalen en de behandeling te richten op herstel, eigen regie en het voorkomen van dwang. Dergelijke gesprekken tijdens psychiatrische crisismomenten zijn vaak emotioneel intens en complex, omdat verschillende visies en meningen tegelijk aanwezig zijn.

Zo worden ten eerste feitelijke waarheden toegepast, bijvoorbeeld in de vorm van diagnostische medische terminologie of juridisch jargon bij opgelegde beschermingsmaatregelen. Een tweede meer ideologische waarheidsvorm interpreteert en beoordeelt deze feiten vanuit een heel ander denkkader en een verschillende realiteitstoetsing zoals bij psychotische ervaringen. Wat voor de zorgvrager dan logisch lijkt, is voor zijn/haar omgeving vaak verwarrend en vice versa. Zo kan een patiënt achterdochtig en boos reageren, omdat hij/zij gelooft dat anderen hem/haar bespioneren en kwaad willen doen. Daarnaast kan een pragmatische waarheidsvorm worden onderscheiden, die eerder focust op wat concreet herstel bevorderend kan zijn. Door in de praktijk angstreducerende copingstrategieën toe te passen en voldoende vertrouwen te bieden, zal de situatie gaandeweg verbeteren.

Een vierde, en misschien wel de meest waardevolle, is de existentiële waarheidsvorm. Deze richt zich op de authentieke beleving van elke gesprekspartner tijdens een psychiatrische crisis. Het is een ervaring die vaak gepaard gaat met het bereiken van een psychologische grens en een diep existentieel karakter. Dergelijke gevoelde psychologische waarheden zoals angst, zingeving, wanhoop, radicale eenzaamheid of spirituele ervaringen, laten zich moeilijk begeleiden door wetenschappelijke feiten of pragmatische interventies. Ze drukken meer uit dan een emotie of een hoogstpersoonlijke mening, maar weerspiegelen de identiteit van de persoon.

De Duitse filosoof Heidegger beschrijft deze doorleefde, ervaringsgerichte waarheidsvorm als de meest oorspronkelijke. Een psychiatrische crisis toont hoe iemands in-de-wereld-zijn ontregeld raakt: zin, verbondenheid en toekomst vallen weg, zoals de wereld op dat moment wordt ervaren. De zoektocht naar een betekenisvol leven kan dan bijna onmogelijk lijken, of (voor de buitenwereld) leiden tot irreële gedachten en beslissingen. In de psychiatrische zorgverlening vraagt dit vooral om begrip, erkenning, warme zorg en nabijheid.

Alle vier de waarheidsvormen hebben hun eigen geldigheid en betekenis binnen het herstelproces, maar kunnen in ‘ZAG’s’ ook tot spanningen leiden. Elke gesprekspartner heeft een eigen mening op goede zorg, die kan aansluiten bij een specifieke waarheidsvorm en soms op gespannen voet staat met andere perspectieven. Het wetenschappelijke kan te categorisch overkomen, het existentiële te symbolisch, het pragmatische te beperkt of ondoordacht…

Waarheidspluralisme kan hier een helpend kader bieden: het herkennen, ontwarren en respecteren van de verschillende waarheidsvormen in een discussie. Zo kan elke vorm ten gronde besproken, begrepen en geëxploreerd worden. Dit creëert een breder perspectief op de crisis en bevordert wederzijds begrip, verbondenheid en betrokkenheid. Vanuit deze benadering kunnen diverse, op maat afgestemde zorginterventies worden afgesproken, waarin alle betrokkenen zich beter herkennen en gehoord voelen. Tot slot verbetert het de verpleeg-therapeutische vertrouwensrelatie, het werkinstrument van een psychiatrisch verpleegkundige.


Existentiële empathie bij intensieve psychiatrische zorgen

Vincent Van Baelen is docent interculturele en psychiatrische verpleegkunde aan Thomas More Mechelen. Verder werkt hij nog als verpleegkundige op de High & Intensive Care (HIC) afdeling van het Universitair Psychiatrisch Centrum KU Leuven en als public health nurse in Noord-Tanzania. In 2025 voltooide hij een postgraduaat toegepaste ethiek aan de KU Leuven.

In een opiniestuk in De Morgen (Snoeks et al., 2025) werd onlangs gepleit voor meer nabijheid en minder dwang in de psychiatrische zorg. Lijden vraagt immers meer dan medische of administratieve antwoorden. Sinds 2019 evolueren veel Belgische afdelingen met verhoogd toezicht naar High & Intensive Care (HIC)-units. In deze HIC-visie staan de noden en de eigen regie van de patiënt centraal, met aandacht voor het verminderen van dwang en het versterken van persoonlijke betrokkenheid. Voor die doelen is het belangrijk dat verpleegkundigen vaardig worden in existentiële empathie. Een echte uitdaging!

