Handhygiëne: elke dag telt
Handhygiëne is de basis van veilige zorg. Toch blijkt het in de praktijk niet zo vanzelfsprekend. In het AZ Sint-Lucas Gent werken verpleegkundigen en diensthoofden samen aan een aanpak die verder gaat dan een tijdelijke campagne. Verpleegkundigen infectiepreventie Camelia Bogaert (voorzitter van de werkgroep infectiepreventie) en Ilse De Cock vertellen hoe zij dit aanpakken.
Elk jaar zet AZ Sint-Lucas in Gent op 5 mei de dag van de handhygiëne in de kijker. Die dag staat dan helemaal in het teken van handhygiëne, maar uit interne audits van het ziekenhuis blijkt dat slechts 60 tot 70 procent van de zorgverleners handhygiëne correct toepast. Er is dus ruimte voor verbetering. Het ziekenhuis zocht daarom naar een manier om handhygiëne het hele jaar levend te houden.
Cijfers naar de teams brengen
Het team infectiepreventie gooide het vorig jaar over een andere boeg. Camelia: “We brengen de cijfers nu naar de diensten. Tijdens systematische overlegmomenten bespreken we hoe het op de afdeling gaat: Wat loopt goed? Waar kan het beter? Zo maken we hiaten zichtbaar en voelt iedereen zich meer betrokken om er iets aan te doen. Elk team krijgt de ruimte om passende oplossingen te bedenken.”
En dat werkt. Verpleegkundigen komen nu zelf met praktische ideeën, zoals dispensers ‘at the point of care’, hygiënestations, reinigende en desinfecterende handhygiënewipes voor patiënten met bedrust, enz. Het zijn allemaal kleine verbeteringen die het dagelijkse werk efficiënter maken en de patiëntenveiligheid verhogen. Ilse: “Die ideeën komen rechtstreeks van de vloer. Deze bottom-up aanpak is essentieel. Het motiveert hen om eigenaarschap te nemen over het onderwerp en nog meer aandacht te besteden aan handhygiëne.”
Erkenning en motivatie
Als voorbereiding voor 5 mei 2025 was er ook een overlegmoment waar dienstverantwoordelijken, referenten infectiepreventie en leden van het management samenkwamen om de verbeterprojecten voor handhygiëne te bespreken. Camelia: “Iedereen stelde zijn verbeterprojecten voor. Het was mooi om te zien hoe verpleegkundigen erkenning kregen voor hun inzet”.
De volgende stap? Patiënten nog meer betrekken bij handhygiëne. Ilse: “Uit een bevraging merkten we dat dit nog beter kan. Daarom organiseren we themagesprekken en infomomenten. Door patiënten te informeren over het belang en de juiste uitvoering van handhygiëne, maken we er een gedeelde verantwoordelijkheid van.”
Volgens Camelia vraagt handhygiëne een cultuurverandering. “Je moet het hele ziekenhuis meehebben in dit verhaal. Het blijft een uitdaging, maar ook een boeiende zoektocht. Onze rol is om manieren te vinden die het vuur brandend houden. Handhygiëne verdient meer dan één dag aandacht per jaar. Het is elke dag opnieuw de onmisbare basis van goede zorg.”
Vier tips voor een consequente handhygiëne
- Maak het zichtbaar en bereikbaar
Zet dispensers daar waar je ze nodig hebt: at the point of care, in de behandelkamer, in de gang. Hoe minder meters je moet afleggen, hoe groter de kans dat je het ook effectief doet. - Bevorder gezamenlijk eigenaarschap met data
Maak handhygiëne een vast punt op het teamoverleg. Toon de resultaten, benoem wat goed loopt en wat beter kan. Zo wordt iedereen mee verantwoordelijk. - Creëer draagvlak en hou het thema levend
Herhaal de boodschap op verschillende manieren: via posters, korte reminders tijdens een briefing of een compliment als je een collega ziet ontsmetten. Vier kleine successen. - Betrek patiënten
Moedig patiënten aan om hun eigen handhygiëne in acht te nemen en om zorgverleners er op een laagdrempelige, positieve manier aan te herinneren hun handen te desinfecteren. Open dialoog versterkt het wederzijdse vertrouwen.
Van drukte naar doorstroom: piekcapaciteit vergroten door reverse triage
Als je de doordeweekse drukte op een spoedafdeling kent, kan je enkel vrezen voor de toestroom wanneer er zich een ramp voltrekt. Want wat als een trein ontspoort, er een nieuwe epidemie opduikt of oorlog uitbreekt? Gwen Pollaris onderzocht binnen de onderzoeksgroep Urgentiegeneeskunde aan de KULeuven welke rol Reverse Triage kan spelen om efficiënter om te springen met de beddencapaciteit van ziekenhuizen en hoe dit proces kan worden geïntegreerd in de dagelijkse praktijk.
Hoe kan je als ziekenhuis efficiënter omgaan met de toestroom aan patiënten tijdens grootschalige incidenten of crowdingpieken? Die vraag probeert Gwen Pollaris, doctoraatsonderzoeker aan de KULeuven, te beantwoorden. Wanneer je overweldigd wordt door een onvoorziene en plotse toestroom aan patiënten of slachtoffers heb je vier zaken nodig: een systeem dat je snel kan ontplooien om adequate zorg te garanderen bovenop het normale operationele niveau, extra personeel, voldoende plaats en materiaal om alle patiënten te verzorgen. Daarvoor kan je de geplande zorg van de dag nadien uitstellen en zo andere patiënten opnemen in deze bedden (denk aan electieve chirurgie uitstellen) maar binnen de onderzoeksgroep zien ze nog een andere mogelijkheid: patiënten identificeren die, op een veilige manier, iets vroeger dan gepland kunnen worden ontslagen. Naar huis, woonzorgcentrum, kortverblijf, revalidatiecentrum of naar een alternatieve locatie in tijden van ramp. Op deze manier komen er bedden vrij voor patiënten die een hogere (acute) zorgnood hebben. Omgekeerde triage, dus.
Piekcapaciteit vergroten
Wanneer het ziekenhuis zijn maximale zorg- en opvangcapaciteit tijdelijk opschaalt om een onverwachte toestroom aan patiënten op te vangen, noemen we dat de piekcapaciteit. Om die piekcapaciteit te vergroten ziet de onderzoeksgroep van de KULeuven potentieel in het framework van reverse triage. “Het is een begrip dat historisch gezien afstamt van de militaire wereld waarbij lichtgewonde soldaten het eerst behandeld werden zodat ze sneller terug de gevechtseenheden konden vervoegen om zo de oorlog te winnen”, licht Gwen toe. “Een medische vertaalslag hiervan is dat je gehospitaliseerde patiënten met de minst (acute) zorgnood en een laag risico op complicaties of heropname het ziekenhuis laat verlaten. Er vindt als het ware een multidisciplinaire triage plaats aan de achterdeur van het ziekenhuis. Welke patiënten liggen hier die we eigenlijk niet of nog heel weinig moeten behandelen? En kunnen we die behandeling elders veilig verderzetten?”
Wanneer is die reverse triage nu nodig? Gwen haalt een voorbeeld aan uit het UZ Leuven. “De CEDOCS-score is een gevalideerde score waarmee de mate van crowding op een spoedgevallendienst objectief gemeten wordt. Vanaf een score van 140 spreken we over zware overcrowding. Die drempel wordt op onze spoedgevallendienst op een doordeweekse maandag vlotjes overschreden. Wat als er daarbovenop nog een ramp gebeurt? Supervisoren worden dan gevraagd hun patiënten te beoordelen met het oog op vervroegd ontslag. In de praktijk zijn het de zaalarts en hoofdverpleegkundige die op individueel patiëntenniveau bedside gaan bekijken wie naar huis kan. Een manueel proces dat zeer tijdrovend en arbeidsintensief is. Terwijl we in zo’n situaties geen tijd noch medisch personeel op overschot hebben.”
