Horatio 2026: geworteld, veerkrachtig, klaar
Psychische kwetsbaarheid neemt toe. Wachttijden groeien. Teams staan onder druk. Tegelijk wordt de opleiding generieker en dreigt precies datgene te vervagen wat GGZ-verpleegkunde uniek maakt: nabijheid, relationeel werken, de therapeutische band als vakmanschap. Hoe veranker je dan je identiteit als beroepsgroep? Hoe maak je zichtbaar wat GGZ-verpleegkundigen echt bijdragen? Het Horatio-congres, dat zijn twintigjarige bestaan viert, beantwoordt al die vragen. Onder het thema Rooted. Resilient. Ready. brengen verpleegkundigen uit heel Europa praktijk, onderwijs, onderzoek en beleid samen. Liesbet Van Bos en Hanne Vandewiele blikken vooruit. “Je voelt overal dezelfde uitdagingen. En net dat verbindt.”
Twintig jaar Horatio betekent twintig jaar krachten bundelen om het beroep van psychiatrisch verpleegkundige te versterken op alle niveaus. Dat het congres dit jaar in België plaatsvindt, is bijzonder. Liesbet Van Bos, verkozen in de board van Horatio, coördineert en is voorzitter van het congres, en lid van de werkgroep geestelijke gezondheidszorg van NETWERK VERPLEEGKUNDE, waar ook Hanne Vandewiele actief bij betrokken is. “Overal in Europa voelen verpleegkundigen gelijkaardige spanningen. Dat besef – dat we daar niet alleen in staan – geeft kracht.”
Een Europees klankbord met impact tot op de werkvloer
De sterkte van Horatio zit in de vergelijking. Europese landen organiseren onderwijs, praktijk en bevoegdheden op uiteenlopende manieren. Die verschillen werken inspirerend en confronterend. “Je merkt dat veel uitdagingen universeel zijn”, vervolgt Liesbet. “Dat helpt om kritisch naar je eigen praktijk te kijken: waar staan we sterk, waar moeten we bijsturen?” Hanne vult aan: “Soms merk je: hier doen we het goed. Daarnaast zie je voorbeelden waarvan je denkt: daar moeten of willen we naartoe.” Net die internationale spiegel maakt het netwerk waardevol. Het verruimt de blik en versterkt de dagelijkse praktijk.
Terug naar de roots
Die universele uitdagingen zijn ook precies waarom het thema van de jubileumeditie dit jaar zo breed en tegelijk zo scherp gekozen is: Rooted. Resilient. Ready. Een mooie kapstok die verleden, heden en toekomst samenbrengt. Volgens Hanne zit de urgentie in een dubbele beweging. Enerzijds zijn er de klassieke drukpunten die iedereen voelt: personeelstekorten, financiële krapte, groeiende zorgnoden, een samenleving waarin psychische kwetsbaarheid zichtbaarder en soms complexer wordt. Anderzijds is het een beroep dat zijn eigen fundamenten moet blijven bewaken. “Je zoekt soms andere profielen om plekken te vullen, maar dan dreig je de identiteit en het leren van je psychiatrisch verpleegkundigen wat te verliezen.”
Liesbet ziet dezelfde evolutie in het onderwijs. De basisopleiding werd generieker, en dat heeft voordelen: elke verpleegkundige komt mensen met een psychische kwetsbaarheid tegen. Maar het risico is dat essentiële diepgang verdunt. “Er zijn basics, vanuit je kern als GGZ-verpleegkundige, die je nodig hebt in je dagelijkse praktijk. We verliezen daar wat grip op.” En dat gaat niet alleen over kennis, maar ook over interpersoonlijke competenties: presentie, zelfreflectie, relationeel werken, een therapeutische relatie opbouwen. “Als we dan kijken naar de toekomst is dit noodzakelijk. Denk maar aan een skilled companion met oog op de herstelvisie.”
Hanne verwoordt het heel herkenbaar: “Het is heel complex om uit te leggen wat verpleegkundigen in de GGZ precies doen.” Een babbeltje slaan kan iedereen. Maar GGZ-verpleegkunde gaat over meer dan empathie. Het gaat over het doordacht inzetten van jezelf als instrument, met vakkennis in het achterhoofd: herstelvisie, motivationele gespreksvoering, non-verbale signalen lezen, afstemmen op fases en tempo van herstel. “Ons werkinstrument is onszelf als persoon en hoe we met mensen in contact gaan.”
Nood aan een andere organisatie van zorg
Behalve het beroep versterken, wil het congres ook ruimte maken voor de grote vragen waar de sector tegenaan botst. Eén daarvan is de plek van de psychiatrisch verpleegkundige in het zorglandschap. Zowel Liesbet als Hanne zien dat België, en veel Europese landen, nog te veel vertrekken vanuit een ziekenhuislogica, terwijl dat model onder druk staat en niet altijd het beste antwoord biedt. Ze pleiten daarom voor een bredere, meer geïntegreerde aanwezigheid van psychiatrisch verpleegkundigen in de eerste lijn en in de gemeenschap: in huisartsenpraktijken, wijkteams, netwerken rond gezin en context. “Community care. Meer naar huis”, zeggen Hanne en Liesbet beslist. “We moeten herdenken waar de GGZ-verpleegkundigen optimaal in hun kracht kunnen staan en hoe hun expertise de sector helpt versterken.”
Daar sluiten ook preventie en vroeginterventie bij aan. Psychische problemen beginnen zelden ‘plots’. “Dat kan klein starten met piekergedachten en sluimerend groeien”, klinkt het. Wachttijden en drempels maken kwetsbaarheid groter dan nodig. Het idee: zet de juiste persoon op de juiste plaats, op het juiste moment. Niet iedereen heeft meteen gespecialiseerde psychotherapie nodig. Net daar kan GGZ-verpleegkunde een verschil maken met laagdrempelige ondersteuning, vroegsignalering, bruggen bouwen en tijdig doorverwijzen.
Rooted. Resilient. Ready.
Tijdens het HORATIO-congres in mei, volgt elke congresdag dit drieluik:
- Rooted: terug naar de fundamenten met evidencebased nursing, body of knowledge en diverse GGZ-verpleegkundige theorieën. Wat is de ‘ziel’ van het vak? Wat maakt GGZ-verpleegkunde uniek?
- Resilient: veerkracht in een context van schaarste, crisis en snelle maatschappelijke verandering. Hoe blijf je professioneel overeind zonder te verharden, als individu en als beroepsgroep?
- Ready: klaar voor de toekomst. Welke rollen moeten we versterken? Welke competenties, welke settings? Hoe kijken wij als GGZ verpleegkundige naar de toekomst samen met de persoon met een psychische kwetsbaarheid en diens familie?
Liesbet koppelt dat ook aan een bredere taalshift. “Hoewel er al een mooie evolutie is, moeten we voorkomen om paternalistisch te denken. Niet alleen spreken over zorg, maar over persoonsgerichte ondersteuning. Als skilled companion, samen met de persoon.” Dat vraagt oefening, en soms ook het durven meedragen van lijden zonder meteen te willen oplossen. Hanne noemt het expliciet: “Die presentie, dat niet verlaten worden op een moeilijk moment, ook dat is evidence based practice. Al is dat niet altijd makkelijk meetbaar.”
Alle neuzen in dezelfde richting
Dat Horatio dit jaar in België plaatsvindt, is voor Liesbet een mooie kans om het met de woorden van haar Ijslandse collega te benoemen: “We willen de ‘tribe’ versterken: een cultuur bouwen waarin verpleegkundigen elkaar vlotter vinden, over settings en regio’s heen, zonder concurrentie. Ze benadrukt daarbij bewust samenwerking – ook tussen hen beiden. Liesbet is congresvoorzitter, Hanne leidt het adviescomité. Liesbeth: “Ik vind daar ongelooflijk veel steun en toeverlaat. We zijn complementair.”
Hanne vult aan: “Het congres is net geen ‘onderwijscongres’ of ‘ziekenhuiscongres’. We willen werelden verbinden: klinische praktijk, beleid, onderwijs, onderzoek en andere disciplines. We hebben elkaar nodig: psychiaters, psychologen, verpleegkundigen, en noem maar op. Elke patiënt de juiste hulpverlener, op het juiste moment. Dat is het doel.”
Hun drijfveer is duidelijk voelbaar: GGZ-verpleegkunde zichtbaar maken, inhoudelijk versterken en positioneren als een professionele kracht die mee richting geeft – in het belang van mensen met psychische kwetsbaarheid en hun context. “Als we zelf onze identiteit niet helder hebben en maken”, zegt Hanne, “gaat een ander dat voor ons doen.”
En misschien is dat de kern van Horatio: het is een plek om als beroepsgroep samen te blijven staan – geworteld in wat werkt, veerkrachtig in wat schuurt, en klaar voor wat komt.