Want bijna altijd zijn die individuele noden diep existentieel van aard. Een mentale crisis confronteert mensen met een psychologische grens. Dat kan bijvoorbeeld voelen als een bodemloze afgrond bij een depressie of een ontglippende werkelijkheid bij een psychose. Achter die rand schuilt vaak een vreemde, bijna surreële wereld vol angst, eenzaamheid en onzekerheid. Rond die grens beweegt het verpleegkundig werkveld: een menselijke zoektocht naar zin in een overweldigende ervaring. Zo beschreef Brenda Froyen het treffend in haar boek Tussen waan en zin.

Deze onoplosbare existentiële thema’s – zoals vrijheid, identiteit, betekenis, verbondenheid en wanhoop – kunnen ook verpleegkundigen diep raken. Ze roepen gevoelens op van machteloosheid of innerlijke verwarring. Want zulke grenzen zijn menselijk. “The most personal is the most universal,” schreef Carl Rogers (1961). Dat is het begin van echte verbinding en van samen zoeken naar zin, in plaats van iemand vast te zetten in een “pathologische waan”.

Verpleegkundigen hebben daarom een persoonlijke existentiële basisveiligheid nodig. Dat is een innerlijk gevoel van stevigheid en verbondenheid – een bodem bij een nakende diepte. Die innerlijke bodem vraagt zorg: tijd om stil te staan, te reflecteren en met anderen te verdiepen.

Het idee van existentiële empathie vindt zijn oorsprong bij Hildegard Peplau, ‘the mother of psychiatric nursing’. Haar visie vormt nog altijd de basis van de psychiatrisch verpleegkundige opleiding. Het interpersoonlijke proces draait om fijngevoelige aandacht voor de kleine signalen in elke dialoog. Zo kunnen grenservaringen worden onderzocht en verbonden met nieuwe (existentiële) inzichten.

Peplaus visie richt zich ook op dagelijkse interacties, hier-en-nu-ervaringen en focust niet zozeer op psychiatrische symptomen. Wanneer zulke concrete ervaringen in een veilige verpleegkundige relatie worden geplaatst binnen een persoonlijk verhaal en een groter levensperspectief, worden ze tastbaar, herkenbaar, deelbaar en hanteerbaar.

Daarnaast vraagt existentiële empathie om emotionele resonantie en presentie (Vanhooren, 2022; Baart 2025). Als een ‘skilled companion’ – een deskundige tochtgenoot – ben je als verpleegkundige erg betrokken zonder het onoplosbare te willen verklaren of beheersen. “In warme en professionele nabijheid zeg je eigenlijk: “Ik ben er voor je.” Zo bewandel je samen met de ander de vaak hobbelige weg naar herstel.

Symbolisch hebben we dan meer aan de gevleugelde god Kairos – die zoekt naar juiste momenten van betekenis en verbinding – dan aan Kronos, die alles meet in verpleegkundige procedures en tijdschema’s.

In die interpersoonlijke ruimte krijgt lijden weer een taal, bezieling, verbinding en betekenis. Zo ontstaat zorg die verder reikt dan medicalisering en dwang – een complexe, maar wezenlijke dimensie van de psychiatrisch verpleegkundige praktijk.


Ruimte om een ziekte te hebben

Jasmine Buntinx (35 jaar) is nierpatiënte, verpleegkundige en docent aan de UCLL. Als auteur van ‘Doe ik het wel goed als zorgverlener?’, spreker en trainer gebruikt ze verhalen om verschillende perspectieven naast elkaar te leggen en zo de uitdagingen van zorg uit te klaren.

Er wordt de laatste tijd veel gesproken over langdurig zieken. Of ze niet sneller weer aan het werk kunnen, of ze wel recht hebben op ziekteverlof. Er wordt gerekend, gecontroleerd, afgevinkt. Maar achter die cijfers zitten mensen.

Ik weet dat, omdat ik er zelf één van ben. Ik heb een chronische nierenaandoening. Dat betekent niet dat ik elke dag ziek ben, maar dat ik wel altijd een ziekte heb. En dat verschil is groot. Een ziekte hebben is geen tijdelijke episode, maar een blijvende realiteit waarmee je je hele leven rekening moet houden.

