Bruggen bouwen tussen kind, team en gezin

Wanneer je het multifunctioneel centrum (MFC) Zonnebloem in Heule binnenstapt, moet je eerst door een deurgordijn van kleurrijke slingers. Al even geschakeerd is het takenpakket van verpleegkundigen Josefien Dupont en Sarah Opsomer. Van de wieg tot de jongvolwassenheid volgen ze kinderen en jongeren met een beperking op. Een intens en persoonlijk traject, maar net dat maakt hun job zo boeiend.

Josefien en Sarah zijn beiden pediatrisch verpleegkundige. Josefien werkt sinds 2008 bij Zonnebloem. “Ik startte met een vervanging binnen dagbesteding en kreeg later de kans om als verpleegkundige aan de slag te gaan binnen het dagopvang-verblijf. Vandaag combineer ik twee vaste verpleegkundige dagen per week met nachtdiensten in het weekend.

Sarah volgde eerst een opleiding in de gehandicaptenzorg en liep als opvoedster stage in Zonnebloem. “Dat inspireerde me om verpleegkunde te studeren. Na enkele jaren in de thuiszorg en een passage in Engeland, kwam ik hier opnieuw terecht.” Zij werkt voltijds op de dagbesteding, het schoolvervangende aanbod van maandag tot vrijdag, en neemt daar de medische opvolging van zo’n vijftig kinderen op zich.

Geen dag dezelfde

De kinderen en jongeren die Zonnebloem ondersteunt, hebben een brede waaier aan zorgnoden. Denk aan een verstandelijke beperking, ASS, epilepsie, motorische stoornissen, degeneratieve aandoeningen of complexe gedragsproblemen. Sommigen komen elke weekdag, anderen enkel tijdens schoolvakanties of in crisissituaties. “Onze doelgroep is zo divers dat geen enkele werkdag voorspelbaar is”, vertelt Josefien. “Dat maakt het net boeiend. Je weet nooit wat de dag brengt.”

Zowel Sarah als Josefien combineren zorginhoudelijk werk met een coördinerende rol. Josefien: “Ik begin mijn dag meestal achter de computer. Zijn er medische vragen binnengekomen? Is er nieuwe medicatie of een wijziging? Wat moet ik voorbereiden of opvolgen voor de leefgroep?” Daarnaast stemmen ze voortdurend af met opvoeders, therapeuten, de kinderarts, thuisverpleegkundigen en andere disciplines. “De begeleiders nemen het grootste deel van de zorgtaken op. Wij ondersteunen, structureren en geven richting. In dat opzicht verschilt onze job sterk van een ziekenhuisfunctie: tachtig procent van onze tijd gaat naar administratie en coördinatie, slechts twintig procent naar medische handelingen.”

De spil tussen arts, leefgroep en gezin

Sarah ziet zichzelf als schakel tussen de arts, de opvoeders, de ouders en het externe zorgnetwerk. “Veel van onze kinderen hebben buiten de voorziening veel opvolging: een revalidatiecentrum, kinderarts, logopedist, kinesitherapeut, … Het is onze taak om die info samen te brengen en te vertalen naar de leefgroep.” Ze onderhoudt nauw contact met de interne (kinder)arts die Zonnebloem tweemaal per week bezoekt en plant vaccinaties, consultaties en opvolging in. “Soms ga ik zelf mee naar een consult, bijvoorbeeld als ouders het moeilijk vinden of de situatie complex is.” Josefien vult aan: “Wij faciliteren zodat anderen met een gerust hart kunnen werken. We brengen structuur in de medische opvolging, organiseren medicatie, bewaken de veiligheid. En we staan klaar bij vragen of twijfel.”