Blik op het programma
Wat mag je verwachten?
✔ Inspirerende keynotes
Internationale sprekers belichten de fundamenten van GGZ-verpleegkunde, mensenrechten, herstelgericht werken, professionele identiteit en toekomstgericht leiderschap.
✔ Parallelle sessies
Kies uit verschillende formats van telkens een uur: concurrent sessions, symposia en workshops gegeven door professionals uit heel Europa. Tijdens heel het congres kan je ook via de posterpresentaties inspiratie opdoen.
✔ Internationale ontmoeting
Verpleegkundigen, onderzoekers, ervaringsdeskundigen en beleidsmakers uit verschillende Europese landen delen inzichten en ervaringen.
✔ Netwerkmomenten
Ontmoet je collega’s op een informele manier. Zoals de netwerkdrink op het stadhuis in Mechelen op 27 mei en de diner & dance in restaurant Groot Seminarie op 28 mei. Het ideale moment om samenwerkingen op te starten en ideeën te laten rijpen.
Hoe inschrijven?
Leden van NETWERK VERPLEEGKUNDE genieten van het kortingstarief van 350 euro. Inschrijven via deze link: https://webforms.thomasmore.be/view.php?id=1541143
Geen lid? Zie www.horatiobelgium2026.com/registration/ voor meer info.
Het aantal plaatsen is beperkt. Tijdig registreren is de boodschap.
Keynotes om naar uit te kijken
Donderdag 28 mei – 09u30-10u15
Dat Cheryl Forchuk naar België komt, voelt voor Liesbet en Hanne als een eer. Forchuk bouwt verder op het werk van Hildegard Peplau, de grondlegger van de therapeutische relatie binnen de psychiatrische verpleegkunde. “Zij brengt onze roots echt tot leven”, klinkt het.
Forchuk verbindt die fundamenten met sterk onderzoek naar uitkomsten in de praktijk. Ze toont bijvoorbeeld hoe verpleegkundigen die patiënten begeleiden bij ontslag en de overgang naar huis, herval- en heropnamecijfers kunnen doen dalen. Dat maakt zichtbaar wat GGZ-verpleegkundigen betekenen. Niet alleen relationeel, maar ook meetbaar.
Donderdag 28 mei – 13u15-14u00
Dominique de Marné brengt het perspectief van ervaringsdeskundigheid binnen, met haar energieke boodschap: Mental health rocks. Voor Liesbet en Hanne is haar aanwezigheid essentieel. “We kunnen niet blijven spreken over mensen, zonder mensen zelf een stem te geven.”
De Marné legt de nadruk op preventie, weerbaarheid en vroegtijdige ondersteuning. Wat als we psychische kwetsbaarheid vroeger leren herkennen? Wat als ondersteuning laagdrempeliger wordt? Haar verhaal verbindt hoop met realisme en herinnert eraan dat herstel niet alleen in interventies zit, maar ook in ontmoeting en erkenning.
Donderdag 28 mei – 16u15-17u00
Ook Belgische expertise krijgt een plek. Karel Desmet onderzoekt nurse-sensitive patient outcomes: welke resultaten zijn specifiek verbonden aan verpleegkundig handelen?
Dat is volgens Liesbet en Hanne cruciaal. “We weten wat we betekenen. Nu moeten we het ook kunnen benoemen en onderbouwen.” Zijn bijdrage maakt de brug tussen relationeel vakmanschap en meetbare impact. Een belangrijke stap om GGZ-verpleegkunde sterker te positioneren.
Vrijdag 29 mei – 09u00-09u40
Als voormalig president van Horatio en al jaren een internationale stem in de psychiatrische verpleegkunde, plaatst Nina Kilkku het vak in een breder Europees kader. In het jubileumjaar van Horatio reflecteert zij op twintig jaar evolutie en op de positie van GGZ-verpleegkundigen in Europa.
Voor de organisatoren is haar bijdrage symbolisch en inhoudelijk belangrijk: ze verbindt geschiedenis met toekomst en toont hoe Europese samenwerking het beroep structureel heeft versterkt.
Vrijdag 29 mei – 09u45-10u15
Hanna Tuvesson vertegenwoordigt onderzoek dat GGZ-verpleegkunde positioneert als een transformerende kracht in het zorgsysteem. Samen met een Scandinavische onderzoeksgroep publiceerde ze over de transformative force of mental health nursing: wat brengen wij als beroepsgroep werkelijk aan tafel?
Voor Hanne en Liesbet raakt dat aan een kernpunt. “Als je de koppen telt, zijn wij de grootste groep binnen de geestelijke gezondheidszorg. Dan mogen we ook die stem gebruiken.” Tuvesson helpt dat expliciet maken: waar zit onze meerwaarde, hoe benoemen we die, en hoe nemen we daarin positie?
Vrijdag 29 mei – 13u45-14u45
Dirk Richter confronteert het veld met fundamentele vragen. Wat betekent het om echt mensgericht te werken? Waarom isoleren we nog? Welke keuzes maken we vanuit veiligheid, personeelstekort of systeemdruk, en welke vanuit waardigheid?
Volgens Liesbet en Hanne hebben we die kritische spiegel nodig. “Hij durft de stoute vragen te stellen.” Zijn insteek rond mensenrechten en gelijkwaardigheid past perfect binnen het thema van veerkracht en toekomstgericht werken. Niet comfortabel, wel noodzakelijk.
Twee abstracts, één kern: de relationele kracht van GGZ-verpleegkunde
Caressa Van Hoe is verpleegkundig specialist bij PZ Onzelievevrouw Brugge en voert als doctoraatstudent onderzoek naar crustatieve zorg. Ze diende twee abstracts in voor Horatio 2026. Beide werden geselecteerd door het wetenschappelijk comité. Een mooie erkenning en een kans om het verpleegkundig perspectief internationaal zichtbaar te maken.
Wat beide abstracts verbindt, is de nadruk op werken met jezelf als instrument. Relationele deskundigheid, presentie, vertrouwen opbouwen, lijden kunnen verdragen zonder het meteen te willen oplossen, dat zijn kerncompetenties van GGZ-verpleegkundigen.
Suïcidaliteit: zorg vanuit een interpersoonlijk perspectief
De eerste bijdrage is het symposium Nursing care for individuals with suicidal ideation: an interpersonal perspective samen met Joeri Vandewalle en Ulrike De Donder. Het brengt verschillende perspectieven samen rond verpleegkundige zorg voor mensen met suïcidale gedachten. Wij onderzochten hoe patiënten met suïcidale gedachten het contact met GGZ-verpleegkundigen ervaren. De centrale bevinding is helder: effectieve zorg start bij compassion en relationele veiligheid. “Patiënten waarderen verpleegkundigen die toegankelijk zijn, die tijd maken, die echt willen begrijpen”, zegt ze. “Een vragenlijst of checklist alleen werkt niet. Je hebt een vertrouwensrelatie nodig. Pas van daaruit kan je aan de slag met suïcidaliteit.”
Het onderzoek toont ook dat werken met suïcidaliteit uitdagend kan zijn voor verpleegkundigen zelf. Veerkracht, ondersteuning en teamreflectie zijn noodzakelijk om intense ervaringen in evenwicht te brengen met reflectief bewustzijn. Daarmee raakt de bijdrage rechtstreeks aan het congresthema: Rooted in relationele fundamenten, Resilient in een complexe praktijk.
Ernstige en persisterende psychiatrische aandoeningen: inzetten op levenskwaliteit
De tweede bijdrage is de interactieve workshop Beyond Deinstitutionalization: Recovery, Citizenship and Quality of Life for People Experiencing Severe and Persistent Mental Illness, die ze samen met Jürgen Magerman, ook lid van de werkgroep GGZ binnen NETWERK VERPLEEGKUNDE, brengt. Het gaat om mensen die langdurige ondersteuning nodig hebben binnen de GGZ en vaak al een intensief zorgtraject achter de rug hebben. Genezing is niet altijd haalbaar. Daarom verschuift de focus naar levenskwaliteit. “Bij deze doelgroep gaat het over werken op lange termijn”, zegt Caressa. “Vertrouwen opbouwen vraagt tijd. Deze doelgroep heeft vaak al veel negatieve ervaringen gehad. Vanuit die relatie kan je samen zoeken naar wat nog mogelijk is.” Ook hier staat de interpersoonlijke relatie centraal. Gedrag dat vandaag als storend wordt gezien, was ooit vaak functioneel. “Als je begrijpt waar gedrag vandaan komt, kan je het samen anders betekenis geven.”
De workshop stelt daarom ook scherpe vragen: wat zijn de grenzen van herstel? Welke competenties hebben verpleegkundigen nodig om met deze doelgroep kwaliteitsvolle zorg te bieden?