Een tool om je te adviseren
Gelukkig zijn er manieren om dat proces te optimaliseren. “Sinds papieren dossiers vervangen werden door elektronische, is er heel wat klinische data beschikbaar. Het enige wat nog ontbrak is een tool die die data capteert, analyseert en beleidsondersteunend advies geeft. Dat is wat we met de Reverse Triage Tool Leuven willen doen”, vertelt Gwen enthousiast. “De tool is gebaseerd op een Amerikaans framework uit 2006, dat in onze Europese Delphi-studie met experts uit dertien verschillende landen werd geüpdatet en aangepast aan het Europese gezondheidszorgsysteem.” Die laatste studie werkte ook een theroretische patiëntenclassificatie uit met vijf categorieën, van een minimaal tot zeer hoog risico op het ontwikkelen van een complicatie indien de patiënt zou worden ontslagen. Afhankelijk van hoeveel bedden je nodig hebt en hoeveel patiënten zich in elk van de categorieën bevinden, zal je patiënten uit verschillende categorieën of met verschillende risicopercentages naar huis sturen. Een beslissingsboom op basis van medisch relevante grenswaarden, gelinkt aan de kritische interventies vanuit de Delphi studie, werd geïntegreerd in de Reverse Triage Tool Leuven om te bepalen wie je met een minimaal risico zou kunnen ontslaan. De tool bekijkt alle gehospitaliseerde patiënten met uitzondering van patiënten op intensieve zorg en pediatrie omdat deze een andere aanpak vereisen omwille van hun specifieke pathologie en fysiologie. Iedere patiënt die op dat moment geen noodzaak heeft aan een kritische interventie en waarvan de vitale parameters de grenswaarden niet overschrijden, worden gebundeld in een overzicht. Voor deze patiënten zal een multidisciplinair assessment plaatsvinden om te bepalen of ze al dan niet ontslagen kunnen worden. Het is dus steeds een professional die de knoop doorhakt. “Belangrijk hierbij is dat de patiënt ook daadwerkelijk veilig naar huis moet kunnen worden ontslagen (sociale omkadering). In rampsituaties kunnen patiënten die wel medisch maar niet sociaal ontslagen kunnen worden wel tijdelijk op een externe locatie opgevangen worden.”
In rampen en daarbuiten
De aangeleverde data vanuit de Reverse Triage Tool Leuven kan de basis vormen van een uitgebreider Surge Capacity Dashboard. Dit is een dynamisch realtime overzicht van de potentiële piekcapaciteit van een afdeling of medische discipline (microniveau), ziekenhuis (mesoniveau) of het volledige Belgische ziekenhuislandschap (macroniveau). In een ideale wereld zou de Federale Overheid de realtime surge capacity van alle ziekenhuizen kunnen zien en zo de distributie van slachtoffers van een pandemie of langdurig grootschalig incident optimaal centraal kunnen coördineren. Ook in de dagelijkse werking van ziekenhuizen kan de tool ondersteunen. Stel dat er in de achtergrond automatisch een risicoscore wordt berekend op individueel patiëntenniveau, dan kan de Reverse Triage Tool Leuven de patiënten met de laagste risicoscores identificeren zodat hiermee rekening kan gehouden tijdens de organisatie van de ochtendtoer. Door deze toename in efficiëntie kunnen bepaalde processen vroeger worden geïnitieerd zodat deze patiënten ook daadwerkelijk vroeger kunnen worden ontslagen.
Next steps
Voor het zover is, moet er nog veel gebeuren. “Op dit moment zijn we bezig met de data-analyse van onze recente multicentrische validatiestudie om te kijken in welke mate de tool betrouwbare resultaten geeft wanneer we deze afwegen tegenover de effectieve multidisciplinaire ontslagbeslissing (medisch-verpleegkundig). Afhankelijk van de resultaten zal de tool verder worden geoptimaliseerd. Tot slot heeft ook het reverse triage scoresysteem nog een operationele vertaalslag nodig om een brug te slaan tussen theorie en praktijk. We dromen van een uniform software-onafhankelijk systeem voor heel België, of zelfs Europa”, deelt Gwen. “De tool zal het ontslagproces efficiënter laten verlopen maar de beslissing over het ontslag van een patiënt blijft het resultaat van een multidisciplinair assessment op dat moment, zoals het ook nu gebeurt.
Verpleegkundigen bij de brandweer: het beste van twee werelden
Binnen de hulpverleningszones zijn ze intussen niet meer weg te denken: verpleegkundigen met een bijzondere beroepstitel Spoed & Intensieve Zorgen die ook bij de brandweer actief zijn. Meer dan 650 collega’s combineren hun verpleegkundige expertise met het werk van hulpverlener-ambulancier of brandweerman/-vrouw. Twee van hen, Leen Luts en Inge Saels, vertellen hoe die combinatie niet alleen spannend, maar ook bijzonder waardevol is.
Leen Luts werkte jarenlang als spoedverpleegkundige in het ziekenhuis van Diest, onder meer op de mug. Toch voelde ze dat er iets ontbrak. “Ik wilde meer prehospitale ervaring opdoen”, vertelt ze. “Tijdens mijn zoektocht naar een extra opleiding kwam ik toevallig bij de brandweer terecht. Eerst als vrijwilliger, later als beroepsbrandweervrouw.” Sinds oktober 2024 werkt Leen voltijds bij de hulpverleningszone Zuid-West Limburg, in de post Tessenderlo, waar ze ook coördinator dringende geneeskundige hulpverlening (DGH) is. “De combinatie en de afwisseling maken het zo boeiend: brandbestrijding, technische hulp en dringende medische zorg.”
Ook Inge Saels, verpleegkundige in het Heilig-Hartziekenhuis in Leuven, vond bij de brandweer een nieuwe uitdaging. “Ik werk 80 procent in het ziekenhuis, maar in mijn vrije tijd rijd ik als vrijwillig hulpverlener-ambulancier mee met de ziekenwagen van brandweerpost Heusden-Zolder. Het is een mooie aanvulling op mijn ziekenhuiswerk. Je leert andere disciplines kennen, bouwt een netwerk op en wisselt ervaringen uit. Een verrijkende kruisbestuiving.”
Meerwaarde in de praktijk
De dubbele achtergrond van verpleegkundigen met een BBT blijkt in het veld van grote waarde. “In complexe situaties weet ik sneller wanneer ik extra ondersteuning nodig heb”, zegt Inge. “Doordat ik zowel het perspectief van de brandweer als van het ziekenhuis ken, verloopt de samenwerking veel vlotter.” Ook administratief en organisatorisch levert het engagement inzichten op. “We schrijven verslagen, volgen de planning op en nemen deel aan opleidingen of FiST-teamwerking”, vertelt ze. “Zo leer je hoe breed en professioneel de brandweer werkt. En omdat ik weet hoe ze een slachtoffer bevrijden uit een voertuig, kan ik ter plaatse beter anticiperen op hun handelingen.”
Leen ervaart hetzelfde vanuit haar rol als coördinator. “Ik sta in voor de bemanning van de ziekenwagens, de opvolging van medicatie en materiaal, en het organiseren van opleidingen. Dat vraagt structuur, maar ook klinisch inzicht. Je weet als verpleegkundige wat kwaliteit betekent, en die kennis neem je automatisch mee.”
Leren van elkaar
Tijdens haar brandweeropleiding gingen de ogen van Leen open. “Ik dacht vaak: waarom leerden we dit nooit in de verpleegkunde? Bijvoorbeeld: hoe stel je voertuigen veilig op bij een ongeval met gevaarlijke stoffen, rekening houdend met windrichting en risico’s? De samenwerking tussen brandweer en ziekenhuis is daardoor echt een meerwaarde. We begrijpen elkaars werk beter en vullen elkaar perfect aan.” Ze benadrukt ook het belang van voortdurende vorming. “De brandweer investeert sterk in opleiding. Als verpleegkundige waardeer ik dat enorm: we werken met de meest recente middelen en kunnen meteen ter plaatse de juiste zorg bieden.”
Trots en passie
Zowel Leen als Inge zijn vol lof over hun keuze. “Brandweervrouw is het mooiste beroep dat er bestaat”, zegt Leen zonder aarzelen. “Je krijgt de kans om echt het verschil te maken, op het moment dat het ertoe doet.” Ook Inge bevestigt: “Het geeft veel voldoening om je verpleegkundige kennis te gebruiken buiten het ziekenhuis. Bovendien mag je als BBT’er binnen de brandweer ook opleidingen geven of collega’s coachen. Het is intens, maar tegelijk ongelooflijk boeiend.” Hun verhaal toont wat mogelijk is wanneer verpleegkundige expertise en operationele hulpverlening samenkomen: twee werelden die elkaar versterken, met één gemeenschappelijk doel: mensen helpen, precies daar waar het nodig is.
KB raakt aan normen gespecialiseerde spoedgevallenzorg
Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid Frank Vandenbroucke vroeg een advies aan de Federale Raad voor Ziekenhuisvoorzieningen (FRZV) over een ontwerp tot koninklijk besluit (KB) rond de erkenningsnormen van een gespecialiseerde spoedgevallenzorg. Die zouden vanaf 1 januari 2026 over een erkende dienst intensieve zorg moeten beschikken op dezelfde vestigingsplaats.