Leren delegeren

Sinds kort mogen verpleegkundigen in de sector verpleegkundige handelingen delegeren aan collega’s via het statuut van bekwame helper. Josefien en Sarah zijn daar nauw bij betrokken. “Hier komt wel wat bij kijken want we moeten het juridisch correct en goed onderbouwd aanpakken. Dat vraagt vorming, duidelijke afspraken, registratie en goedkeuring door ouders en artsen. Zo garanderen we dat de collega’s veilig en zelfverzekerd handelen. Op dit moment brengt dat extra werk met zich mee, maar ik ben ervan overtuigd dat dit op termijn ons takenpakket zal verlichten. We staan hierin ook niet alleen. Zo nemen we deel aan overlegmomenten met andere voorzieningen in Zuid-West-Vlaanderen waar we veel leren van elkaar.”

Ook de Activiteiten van het Dagelijkse Leven (ADL) die door niet verpleegkundigen opgenomen worden, nemen wat druk van de ketel. Al is Josefien voorzichtig: “We kiezen er bewust voor om niet alles te delegeren. Sommige handelingen voeren we zelf uit, zeker als het om kwetsbare of palliatieve kinderen gaat. We kennen onze kinderen door en door en merken vaak meteen als er iets scheelt. Weet ook dat kinderen hun ongemak vaak niet genoeg kunnen verwoorden. Dan is het een kwestie van goed observeren, kleine signalen opvangen, en soms ook gewoon durven beslissen: nu is er medische opvolging nodig.”

Een traject van jaren

Wat hen allebei het meeste voldoening geeft, is de langdurige band met de kinderen en hun netwerk. “Sommige kinderen zijn hier van baby tot hun eenentwintigste”, zegt Sarah. “Je ziet hen opgroeien, je leert hun verhaal kennen, hun kwetsbaarheid en hun kracht.” Die continuïteit creëert ook een hechte vertrouwensband met de gezinnen. “Soms is die samenwerking intens, soms eerder op de achtergrond. Maar we zoeken altijd hoe we de ouders kunnen ondersteunen.”

Elke medaille heeft een keerzijde. Hoe gepassioneerd ze elke dag op de werkvloer staan, soms is het pittig. Zeker wanneer de informatie niet vlot doorstroomt. Sommige kinderen zijn er ook maar voor korte periodes. “Bij kinderen die elders verblijven bijvoorbeeld, of aan wie we crisisopvang bieden, is het soms moeilijk om de info van andere hulpverleners te verkrijgen”, vertelt Sarah. “Ouders zijn ook niet altijd even communicatief. Dan is het een beetje zoeken naar je rol.” Net dat maakt het uitdagend, vinden ze. “Het vraagt veerkracht, aanpassingsvermogen en durf om beslissingen te nemen. Maar je krijgt er ook veel voor terug: dankbaarheid, verbondenheid en de zekerheid dat je een verschil maakt.” Josefien vat het mooi samen: “Je moet er niet voor geboren zijn, maar het moet wel in je zitten. Dit is geen job die je gewoon uitvoert, dit is een engagement.”

En wat voor een engagement. Wanneer we een uur later opnieuw door de gekleurde slingers naar buiten stappen, is dat met een glimlach en tonnen respect.


Lichaamstaal als sleutel tot preventie

Vzw de branding ondersteunt dagelijks zo’n 450 cliënten met een beperking. Onder hen ook cliënten met moeilijk begrijpbaar gedrag. Om escalaties te voorkomen kijkt het team niet alleen naar wat er gebeurt, maar vooral naar waarom iets gebeurt. De lichaamstaal van zowel cliënten als begeleiders is daarbij een cruciaal kompas. Mathieu Vandenbroucke, directeur zorg bij de branding, geeft duiding.

Mathieu Vandenbroucke startte dertien jaar geleden bij de branding en is er sindsdien een vaste waarde. Hij begon als begeleider, groeide door tot teamcoach en staat sinds januari 2025 aan het roer van het zorgbeleid. “Onvoorwaardelijkheid is de rode draad doorheen onze aanpak”, vertelt hij. “We staan dicht bij onze cliënten, werken op maat en gaan op zoek naar de reden achter het gedrag zodat we incidenten voor zijn. Lichaamstaal en vorming zijn daarbij onze onmisbare handvatten.”