Die reflectie sluit mooi aan bij de pijler Ready: klaar zijn om zorg anders te organiseren en langdurige ondersteuning niet te reduceren tot symptoomcontrole.
Beschermende observatiemaatregel: balans tussen bescherming en autonomie
De wet inzake de bescherming opgelegd aan een persoon met een psychiatrische aandoening werd sinds 1 januari 2025 gemoderniseerd. De basisprincipes blijven grotendeels dezelfde, maar de wetgever koos voor nieuwe begrippen en enkele bijkomende mogelijkheden in de behandeling. Voor verpleegkundigen op psychiatrische afdelingen betekent dat vooral een andere juridische context waarin hun dagelijkse praktijk plaatsvindt.
Een van de meest zichtbare veranderingen is de terminologie. Waar vroeger gesproken werd over een ‘gedwongen opname’, spreekt de wet vandaag over een beschermende observatiemaatregel. Volgens Jan Vande Moortel, doctor in de rechten en expert bij de juridische adviesgroep van NETWERK VERPLEEGKUNDE, is die keuze bewust gemaakt. “De nieuwe terminologie is minder stigmatiserend en sluit beter aan bij het beschermende karakter van de maatregel. In essentie blijft het evenwel gaan om een vrijheidsbeperkende maatregel die kan worden toegepast wanneer iemand met een psychiatrische aandoening een ernstig gevaar vormt voor zichzelf of voor anderen.”
48 uur klinische evaluatie bij spoed
De wet verduidelijkt ook de mogelijkheid tot een klinische evaluatie van maximaal 48 uur in een spoedprocedure. Tijdens die periode wordt de patiënt bewaakt en grondig geëvalueerd. Het doel is om na te gaan of de wettelijke criteria voor een beschermende maatregel daadwerkelijk vervuld zijn en of er eventueel alternatieven mogelijk zijn. Die evaluatie blijft een vrijheidsberoving en mag enkel worden toegepast wanneer er sprake is van een psychiatrische aandoening en een ernstige bedreiging voor de gezondheid of veiligheid van de persoon zelf of voor de integriteit van anderen. De beslissing moet steunen op een omstandig geneeskundig verslag of het advies van een arts. Hierin moet het spoedeisende karakter duidelijk gemotiveerd worden. Binnen de 18 uur vanaf de vrijheidsberoving moet de beslissing door de procureur des Konings worden genomen.
Meer aandacht voor vrijwillige behandeling
Een andere belangrijke vernieuwing is de introductie van de vrijwillige behandeling onder voorwaarden. Die maatregel maakt het mogelijk dat iemand die eigenlijk voldoet aan de criteria voor een beschermende maatregel toch vrijwillig behandeld wordt, mits bepaalde voorwaarden.
De patiënt stelt daarbij samen met een arts een behandelingsplan op. De vrederechter moet dat plan goedkeuren en kan bijkomende voorwaarden opleggen. Een arts krijgt vervolgens de verantwoordelijkheid om de uitvoering van het plan op te volgen. Wanneer de patiënt zich niet aan de afspraken houdt, kan alsnog een beschermende observatiemaatregel worden opgelegd.
Volgens Jan Vande Moortel toont deze nieuwe mogelijkheid aan dat de wet meer nadruk wil leggen op vrijwilligheid binnen de zorg. Tegelijk betekent dat niet dat er automatisch minder vrijheidsbeperking is.
Wat betekent dit voor verpleegkundigen?
Voor verpleegkundigen zelf verandert er juridisch gezien minder dan op het eerste gezicht lijkt. Zij beslissen niet of aan de wettelijke criteria voor een beschermende maatregel is voldaan. Die beoordeling ligt bij instanties zoals de procureur des Konings, de vrederechter of – bij minderjarigen – de jeugdrechter. Hun rol blijft wel cruciaal in de praktijk van de zorg. Een belangrijk aandachtspunt blijft het zorgvuldig bijhouden van het verpleegkundig dossier. Observaties, gedrag en evolutie van de patiënt kunnen namelijk een belangrijke rol spelen in de verdere beoordeling van de situatie. Ook tijdens een klinische evaluatie of een beschermende maatregel blijven de patiëntenrechten volledig van toepassing. Informatie, toestemming, bijstand van een vertrouwenspersoon of juridische vertegenwoordiging blijven dus essentieel.
Hoewel de wetswijziging dus nieuwe begrippen introduceert en enkele procedures verfijnt, blijft de kern van de zorg voor verpleegkundigen dezelfde: patiënten nauw opvolgen, zorgvuldig rapporteren en tegelijk waken over veiligheid, rechten en waardigheid. In die delicate balans tussen bescherming en autonomie blijft hun professionele inschatting onmisbaar.
Samen op weg naar fixatievrij
Hoe bied je veilige zorg in een psychiatrische crisis, zonder naar fixatie te grijpen? In het Openbaar Psychiatrisch Zorgcentrum (OPZ) Geel is het vooral een manier van kijken: hoe hou je mensen veilig, met respect voor hun autonomie? Vandaag werkt het ziekenhuis al fixatie-arm, met maximum zeven à acht fixaties per jaar. Toch kiezen ze voor een meerjarenplan richting fixatievrije zorg tegen 2030. “We willen zorgzaam evolueren naar fixatievrije zorg waarbij we inzetten op evenwicht tussen zowel herstelgerichte zorg als een veilige context voor zowel zorggebruikers, naasten en medewerkers”, zegt Verpleegkundig stafmedewerker Daisy Cochet vult aan: “We sturen op nul, zoals in verkeersveiligheid, terwijl we weten dat uitzonderlijke situaties toch zullen voorkomen.”
De ambitie richting fixatievrije zorg bouwt voort op Zorg voor Ongedwongenheid (ZVO), een beleid rond agressiepreventie en crisishantering dat al sinds 2009 loopt. “De cultuur is hier al jaren relationeel en preventief’, zegt Daisy. “Dit meerjarenplan maakt onze koers expliciet en geeft nieuwe impulsen.”
Een beleid dat vanop de vloer groeit
Opvallend: de concrete aanleiding voor het meerjarenplan kwam niet van bovenaf, maar vanuit de klinische praktijk. OPZ Geel werkt al jaren volgens de klinische ladder: verpleegkundig specialisten – referentiepersonen – antennepersonen. Elke divisie heeft referentiepersonen ZVO die in hun werktijd ruimte krijgen om met het thema bezig te zijn. Op elk afdelingsniveau zijn er daarnaast antennepersonen. “Het idee is gegroeid uit samenwerkingsgesprekken met die referentiepersonen”, vertelt Daisy. “Zij gaven aan dat ze hun collega’s wel bereikten, maar vaak vooral via training in fysieke interventies. Ze wilden hun rol opnieuw sterker neerzetten, meer coachen op teamniveau en zichtbaar maken hoe goed teams vandaag al bezig zijn.” Mieke knikt. “Belangrijk is dat het geen puur bottom-up of top-downverhaal is. We hebben een interdisciplinair samengestelde stuurgroep Veilige Zorg, met vertegenwoordiging van onder andere artsen. Daar komen signalen uit de praktijk samen met beleidskeuzes. Dat creëert een sterke verbinding tussen directie, artsen en teams.”
Zorg voor Ongedwongenheid: wat zit er allemaal in?
ZVO is meer dan zo weinig mogelijk toepassen van vrijheidsberovende maatregelen. Het is een brede kijk op crisispreventie en crisishantering, opgebouwd vanuit primaire, secundaire en tertiaire preventie. Daisy somt op: nabij zijn in relatie, vroegdetectie, de-escalatie, alternatieven inzetten, en – als een vrijheidsbeperkende maatregel toch nodig is – die zo humaan en kort mogelijk houden, met nazorg. “We hebben de afgelopen jaren sterk ingezet op presentie”, zegt Mieke. “Wat betekent het om echt nabij te zijn? Om vanuit een vertrouwensrelatie te werken? En hoe betrekken we familie en naasten veel actiever? Zij weten vaak heel goed wat werkt als iemand spanning opbouwt.” Daisy vult aan: “Die cultuur zit intussen diepgeworteld. Teams passen echt alle mogelijke alternatieven toe. Vrijheidsbeperking is het laatste redmiddel. En als we dan toch afzonderen, blijft de verbinding centraal staan: intensieve begeleiding, één-op-één of twee-op-één, en voortdurend zoeken naar herstel.”