De wijziging van dat KB bestaat erin dat een gespecialiseerde spoedgevallenzorg op elk ogenblik een beroep moet kunnen doen op een erkende functie intensieve zorg en dit op de vestigingsplaats, waar er voorheen werd aangegeven dat dit in het ziekenhuis was. Voor ziekenhuizen in fusie maakt dit dus een belangrijk verschil. Ook de functionele normen voor een gespecialiseerde spoed moeten op dezelfde vestigingsplaats ingericht en verzekerd worden. Er wordt wel een beperkte geografische uitzondering voorgesteld op die vereiste om spoed en intensieve zorg op dezelfde vestiging te voorzien. Drie bedden voor intensieve verzorging zouden namelijk volstaan als de vestigingsplaats voldoet aan de volgende voorwaarden: een erkende functie gespecialiseerde spoedgevallenzorg voor 1 januari 2026 die zich op minstens 25 kilometer van de volgende erkende gespecialiseerde spoedgevallenzorg bevindt, en op de vestigingsplaats is vanaf 1 juli 2024 geen erkende functie intensieve zorg uitgebaat.
Met die uitzonderingen beoogt men een redelijke aanrijtijd en een goede geografische spreiding te borgen, ook wanneer er geen koppeling is met een erkende dienst intensieve zorg. Er geldt een overgangstermijn van twee jaar. Dat moet de tijd geven om de functionele norm te implementeren of de huidige zorgstrategie te herzien. De ziekenhuizen die daar een beroep op willen doen, moeten wel aantonen dat ze op elk moment op dezelfde vestigingsplaats over minimaal drie bedden voor intensieve verzorging beschikken, aangepast aan de intensiteit van hun gespecialiseerde spoedgevallenzorg en de behoeften van de patiënten. Zo worden de veiligheid en kwaliteit van zorg gegarandeerd.
Nood aan nuance
Voer voor specialisten, dus. De FRZV richtte dan ook een werkgroep op om zich hierover te buigen en een advies aan de minister te formuleren. Daarin zetelden onder meer Yves Maule, spoedverpleegkundige, vicevoorzitter van de Association Francophone des Infirmiers d’Urgences en van de AUVB, en Steve D’hoker, voorzitter van de Vlaamse vereniging verpleegkundigen spoedgevallen en hoofdverpleegkundige spoed in het UZ Gent. Yves: “Het gaat om een zeer specifieke vraag die de link tussen de diensten spoed en intensieve zorg onderzoekt. Daarbij wil ik meteen de nuance maken dat drie bedden voor intensieve verzorging met monitoring en beademing niet hetzelfde zijn als een dienst intensieve zorg. Wie volgt die patiënten bovendien op? De spoedverpleegkundige? Dat is niet hetzelfde als een verpleegkundige gespecialiseerd in intensieve zorg. Hetzelfde geldt voor het medische aspect. Het is overigens ook niet duidelijk of die 1,5 verpleegkundige die vrijgemaakt moet worden voor drie bedden IZ in de norm zit. Of moet dit ad hoc ingevuld worden? Al deze zaken hebben verduidelijking nodig.”
De adviesvraag komt niet volledig uit de lucht gevallen. Ziekenhuizen moeten nu eenmaal aan bepaalde voorwaarden voldoen voor een erkende functie gespecialiseerde spoedgevallendienst. “Vandaag zien we dat ziekenhuizen bepaalde afdelingen en activiteiten verdelen door fusies en ziekenhuisnetwerken. De aanpassing aan het KB speelt daar op in door bepaalde zaken in dezelfde vestiging van het ziekenhuis te huisvesten, in plaats van in hetzelfde ziekenhuis maar op een andere campus”, licht Steve toe.
Daarnaast vraagt de aanpassing van het KB ook dat op dezelfde vestigingsplaats een polyvalent operatiekwartier is, uitgerust voor dringende chirurgische interventies, een laboratorium klinische biologie om ter plaatse en op elk ogenblik noodzakelijke analyses uit te voeren, een dienst medische beeldvorming met de nodige apparatuur voor diagnostische, radiologische en echografische onderzoeken met inbegrip van een mobiel radiologisch apparaat en een transversale axiale tomograaf, en een dienst voor archivering van medische dossiers die 24 uur op 24 toegankelijk is.
“Het originele KB dateert van 1998. De gezondheidszorg evolueerde sindsdien sterk”, zegt Steve. “Point-of-caretesten zijn nu zeer betrouwbaar en goed beschikbaar. We beschikken over veel technologie en innovaties die toen niet bestonden. Is het dus nog nodig om alle zaken die nu in de aanpassing gevraagd worden op dezelfde vestiging te voorzien? Een archief met medische dossiers kan bijvoorbeeld perfect digitaal georganiseerd worden. We vragen dus om de voorwaarden voor al deze bepalingen te specifiëren. Een urgentielabo kan voldoende zijn. Sommige testen duren langer, waardoor het niet veel uitmaakt of je een volwaardig labo op dezelfde locatie hebt of niet. Hetzelfde geldt voor de medische beeldvorming. Als je ter plaatse een RX, CT of echo kan uitvoeren, is dat waarschijnlijk voldoende. Toch niet elke spoeddienst moet over een MR-scanner beschikken? Er moet gedifferentieerd worden.”
Spreiding, kwaliteit en samenwerking
Volgens het advies van de FRZV zou de voorziene aanpassing van het KB kunnen bijdragen tot een concentratie van gespecialiseerde spoedgevallenzorg en intensieve zorg. Er moet vermeden worden dat deze wijziging een averechts effect veroorzaakt, namelijk een uitbreiding van het aantal functies intensieve zorg en het aantal IZ-bedden. Ons land telt vandaag al veel IZ-bedden[1], maar de zorg is versnipperd, ongelijk verspreid en niet altijd afgestemd op de zorgvraag. Dat leidt tot inefficiënte inzet van middelen, kwaliteitsverschillen en een minder goede samenwerking tussen ziekenhuizen. “We baseerden ons hiervoor op een wetenschappelijk kader aangeleverd uit studies van het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg”, legt Yves uit. “Wat heeft een dienst intensieve zorg en wat heeft een spoedgevallenzorg nodig? Die studies tonen aan dat een spoeddienst gelinkt aan een dienst intensieve zorg de norm is. Daarnaast zijn er grote en kleine spoeddiensten, ook al is er maar één vast kader beschikbaar. Dat moet meer flexibel ingedeeld worden. We vragen in het advies dan ook de piste te onderzoeken voor een spoedgevallendienst op twee niveaus. Door de uitzondering van drie bedden intensieve verzorging te voorzien, creëer je die twee niveaus eigenlijk al. Op het terrein is die er vandaag in zekere zin ook, maar de differentiatie moet duidelijk omschreven worden en gekend zijn door de partners in dringende geneeskundige hulpverlening. We moeten absoluut voorkomen dat een patiënt naar een spoeddienst wordt gebracht die niet de nodige zorg kan leveren.”
Steve vult aan: “Het KB voor een gespecialiseerde spoedgevallenzorg voorziet twee bedden ter observatie van kritiekzieke patiënten en de opvang van één kritiekzieke patiënt. Nu is er een tussenoplossing gecreëerd, maar we formuleerden in ons advies wel de nodige bezorgdheden rond aanrijtijd en toegankelijkheid. Bovendien is een overgangstermijn van twee jaar kort. Een erkende dienst intensieve zorg met zes bedden, materiaal, plaats en personeel uitbouwen of een spoeddienst downsizen is in die periode niet haalbaar. We vragen dan ook om ziekenhuizen drie jaar de tijd te geven.”
De FRZV gaat ervan uit dat het aantal spoedpatiënten zich organisch zal herverdelen. Al vraagt dit een zekere aanpassingstijd en heeft het onvermijdelijk neveneffecten. “Je doet elke dag je best om kwaliteitsvolle zorg te verlenen, of je nu op een kleine of een grote spoeddienst werkt. Het financiële mag ons niet leiden in deze beslissingen”, vindt Yves. “De structuur moet zeer duidelijk zijn. Bovendien is dit een federaal advies, terwijl de controle en erkenningsnormen van spoed- en intensievezorgdiensten op regionaal niveau zitten. Ook daar moet dus advies worden ingewonnen, net zoals bij de Federale Raad voor Dringende Geneeskundige Hulpverlening.”