In de zorg en in ons dagelijkse leven wordt er nauwelijks rekening mee gehouden dat je een ziekte hebt die blijvend aandacht vraagt. Afspraak na afspraak moet ingepland en gecombineerd worden met gezin en werk. Soms lijkt even niet werken dan de enige oplossing om ruimte te maken. Maar tegelijk lost het de kern van het probleem niet op: je ziekte blijft, je leven gaat verder. Werk kan in dat spanningsveld zowel een last als een houvast zijn. Het kan druk geven, maar ook zingeving en betekenis. Daarom hebben mensen met een chronische ziekte niet per se minder behoefte aan werk, maar wel aan ondersteuning om het op een haalbare manier te kunnen blijven doen.

We hebben als zorgverleners vaak te weinig oog voor deze vragen die mensen met een ziekte zichzelf stellen: hoe combineer ik dit? Hoe vertel ik het aan mijn collega’s? Wat als ik uitval? Angst, onzekerheid en schaamte wegen vaak even zwaar als de medische diagnose.

Daar ligt volgens mij een sleutel. Als verpleegkundigen, hulpverleners en werkgevers moeten we niet alleen kijken naar papieren en protocollen, maar vooral naar de mens achter de ziekte. Wat heeft iemand nodig om werk en leven op een betekenisvolle manier vorm te geven?

We zouden veel meer moeten investeren in duurzame zorg: zorg die niet stopt bij ‘u bent (fysiek) stabiel, dus in orde’, maar die ruimte biedt om werk en dagelijkse activiteiten voort te zetten, ook met een aandoening. Zorg die verder kijkt dan het moment, inzet op evenwicht en kwaliteit van leven, en die maakt dat mensen kunnen blijven meedoen.

De discussie zou dus niet moeten gaan over ‘controle’ of ‘misbruik’. Ze moet gaan over ruimte. Ruimte om een ziekte te hebben. Ruimte om te werken. Ruimte om deel te blijven uitmaken van de samenleving.


Gezondheidsbevorderaar gezocht

Jasmine Buntinx (35 jaar) is nierpatiënte, verpleegkundige en docent aan de UCLL. Als auteur van Doe ik het wel goed als zorgverlener?, spreker en trainer gebruikt ze verhalen om verschillende perspectieven naast elkaar te leggen en zo de uitdagingen van zorg uit te klaren.

In de zorg doen we vaak alsof gedragsverandering een kwestie is van logica. Je legt uit dat bewegen goed is, dat minder zout beter is, dat stoppen met roken voordelen heeft. Klaar. Maar iedereen die ooit écht iets moest veranderen, weet dat het zo niet werkt.

Toen ik in 2017 de diagnose polycystische nieren kreeg, kreeg ik niet één of twee adviezen, maar minstens dertig. Van “let op dat ene ingrediënt op een etiket”, genoeg drinken, gewicht op peil houden, minder zout, niet te veel rood vlees, bewegen, bloeddruk meten, tot elke dag trouw medicatie innemen. Dertig! Ik dacht even dat ik er een Excelbestand van moest maken, met kleurtjes en filters. Want die ‘kleine aanpassingen’ nemen een groot stuk van je brein in. Het gaat niet alleen over eten of bewegen, maar over jezelf telkens opnieuw motiveren, controleren en bewust zijn. Soms voelt het alsof je er een fulltime job bij krijgt: manager van je eigen gezondheid.

Toch denken wij als zorgverleners vaak dat we de boodschap nóg duidelijker moeten uitleggen. Alsof de patiënt koppig is of het niet goed begrijpt, en wij met het juiste zinnetje de knop kunnen omdraaien. Maar gedragsverandering is geen lichtschakelaar. Het is eerder een ingewikkeld mengpaneel waarvan je telkens opnieuw moet ontdekken welke knopjes werken.

In mijn lessen verpleegkunde komt dit terug. Studenten vragen: “Waarom doen mensen dat niet gewoon? Het is toch beter voor hun gezondheid?” Vanuit je eigen normen klinkt het simpel. Ik heb nooit gerookt, dus “stop er toch mee” lijkt logisch. Maar daar begint het: beseffen dat veranderen altijd méér is dan logica. Echte zorg start wanneer je dat zonder oordeel erkent.

In de theorie heet dit de gezondheidsbevorderaar, rol vijf van CANMEDS. In Bachelor Nursing 2030 staat ze mooi beschreven en iedereen vindt haar belangrijk. Maar in de praktijk blijft ze vaak ongrijpbaar. Soms voelt ze als het buitenbeentje van het CANMEDS-gezin: erbij horen doet ze wel, maar hoe zet je haar echt aan tafel?