Comfortroom, comfortkoffer en de wikkeltechniek
Een van de concrete bouwstenen in OPZ Geel is het gebruik van de comfortroom: prikkelbeperkte ruimtes waar zorggebruikers, op basis van hun signaleringsplan, kunnen kiezen wat helpt om spanning te laten zakken. Denk aan rustgevende verlichting, muziek, aromatherapie of materialen die voor hen werken. Zowel medewerker als naasten blijven ondertussen in verbinding met de zorggebruiker. “Vroeger was er niets tussen de afdeling en de afzonderingskamer”, zegt Daisy. “Het hoeft bovendien niet altijd in de comfortroom: met de comfortkoffer kunnen we materialen op de kamer aanbieden.” Soms zit de oplossing ook in iets eenvoudigs. “Een wandeling op ons domein kan al veel doen. We willen dat mensen leren hoe ze met kleine interventies hun eigen spanning reguleren. Dat is later thuis minstens zo belangrijk.”
OPZ Geel ontwikkelde daarnaast ook een wikkeltechniek als uitzonderlijk alternatief, vooral om medewerkers veilig de afzonderingskamer te laten verlaten wanneer dat nodig is. Daisy legt uit: “Je kan het wat vergelijken met het inbakeren van een baby: de zorggebruiker zit in een veilige cocon, de ademhaling blijft vrij, en krijgt instructie hoe die er zelf uit kan rollen wanneer die er klaar voor is. Dat geeft tijd om adrenaline te laten zakken, bij de zorggebruiker en bij het team, en om daarna opnieuw verbinding te maken.”
Veiligheid: voor zorggebruiker en medewerker
Fixatievrije zorg roept bij veel verpleegkundigen dezelfde vraag op: hoe bewaak je veiligheid als je minder ‘middelen’ hebt? Voor Daisy en Mieke ligt het antwoord niet in één techniek, maar in een geheel: competenties, teamveiligheid, snelle ondersteuning en multidisciplinair klinisch redeneren. “Veiligheid staat altijd voorop”, zegt Daisy. “Teams maken die afweging nooit alleen. Er is altijd overleg, ondersteuning van artsen en een gedeelde inschatting.”
Mieke benadrukt het belang van het sociale weefsel in teams. “Mensen moeten vertrouwen hebben dat er ondersteuning komt. Dat je in een moeilijke situatie niet alleen staat. Daarom zetten we in op professioneel handelen, op communicatie, op verantwoordelijkheid nemen en op overleg tussen disciplines.” Ook de kloof tussen dag- en continudienst wordt actief verkleind. “We stimuleren meer transdisciplinair werken”, zegt Mieke. “Elkaar vaker zien en leren van elkaars vaardigheden helpt om de verantwoordelijkheid samen te dragen.”
Nieuw is ook het plan om een verpleegkundig consult verder uit te bouwen: referentiepersonen en verpleegkundig specialisten die kunnen meekijken bij complexe situaties, met een evidencebased bril. Referentiepersonen volgen bovendien een intensief train-de-trainertraject om hun inhoudelijke expertise te verbreden, hun coachende rol te versterken, hun handvatten te bieden om met eventuele weerstand om te gaan en laat hen reflecteren over hun eigen rol als referentiepersoon om zo ook hun veerkracht te vergroten.
En er komt opnieuw een campagne om de ambitie zichtbaar te maken. “Het thema moet bij iedereen leven”, zegt Daisy. “We willen het visualiseren, bespreken, blijven teasen. Zodat medewerkers voelen: dit is waar we samen naartoe werken.”
Meten is weten: cijfers en cultuur
De evolutie richting fixatievrije zorg wordt ook gevolgd met data. Daisy: “We meten het aantal afzonderingen en fixaties, de duur, en ook of een afzondering onderbroken wordt. Dat laatste is een belangrijk signaal: het toont dat teams opnieuw verbinding aangaan en zorggebruikers kansen geven om gefaseerd terug naar de afdeling te keren.” Daarnaast zijn er cultuurmetingen: hoe veilig voelen medewerkers zich? Hoe kijken ze naar vrijheidsbeperkende maatregelen? En via dossieranalyses wordt getoetst of het beleid ook effectief in de praktijk landt.
Fixatievrij in 2030: wanneer is het ‘gelukt’?
Nul fixaties klinkt helder, maar OPZ Geel wil vooral realistisch blijven. “We willen minstens ons lage aantal behouden en liefst verder zien dalen”, zegt Daisy. “Nul is niet altijd realistisch, maar de ambitie helpt om scherp te blijven. Voor mij is het doel bereikt als we multidisciplinair dezelfde taal spreken, medewerkers zich veilig voelen, en de cultuur sterk blijft.”
Mieke vat het breder samen: “Fixatievrije zorg reikt verder dan fixatie. Het is een overkoepelende visie op de relatie met de zorggebruiker. De weg naar 2030 gaat over al die interventies samen.” Ook het partnerschap met zorggebruikers en naasten krijgt een expliciete plek. “Het is geen revolutie. Het is een evolutie, gedragen door teams die vandaag al keigoed bezig zijn”, besluit Mieke. “En daar mogen we gerust fier op zijn.”
Tussen doodswens en levenshulp
In de geestelijke gezondheidszorg klinkt de vraag naar euthanasie steeds vaker, ook bij jonge cliënten. Voor verpleegkundigen raakt die vraag aan de kern van hun beroep. Zij kiezen voor zorg, nabijheid en herstel. Wat betekent dat wanneer een cliënt zegt niet meer te willen leven? Binnen Psychiatrisch Centrum Sint-Hiëronymus beschouwt het team zo’n vraag in eerste instantie als een vraag om levenshulp: een signaal van ondraaglijk psychisch lijden en een zoektocht naar perspectief.
Binnen Sint-Hiëronymus werkt men met een tweesporenbeleid. Het eerste spoor erkent de euthanasievraag en laat ruimte om daarover te spreken. Het tweede spoor blijft actief zoeken naar wat het leven nog draaglijk of waardevol kan maken. Beide sporen worden bewust parallel bewandeld en krijgen evenveel aandacht. Het team neemt tijd om de euthanasievraag ernstig te onderzoeken en tegelijk herstelmogelijkheden te verkennen.
“Wanneer iemand zich vastklampt aan het idee van euthanasie dreigt er een tunnel te ontstaan”, zegt Sarah. Zij werkt al drieënhalf jaar als verpleegkundige in Sint-Hiëronymus en werkt momenteel haar bacheloropleiding af. “Wij proberen het gesprek open te trekken. Wat gaf vroeger energie? Welke kwaliteiten heeft iemand? Wat brengt nog rust of voldoening, al is het klein?” Veel cliënten blijken ook ambivalent. Ze zeggen dat ze niet verder willen leven, maar bedoelen vaak dat ze niet verder willen leven op deze manier. Die nuance krijgt ruimte in het gesprek.
Het team verdeelt de rollen. Soms spreekt één vaste hulpverlener met de cliënt over de euthanasievraag. Andere teamleden richten zich op herstel, beweging, zingeving of sociale contacten. Bij complexe trajecten wordt vaak een subteam samengesteld dat het proces van nabij opvolgt. Zo draagt het team de spanning samen.
Dat herstelspoor krijgt ook duidelijk vorm in het aanbod van Sint-Hiëronymus. Zo bestaat er de gespreksgroep ‘Tenuto’, een lotgenotengroep voor mensen met een doodswens die hun euthanasievraag verkennen en tegelijk bereid zijn om mogelijke levensperspectieven te onderzoeken. In een kleine groep van maximaal zes deelnemers krijgen beide sporen ruimte om voluit aan bod te komen.
Procedure en professionele grenzen
De procedure rond euthanasie bij psychisch lijden is strikt en vraagt advies van meerdere artsen. “Het is enorm complex”, beaamt Sarah. “Je wil eerlijk en correct informeren. Tegelijk blijf je hulpverlener.” Binnen de visie van de organisatie start een individuele hulpverlener nooit zelf een euthanasiepiste op. De vraag moet expliciet van de cliënt komen. We willen als hulpverlener de hoop in de cliënt en op een beter leven voor de cliënt nooit opgeven. Die positie maakt Sarah ook duidelijk in het gesprek met cliënten. “Ik zeg vaak: ik blijf een hulpverlener. Ik wil je begeleiden en steunen, ook wanneer je over euthanasie spreekt, al kan je van mij niet verwachten dat ik volledig meega in je doodswens.”
Een lopend euthanasietraject vormt bovendien geen reden om zorg stop te zetten. De begeleiding loopt door, ook wanneer de aanvraag onderzocht wordt. Die aanvraag zelf verloopt extern en volgens strikte wettelijke criteria. Het lijden moet voor de cliënt ondraaglijk zijn en door de betrokken artsen medisch zorgvuldig geëvalueerd worden. Een traject kan maanden tot zelfs jaren in beslag nemen.