[1] Bouckaert Nicolas, Lefèvre Mélanie, Van den Heede Koen, Detollenaere Jens, Castanares-Zapatero Diego, Van de Voorde Carine. Organisatie en financiering van intensieve zorg in België. Health Services Research (HSR). Brussel. Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE). 2025. KCE Reports 404A. DOI: 10.57598/R404AS.
Benchmark Spoedgevallendiensten 2024
Aan de nieuwe ‘Benchmark Spoed 2024’ namen 35 spoedgevallendiensten deel. Daaruit blijkt dat 38 procent 112-ziekenwagenritten uitvoert, goed voor een gemiddelde van negen ritten per dag. Bovendien rijdt 65 procent met een PIT-functie, wat neerkomt op 2.007 ritten per jaar of 505 per dag. Dat aantal is sinds 2023 sterk gestegen en houdt voor de meeste diensten een bijhorende uitbreiding van het verpleegkundig personeel in. Wat de mugritten betreft werden in 2024 gemiddeld vier interventies per dag uitgevoerd.
Het aantal contacten bij de responderende spoedgevallendiensten komt neer op gemiddeld 31.697 per jaar, of 87 per dag. In 2023 waren die cijfers nog 29.068 per jaar of 79 contacten per dag. Het aantal ambulante patiënten tegenover opnames is stabiel gebleven tegenover het voorgaande jaar, met respectievelijk 72 en 28 procent. De gemiddelde verblijfsduur komt op 3 uur voor ambulante en gehospitaliseerde patiënten, op 4 uur voor gehospitaliseerde patiënten en op 2,5 uur voor ambulante patiënten.
Dit allemaal gebeurde met gemiddeld 42 verpleegkundigen per dienst. Dat komt neer op 1.052 patiënten per verpleegkundige. Van die verpleegkundigen heeft 85 procent een BBT, 31 procent van de spoedgevallendiensten heeft nog collega ’s met een HBO5-diploma en 66 procent van de diensten heeft collega ’s in dienst met een masterdiploma. We zien dat 11 procent van de spoeddiensten masters of verpleegkundig specialisten inzet voor trauma en fast track. De meeste diensten hebben in de late uren meer verpleegkundigen en zestig procent van de spoeddiensten wijken naar boven af van de geplande VTE-begroting. Op 37 procent van de diensten mogen verpleegkundigen zelfstandig medische beeldvorming aanvragen bij kleine trauma’s, op 63 procent van de diensten vragen ze zelfstandig labo’s aan en in 91 procent van de gevallen zijn er staande orders voor verpleegkundigen met betrekking tot pijnstilling en medicatie.
Erkende of verantwoorde bedden, hoe zat dat nu weer?
Op 1 januari 2025 waren er 52.317 erkende bedden en plaatsen in België. Het hoogste aantal daarvan bevinden zich binnen het ziekenhuisnetwerk Chorus in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en Elipse in de provincie Luik. Daarnaast hebben onze ziekenhuizen ook verantwoorde bedden. Wat is het onderscheid en hoe uit zich dat in de cijfers? Netwerk Verpleegkunde zet de informatie op een rijtje.
Sinds juli 2002 is de nieuwe ziekenhuisfinanciering van kracht. Waar die financiering voordien nog sterk verbonden was met het aantal erkende bedden, evolueerde dit sinds 2002 naar een erkenning van activiteit. Het gaat dan om een verantwoorde verblijfsduur per diagnosegerelateerde groep (DRG) waaruit het aantal verantwoorde verpleegdagen, het aantal verantwoorde bedden en de bijhorende financiering berekend wordt.
Erkende bedden
Een ziekenhuis moet een erkenning aanvragen voor het aantal bedden, voor hospitalisatie-, medische en medisch-technische diensten, functies en zorgprogramma’s. Daarvoor moet het voldoen aan de erkenningsnormen op het vlak van kwaliteit, personeel, infrastructuur en organisatie. Denk aan voldoende gekwalificeerde verpleegkundigen en het correcte materiaal, maar ook aan brandveiligheid, hygiëne, … Erkende bedden zijn met andere woorden het officiële aantal bedden dat een ziekenhuis mag gebruiken voor ziekenhuisopnames. De erkenning bepaalt welke diensten en hoeveel bedden per dienst.
Verantwoorde bedden
Verantwoorde bedden worden niet bepaald op basis van erkenningsnormen, wel door de effectieve activiteit en verblijfsduur in een ziekenhuis. Per diagnosegroep is een aantal verantwoorde ligdagen als nationaal gemiddelde bepaald. Voor elk ziekenhuis wordt dat aantal dagen bepaald rekening houdend met de case mix van patiënten en op basis van bedden voor gewone gehospitaliseerde verblijven, verblijven in een chirurgisch dagziekenhuis en oneigenlijke klassieke verblijven. Dat laatste zijn verblijven met een ingreep die in klassieke hospitalisatie werd uitgevoerd maar eigenlijk in een dagziekenhuis kan gebeuren. Met andere woorden: hoeveel patiënten zijn opgenomen en hoelang verblijven ze in het specifieke ziekenhuis.
De cijfers
Het aantal erkende bedden ligt meestal hoger dan het aantal verantwoorde bedden. Een ziekenhuis kan dus meer capaciteit hebben, maar die wordt daarom niet altijd volledig ingevuld. Dat kan door een daling in het aantal opnames, meer daghospitalisaties of een verschuiving van zorgen naar de eerste lijn. Maar ook door problemen met infrastructuur of personeelstekorten waardoor de veiligheid van zorg niet gegarandeerd is. De cijfers monitoren laat toe om het zorgaanbod beter af te stemmen op de zorgvraag.
De cijfers van 1 januari 2025 op een rijtje:
- Ons land telt 103 ziekenhuizen, waarvan 78 algemene ziekenhuizen, 18 ziekenhuizen met een universitair karakter en 7 universitaire ziekenhuizen.
- Deze ziekenhuizen zijn goed voor in totaal 189 campussen.
- Er zijn 23 locoregionale ziekenhuisnetwerken erkend in ons land. Het netwerk Chorus beschikt over het hoogste aantal erkende bedden (4.462), gevolgd door Elipse (3.915) en Kom (3.106).
- Er zijn 52.317 erkende bedden in België.
- De voorbije dertig jaar was er een totale daling van vier procent of 2.370 bedden.
- De grootste afname in erkende bedden sinds 1995 merken we in de acute zorg, met 24 procent. Bij de geriatrische, chronische en psychiatrische bedden noteren we stijgingen van respectievelijk 30, 371 en 71 procent
Bronnen
- FOD Volksgezondheid. (2025). Blikvanger Gezondheidszorg – Algemene ziekenhuizen. Naar een gezond België. https://www.gezondbelgie.be/nl/blikvanger-gezondheidszorg/algemene-ziekenhuizen
- Sermeus, W. (2003). De Belgische ziekenhuisfinanciering ontcijferd (2e druk). Acco.
- Van de Voorde C, Van den Heede K, Beguin C, Bouckaert N, Camberlin C, de Bekker P, Defourny N, De Schutter H, Devos C, Gerkens S, Grau C, Jeurissen P, Kruse FM, Lefèvre M, Lievens Y, Mistiaen P, Vaandering A, Van Eycken E, van Ginneken E. Benodigde ziekenhuiscapaciteit in 2025 en criteria voor aanbodbeheersing van complexe kankerchirurgie, radiotherapie en materniteit – Synthese. Health Services Research (HSR). Brussel: Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE). 2017. KCE Reports 289As. D/2017/10.273/42.
Van zorgen voor naar samen leven
Woonzorgcentra staan voor een belangrijke uitdaging. Hoe combineren we kwalitatieve medische zorg met een warme, betekenisvolle leefomgeving? Het klassieke model, dat sterk gericht is op taken en planning, botst vaak met de behoefte van bewoners aan autonomie, nabijheid en herkenning. Een relationeel en participatief zorgmodel kan het verschil maken, al vraagt dat een nieuwe houding van verpleegkundigen, zorgteams en beleid. Vier stemmen uit de praktijk lichten toe hoe dit kan groeien.