Nieuwe site met prikkelarme kamers

Cliënten kunnen in principe hun hele leven in de branding blijven wonen. De bewoners verschillen dus sterk in leeftijd, achtergrond en ondersteuningsnoden. “Dat creëert een boeiende dynamiek”, weet Mathieu. “Maar het betekent ook dat je zorgvuldig moet afwegen wie je samen in een leefgroep zet. Soms klikt het gewoon niet en dan kan de spanning oplopen. Niet alleen door onderlinge wrijving, maar evengoed door ziektebeelden of simpelweg een moeilijke dag.”

Om nog beter in te spelen op de noden van de cliënten met moeilijk begrijpbaar gedrag, opende de branding in 2020 een nieuw gebouw op hun site in Kortrijk. De voorziening biedt plek aan drie leefgroepen, met in totaal negentien ruime, prikkelarme kamers. Zeven daarvan zijn extra beveiligd, met onder andere verzwaarde meubels, plexiglas rond de tv of doorgeefluiken. Nog eens drie kamers zijn verder uitgerust met domotica en onbreekbare materialen.

Onvoorwaardelijke aanpak

De begeleiders werken volgens de principes van gentle teaching: geen straffen of beloningen, wel nabijheid, geduld en vertrouwen. “We proberen de cliënt niet te veranderen, maar gaan op zoek naar het ‘waarom’ achter het gedrag. Als begeleider ben je te gast bij de cliënten, niet omgekeerd. Aan ons om hen zoveel mogelijk te ondersteunen, niet te sturen.”

Om dat ‘waarom’ te achterhalen, moet je de cliënt volgens Mathieu door en door kennen. Dat vraagt tijd. “We zien dat het aantal incidenten daalt naarmate het vertrouwen groeit”, legt hij uit. “Als begeleider is je eigen lichaamstaal de sleutel: straal je rust uit? Stel je je toegankelijk op? Soms wordt wel eens een knuffel uitgedeeld, maar even goed bied je nabijheid door je administratie in de leefruimte te doen tussen de cliënten. Onze begeleiders komen trouwens werken in hun alledaagse kledij. Zo dichten we de kloof en wordt het contact natuurlijker.”

Omgaan met escalaties

Deze visie van onvoorwaardelijkheid hanteert het team ook bij incidenten. Iedere cliënt heeft een persoonlijk signalerings- en crisisontwikkelingsplan. Daarin staan specifieke gedragsuitingen opgelijst en de beste manier om erop te reageren als begeleider. “Als we een bepaalde cliënt zien ijsberen, weten we via zijn signaleringsplan dat we dan het best een gesprek aanknopen. Wachten we te lang, dan dreigt escalatie. We focussen op preventie, zonder kansen te ontnemen. Dat blijft een dunne lijn om op te balanceren.”

Het belang van vorming en nazorg

Begeleiders krijgen regelmatig training in Persoons- en Teamgerichte Veiligheidstechnieken (PTV), met interne trainers en externe experten zoals Jeroen Cottenie. “Jeroen komt twee keer per jaar, en maandelijks oefenen we zelf met het team. Toch blijft de focus op preventie en onvoorwaardelijkheid. Technieken zijn nodig, maar ze zijn niet de basis.”

Een incident raakt iedereen. Daarom voorziet de branding nazorg voor de begeleiders in drie fases: een luisterend oor meteen na het voorval, opvolging na enkele uren en systematische check-ins in de weken nadien. “Maar de nazorg voor de client is even belangrijk. Na een incident kan die tot rust komen in een prikkelarme afzonderingsruimte. We blijven nabij, checken minimaal om het half uur hoe het gaat, en houden het verblijf daar zo kort mogelijk. Een gedragsverandering is mooi meegenomen, maar niet het doel op zich.”


“Koersen en zorgen, dat is gewoon wie ik ben”

Een professionele wielrenster en verpleegkundige? Voor velen klinkt het als een onmogelijke combinatie. Niet voor Ines Van de Paar (22). Ze rijdt op hoog niveau bij KDM-Pack en staat tegelijk op de werkvloer als verpleegkundige in het operatiekwartier van het Noorderhartziekenhuis in Pelt. Ines: “Ik wil nog lang koersen, maar ook blijven groeien in de zorg. Waarom kiezen als mijn hart in beide ligt?”