In dialoog met naasten
Een euthanasietraject raakt niet alleen de cliënt, ook de familie worstelt ermee. Naasten kampen met verdriet, onmacht en soms verdeeldheid. In Sint-Hiëronymus organiseert het team daarom regelmatig familiegesprekken, soms met elementen uit ‘open dialogue’, waarbij cliënt en familie samen in gesprek gaan onder begeleiding. “Iedereen krijgt ruimte om te spreken”, zegt Sarah. “Sommigen blijven stil, anderen delen hun angst of verdriet. De aanwezige begeleiders helpen om boodschappen helder te verwoorden om tot meer begrip te komen.” Verschillende standpunten verhogen de spanning. Wanneer familieleden elkaar vinden in het traject, verloopt het proces vaak rustiger. Gesprekken met familie kunnen ook helpen om oude wonden te helen en nieuwe perspectieven te zien.
In haar job komt Sarah vaak in contact met cliënten die suïcidaal zijn. Dat maakt het thema voor haar extra complex. “Bij suïcide(pogingen) blijven we erg hard inzetten op suïcidepreventie. Euthanasie is nooit een alternatief voor suïcide(pogingen). Anderzijds begeleiden we ook cliënten die in een euthanasietraject zitten. Als hulpverlener voel je je daardoor soms in een spagaat zitten.” Beide situaties blijven ingrijpend, voor de cliënt en de omgeving. Juist daarom vindt ze het tweesporenbeleid zo belangrijk. “Door ook de doodswens bespreekbaar te maken, kunnen we in dialoog blijven over lijden, hoop en veiligheid. We blijven zoeken naar wat iemand nodig heeft.”
Zelfzorg en opleiding
Voor jonge verpleegkundigen vormt dit thema een grote uitdaging. In de basisopleiding krijgt geestelijke gezondheidszorg beperkte aandacht. “Je kan dit niet leren uit een handboek”, zegt Sarah. “Je groeit erin met steun van je team. Maar het is wel een onderwerp dat in elke zorgsetting aan bod kan komen: in de ouderenzorg, bij chronische aandoeningen, in kankertrajecten … De euthanasieregeling verdient een plek in de opleiding.”
Sarahs ervaringen met euthanasie in haar werkomgeving motiveerden haar om een bachelorproef over het thema te maken. Haar onderzoeksvraag luidt: Hoe ervaren psychiatrische hulpverleners de aanvraagprocedure en besluitvorming rond euthanasie bij psychisch lijden? Met haar bachelorproef wil ze bijdragen aan meer inzicht in hoe hulpverleners deze trajecten beleven. Want tussen doodswens en levenshulp ligt een werkveld dat verpleegkundigen elke dag opnieuw vraagt om nabij te blijven, in alle complexiteit.
Familiewerking als vaste pijler in PPC Pittem
Het Psychotherapeutisch en Psychiatrisch Centrum (PPC) Pittem heeft de Prijs Gert Noël 2025 gewonnen voor zijn structurele familiewerking. Met een multidisciplinair expertisecentrum, gerichte vormingen en een sterke inzet op naasten verankert het ziekenhuis familie duurzaam in de geestelijke gezondheidszorg.
PPC Pittem is een open en vernieuwend gespecialiseerd centrum voor psychiatrie en psychotherapie. In het centrum heeft familie een vaste plek binnen de dagelijkse zorgpraktijk. De zorgvoorziening probeert haar familiewerking zo breed mogelijk uit te rollen. “Van het individuele traject van de patiënt tot de overkoepelende visie van onze organisatie: we streven ernaar elk onderdeel van het zorgpad te bekijken wanneer en hoe we de familie kunnen betrekken”, zegt Julie Vandekerckhove, verpleegkundig specialist en lid van de expertisegroep.
Zes jaar geleden richtte het ziekenhuis het Expertisecentrum Context, Familie en Relaties op. Een multidisciplinair team van psychiaters, psychologen, verpleegkundigen en een familie-ervaringswerker zit er tweewekelijks samen om de visie, doelen en acties te bewaken en organiseren. Het centrum organiseert sessies voor patiënten en hun naasten, met themagroepen rond partnerschap en ouderschap, en versterkt medewerkers via gerichte vormingen. Daaruit groeide ook een inspiratiegids die praktische tips bundelt en vertrekt vanuit herkenbare situaties op de afdeling. Wat doe je wanneer een familielid informatie vraagt die je omwille van het beroepsgeheim niet mag doorgeven? Of wanneer ze zaken aan je toevertrouwen die zij liever niet met de patiënt delen? Hoe blijf je in dialoog met naasten en bewaak je tegelijk de vertrouwensrelatie met de patiënt? “We bespreken dat heel concreet en geven collega’s houvast in complexe situaties. Met die inspiratiegids maken we het haalbaar op de werkvloer”, aldus Julie.
Naast ouderavonden organiseert het centrum ook groepswerkingen voor kinderen en jongeren. Zo krijgen kinderen van ouders met psychiatrische problemen (KOPP) of afhankelijkheidsproblemen (KOAP) informatie op maat en ontmoeten ze leeftijdsgenoten in een gelijkaardige situatie. De sessies bieden ruimte om vragen te stellen, gevoelens te benoemen en ervaringen te delen in een veilige context. Zo versterkt het team niet alleen de patiënt, maar ook het gezin als geheel. De familie-ervaringswerker speelt daarin een sleutelrol. “Bij haar kunnen mensen terecht met hun verhaal, los van het behandeltraject van de patiënt. Het gaat eens over hen. Dat biedt erkenning en steun.”
Die brede en structurele aanpak overtuigde de jury van de Prijs Gert Noël van de Koning Boudewijnstichting, die initiatieven bekroont die de begeleiding van patiënten en hun naasten versterken. PPC Pittem ontvangt 30.000 euro om de familiewerking verder uit te bouwen. Extra ruimte voor de familie-ervaringswerker staat bovenaan de agenda, samen met nieuwe initiatieven om naasten nog sterker te ondersteunen.
Voorschriftplicht hertekend: eenvoudiger zonder kwaliteitsverlies
De voorbije maanden veranderde er heel wat in de regelgeving rond thuisverpleging. Twee recente maatregelen springen eruit: de herziening van de voorschriftplicht en de toevoeging van een interpretatieregel. Volgens Kristien Scheepmans, stafmedewerker Verpleegkunde en expert bij Wit-Gele Kruis vzw en voorzitter van de werkgroep thuisverpleegkundigen binnen NETWERK VERPLEEGKUNDE, hebben ze allebei een directe impact op artikel 8 van de nomenclatuur. De rode draad? Minder administratie, meer logica, en meer erkenning voor het klinisch inschattingsvermogen van verpleegkundigen.
De kern van de hervorming is dat de regels rond terugbetaling beter worden afgestemd op wat verpleegkundigen juridisch autonoom mogen doen. In het verleden zat daar een spanningsveld: verpleegkundigen mochten bepaalde handelingen zelfstandig uitvoeren volgens de beroepswetgeving, maar hadden toch een medisch voorschrift nodig om diezelfde handelingen terugbetaald te krijgen via artikel 8[1].
“Vroeger stonden er in artikel 8 verstrekkingen die autonoom mochten gebeuren, maar toch een voorschrift vereisten voor terugbetaling”, legt Kristien Scheepmans uit. Wondzorg is een bekend voorbeeld. Met de invoering van een specifieke nomenclatuur voor wondzorg verdween die bijkomende voorschriftplicht al grotendeels, met enkele uitzonderingen zoals, redonzorg en debridement. Nu wordt die lijn breder doorgetrokken, onder meer door recente aanpassingen aan de lijst met B1- en B2-handelingen: sommige handelingen verschuiven van B2 (met voorschrift) naar B1 (zonder voorschrift). Denk aan bijvoorbeeld medicinale zalven toedienen of een eenmalige blaassondage.
“Een belangrijk voordeel is de vermindering van de administratieve last, zowel voor verpleegkundigen als voor patiënten die langs de huisarts moeten om de voorschriften”, verduidelijkt Kristien. Het bestendigt ook de professionalisering van de verpleegkundige die op basis van klinisch oordeel autonoom bepaalde zorgaktes kan opstarten. Bijgevolg kunnen artsen zich focussen op het voorschrijven van aktes waarbij een voorschrift echt nodig is.
Interpretatieregel: één prestatie, meerdere zorgverleners
Naast de voorschriftplicht kwam er een nieuwe interpretatieregel bij artikel 8[2]. Die is praktijkgedreven en gaat specifiek over de verstrekking ‘voorbereiding en toediening van medicatie bij chronische psychiatrische patiënten’. In de praktijk wordt medicatie vaak door een verpleegkundige voorbereid en later door een zorgkundige toegediend. Alleen: bij controles werd de terugbetaling soms geweigerd wanneer de prestatie door een zorgkundige werd geattesteerd, omdat de verstrekking als één geheel werd bekeken, en ‘voorbereiding’ nu eenmaal niet tot de bevoegdheid van de zorgkundige behoort. De interpretatieregel verduidelijkt nu dat de prestatie wel kan worden terugbetaald, zolang elk onderdeel door de juiste zorgverlener gebeurt. “Het is geen uitzondering,” benadrukt Kristien, “maar een verduidelijking van een correcte toepassing en interpretatie van die regel, waardoor het in de praktijk mogelijk blijft zoals het al werd toegepast.”