Gezondheid versterken klinkt prachtig, maar er is geen protocol, geen checklist. Gezondheidsbevorderaar zijn betekent leren omgaan met onzekerheid, minder focussen op wat misgaat en meer op wat iemand sterker maakt. En dat voelt soms net zo spannend voor ons als gedragsverandering voor onze patiënten. Eerlijk: soms lijkt de rol op een fitnessabonnement in januari. Vol goede bedoelingen, maar moeilijk vol te houden. Toch ligt daar de toekomst. In kleine stappen zien, verbinding maken, en soms gewoon samen lachen of huilen om hoe ingewikkeld het allemaal is.

Misschien zit de echte zorg niet in nóg een advies of nóg een richtlijn, maar in durven zeggen: “ja, dit is lastig, dit is veel.” In kwetsbaar durven zijn, samen zoeken, en erkennen dat veranderen niet simpel is. Dáár zit de kracht van zorgverlening. Niet in beter weten, maar in beter zien van de mens achter al die moeite.


Alleen samenspraak kan ons redden

Vaak zit er tussen de patiënten een zorgenkind, iemand die onstabiele parameters vertoont, oncomfortabel blijft, onrustig is, … Volgens de protocollen en regels van de verpleegkunde helpen we die persoon goed, maar ook volgens de wens en levenskwaliteit van de patiënt? Zulke vragen breng ik aan op het interprofessionele overleg. Dat is het forum bij uitstek om de zorg voor iemand zo holistisch mogelijk te bekijken. Als zorgverlener ben je er de spreekbuis, tolk en woordvoerder van de patiënt. Het is tegelijk een kans om de eigen visie en vragen af te toetsen binnen het team. Tijdens het schrijven van ons boek ‘Grenzen aan genezen’ ontstond tussen Philippe en mij een interessant gesprek over dit thema.

Greet: “Verpleegkundigen hebben meer frequente en meer intense interacties met zorgvragers. We komen letterlijk en figuurlijk dichtbij. Die fysiek betrokken positie maakt onszelf ook fragiel. We zien de wonden en de grimassen van pijn bij het draaien, ruiken incontinentie, horen kortademigheid. De broosheid van de patiënt is haast tastbaar. Dat is ingrijpend omdat het ons tot essentiële vragen brengt: doe ik het goed en, vooral, doe ik het goede?”

Philippe: “Het siert verpleegkundigen dat ze zich niet zomaar verzoenen met de situatie zoals ze is. Wanneer ze samen met ons zoeken naar een oplossing of naar medicatie om het comfort te verbeteren. Hoe duidelijker het verpleegkundige verslag, hoe gerichter we kunnen bijsturen.”

Greet: “Maar de broosheid van het bestaan, kunnen we niet weg medicaliseren. Sommige patiënten dragen die afhankelijkheid in een soort overgave. Voor andere patiënten is die permanente hulp een dagelijkse beproeving zijn. Ook dat mentale gewicht drukt zwaar op zorgverleners.”

Philippe: “Of er zijn situaties waarin we de gemoedstoestand van patiënten niet kennen. Mensen die veel zorg nodig hebben en niet meer bewust zijn, zoals op intensieve zorg. Wat ik dan wel eens merk, is dat verpleegkundigen hun eigen onmacht ventileren en dat leidt soms tot hevige reacties zoals ‘dat mogen we niet toelaten’ of ‘dat zou je zelf toch niet willen’. Daar heb ik het soms moeilijk mee.”

Greet: “Die onmacht speelt zeker mee. Zorg is mensenwerk, maar ik geloof dat daaronder een oprechte betrokkenheid ligt voor de patiënten en hun naasten. Verpleegkundigen willen overtuigende pleitbezorgers zijn.”

Philippe: “Zeker. Artsen ook. Veel hangt natuurlijk af van de communicatiestijl van verpleegkundigen om voor patiënten te pleiten. Daarom raakt het ons als verpleegkundigen met een zekere stelligheid de indruk wekken dat we als artsen niet genoeg afwegingen maken. Dat is absoluut niet zo. Door de grote eindverantwoordelijkheid gaan we nooit over één nacht ijs. We bespreken altijd de wetenschappelijke kennis en de individuele context.”

Greet: “Een medisch dossier is soms een complex kluwen. Niet alle details ervan zijn bekend bij verpleegkundigen. Nochtans is sommige informatie essentieel om te blijven geloven dat wat we doen belangrijk is.”

Philippe: “Het zou goed zijn als er nog meer ingezet wordt om de medische gedachtegang proactief over te brengen aan al wie betrokken is bij de zorg van de patiënt. Zo is het niet alleen een gedeelde medische beslissing, maar ook een gedeelde mentale beslissing.”