In één week tijd afstuderen als verpleegkundige en de titel van Belgische kampioene in het baanwielrennen behalen? Ines Van de Paar deed het begin 2025 met glans. Haar liefde voor wielrennen begon al vroeg: op haar achtste zat Ines voor het eerst op een koersfiets. En ze bleef trappen. Zo werd ze Vlaams kampioene bij de juniores, behaalde een Belgische titel op de piste en rijdt vandaag voor een professionele wielerploeg. Toch koos ze ervoor om ook een ander pad te volgen. “Net als mijn passie voor fietsen, voelde ik van jongs af aan dat ik later graag voor anderen wou zorgen”, vertelt Ines. “Ook al gaven mijn ouders mij de kans om volop voor de koers te gaan, ik wilde zelf iets achter de hand hebben. Daarom besloot ik een opleiding tot verpleegkundige te volgen.”

Van koersfiets naar operatiekwartier

Ines startte in de HBO5-opleiding en studeerde in januari 2025 succesvol af. Vandaag werkt ze in het operatiekwartier van het Noorderhartziekenhuis in Pelt, de plek waar ze ook stage liep. “Het is een heel dankbare werkplek”, zegt ze. “De shiften zijn duidelijk, het team is fijn en ik ben er heel nauw bij de patiënten betrokken. Tegelijk is het goed te combineren met mijn trainingen en het gezinsleven. Na de werkuren en in het weekend is er voldoende tijd voor sport.”

En Ines gaat nog een stap verder. Na haar HBO5-opleiding startte ze de bacheloropleiding tot VVAZ (verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg). “Het is een enorme puzzel, dus ik moet alles heel goed plannen. Hoewel ik zo veel mogelijk naar de lessen probeer te gaan, zijn er ook momenten waarop dat niet lukt. Ik ben gelukkig een vrij goede student dus via zelfstudie blijf ik vlot mee met de leerstof. Omdat ik al werk, kan ik wat ik leer ook meteen toepassen op de werkvloer. Dat is mooi meegenomen.”

Trainen na het werk

Waar anderen rusten na een werkdag, springt Ines dus vaak nog op de fiets. “Ik train vooral ’s avonds. Eerst werken, dan het huishouden, dan fietsen. Gelukkig doet mijn vriend ook aan wielrennen. We proberen samen een goed ritme te vinden. In de schoolvakanties en weekends kan ik vaak wat extra trainen.” Naast haar eigen sportcarrière geeft Ines ook trainingen bij Cycling Vlaanderen. “Dat vind ik supertof om te doen. Jongeren helpen groeien in hun sport geeft veel voldoening. Ik leer er zelf door bij en blijf fit door mee te doen.”

Hoewel haar ploeg volledig achter haar keuze voor verpleegkunde staat, is het soms wel zoeken naar evenwicht. “Je moet keuzes durven maken. Soms mis ik een training omdat het werk of de studie voorrang heeft. Maar dan weet ik: morgen is er weer een kans. Ik probeer vooral realistisch te blijven en naar het grotere plaatje te kijken.”

“Durf je eigen pad te kiezen”

Ines wil zich de komende jaren nog even blijven toeleggen op sprintwedstrijden op topniveau, maar ook verder groeien als verpleegkundige. “Ik zie mezelf zeker nog lang in de zorg werken. En zolang mijn lichaam het toelaat, blijf ik koersen. Het hoeft niet of-of te zijn.”

Voor wie twijfelt of verpleegkunde wel te combineren valt met een andere passie, is haar boodschap duidelijk: “Het kan echt. Als je goed plant en bereid bent om af en toe flexibel te zijn, lukt het. Het is niet erg om eens een training te missen. Zolang je maar weet waarom je het doet. Ja, het is lastig. Maar ik haal ontzettend veel energie uit wat ik doe. Koersen en zorgen: dat is gewoon wie ik ben.”