Wanneer een nieuwe bewoner in een woonzorgcentrum aankomt, gaat de aandacht vaak eerst naar de medische toestand en de specifieke zorgnoden. Minstens even belangrijk is de vraag: wie is deze persoon echt? Hoe heeft deze bewoner geleefd en vooral wat was echt betekenisvol in diens leven? “Veel bewoners hebben een rijk, gevuld leven achter de rug”, zegt Nadine Praet, ergotherapeute in wzc Aymonshof en lector aan Arteveldehogeschool. “Als we hun verhalen, passies en talenten vergeten, reduceren we mensen tot patiënten. Terwijl het onze opdracht is om dat innerlijke vuur brandend te houden. We kunnen hen niet alleen nog meer erkennen als persoon, maar ook in hun kracht zetten.”
Dat kan met kleine, betekenisvolle activiteiten: een bewoonster die vaak confituur maakte, leert het aan anderen, een gepassioneerde oud-dj die muziek draait tijdens een dansmiddag of een vrouw met dementie die erg hield van orde en netheid, helpt vandaag mee bedden opmaken. “Ja, dat duurt wellicht wat langer, maar het geeft voldoening voor zowel bewoners als zorgverleners,” benadrukt Nadine, “omdat je vertrekt van de eigenheid van elke unieke bewoner. Die vijf mintuutjes extra leveren bovendien vertrouwen op en maken de rest van de zorg vaak net efficiënter.”
Verpleegkundigen spelen hierin een sleutelrol. Ze kunnen zorgmomenten relationeel benaderen: eerst echt contact maken, inspelen op noden en ruimte laten voor persoonlijke voorkeuren in plaats van strikte routines. “Samen naar de eetzaal wandelen kost tijd, maar bevordert beweging en vertrouwen. Een blokje om geeft ook mentale steun. Zo wordt elke activiteit tegelijk zorg en leven. Het betekent niet dat je meer moet doen, maar dat je bewuster leert kijken en luisteren.”
Onderzoek bevestigt de kracht van interactie
Dat kleine interacties een grote rol spelen, wordt bevestigd door onderzoek. Elise Cornelis en Jolien Allart, onderzoekers aan Arteveldehogeschool, leiden het project Met Verve (gefinancierd door Stop Alzheimer). Hun studie richt zich op verrijkende en verbindende interacties in woonzorgcentra. “Het gaat om kleine, dagelijkse dingen”, legt Elise uit. “Een knipoog in de gang, een praatje in de lift, een compliment bij het passeren. Zulke momenten creëren meer verbondenheid en maken dat bewoners zich thuis voelen. En opvallend: ze kosten geen extra tijd.”
In de eerste fase observeerde het team interacties tijdens verschillende shifts. Wat opviel was dat er tijdens dagdiensten vaak minder ruimte was voor warme contacten, terwijl er in de avond- en nachtshifts – met minder personeel – meer kwalitatieve gesprekken plaatsvonden. “Dat toont dat het niet enkel om tijd gaat, maar om houding en aandacht”, aldus Elise.
Het project ontwikkelde intussen verschillende tools. Een uitdagingenkalender motiveert medewerkers om eens buiten de gewoontes te treden: bewust drie complimenten geven, bij de bewoners eten in plaats van in een aparte ruimte, een minuut oogcontact met iemand maken. Ook badges met persoonlijke foto’s of verhalen helpen om sneller verbinding te maken. En er zijn suggesties voor ‘ijsbrekers’ in ochtend, middag of avond: een eenvoudige zin om een gesprek te starten. “Iets van jezelf delen is heel krachtig”, legt Elise uit. “Niet enkel je naam, maar ook een detail uit je dagelijkse leven. Bijvoorbeeld dat je in het weekend een herfstwandeling maakte met je gezin. Het maakt de relatie menselijker en gelijkwaardiger. Dat doet niets af aan je professionaliteit. Integendeel, het versterkt ze. Je kiest zelf wat je deelt, en het maakt je authentiek en herkenbaar.”
Van visie naar organisatie
Om een participatief zorgmodel duurzaam te verankeren, volstaat goede wil niet. Het vraagt een duidelijke beleidskeuze en een traject dat door de directie expliciet wordt aangestuurd. Annemie Vanden Bussche, projectmedewerker bij Trialoog, en Mieke van Gramberen, directielid van de Taborgroep en lid van het Tubbeteam, begeleiden woonzorgcentra in die omslag. “Een woonzorgcentrum kan er nog zo gezellig uitzien”, zegt Annemie. “Als de zorg niet betekenisvol is, blijft het een decor. Relationeel werken gaat over keuzes en prioriteiten, en vereist dat organisaties hun cultuur kantelen: van regels en routines naar vertrouwen, dialoog en maatwerk. Goede zorg betekent dat iemand moet kunnen rusten als die dat nodig heeft, ook al staat er op de planning dat hij om zeven uur gewassen moet worden.”
Een woonzorgcentrum combineert twee werelden: wonen en leven enerzijds, verpleegkundige zorg anderzijds. Vaak ligt de nadruk op zorg, maar beide kunnen elkaar versterken. Die cultuurverandering vertaalt zich in nieuwe vormen van organisatie: kleinere teams, gedeeld leiderschap en transparantie op alle niveaus. “Het komt er niet vanzelf”, benadrukt Mieke. “Je hebt een beleid nodig dat de keuzes scherp stelt en consequent volhoudt, een kader dat richting geeft en ruimte biedt voor samenwerking. Want iedereen speelt een rol: van directies en artsen tot logistieke medewerkers, van verpleegkundigen en ergotherapeuten tot familie en vrijwilligers. Het huis is van de bewoners. Wij moeten ons inpassen in hun leven, niet omgekeerd.”
Een oproep aan verpleegkundigen en directies
Het mooie is dat deze verandering niet van de ene dag op de andere hoeft te gebeuren. “Je kan klein beginnen”, zegt Annemie. “Wissel ideeën uit met collega’s, betrek je leidinggevenden en test eens iets nieuws: een kort gesprek voor een verzorging, een spontaan compliment, bewoners mee laten beslissen over hun dag.” Het vraagt vooral een open houding en het lef om vaste patronen los te laten. Modellen zoals Tubbe en Trialoog geven richting, en de Participatiegids van Zorgnet-Icuro biedt concrete handvatten.
De omslag naar participatieve, relationele zorg vraagt moed, visie en samenwerking. Mieke: “Eigenlijk doe je als verpleegkundige gewoon hetzelfde werk. Alleen pak je het anders aan. Het sluit aan bij hoe mensen willen leven. Het zit in kleine, alledaagse dingen, en net die maken het verschil. We zien gelukkig steeds meer woonzorgcentra die deze weg kiezen. Het is een gezamenlijke beweging: een vloot van vele bootjes, elk met eigen snelheid en aanpak, maar allemaal in dezelfde richting. Relationele zorg groeit, dat geeft hoop.”
Vaar je mee?
Wil je ook richting participatieve zorg in jouw zorgsetting? Praat erover in je team, betrek je leidinggevenden en zoek stap voor stap hoe je dit model versterkt in jouw context. Meer informatie en concrete tools vind je hier:
- Project Met Verve – Arteveldehogeschool (met steun van Stop Alzheimer)
- tubbe.be
- trialooginwzc.be
- Participatiegids – Zorgnet-Icuro
- De Podcasts ‘Studio Bomma’ via sproud.be/podcast
Een woonzorgcentrum waar iedereen zich thuisvoelt
Ouderen met een migratieachtergrond vinden minder vlot de weg naar het woonzorgcentrum. “We zien de diversiteit van de samenleving nog niet terug op de gangen”, zegt Cynthia van Thiel, deskundige diversiteit en inclusie bij het Kenniscentrum WWZ. Cultuursensitieve zorg helpt die kloof te verkleinen. Het is persoonsgerichte zorg met een extra dimensie: je houdt rekening met iemands gelaagde identiteit, inclusief cultuur en levensbeschouwing, zonder in hokjes te denken. De sleutel? Communicatie, respect en nieuwsgierigheid, en vooral: kleine, haalbare aanpassingen die het verschil maken.
Over de term ‘cultuursensitief’ is Cynthia van Thiel tegelijk nuchter en scherp. “Het kan de focus te veel naar ‘cultuur’ trekken. Dan dreig je te vergeten dat mensen uit veel meer deelidentiteiten bestaan. Tegelijk gaan we zonder die extra laag soms net voorbij aan belangrijke waarden of rituelen. Het blijft dus persoonsgericht, met aandacht voor dat bijkomende laagje.” Concreet betekent dit dat verpleegkundigen bewust vragen, luisteren en vastleggen. “Er bestaat geen handleiding per herkomst of religie. Ook binnen één geloof zijn belevingen heel verschillend. Als je invult in plaats van te bevragen, ontstaat handelingsverlegenhei: uit schrik om te misdoen doe je niets, of je grijpt naar clichés.”