Greet: “Dat zou goed zijn, want verpleegkundigen zijn vaak uitvoerders van medische beslissingen. Ze controleren van heel dichtbij alle ongemakken die met interventies verbonden zijn. Hun handelingen zijn er altijd op gericht om patiënten te helpen genezen of hun ongemakken op te vangen. Helaas moeten patiënten dikwijls eerst door de ellende die therapieën soms met zich meebrengen.”

Philippe: “Jullie zijn actor en getuige: jullie handelingen dragen bij tot de malaise en jullie willen dat opvangen. Daar staan we als artsen misschien te weinig bij stil. Het onderlijnt hoe verpleegkunde zich bevindt op het raakvlak van de zorg- en levenskwaliteit.”

Greet: “Kokhalzend de nierbekkens vol braaksel aannemen na chemotherapie, slecht helende wonden verzorgen en de pijn zien, mensen opvangen na een operatie, de tranen drogen als patiënten of hun naasten de moed verliezen, … Dat hakt er soms in. Door onze directere nabijheid en bereikbaarheid uiten patiënten of familieleden sneller hun gevoelens tegen ons. De inbreng van die waardevolle informatie bij besluitvorming is cruciaal.”

Philippe: “Zo dragen we allemaal op beroepseigen wijze onze verantwoordelijkheid en onze uitdagingen. Onze besluitvorming weegt soms zwaar. Sommige patiënten volgen we vaak al veel langer op. Je bouwt met hen een band op, maakte misschien bepaalde beloftes en afspraken. Voor sommige artsen komt therapie afbouwen misschien over als falen. Was een andere aanpak niet beter geweest? Dat kruipt onder je vel en dan sluiten we ons misschien af tegenover jullie vanuit een soort zelfbeschermingsreflex. Therapie stoppen is een onherroepelijke beslissing. Met iemand ‘af te tekenen’, teken ik een streep onder een leven. En ik bepaal er het leven van de dierbare naasten mee. Ook al ‘is het goed geweest’, ook al zegt de familie dat ‘hij er klaar voor is’, ook al weet ik rationeel dat dit is wat ik moet doen, toch grijpt het aan. Sinds de geneeskunde ons in staat stelt om levensbedreigende situaties af te wenden en natuurlijke stervensprocessen uit te stellen, moeten we veel meer afwegen of we wel of niet (verder) ingrijpen. Daar moeten we zorgvuldig mee omgaan.”

Greet: “Er is ook weinig marge voor inschattingsfouten. Te lang wachten veroorzaakt ellende, iets overhaast beslissen ook.”

Philippe: “Het is goed om elkaars positie en afwegingen te begrijpen en om van elkaar te weten dat we allemaal proberen te spreken en te handelen als zorgverleners in het belang van elke zorgvrager.”

Greet: “En ook hier kan alleen samenspraak ons daaraan herinneren.”

Greet De Cock is verpleegkundige in het UZ Leuven met 35 jaar ervaring in acute, chronische en palliatieve zorg. Philippe Meersseman is pneumoloog-intensivist in het UZ Leuven. Ze schreven het boek ‘Grenzen aan genezen’ met verhalen uit de dagelijkse zorgpraktijk en persoonlijke getuigenissen van een verpleegkundige en een arts. Het is een uitnodiging om na te denken over onze eigen zorgprocessen en over de moeilijke maar noodzakelijke keuzes die we moeten maken.


Bij zorg hoort emotionaliteit en rationaliteit

Greet De Cock is verpleegkundige in het UZ Leuven met 35 jaar ervaring in acute, chronische en palliatieve zorg. Philippe Meersseman is pneumoloog-intensivist in het UZ Leuven en combineert patiëntenzorg, opleiding en wetenschappelijk onderzoek. Ze schreven het boek Grenzen aan genezen met verhalen uit de dagelijkse zorgpraktijk en persoonlijke getuigenissen van een verpleegkundige en een arts. Het is een uitnodiging om na te denken over onze eigen zorgprocessen en over de moeilijke maar noodzakelijke keuzes die we moeten maken. Greet kroop ook voor NETWERK VERPLEEGKUNDE in haar pen.

“Komaan, we gaan er nog één keer voor!” Het waren de smekende woorden die een dochter tot haar 86-jarige vader richtte om nog één keer alles op alles te zetten. Kort daarvoor vertelde de arts hen dat er geen hoopvolle therapie meer was. Het reeds verzwakte en hulpbehoevende lichaam van de vader werd nu ook bedreigd door acuut nierfalen. Een medische interventie was theoretisch mogelijk, maar zou een cascade van complicaties veroorzaken met een beperkte prognose.