Meer gelijkenissen dan je denkt

Op het eerste gezicht lijken topsport en verpleegkunde mijlenver uit elkaar te liggen. Toch ziet Ines veel raakvlakken. “In beide heb je een sterk karakter nodig. Je moet kunnen doorzetten, plannen, coördineren. En als het even tegenzit: rustig blijven en je plan trekken. Ook zelfstandigheid is belangrijk. Omgaan met een stressvolle situatie in een operatiezaal of met een lekke band langs de kant van de weg stranden: je moet kunnen schakelen en het hoofd koel houden. Die mentale kracht neem ik mee van de ene wereld naar de andere.”


Digitale competenties als hefboom voor toekomstgerichte zorg

We moeten slimmer zorgen, zoveel is duidelijk. Hoe hou je het zorgsysteem werkbaar wanneer de noden blijven toenemen en het personeel afneemt? Digitalisering kan verpleegkundigen versterken — als ze zich er veilig en bekwaam bij voelen, zonder het als een extra belasting te ervaren. Wat ontbreekt, is een helder kader: wat zijn digitale competenties precies, en hoe veranker je die in de opleiding zonder ze te verzwaren? Tinne Keepers, studente aan de UHasselt, gaat in haar masterproef op zoek naar antwoorden. Wij kregen een sneakpeek.

Tinne Keepers is van opleiding kinesitherapeut en werkt in het buitengewoon onderwijs. Vanuit haar drive om de zorg structureel te verbeteren, schoolt ze zich bij via de master systeem- en procesinnovatie in de gezondheidszorg aan de UHasselt. “Ik zocht al lang naar een manier om bij te dragen aan een preventiever, efficiënter zorgmodel. Deze opleiding gaf me de taal en de tools om dat te doen.” Professor Daan Aeyels begeleidt haar masterproef. Naast zijn academische functie is hij senior adviseur welzijns- en gezondheidsbeleid bij het Kennis- en Lobbycentrum van Voka, het Vlaamse netwerk van ondernemingen. “We leiden vandaag verpleegkundigen op om goed te zorgen voor individuele patiënten, maar de uitdagingen zitten steeds vaker op systeemniveau”, stelt hij. “De gezondheidszorg staat wereldwijd onder druk door de vergrijzing, met als gevolg een stijgende zorgvraag en een dalend aantal zorgprofessionals. Verpleegkundigen spelen hierin een sleutelrol als grootste beroepsgroep. Digitalisering biedt kansen om zorg beter te organiseren, maar vraagt afgestemde vaardigheden. De curriculumanalyse toont aan dat digitale competenties momenteel slechts beperkt geïntegreerd zijn in de Vlaamse opleidingen, en dat ze ontbreken in de recent herziene domeinspecifieke leerresultaten (DLR) voor de opleidingen basisverpleegkunde. We hebben dus mensen nodig die begrijpen hoe zorg georganiseerd wordt en hoe technologie daar op een zinvolle manier bij kan helpen. Denk aan telemonitoring, waarmee verpleegkundigen tot vijf keer meer patiënten kunnen opvolgen dan analoog. Dat vraagt andere vaardigheden en een andere manier van denken.”

36 subcompetenties, ingepast in CanMEDS

Hoe kan je nu digitale competenties definiëren, concretiseren en integreren in de opleiding van verpleegkundigen, zonder die opleiding zwaarder te maken? Dat is de vraag waar Tinne zich in haar onderzoek over buigt. “Digitale competentie is geen aparte rol”, legt Tinne uit. “De vaardigheid is verweven met alle bestaande professionele rollen die verpleegkundigen opnemen.”