Kruispuntdenken: kijken voorbij één label
Om niet te reduceren tot ‘cultuur’ alleen, werkt Kenniscentrum WWZ met kruispuntdenken. Dat is een praktische bril die zichtbaar maakt hoe verschillende assen (zoals leeftijd, gender, migratieachtergrond, taal, religie, socio-economische positie, handicap) elkaar kruisen en samen iemands ervaring kleuren, ook in zorgsituaties. Het helpt teams om tegelijk oog te hebben voor macht, drempels en kansen en om bewuster te kiezen: wat betekent dit voor communicatie, autonomie, veiligheid en keuzevrijheid van deze specifieke persoon? Kruispuntdenken voorkomt dat we ‘cultuur’ als de verklaring zien en brengt ons terug bij de individuele zorgvraag.
Het levensverhaal is daarbij de rode draad. Hoe ouder je wordt, hoe sterker de houvast aan vroeger. “Bij dementie grijp je er nog meer naar terug”, verklaart Cynthia. “Vraag dus naar migratiegeschiedenis, taal, religie, naar eten, was- en slaaprituelen, gendergevoeligheid en familierollen. En leg die info zichtbaar vast, zodat elk teamlid ermee werkt.” Een uitgebreide intake is hierbij een belangrijk hulpmiddel. “Bij voorkeur met een tolk of intercultureel bemiddelaar. In de dagelijkse zorg is dat niet altijd haalbaar. Dan helpen pictogrammen, sleutelzinnen op een kaartje of een eenvoudige vertaalapp. Perfect is het niet, maar het verlaagt de drempel.”
Geef keuze maar baken grenzen af
Palliatieve situaties vragen vaak om extra waakzaamheid. “Soms worden, met de beste bedoelingen, rituelen ingevuld omdat ze denken dat ‘het hoort’. Vraag eerst: wat geeft je rust? Wie wil je erbij? Is wassing belangrijk? Bevestig daarna wat je gaat doen. Zo maak je zorg voorspelbaar en veilig.” Dat geldt net zo voor eten en feestdagen. “Geef echte keuze en hou rekening met vasten waar het medisch verantwoord is. Laat bewoners en familie ideeën inbrengen via een bewonersmoment: het zijn kleine dingen, maar vele kleine dingen samen creëren een goed thuisgevoel.”
Ook mantelzorgers en de bredere familie betrekken bij de zorg is cruciaal. “Veel familieleden kampen met schuldgevoelens om hun ouders achter te laten in het woonzorgcentrum. Ze willen graag nog een rol blijven spelen binnen het centrum. Voorzie hier voldoende ruimte voor, dat bouwt vertrouwen op. Maar spreek af hoe ver je gaat, zodat rust en veiligheid bewaakt blijven.”
Collectieve verantwoordelijkheid
Cultuursensitief werken moet doordrongen zijn in de organisatiecultuur. Het vraagt om een duurzaam inclusiebeleid op verschillende niveaus. Belangrijk hierbij is de teams opleiden in cultuursensitief werken. Cynthia: “Niet iedereen kreeg dit mee in de basisopleiding en tijd is schaars. Daarom werken sommige woonzorgcentra met micro-leermomenten: vijftien à twintig minuten, wekelijks of tweewekelijks, rond één thema of casus. Herhaling werkt beter dan één studiedag: zo hou je het onderwerp warm en normaliseer je het gesprek.”
Handige bouwstenen hiervoor zijn de korte kennisclips over kruispuntdenken van het Kenniscentrum WWZ, precies gemaakt om vooroordelen en stereotypen te herkennen en bespreekbaar te maken. Ze kunnen perfect als zelfstandig mini-vorming dienen, individueel of in team. Minstens zo belangrijk: een helder antidiscriminatie- en antiracismebeleid. “Medewerkers moeten racisme-ervaringen veilig kunnen melden, of het nu gaat om uitspraken van bewoners of familie, of spanningen in het team. Stel hiervoor een aanspreekpunt aan en communiceer ook wat met een melding gebeurt.”
Tot slot wijst Cynthia op het belang van betrokkenen buiten de muren. “Je hoeft niet alles zelf te weten. Werk samen met buurtverenigingen, religieuze leiders, migrantenorganisaties. Haal de buurt naar binnen met activiteiten in het woonzorgcentrum. Het werkt twee kanten op: je haalt expertise binnen en je laat zien dat iedereen welkom is.”
Meer lezen over cultuursensitieve zorg? Download het cahier Het woonzorgcentrum: ook een thuis voor ouderen met een migratieachtergrond?, een publicatie van het Kenniscentrum WWZ en de Koning Boudewijnstichting.
Snel aan de slag met Kruispuntdenken? Deze kennisclips leggen het concept beknopt uit.
Resultaten kwaliteitsbevraging: wat vinden bewoners echt belangrijk?
Hoe ervaren bewoners en hun familieleden het leven in een woonzorgcentrum? Welke kleine dingen geven hen een gevoel van veiligheid, respect en verbondenheid? Waar wringt het soms? Voor het eerst in bijna tien jaar werd dat in Vlaanderen opnieuw grootschalig bevraagd. De resultaten schetsen een dubbel beeld. Thema’s als veiligheid, respect en privacy scoren hoog. Op relationeel vlak is nog werk aan de winkel. Juist op die relationele en betekenisvolle domeinen kunnen verpleegkundigen het verschil maken.
De bevraging kwam er in nauwe samenwerking tussen de sector, het beleid en een partnerschap tussen het Vlaams Instituut voor Kwaliteit van Zorg (VIKZ), de Vlaamse Ouderenraad en Expertisecentrum Dementie Vlaanderen. Meer dan 8.000 bewoners en 11.000 naasten vulden een vragenlijst in over thema’s als privacy, respect, sociale relaties en zinvolle tijdsbesteding. “Belangrijk was dat niet alleen cijfers verzameld werden, maar dat woonzorgcentra er ook echt mee aan de slag kunnen”, legt Kathleen Leemans, coördinator residentiële ouderenzorg en palliatieve zorg bij het VIKZ, uit. “Daarom hebben we per vraag een belangrijkheidscriterium toegevoegd: bewoners en familieleden gaven niet alleen hun ervaring aan, maar ook hoe belangrijk ze dat vonden. Zo kan een woonzorgcentrum makkelijker prioriteiten stellen.”
Bewoners konden de vragen zelfstandig of met hulp van een vrijwilliger invullen. Deze vrijwilligers werden door Vlaamse Ouderenraad gerekruteerd via de Seniorenverenigingen en grondig getraind en begeleid. Daarnaast werd voor elke bewoner ook een naaste of een familielid bevraagd. Om ook bewoners met cognitieve problemen aan bod te laten komen, liep een pilootproject met observaties door zorgkundigen en verpleegkundigen, onder andere bij mensen met dementie. “Zo proberen we zoveel mogelijk perspectieven te vatten, met de stem van de bewoner centraal”, benadrukt Kathleen.
Cijfers met betekenis
De scores tonen zowel sterktes als pijnpunten. Privacy, veiligheid en respect scoren hoog: meer dan negen op de tien bewoners ervaren die aspecten positief. Dat zijn bemoedigende signalen. Tegelijk zijn er duidelijke knelpunten. Bijna de helft van de bewoners zegt nooit of zelden een goede vriend(in) te hebben onder medebewoners. Vier op de tien voelt geen persoonlijke band met medewerkers. En 39 procent kan zijn tijd niet altijd zinvol invullen. “Die cijfers leggen bloot dat wonen en leven vaak nog te weinig aandacht krijgen”, zegt Kathleen. “De nadruk ligt in veel centra nog sterk op zorg en medische taken. Ook personeelstekorten kunnen meespelen. In enkele centra zijn de scores duidelijk beter. Dat toont dat het wel degelijk anders kan.”
Kleine gebaren, groot verschil
Voor verpleegkundigen ligt hier een belangrijke opdracht. Volgens Kathleen gaat het vaak om kleine, betekenisvolle daden. “Een hand op de schouder, toestemming vragen voor je een kamer binnenkomt, of oprecht vragen hoe het gaat: zulke details geven bewoners het gevoel gezien en gerespecteerd te worden. Ze dragen bij aan een persoonlijke band die vaak belangrijker is dan we denken.”