De vader begreep het medisch verdict goed. Hij stelde enkele gerichte vragen: “Dokter, als we niets doen, zal ik dan pijn hebben? Heb ik dan nog dagen of weken?” Na een moment van stil wikken en wegen, nam hij een vastberaden besluit: “Dan kies ik ervoor om terug te gaan naar het woonzorgcentrum om daar palliatieve zorg te krijgen. Het is goed geweest.” Zijn dochter kon zich hier nog niet bij neerleggen. Haar reactie was een uiting van liefdevolle betrokkenheid. Uiteindelijk ging haar vader overstag en koos hij toch voor interventie. Met elke ingreep dikte de ellende aan. Na enkele dagen vechten tegen de bierkaai was het overlijden onvermijdelijk – en uiteindelijk zelfs een bevrijding.

Zorgverleners kennen de spanning tussen emotie en rationaliteit maar al te goed. Soms grijpen we medisch-verpleegkundig in, onder emotionele druk van patiënten of hun familie. Het is een diep menselijke reflex: de gedachte aan een definitief afscheid activeert een overlevingsinstinct. Verblind door doodsangst en levensdrang klampen mensen zich vast aan elke strohalm, hoe klein ook.

Tot op zekere hoogte is dat hun recht. De wet op de patiëntenrechten garandeert zorgvragers het recht op participatie in de zorgplanning. Dit was een reactie op het vroegere paternalisme, waarbij artsen wikten en beschikten, en de patiënt onderging. Als verpleegkundige die haar loopbaan eind de jaren tachtig begon, zag ik van dichtbij hoe de slinger van de ene kant naar de andere is doorgeslagen. Daardoor rijst tegenwoordig in de zorg geregeld de vraag of we bij sommige medische beslissingen, weer niet meer ruimte moeten geven aan de stemmen die gebaseerd zijn op kennis, kunde en ervaring.

Situaties zoals hierboven beschreven, zijn talrijk en komen dagelijks voor in tal van zorgorganisaties. De uitkomsten leveren vele desillusies op. Allereerst voor de precaire patiënt, bij wie het (herhaaldelijk) ingrijpen in het natuurlijke stervensproces leidt tot een aaneenschakeling van discomfort en integriteitsverlies. Maar ook voor de naasten: zij zijn van dichtbij getuigen van deze lijdensweg. Daardoor kampen ook zij uiteraard met toegevoegde onmacht, verdriet en soms schuldgevoelens. Daarnaast is er de morele last voor zorgverleners. Keer op keer worden zij geconfronteerd met handelingen die van hen worden verwacht, terwijl ze er op basis van hun expertise niet in geloven. Zoals een collega verzuchtte: “Ik moest nog een chemo aanhangen, terwijl ik dacht: mensen, ga naar huis en geniet van de laatste maanden, want deze infusen gaan je alleen ellendig maken, zonder kans op beterschap.”

Zeker verpleegkundigen en zorgkundigen die vanop een zeer fysiek nabije en mentaal betrokken positie voor patiënten zorgen, lijden in toenemende mate onder deze morele stress. Soms kunnen zij in één handeling de menselijke ellende horen, voelen, zien en ruiken tegelijk. Als je in die confrontaties dan te vaak de innerlijke bedenking tegenkomt: ik doe meer kwaad dan goed, en de prognose blijft slecht, dan is dat nefast voor het welbevinden van zorgverleners. Er zijn er al velen die om die reden de zorgsector verlieten, tijdelijk of definitief.

Als we maatschappelijk bekommerd zijn om de te lage instroom van verpleegkundigen, dan moeten we ons ook durven buigen over de te hoge uitstroom ervan. Morele stress door te doorgedreven zorg speelt hierin een niet te onderschatten rol.

De vraag tot hoever we therapeutisch moeten ingrijpen, zal altijd een beladen thema blijven. Hoe meer medische innovaties, hoe meer we actief moeten nadenken over ethische grenzen. Het is de andere kant van onze bevoorrechte gezondheidsmedaille. Op welk moment in het zorgtraject scharnieren we naar levenseindezorg? Hiervoor bestaat geen wiskundige formule. De meest kansrijke aanpak is een trialoog: een sereen gesprek tussen de patiënt, zijn dierbaren en zijn zorgverleners. Wanneer zowel emotie als redelijkheid een evenwichtige plaats krijgen, dan is waardige zorg meestal de uitkomst. Zorg waarbij zowel zorgvragers als zorgverleners hun waardigheid behouden.