Om het brede begrip ‘digitale competentie’ te vertalen naar de praktijk, werkte Keepers een gevalideerd competentiekader uit op basis van literatuurstudie en een focusgroep met zorgprofessionals. Ze vertrok daarbij van het CanMEDS-kader, dat internationaal gebruikt wordt om beroepscompetenties in de zorg te beschrijven en ook de basis vormt voor de functieprofielen van Vlaamse verpleegkundigen. Concreet levert dit onderzoek een definitie en een overzicht van digitale competenties, gekoppeld aan de zeven CanMEDS-rollen, zodat ze aansluiten bij het beroepsprofiel van verpleegkundigen.

We zoomen even in. CanMEDS omschrijft volgende zeven rollen: de verpleegkundige als zorgverlener, communicator, samenwerkingspartner, academicus, gezondheidsbevorderaar, organisator en professional. “Om te vermijden dat hier nog eens een achtste rol bij komt, heb ik elke bestaande rol ontleed en onderzocht welke reeds bestaande en vaak gekende digitale vaardigheden gematcht konden worden. Het resultaat is een framework van 36 digitale competenties, onderverdeeld in 19 basiscompetenties en 17 geavanceerde.”

We maken het concreet met een voorbeeld. De eerste rol in CanMEDS is die van de verpleegkundige als zorgverlener en wordt omschreven als: “Verpleegkundige zorg verlenen op basis van kennis van ziektebeelden, diagnostiek, farmacologie, verpleegtechnieken, preventie en zelfmanagement.”

De vier basiscompetenties die het onderzoek van Tinne hieraan linkt:

  • Informatiebeheer: updates maken in het elektronische patiëntendossier.
  • Gegevensbeveiliging: correct omgaan met privacy (AVG), onder andere door sterke wachtwoorden te gebruiken.
  • Informatievaardigheden: gericht zoeken en filteren van medische info, zoals medicijninteracties.
  • eHealth-gebruik: vlot werken met digitale tools zoals apps, beeldbellen en spraakherkenning.

De vier geavanceerde competenties:

  • Zorgtechnologie toepassen: werken met sensoren, wearables, medicijndispensers en domotica.
  • Artificiële intelligentie gebruiken: AI inzetten om zorgplannen te personaliseren.
  • Data interpreteren: gezondheidsgegevens analyseren via dashboards en trends herkennen.
  • Gegevens delen: gevoelige data veilig verwerken en uitwisselen via beveiligde kanalen.

De competenties houden rekening met ethische, juridische en technische aspecten. Ook thema’s als privacy, gegevensbeveiliging, risicobeheer en professionele digitale identiteit komen aan bod.

Van definitie naar implementatie

Haar kader is niet bedoeld als extra belasting, maar moet vooral expliciet maken wat je van studenten verwacht, zodat leerdoelen helder worden. Dat ontbreekt vandaag vaak. Voor Daan Aeyels is het duidelijk: “Als we willen dat verpleegkundigen aan het stuur blijven in een steeds digitaler wordend zorglandschap, moeten we hen daarvoor ook opleiden. Dat hoeft geen ‘digistress’ op te leveren. Als we digitale tools juist inzetten, kunnen verpleegkundigen net versterkt worden in hun rol. Niet uitgeperst, wel ondersteund.”

Hij benadrukt dat het niet gaat om ‘meer doen met minder’, maar om slimmer werken. “Digitalisering is geen doel op zich, maar een middel om zorg toegankelijk, veilig en menselijk te houden. Door tools als telemonitoring kunnen verpleegkundigen hun aandacht richten op wie dat het meest nodig heeft.”

Het moment is nu

De timing van de masterproef is allesbehalve toevallig. De hervorming van het verpleegkundig beroep — met een duidelijker onderscheid tussen graduaat en bachelor — maakt dat alle curricula momenteel herschreven worden. En net daar wringt het schoentje. “Veel opleidingsinstellingen gaven aan dat ze nog niet wisten hoe ze digitale competenties moesten verankeren in hun nieuwe curriculum. Of dat ze enkel werkten met de dertien leerresultaten van de overheid, zonder veel inhoudelijke invulling. Deze masterproef reikt hen nu een bruikbaar kader aan, gebaseerd op wat er leeft in het werkveld en in de literatuur”, vertelt Tinne. “Ook voor werkgevers biedt het kader een overzicht van digitale vaardigheden die in een levenslang leeraanbod opgenomen kunnen worden”, aldus Daan Aeyels.