Ook bij zinvolle tijdsbesteding kunnen verpleegkundigen het verschil maken. Het gaat niet alleen om groepsactiviteiten, maar juist om het betrekken van bewoners bij alledaagse taken. “Een bewoner die altijd graag de strijk deed, kan ingeschakeld worden om mee te helpen. Iemand met groene vingers kan in de moestuin werken. Zulke kleine activiteiten sluiten aan bij de identiteit van de bewoner en geven betekenis.”
Participatie als sleutel
De bevraging is ingebed in een bredere kwaliteitscirkel. “We werken volgens de PDCA-logica: meten, terugkoppelen, bespreken en verbeteren”, legt Kathleen uit en ze illustreert met een voorbeeld uit de evaluatiegesprekken met de woonzorgcentra. “Zo gaven verpleegkundigen zelf aan dat ze te weinig tijd hadden voor bewoners. Dat signaal kwam overeen met de bevraging. Samen met de directie bekeken ze de uurroosters en de taakverdeling. Door enkele verschuivingen kregen verpleegkundigen meer ruimte om aandacht te besteden aan bewonerscontact. Dat illustreert hoe de stem van bewoners, naasten en medewerkers samenkomt in een kwaliteitsverbetering.”
Leren van elkaar
De resultaten van de bevraging zijn publiek beschikbaar op Zorgkwaliteit.be. Elk woonzorgcentrum dat deelnam, kan zijn eigen rapport raadplegen, maar ook vergelijken met andere voorzieningen. “Dat opent mogelijkheden om van elkaar te leren”, zegt Kathleen. “Een team kan zien waar het sterk scoort en waar het achterblijft, en inspiratie opdoen bij collega’s in de regio. Ook voor verpleegkundigen kan dat motiverend zijn: je ziet dat verbeteringen haalbaar zijn.”
Op beleidsniveau bleven de resultaten niet onopgemerkt. “Departement Zorg en de koepelorganisaties werken mee om woonzorgcentra te ondersteunen. Het gaat erom niet alleen de tekorten aan te pakken, maar ook de sterktes verder te ontplooien.” Daarom ijveren de projectpartners en de Vlaamse overheid ervoor dat de metingen in de toekomst worden verdergezet, om zo de woonzorgcentra de kans te geven om verbeteracties op te volgen.
Voor verpleegkundigen betekent dit vooral dat hun rol verder erkend en ondersteund wordt. “Zij zijn de dagelijkse brug tussen bewoners, familie en beleid. Elke kleine actie van een verpleegkundige kan bijdragen aan meer kwaliteit van leven. Deze bevraging maakt dat zichtbaar en geeft teams concrete handvatten om verder te groeien.”
Stap voor stap naar een ouderenvriendelijk ziekenhuis
In een ziekenhuis wil je iedereen verwelkomen, maar de ene patiënt heeft natuurlijk andere noden dan de andere. 75-plussers maken er een aanzienlijk deel van de populatie uit en riskeren blijvend functieverlies. Verandering in de inrichting en werking van het ziekenhuis kunnen dit beïnvloeden. De Inspiratiegids Ouderenvriendelijk Ziekenhuis geeft handvatten om zorg beter af te stemmen op kwetsbare ouderen.
Een KCE-rapport uit 2017[1] voorspelde dat ouderen in 2025 goed zouden zijn voor 28 procent van de ziekenhuisopnames en 46 procent van het aantal verpleegdagen. Goed de helft van de verblijvende patiënten zouden dus oudere zorgvragers zijn. Zijn ziekenhuizen daarop voorbereid? Is hun infrastructuur en inrichting erop afgestemd en wordt er genoeg rekening gehouden met ouderdomsverschijnselen en onderliggende aandoeningen bij het opmaken van behandelplannen? Wanneer ouderen functieverlies lijden tijdens en na hun ziekenhuisopname, riskeren ze afhankelijkheid, een langere opnameduur, opname in een woonzorgcentrum, toename van zorg in de thuissituatie en een verhoogde kans op sterfte.
Een aanpak op maat kan de gevolgen op lange termijn beperken. Daarom is Kenny De Cuyper, zorgmanager (psycho)geriatrie bij ZAS, lid van de werkgroep Ouderenzorg NETWERK VERPLEEGKUNDE en één van de trekkers van de Inspiratiegids Ouderenvriendelijk Ziekenhuis. Zijn engagement voor een menselijke ouderenzorg gaat jaren terug: “De Belgische wetgeving uit 1968 en de Ziekenhuiswet uit 2007 beschrijven niet hoe ouderenzorg eruit hoort te zien wat de inrichting, processen, … betreft. Het Koninklijk Besluit bepaalt enkel dat elk ziekenhuis met een dienst voor acute geriatrie een zorgprogramma moest hebben om erkend te blijven. Naast de acute afdeling omvat het zorgprogramma nog vier elementen, namelijk de interne en externe liaison geriatrie, de consultatie en een ambulante dienstverlening via het geriatrisch dagziekenhuis. In 2014 werden beperkte aanpassingen gedaan aan de wetgeving, maar niet om de dagelijkse werking ouderenvriendelijker te maken. Daarom trok ik met een collega uit het Jessa Ziekenhuis naar Breda, om te horen hoe ze het in Nederland anders aanpakten.”
Internationale voorbeelden
Het Nederlandse programma baseerde zich sterk op het Canadese model van het Senior Friendly Hospital. Daar werden zo vroeg als 1986 al Regionale Geriatrische Zorgprogramma’s gelanceerd, die focussen op opleiding, onderzoek en standaardisering van praktijkvoering om beter aan te sluiten bij behoeften van ouderen met multiple en complexe problemen. Het implementeren van Seniorvriendelijke Ziekenhuiszorg was een initiatief om de gezondheid en het welzijn van ouderen te optimaliseren tijdens hun ziekenhuisopname, en om tijdig en veilig de transitie van zelfstandig naar begeleid wonen in de maatschappij te ondersteunen.
Zo werd een seniorvriendelijk kader uitgewerkt dat ziekenhuizen hielp om een organisatiebrede aanpak van kwaliteitsverbetering in zorg voor kwetsbare ouderen te ontwikkelen. Dat kader steunde op zeven leidende principes en vijf fundamenten: organisatorische ondersteuning, zorgprocessen, empathische omgeving, ethiek in klinische zorg en onderzoek, en de fysieke omgeving (infrastructuur en inrichting).
Het Nederlandse model definieerde veertien kwaliteitsaspecten waarover ziekenhuizen zelf rapporteerden en die in een checklist voor plaatsbezoeken werd gegoten. De resultaten werden vanaf 2013 per ziekenhuis online gepubliceerd. Zo kon je als oudere kiezen voor een ziekenhuis met een goede score. In 2019 werd dit systeem stopgezet om de registratielast voor ziekenhuizen te verlichten.
Geen audit, wel inspiratie
Na een bezoek aan het ziekenhuis in Breda en het onderzoeksbureau dat hen adviseerde, werd besloten stakeholders te verzamelen in een discussieplatform. Organisaties zoals het Expertisecentrum Dementie, de Vlaamse Ouderenraad, de Federale Adviesraad voor Ouderen, het Vlaams Expertisecentrum Mantelzorg, de Belgische Vereniging voor Geriatrie en Gerontologie en enkele Waalse spelers werden uitgenodigd om een breder draagvlak te creëren met wetenschappelijke onderbouwing. Kenny: “Het enthousiasme was evident, maar tegelijk gaven ziekenhuizen aan dat ze niet nog een bordje aan de deur wilden: een extra audit was niet het doel. Wel streefden we ernaar inspirerende praktijken samen te brengen, door ouderen en zorgprofessionals rond de tafel te krijgen.”
Onder de begeleiding van Zorgnet-Icuro vonden vanaf 2017 werkgroepen met verschillende ziekenhuizen plaats om de internationale kaders te vertalen naar een Belgische ziekenhuiscontext, verbinding te zoeken en sterke bruggen te bouwen tussen organisaties en verenigingen. Met seniorenadviesraden in alle provincies werden ook de ouderen zelf gehoord. Het kader Senior Friendly Hospital gaf de groep meer praktijkgerichte verdieping. Uiteindelijk leidde dit tot tien thema’s, wetenschappelijk onderbouwd en met uitspraken van ouderen gebundeld in een gids waarmee een ziekenhuis kan heroriënteren met specifieke aandacht voor ouderen. Die inspiratiegids werd ingekanteld in de werking van de Belgische Vereniging voor Geriatrie en Gerontologie, die tijdens zijn jaarlijkse Wintermeeting aandacht besteed aan interessante cases.