De puzzel richting juni 2026
Met de komst van nieuwe functieprofielen rijzen ook nog andere vragen. Sommige handelingen zijn B1 voor de Verpleegkundige Verantwoordelijk voor Algemene Zorg (VVAZ), maar B2 voor de basisverpleegkundige. In praktijken met gemengde profielen creëert dat onduidelijkheid: wie mag nu wat? Met de instroom van basisverpleegkundigen richting juni 2026 wordt het dringend tijd om die onzekerheid weg te werken. “We zijn samen met de sector, de mutualiteiten en het RIZIV aan het bekijken hoe we dit op punt stellen”, zegt Kristien. “Alle puzzelstukjes liggen er. Nu komt het erop aan de puzzel te leggen, op een eenvoudige, werkbare manier.”
Tot slot beklemtoont Kristien dat binnen al deze wijzigingen de interprofessionele afstemming cruciaal blijft. “Het afschaffen van de voorschriftplicht betekent niet dat communicatie met artsen, zorgvragers en andere betrokkenen minder belangrijk wordt. Het verpleegkundig dossier blijft een hoeksteen.”
[1] https://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2025/09/08/2025006770/staatsblad
[2] https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article.pl?language=nl&sum_date=2025-09-24&lg_txt=N&numac_search=2025006812
Verpleegkundige in de huisartsenpraktijk: motor van kwaliteit, samenwerking en toegankelijke eerstelijnszorg
De werkdruk in Vlaamse huisartsenpraktijken blijft stijgen. De zorgvraag wordt steeds complexer: chronische aandoeningen nemen toe, preventie krijgt een grotere plaats en meer zorg verschuift van het ziekenhuis naar de eerste lijn. Daardoor komt de toegankelijkheid en kwaliteit van zorg onder druk te staan. In dit veranderende zorglandschap wordt één functie steeds belangrijker: de verpleegkundige in de huisartsenpraktijk.
Volgens opleidingscoördinatoren van het postgraduaat Verpleegkundige in de huisartsenpraktijk Lucky Botteldooren (UAntwerpen) en Vanessa Gauwe (Arteveldehogeschool) is de tijd rijp om deze functie volwaardig te omarmen. “Wie vandaag een afspraak probeert te maken bij een huisarts, merkt meteen hoe sterk de werkdruk is toegenomen”, zegt Lucky. “Chronische zorg, preventie en de opvolging van kwetsbare patiënten vragen veel tijd, terwijl acute zorgvragen blijven binnenstromen. Eén consult biedt daardoor vaak onvoldoende ruimte om alles kwaliteitsvol te behandelen. Voor veel praktijken wordt het zo een uitdaging om zorg toegankelijk en kwalitatief te houden.”
Binnen dat veranderende zorglandschap krijgt de verpleegkundige in de huisartsenpraktijk een steeds centralere rol. Deze verpleegkundige ondersteunt de behandeling, begeleiding en opvolging van een diverse en vaak zorgintensieve patiëntenpopulatie. De samenwerking met de huisarts is daarbij duidelijk complementair: de huisarts blijft de centrale spil, terwijl de verpleegkundige de praktijk versterkt vanuit een autonome, interdisciplinaire positie.
Op zowel organisatorisch als klinisch vlak draagt de verpleegkundige bij aan een efficiëntere werking en aan laagdrempelige, doelgerichte zorg. Dat maakt de rol onmisbaar voor een toekomstbestendige eerstelijnszorg waarin kwaliteit, continuïteit en toegankelijkheid centraal staan.
Evolutie naar meer verantwoordelijkheid
Vanessa vult aan: “De verpleegkundige in de huisartsenpraktijk is voor veel mensen iets nieuws. Niet alleen voor huisartsen maar ook voor verpleegkundigen zelf. Vanzelfsprekend zijn er technische taken als bloedafnames, EKG, spirometrie, cerumen verwijderen en cryotherapie, maar het gaat veel breder dan dat. Denk aan preventieve, chronische en complexe zorg en geestelijke gezondheidszorg.” Op het vlak van preventie kan de verpleegkundige, in nauwe samenwerking met de arts, patiëntengroepen screenen op risico’s zoals cardiovasculaire aandoeningen of diabetes. De verpleegkundige volgt op of patiënten deelnemen aan bevolkingsonderzoeken en motiveert hen waar nodig tot een gezondere leefstijl. Daarnaast kan deze zorgverlener patiënten met afwijkende waarden, zoals een verhoogde bloeddruk, tijdig detecteren en een thuisbloeddrukmeting opstarten, preoperatieve consulten organiseren en educatie en voorlichting geven, bijvoorbeeld rond anticonceptie en seksueel overdraagbare infecties.
“De verpleegkundige in de huisartsenpraktijk bezit de competenties om in samenwerking met de huisarts chronische zorg op te nemen zoals diabetes, COPD, cardiovasculair risicomanagement, ouderenzorg en psychosociale zorg”, voegt Lucky toe. “Daarbij staat doelgerichte zorg centraal: samen met de patiënt bepalen welke gezondheidsuitkomsten en levensdoelen prioritair zijn en hoe de zorg daarop kan worden afgestemd.”
Daarnaast werkt de verpleegkundige mee aan evidencebased protocolzorg, waardoor binnen de praktijk gestandaardiseerde en goed gestructureerde zorg ontstaat, waarin huisarts, verpleegkundige en patiënt precies weten welke stappen te volgen. Tegelijk worden patiënten zowel individueel als op populatieniveau opgevolgd zodat problemen vroeger worden opgespoord en de zorg tijdig kan worden bijgestuurd.
Op vlak van complexe zorg kan de verpleegkundige een centrale rol opnemen in de zorgcoördinatie: betrokken zorgprofessionals worden op elkaar afgestemd, de continuïteit van het zorgtraject bewaakt en zo ontstaat een brug naar het ziekenhuis of de thuisverpleegkundige. Daarnaast kan de verpleegkundige vroegtijdige zorgplanningsgesprekken voeren of patiënten met hartfalen mee nauw opvolgen.
Ook populatiemanagement behoort tot de opdracht van de verpleegkundige. Daarbij vertrek je niet vanuit één individuele zorgvraag, maar kijk je naar de gezondheid en noden van een volledige doelgroep. In de huisartsenpraktijk betekent dit: de populatie in kaart brengen en stratificeren, de zorgkwaliteit evalueren en gerichte interventies uitvoeren en opvolgen.
Het grote voordeel is dat je proactiever en preventiever kunt werken, beter inspeelt op de noden van groepen zoals ouderen of patiënten met chronische aandoeningen, en de zorg efficiënter organiseert. Vanessa licht toe: “Huisartsen weten hoe dit moet, maar de tijd ontbreekt hen vaak. Een verpleegkundige kan het proces ondersteunen, preventie en chronische zorg structureel verankeren in de werking en de arts inschakelen wanneer nodig.”
Van bloedafname naar burn-outbegeleiding
Naast de huisartsen en verpleegkundigen moeten ook patiënten meegenomen worden in het verhaal. Wanneer de arts vertrouwen in de verpleegkundige uitstraalt, neemt de patiënt dat vertrouwen over. Vanessa: “We merken dat patiënten de rolverdeling vlot aanvaarden, op voorwaarde dat helder is waarvoor ze bij wie terecht kunnen.”
Verpleegkundigen bewijzen hun meerwaarde niet alleen in chronische zorg en preventie. Ook in psychosociale en geestelijke gezondheidszorg, verslavingszorg, gedeelde zorg bij burn-outopvolging en infectieraadpleging maken zij in uiteenlopende domeinen het verschil. “Recent onderzoek toont dat interdisciplinaire samenwerking in de eerstelijnspraktijk leidt tot kwalitatievere zorgopvolging en zelfs kan bijdragen aan het verminderen van sociale ongelijkheid[1]”, voegt Lucky toe.
Daarnaast toont de COOPERATE-study van Dr. Marieke Geijsels een duidelijke positieve associatie tussen het volgen van het postgraduaat Verpleegkundige in de huisartsenpraktijk en het takenpakket dat verpleegkundigen effectief opnemen. Deze verpleegkundige voert vaker consultaties rond chronische aandoeningen, houdt zich intensiever bezig met leefstijlcoaching en plant meer individuele preventieve onderzoeken. Ook binnen populatiemanagement en kwaliteitsverbetering is deze verpleegkundige sterker vertegenwoordigd. Zo worden vaker SUMEHR’s – digitale samenvattingen van het medisch dossier – aangemaakt, wordt actiever meegewerkt aan vaccinatiecampagnes en worden kwaliteitsverbeteringsprojecten frequenter opgenomen. Bovendien voeren deze bepaalde technische handelingen, zoals uitstrijkjes en spirometrie, merkbaar vaker uit.