Waarde Florence Nightingale

Leuven, 12 mei 2025

Beste collega,

De herdenking van uw 205e geboortedag (° 12 mei 1820) is opnieuw een uitgelezen moment om stil te staan bij de plaats van verpleegkunde in onze huidige gezondheidszorg. Graag richt ik mij als collega-verpleegkundige tot u. Lees in deze brief mijn eerbetoon aan de intelligente en bezielde manier waarop u, twee eeuwen geleden, verpleegkunde op de kaart zette.

Uw jubileum is telkens ook een aanleiding om de schertsende connotatie met uw naam te overstijgen. Want uw naam, mevrouw Nightingale, halen we er op de werkvloer graag bij als we lachend willen aangeven dat iets ‘uit de tijd is’. Of als we een extra verpleegkundige inzet willen beklemtonen dan laten we u ook doorklinken: “Kom, we gaan een Florreke doen”. Of soms, als iemand brave, stille allures uitstraalt, hoor ik ook uw naam vallen.

En die associatie, mevrouw Nightingale, wil ik uit de wereld helpen. U was niet volgzaam en timide. U verpersoonlijkte het tegenovergestelde. Het getuigde van durf en stoutmoedigheid toen u in uw aristocratische omgeving kenbaar maakte dat u zich wilde bekommeren om het lot van armen, zieken en gewonden.

Bovendien leverde u een volhardende feministische strijd, want als vrouw was uw pad onbegaan en bezaaid met tegenwind en hoon. Toch koos u er resoluut voor om uw uitzonderlijke statistische kennis en organisatietalent volledig ten dienste te stellen van broodnodige sociale hervormingen. Al rond 1850 schreef u: “Gezondheid is meer dan de afwezigheid van ziekte, het is de situatie waarin een mens al zijn of haar talenten kan ontplooien.” En: “Ziekte of misdaad is altijd een symptoom van een tekort in de maatschappij.” U liet zich hierover onverschrokken horen bij beleidsmakers. Het maakt u niet alleen de bezielster van holistische verpleegkunde, maar ook de grondlegster van de moderne verzorgingsstaat.

Ondertussen blijft verpleegkunde dynamisch verder evolueren waarbij zowel de inzichten, de taakinvullingen, als de settings en materialen zich aanpassen aan de moderne tijd. Ook de professionele relatie tussen artsen en verpleegkundigen laat zich vandaag gelukkig meer kenmerken door gelijkwaardigheid en onmisbare complementariteit.

Al brengt diezelfde tijd ook nieuwe uitdagingen met zich mee. Het tekort aan verpleegkundigen is het meest voelbare. Niet alleen numeriek, Florence. We hebben vooral verpleegkundigen nodig, die net als u destijds, verontwaardiging omzetten in taal en actie. Die niet zomaar verder hollen maar een beleid tot reflectie dwingen.

De actualiteit biedt ons genoeg thema’s. Wanneer egalitaire zorg beetje bij beetje plaats moet maken voor elitaire zorg, dan evolueren we naar een tweesporengeneeskunde. Wat zou u daartegen fulmineren! En al blijft onze verpleegkundige kernopdracht gericht op levensreddend handelen, onze zorg moet ook de levenskwaliteit van mensen ten goede komen. Als studies aantonen dat reanimatie bij 80-plussers misschien wel het leven verlengt maar bij 98 procent ook een invasieve aanslag is op de verdere levenskwaliteit, dan hebben we zorgverleners nodig die de communicatie blijven aangaan met patiënten en een samenleving.

Waarde Florence Nightingale, u wordt vaak afgebeeld met de olielamp waarmee u ‘s nachts uw patiëntenronde deed. We ontlenen graag uw lamp en uw lef, zodat wij in uw voetsporen het belang van kritische verpleegkunde blijven belichten. Onze verpleegkundige stem mag in de zorgsector niet in de schaduw belanden.

Met blijvende dank voor uw lichtend voorbeeld,

Verbonden groeten

Greet De Cock

Verpleegkundige, medeauteur van het boek Grenzen aan genezen

Greet De Cock is verpleegkundige in UZ Leuven met 35 jaar ervaring in acute, chronische en palliatieve zorg. Philippe Meersseman is pneumoloog – intensivist in UZ Leuven en combineert patiëntenzorg, opleiding en wetenschappelijk onderzoek. Samen schreven ze het boek Grenzen aan genezen bundelt verhalen uit de dagelijkse zorgpraktijk en persoonlijke getuigenissen van een verpleegkundige en een arts. Het is een uitnodiging om na te denken over onze eigen zorgprocessen en over de moeilijke maar noodzakelijke keuzes die we moeten maken. Daarbij is een belangrijke rol weggelegd voor elke (potentiële) zorgvrager en zorgverlener: voor iedereen dus.