Zelf aan de slag
In de inspiratiegids vind je verschillende aandachtspunten, van meubilair en verlichting tot een cliëntenraad. In totaal zijn tien thema’s opgenomen in de inspiratiegids, gekaderd met wetenschappelijke literatuur en verrijkt met bedenkingen en aanvullingen door de senioren. “Een belangrijke is afgestemde zorg”, haalt Kenny aan. “Dat betekent bijvoorbeeld dat afspraken bij verschillende artsen op dezelfde dag plaatsvinden. Zo hoef je slechts één keer naar het ziekenhuis te komen, om zowel je cardioloog als je diabeteseducator te zien en tegelijk een afspraak te maken bij de geriater. Minder gedoe, minder stress.”
Een aanbeveling in het thema opname- en ontslagbeleid is om de observatie en het opnamegesprek aan te passen aan de noden en wensen van kwetsbare ouderen en hun mantelzorgers. Geen algemene anamnese, wel een gesprek dat hun zorgnoden in kaart brengt. “Ook beleidsparticipatie is essentieel voor een ouderenvriendelijk ziekenhuis, want kwetsbare ouderen en mantelzorgers kunnen vanuit hun ervaringen een belangrijke bijdrage leveren aan het beleid. Dat gaat van de patiënt informeren tot de oudere die actief mee beslissingen neemt in een cliëntenraad.”
De ouderen die input gaven voor de inspiratiegids bieden ook eenvoudig te implementeren verbeterpunten aan. Een kwetsbare oudere wordt vaak geconfronteerd met polypathologie waarbij tijdens zijn opname verschillende disciplines aan zijn bed komen. Een centraal aanspreekpersoon – meestal de verpleegkundige – geeft de patiënt en zijn mantelzorger vertrouwen, coördineert de zorg en delegeert vragen naar andere disciplines. Daarnaast is het belangrijk dat de verschillende disciplines herkenbaar zijn.
“Geef de kwetsbare oudere bovendien het gevoel dat ze niet tot last zijn”, benadrukt Kenny. “Zet daarvoor in op non-verbale en verbale communicatie om te tonen dat je bereid bent tegemoet te komen aan hun fundamentele zorgbehoeften. Kwetsbare oudere patiënten observeren de zorgverlening en vormen zich een beeld over wat een professionele houding betekent en hoe zorg wordt gegeven. Op basis daarvan bepalen ze zelf wat volgens hen haalbaar is voor de zorgverleners.”
Naast de inspiratiegids ontwikkelde de werkgroep ook een toolkit op basis van Toronto-checklist uit het Canadese model. Zo wordt een ziekenhuis in vijf stappen ouderenvriendelijker. Stel een werkgroep ouderenvriendelijk ziekenhuis (OVZ) samen, voer een ouderenvriendelijke zorg (OVZ) zelfevaluatie door, bereid de kernboodschappen voor, geef prioriteit aan één werkpunt en creëer een actieplan. Deze toolkit kan iedereen online consulteren. “Zo hopen we elk ziekenhuis in Vlaanderen te inspireren om ouderen centraal te zetten. Dat zal in de toekomst steeds noodzakelijker zijn.”
[1] Van de Voorde Carine, Van den Heede Koen, Beguin Claire, Bouckaert Nicolas, Camberlin Cécile, de Bekker Piet, Defourny Noémie, De Schutter Harlinde, Devos Carl, Gerkens Sophie, Grau Cai, Jeurissen Patrick, Kruse Florien Margareth, Lefèvre Mélanie, Lievens Yolande, Mistiaen Patriek, Vaandering Aude, Van Eycken Elisabeth, van Ginneken Ewout. Benodigde ziekenhuiscapaciteit in 2025 en criteria voor aanbodbeheersing van complexe kankerchirurgie, radiotherapie en materniteit. Health Services Research (HSR). Brussels. Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE). 2017. KCE Reports 289A. DOI: 10.57598/R289AS.
Leerlabs betrekken jongeren bij ouderenzorg
De Belgische bevolking verzilvert en dat brengt uitdagingen met zich mee. Zo liggen in het ziekenhuis ook buiten de geriatrische afdelingen steeds meer 75-plussers. Geertje Geeraerts, docent basisverpleegkunde aan Sint-Norbertus Verpleegkunde Metropool in Antwerpen, vertelt: “We hebben heel wat zorg- en verpleegkundigen nodig die thuis zijn in ouderenzorg. Niet alleen in het technische, maar ook het psychosociale, de omgang met de familie en samenwerken met het team. Net die tak van de zorg moeten we aantrekkelijker maken om kwalitatieve zorg te blijven bieden.”
In het voorjaar van 2024 lanceerde het Gouverneur Kinsbergencentrum samen met de Provincie Antwerpen de subsidieoproep ‘Leerlabs | Zorg in de buurt’, met als doel een betere aansluiting te creëren tussen onderwijs en de zorgsector. Geertje Geeraerts: “Ik geef les Verpleegkunde Metropool, voornamelijk vakken ouderenzorg, en kreeg de vraag van mijn campusdirecteur Tine Dehandschutter om te bekijken wat de mogelijkheden zijn van hybride leerlabs. Ik zag meteen de mogelijkheden van een coöperatief project en belandde al snel bij ZAS, onze grootste stagepartner. Samen met Bart Janssens, afdelingshoofd Gespecialiseerde Verpleegkundige Zorg en team professionalisering van ZAS, tekenden we drie trajecten uit onder de noemer ZOLLM – ZAS Open Leerlab Metropool. Na een pilootproject vorig academiejaar verankeren we die dit jaar verder met het kernteam, waar ook zorgmanagers geriatrie Kenny De Cuyper en Kristine Broeders deel van uitmaken.”
Jongeren en ervaren zorgverleners
Het leerlab draait om een hybride leeromgeving in situ – in dit geval in het Cadix ziekenhuis, het modernste ziekenhuis van het ZAS. Studenten, leerlingen lager en middelbaar onderwijs en actieve verpleegkundigen kunnen er terecht om de ouderenzorg te leren kennen of om hun vaardigheden aan te scherpen. Zo draait het eerste traject om interprofessioneel simulatieleren in een realistische setting. “Simulatieleren wordt al in de meeste hogescholen aangeboden, maar we gaan een stap verder door studenten te laten samenwerken met zorgkundigen en verpleegkundigen, en door het in een reële ziekenhuissetting te laten plaatsvinden. Zowel studenten van het Sint-Norbertus en de Karel de Grote Hogeschool als actieve zorgverleners leren veel bij uit deze simulaties, bijvoorbeeld over het gebruik van de CRM-principes volgens de methodiek van EuSim.”
Een tweede traject is het skillslab, waar medewerkers en studenten met levensechte modellen hun vaardigheden aanscherpen. Denk aan een diabetesvoet of lichaamsdelen met doorligwonden. “De modellen worden gevormd naar het voorbeeld van oudere zorgvragers met bijvoorbeeld een perkamenten huid of een arm met hele dunne aders. Studenten, maar ook zij-instromers of verpleegkundigen die na een lang ziekteverlof terugkeren, kunnen er de nieuwste technieken leren of opfrissen.”
Ook de jeugd wordt betrokken. Het derde traject is een (superhelden)route door Cadix, waar kinderen vanaf 10 jaar kennismaken met het moderne ziekenhuis. “Lokale scholen kunnen intekenen om met hun leerlingen de werking van een gesloten geriatrische afdeling te ontdekken. We laten hen reanimeren, een wonde verzorgen en zelfs een verouderingspak aandoen. We willen hen vooral verrassen en inspireren, hen prikkelen om voor een job in de zorg te kiezen.”
Met de drie trajecten spreekt het leerlab mensen van tien tot zestig jaar aan om ouderenzorg te leren kennen en geriatrische vaardigheden bij te spijkeren. “Er is lang gezegd dat we de ouderenzorg sexy moesten maken”, aldus Geertje. “Ik geloof dat we vooral moeten tonen hoe modern, vernieuwend en noodzakelijk de zorg is. In een ziekenhuis als Cadix gaat dat vanzelf. Samen met onze partners zetten we gedurende vier jaar onze schouders onder dit leerlab, in de hoop toekomstige zorgverleners te inspireren die kwalitatievere zorg verlenen. De ouderenzorg zal alleen exponentieel verder groeien. Daar ligt de toekomst en de uitdaging. Dit initiatief is misschien een druppel op een hete plaat, maar zonder die druppeltjes kom je nergens.”