Vanessa: “De rolomschrijving van een verpleegkundige in een huisartsenpraktijk staat niet in steen gebeiteld. Demografie van de populatie, eigen ervaring en interesse als verpleegkundige, en workload bij de huisarts bepalen mee hoe de functie eruitziet, en dat is iets wat startende verpleegkundigen onderschatten. Ze denken vooral aan technische taken en wondzorg, terwijl consultvoering en coachen van patiënten met een chronische problematiek, van acute zorg naar begeleiding, er evenzeer bijhoren. Het is een heel breed scala. Voor gedreven verpleegkundigen die een afwisselende en boeiende job willen is dit natuurlijk fantastisch.”
Werken binnen een huisartsenpraktijk die aansluit bij de eigen professionele waarden
Vanessa benadrukt hoe belangrijk het is dat verpleegkundigen bewust kiezen voor een praktijk waarvan visie en verwachtingen aansluiten bij hun eigen professionele waarden. “Wat willen de artsen bereiken met de functie van de verpleegkundige? Hoe zien zij samenwerking? Hoe wordt zorg georganiseerd? Die afstemming bepaalt mee het werkplezier en de impact van de functie.”
Ook de financieringsvorm van een praktijk speelt een rol. “Of een praktijk werkt in een prestatie-, forfaitair of New Deal-model, beïnvloedt hoe taken worden ingevuld en welke incentives beschikbaar zijn,” zegt Lucky. “Maar los van het systeem blijft de kern dezelfde: samenwerking organiseren rond kwaliteitsvolle, toegankelijke zorg.”
Professionalisering via het postgraduaat
Wie zich verder wil verdiepen in de functie van VIHP, kan terecht in het postgraduaat aan Arteveldehogeschool of Universiteit Antwerpen. Vanessa: “De opleiding versterkt verpleegkundige competenties in praktijkorganisatie, preventie, chronische zorg en psychosociale begeleiding.”
Het kwaliteitsverbeterend project vormt de rode draad van de opleiding vormt. “Studenten vertrekken vanuit een realistische, praktijkgerichte probleemstelling en voeren grondig onderzoek uit. Ze stemmen af met het artsenteam en analyseren kritisch de bestaande werking. Door dit proces ontwikkelen en verduidelijken ze stap voor stap hun specifieke rol als verpleegkundige binnen de huisartsenpraktijk”, legt Lucky uit. “De echte meerwaarde schuilt in het projectmatig samenwerken. Tijdens zo’n traject groeit niet alleen de kwaliteit van zorg, maar ook de samenwerking. Huisarts, secretariaatsmedewerker en verpleegkundige stemmen af, herverdelen verantwoordelijkheden en bouwen samen aan een structurele aanpak – veel krachtiger dan losse initiatieven.”
[1] Bos, P., Danhieux, K., Wouters, E. et al. Navigating diabetes care inequities: an observational study linking chronic care model’s structural elements to process and outcomes of type 2 diabetes care in Belgium. Int J Equity Health 24, 15 (2025). https://doi.org/10.1186/s12939-024-02372-4
Werkgroep Verpleegkundigen in een Huisartsenpraktijk (VIHP)
De Werkgroep VIHP is op zoek naar enthousiaste collega’s die hun expertise en inzichten willen delen, willen samenwerken aan innovatie, projecten en richtlijnen, en willen bijdragen aan het versterken van het expertisegebied van verpleegkundigen in de huisartsenpraktijk. Je krijgt er de kans om ervaringen uit te wisselen, inhoudelijke thema’s mee vorm te geven en een actieve stem te hebben binnen de eerstelijnszorg.
Ben jij verpleegkundige en actief in een huisartsenpraktijk? Deel je de visie dat de rol van de VIHP veel verder gaat dan louter technische handelingen? Bouw dan mee aan de verdere ontwikkeling en professionalisering van ons vakgebied.
Neem contact op met Marieke Schroven via administratie@netwerkverpleegkunde.be
Meer weten?
Ontdek de postgraduaatsopleiding VIHP van de Universiteit Antwerpen.
Ontdek de postgraduaatsopleiding VIHP van de Arteveldehogeschool.
Pilootproject nieuwe manier van werken thuisverpleging
De thuisverpleging bevindt zich op een kruispunt van verschillende uitdagingen. De vergrijzing van de bevolking en de groeiende groep chronische patiënten leggen een steeds zwaardere druk op een krimpende groep zorgverleners. De werkdruk stijgt en alle tekenen wijzen erop dat dit een blijvende trend zal zijn. Een andere, meer toekomstbestendige manier van werken dringt zich op zodat de aanpak van de sector beter aansluit bij de realiteit van vandaag en morgen.
Vertegenwoordigers uit de thuisverpleging gingen samen met het RIZIV en de verzekeringsinstellingen aan tafel zitten om een vernieuwde manier van werken te ontwikkelen. Die aanpak beoogt de patiënt en kwalitatieve zorg centraal te stellen, zonder de werktevredenheid van zorgverleners uit het oog te verliezen. Bij een nieuwe werkwijze hoort ook een herziening van de financiering. Het resultaat is een gemoderniseerde werkwijze die twee jaar getest wordt tijdens een pilootproject onder wetenschappelijke begeleiding van het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE).
Minder focus op prestaties, meer op tijd en zorg
Vandaag worden thuisverpleegkundigen, grotendeels, betaald per uitgevoerde handeling en volgens bepaalde forfaitaire financieringsmechanismen. Dat systeem legt de nadruk op prestaties en leidt tot meer tijdsdruk. Zorgen die veel tijd vragen, maar niet als aparte prestatie worden vergoed – zoals overleg, begeleiding of preventie – komen daardoor soms in de knel.
In het pilootproject wordt onderzocht of een andere aanpak mogelijk is. In plaats van betaling per handeling, wordt gekeken naar een vergoeding per uur. Zo telt niet alleen wat een verpleegkundige doet, maar ook hoeveel tijd daarvoor nodig is. Dat maakt het mogelijk om zorg beter af te stemmen op de noden van de patiënt. Niet alleen technisch verpleegkundige handelingen, maar ook preventie, uitleg en emotionele ondersteuning krijgen zo meer ruimte.
Daarnaast wordt ook nagedacht over een vorm van praktijkfinanciering. Daarbij krijgen praktijken een stimulans voor een goede organisatie, samenwerking, kwaliteitsbeleid en verdere professionalisering.
Wat betekent dit voor de praktijk?
Het pilootproject wil nagaan of deze manier van werken haalbaar is in de dagelijkse realiteit van de thuisverpleging. De nieuwe aanpak moet de kwaliteit van zorg ondersteunen, patiënten meer autonomie geven, samenwerking met andere zorgverleners versterken en de werkdruk voor verpleegkundigen beter beheersbaar maken. Belangrijk: het gaat om een testfase. Deelname aan het project betekent niet dat dit systeem automatisch de nieuwe standaard wordt.
Wetenschappelijke opvolging
Het project wordt gedurende twee jaar opgevolgd door het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE). Zij verzamelen en analyseren gegevens over onder meer patiënttevredenheid, tijdsbesteding en werktevredenheid. Op basis daarvan formuleren ze aanbevelingen voor een mogelijk toekomstig financieringsmodel. Na afloop van het project wordt beslist of, en in welke vorm, deze manier van werken breder kan worden ingevoerd. NETWERK VERPLEEGKUNDE volgt de evolutie van dit project uiteraard mee op.
Met dit pilootproject wil de sector samen zoeken naar oplossingen voor de uitdagingen in de thuisverpleging. Door ruimte te geven aan tijd, samenwerking en kwaliteit, wordt gekeken hoe zorg ook in de toekomst haalbaar en mensgericht kan blijven. Meer informatie over het project vind je op de officiële communicatiekanalen van het RIZIV.
Controle met oog voor de praktijk
Wanneer thuisverpleegkundigen gecontroleerd worden door het RIZIV, roept dat vaak vragen en ongerustheid op. Wat gebeurt er precies na zo’n controle? Wie beoordeelt het dossier? En welke rol speelt de Kamer van eerste aanleg daarin?
De Kamer van eerste aanleg is een administratief rechtscollege binnen het RIZIV dat dossiers beoordeelt waarin mogelijke inbreuken op de regelgeving worden vastgesteld. “Je kan het vergelijken met een rechtbank, maar dan niet in de klassieke zin”, zegt Peter Maes, zelf een ervaren thuisverpleegkundige en lid van de Kamer. “Het is een formele procedure, met duidelijke regels en ruimte voor context.”
Wanneer komt een dossier bij de Kamer terecht?