Voorbij het ‘gynaecologische geval’

Aanvankelijk kende ik weinig verhalen. Ik zat er nochtans middenin. Pas na de dood van Brenda hoorde ik ze, steeds duidelijker. Verhalen van patiënten – veelal vrouwelijke – die niet serieus genomen worden. Met ‘je moet je niet zo aanstellen’ als diagnose, waarbij het emotionele en mentale welzijn ondergeschikt werd aan een haast biomechanische behandeling.

Brenda was zo iemand. Ze vocht jarenlang tegen haar ziekte, maar ook tegen een zorgsysteem dat haar niet als mens zag. Ze werd geconfronteerd met procedures die haar eerder schade toebrachten dan hielpen. En zij is niet de enige. Zoveel anderen ervaren dezelfde tekortkomingen. Die groep is groot en die groep groeit.

Er zijn uiteraard ook goede voorbeelden, laat dat duidelijk zijn. Zorgverleners die wel luisteren, die de patiënt als geheel blijven zien, die de tijd nemen om door routine en regeldruk heen te kijken. Dat zijn de mensen die het verschil maken. Maar de minder goede verhalen, of de ronduit slechte zo je wil, mogen niet onder de mat geveegd worden. Integendeel. Dat is wat Brenda in beweging zette en waar ik me nu aan optrek. Mijn stem is luid en duidelijk, ik kruip mee op de barricades.

We mogen in België nochtans onze twee pollekes kussen met de kwaliteit van ons zorgsysteem. Maar ondanks de inspanningen van veel zorgverleners blijft de zorg versnipperd. De ene specialist kent de patiënt als een psychiatrisch nummer, de andere als een gynaecologisch geval. Maar wie ziet de mens achter de klachten? Waarom is het nog steeds zo moeilijk om specialismen te verbinden – geloof me, wij hebben het geprobeerd – en gezamenlijk naar oplossingen te zoeken? Wat houdt ons tegen om verandering in te zetten? Wat houdt jou tegen?

Verandering stuit vaak op weerstand. Nieuwe wetgeving rond dwang en fixatie bijvoorbeeld: meteen werd er vanuit ziekenhuizen gescandeerd dat het onhaalbaar was, want ‘we hebben al handen te kort’. Maar als je wel twaalf man hebt om zes uur lang een patiënt – mijn vrouw – in bedwang te houden, wat heb je dan als argument? Zorg is meer dan protocollen volgen. Het is verantwoordelijkheid nemen voor wat werkt en voor wat beter kan.

Ik kan me ook echt niet voorstellen dat een zorgverlener bewust extra druk zet op een patiënt die eigenlijk al gebroken is. En toch gebeurt het. Soms door onverschilligheid, soms door vermoeidheid, soms omdat men niet stilstaat bij de impact van routinehandelingen. Afgevlakte gewoontes maken blind voor signalen, voor twijfels, voor dat onderbuikgevoel dat zegt: ‘Dit klopt niet.’

Een systeem veranderen is moeilijk, maar het moet gebeuren. Dringend. Kleine stappen maken soms een groot verschil. Zorgverleners hebben meer invloed dan ze denken. De manier waarop je iemand aanspreekt, de ruimte die je laat voor een verhaal, het signaal dat je geeft wanneer iets wringt: dat alles bepaalt de kwaliteit van zorg, de ervaring van de patiënt, leven of dood.

Daarom een oproep aan iedere verpleegkundige: denk terug aan wie je was tijdens je opleiding. Wat waren je idealen toen? Blijf jezelf die spiegel voorhouden in de handelingen en bejegening die je gisteren deed, vandaag en morgen. En als blijkt dat ze niet meer met elkaar stroken, kijk dan niet alleen naar het systeem. Begin bij jezelf. Wat kan – en zal – jij doen om weer die idealist te zijn? Draag je idealen uit en koester ze. Want die inborst heb je nog, raak ‘m niet kwijt.

Copyright foto: Frank Bahnmüller

Jan De Vlieger is de echtgenoot van Brenda Froyen, schrijfster en voorvechtster van betere zorg voor mensen met een psychische kwetsbaarheid. Brenda overleed na een jarenlange strijd, maar haar verhaal blijft nazinderen. Jan zet haar missie voort[1] en blijft pleiten voor een menselijkere en meer samenhangende geestelijke gezondheidszorg.

[1] DPG Media Privacy Gate. De Morgen. 9 februari: 2025. https://www.demorgen.be/nieuws/jan-de-vliegher-de-man-van-brenda-froyen-hoe-de-medische-wereld-vrouwen-behandelt-ik-val-daar-echt-van-achterover~befcba59/