Een dossier komt niet zomaar bij de Kamer van eerste aanleg. Eerst voert de Dienst voor Geneeskundige Evaluatie en Controle van het RIZIV een onderzoek uit. Dat kan het gevolg zijn van een klacht, bijvoorbeeld van een patiënt, collega of ex-partner, maar ook van opvallende cijfers in de aanrekeningen. “Wie hoge bedragen factureert, springt sneller in het oog”, legt Peter uit. “Dat betekent niet automatisch dat er iets fout loopt. Veel thuisverpleegkundigen werken avonden, weekends en feestdagen. Maar als de cijfers ver boven het gemiddelde liggen, start het RIZIV soms een onderzoek.”
Dat onderzoek gebeurt grondig en kan meerdere maanden duren. Inspecteurs bevragen patiënten, naasten, huisartsen en collega’s. Het onderzoeksteam bestaat meestal uit een verpleegkundige en een jurist, om zowel de praktijk als de regelgeving correct te beoordelen.
Van onderzoek naar zitting
Na afloop van het onderzoek formuleert het RIZIV een standpunt. Dat dossier wordt vervolgens behandeld door de Kamer van eerste aanleg, een orgaan dat verbonden is aan de Dienst voor Geneeskundige Evaluatie en Controle. Een zitting lijkt op een rechtbankzitting, maar met een eigen samenstelling. Aan tafel zitten onder meer: de betrokken zorgverlener (eventueel bijgestaan door een advocaat), een griffier, twee adviserend geneesheren van de ziekenfondsen, een voorzitter met juridische achtergrond en twee leden met verpleegkundige expertise. “Die verpleegkundige leden brengen de realiteit van het werkveld binnen”, zegt Peter. “Wij kennen de context: wisselende patiëntentoestanden, interpretatieverschillen en de druk van het dagelijkse werk.”
Oordelen met kennis van de praktijk
De Kamer beoordeelt het dossier in zijn geheel. Dat gebeurt zowel op basis van cijfers als met aandacht voor verpleegkundige context en intentie. Peter: “In veel gevallen gaat het om administratieve fouten. Dan volgt een rechtzetting en een terugbetaling van een bedrag. Wanneer er sprake is van herhaalde of duidelijke fraude, zijn de gevolgen zwaarder.”
De Katz-schaal duikt opvallend vaak op in dossiers. Ze bepaalt enerzijds de afhankelijkheidsgraad van patiënten en anderzijds de forfaitaire vergoeding. Dat maakt de Katz-schaal tot een van de meest besproken en betwiste elementen in dossiers. “De Katz-schaal blijft gevoelig”, verduidelijkt Peter. “De toestand van een patiënt kan sterk schommelen. Wat je vandaag observeert, kan morgen anders zijn. Dat maakt interpretatie moeilijk.”
De uitspraak van de Kamer volgt meestal enkele weken tot maanden na de zitting. De gevolgen verschillen per dossier: van terugbetaling van onterecht ontvangen bedragen over administratieve geldboetes of in ernstige gevallen: zwaardere sancties. Wie het niet eens is met de beslissing, kan beroep aantekenen bij de Kamer van beroep. Die herbekijkt het dossier, maar focust vooral op de juridische correctheid van de eerste uitspraak.
Ruimte voor verdediging
Een belangrijk principe binnen de procedure is het recht op verdediging. Zorgverleners krijgen de kans om hun standpunt schriftelijk en mondeling toe te lichten. “Je kan en mag je verhaal doen”, aldus Peter. “Dat is cruciaal. Zeker omdat je vaak moet oordelen over situaties die niemand letterlijk heeft zien gebeuren.” Daarom is goede dossiervorming essentieel. “Noteer wat je observeert en waarom je bepaalde keuzes maakt. Ook details kunnen later belangrijk zijn om je inschatting te verantwoorden.”
Misverstanden en vooroordelen
In het werkveld bestaan nog heel wat misverstanden over de Kamer van eerste aanleg, die soms als een strafmechanisme wordt gezien. Dat beeld klopt niet, benadrukt Peter: “Het doel is niet om te straffen, maar om correcte toepassing van de regels te bewaken en misbruik aan te pakken.” Daarbij houdt de Kamer rekening met de realiteit van het verpleegkundige beroep en met de intentie waarmee zorg wordt verleend. Duidelijke dossiervorming, overleg en zorgvuldige opvolging van de Katz-schaal helpen om keuzes te onderbouwen. “Ik ben ervan overtuigd dat 99 procent van de thuisverpleegkundigen de job wel correct uitvoert”, besluit hij. “Onze taak is om die groep te beschermen en de achterpoortjes uit het systeem te halen. In het belang van de patiënt en van ons beroep.”
Met een verpleegkundige werkt het beter: geïntegreerde zorg voor chronische aandoeningen in de eerste lijn
De zorg voor patiënten met een chronische aandoening vraagt veel tijd in de eerste lijn. Tijd die er door het huisartsentekort niet is. Een mogelijke oplossing? De verpleegkundige in de huisartsenpraktijk. In haar doctoraat vergeleek huisarts Katrien Danhieux die zorg tussen multi- en monodisciplinaire praktijken. De uitkomst is helder: praktijken die verpleegkundigen structureel inzetten, scoren hoger op kwaliteit van zorg.
Katrien Danhieux is huisarts in wijkgezondheidscentrum De Vlier in Sint-Niklaas en rondde in januari 2025 haar doctoraatsstudie af over de kwaliteit van zorg voor chronische aandoeningen in de huisartsenpraktijk. “Het onderzoek kadert in een groter Europees project, waar ik door mijn ervaring in verschillende praktijken interesse in had. Wat ik zelf het meest opvallende resultaat vind, is het verschil in kwaliteit van zorg tussen praktijken met en praktijken zonder een verpleegkundige. Zo is er een veel kleiner verschil tussen kwetsbare en niet-kwetsbare patiënten in een huisartspraktijk die met het Chronic Care Model werkt. Veel interventies in de gezondheidszorg vergroten die equity gap. Wij vonden iets dat die kloof net verkleint.”
Zorgkwaliteit in kaart gebracht
Voor haar studie analyseerde Katrien 66 huisartsenpraktijken, zowel mono- als multidisciplinair. “Elke praktijk kreeg een score op basis van het Chronic Care Model. Dat model kijkt naar hoe een praktijk georganiseerd is, hoe zelfmanagement ondersteund wordt en hoe er verbinding is met de lokale gemeenschap.” Daarnaast bracht het Rainbow Model de mate van integratie in beeld. “Zorg kan geïntegreerd zijn op verschillende niveaus, zoals beleid, praktijk en patiënt. Een gedeeld patiëntendossier is daar een concreet voorbeeld van. Het maakt samenwerking mogelijk en versterkt de continuïteit.”
De doorslaggevende factor
Uit het onderzoek kwam één element duidelijk naar voren. “De aanwezigheid van een verpleegkundige blijkt de sterkste voorspeller van kwaliteitsvolle zorg”, benadrukt Katrien. Verpleegkundigen kunnen verantwoordelijkheid opnemen voor stabiele patiënten met een chronische aandoening. Dat creëert ruimte voor de huisarts en kan dus helpen om het huisartsentekort op te vangen. “Door taken anders te organiseren, benut je de competenties binnen het team beter. Tegelijk vergroot het de aantrekkelijkheid van de eerste lijn voor verpleegkundigen die elders afhaken. Wie het ziekenhuis verlaat omdat het werk fysiek te zwaar wordt, vindt in de huisartsenpraktijk een functie met meer autonomie. Bovendien kan je een langdurige relatie opbouwen met patiënten.”
Meer dan taakdelegatie
Toch werkt nog niet elke praktijk met een verpleegkundige. Katrien: “Financiering en cultuur spelen daarin mee, al voel ik wel verandering. In steeds meer gemeentes vind je intussen wel een multidisciplinaire praktijk. Al kost het uitwerken van afspraken en protocollen tijd. Die investering rendeert pas echt wanneer verpleegkundigen een inhoudelijke rol opnemen. Wie hen beperkt tot taken zoals bloedafnames, laat veel potentieel liggen. De grootste meerwaarde zit in de opvolging van stabiele chronische patiënten en het versterken van zelfmanagement.”
Van onderzoek naar praktijk
Vandaag werkt Katrien mee aan een vervolgonderzoek binnen het Europese project JACARDI. Haar collega Laurent Desmet, zelf verpleegkundige met ervaring in de huisartsenpraktijk, leidt het project. “Uit het eerdere onderzoek bleek dat praktijken ondersteuning nodig hebben om meer geïntegreerd te werken. Tijdens workshops met huisartsen en verpleegkundigen werken we concrete protocollen uit. De good practices uit mijn doctoraat vormen daarvoor een stevig vertrekpunt.” Wat dat oplevert voor de praktijk, wordt de komende periode duidelijk.