De masterproef van Tinne wordt op 14 juni gepresenteerd aan de UHasselt. Het kader dat ze ontwikkelde, krijgt hopelijk een plaats in de verpleegkundige curricula van de toekomst. Eén ding is zeker: de vertaalslag die zij maakt tussen visie, praktijk en onderwijs komt geen dag te vroeg.


Naar een duidelijke beroepskwalificatie voor de VVAZ

De zorg staat nooit stil. Dat merk je in het beleid, maar geldt evenwel voor de verschillende zorgopleidingen als voor de taakverdeling van verpleegkundigen op de werkvloer. Met de invoering van de basisverpleegkundige en de verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg (VVAZ) zet de sector een belangrijke stap vooruit. Wat precies de verschillen zijn en waarom was deze opsplitsing nodig was vertelt Inge Biot, onderwijsadviseur bij AHOVOKS en lid van de Federale Raad voor Verpleegkunde (FRV).

Stel je een doorsnee ziekenhuisafdeling voor. Aan het bed van patiënt A, die herstelt van een ongecompliceerde longontsteking, staat een basisverpleegkundige. Die voert de dagelijkse zorgtaken uit: medicatie toedienen, parameters opvolgen, wondzorg. In de kamer daarnaast stelt een verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg (VVAZ) het verpleegplan van patiënt B bij, een persoon met instabiele diabetes die herstelt van hartfalen. De VVAZ coördineert het zorgteam, overlegt met de arts en stuurt collega’s aan waar nodig.

Concreet: de basisverpleegkundige werkt binnen een zorgteam, voert patiëntenzorg uit volgens een verpleegplan en schakelt hulp in wanneer de zorgvraag te complex wordt. De VVAZ daarentegen stelt zelfstandig verpleegplannen op, neemt complexe beslissingen en leidt het team.

“Niet iedereen is gemaakt om klinisch leiderschap op te nemen”, legt onderwijsadviseur Inge Biot uit. “Dat vraagt een specifieke set vaardigheden die je ontwikkelt tijdens de bacheloropleiding en verder aanscherpt op de werkvloer. De basisverpleegkundige is geen ‘verpleegkundige light’, maar een nieuw beroep. Het zijn twee verschillende profielen die elkaar aanvullen, niet vervangen. Vroeger leidde de opleiding HBO-verpleegkunde en de bacheloropleiding tot dezelfde uitvoering van het verpleegkundige beroep. Dat leidde ertoe dat de afgestudeerden van de twee opleidingen dezelfde taken uitvoerden op de werkvloer. De hervorming maakt nu helder wie waarvoor bevoegd is en dat kan de kwaliteit van zorg verhogen.”

Nood aan een duidelijk kader

De hervormingen zijn dan wel een feit, scholen en instellingen werden in snelheid genomen. Niet iedereen is bovendien al overtuigd van de functiedifferentiatie. “Verandering geeft altijd wat onrust”, vervolgt Inge. “Zeker in een beroep waar zorgverleners vanuit hun hart handelen. Er zijn voor- en nadelen aan deze nieuwe zorgprofielen. Er is een duidelijke functiedifferentiatie maar het wordt een uitdaging voor de verpleegafdelingen om deze zorgprofielen optimaal in te zetten. Dit maakt dat er geïnvesteerd moet worden in een duidelijk kader dat instellingen zullen integreren op de werkvloer. Daarom willen we onderwijsaanbieders optimaal ondersteunen in die transitie.”

Om de ontwikkeling van de specifieke verpleegkundige beroepscompetentieprofielen te kaderen is het noodzakelijk om de identiteit en de kerntaken duidelijk te definiëren. Daarom heeft het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen (AHOVOKS) aan de hand van de regelgeving, opgemaakt door de FOD Volksgezondheid, de partners uit het werkveld (ziekenhuizen, woonzorgcentra, thuiszorg) en andere belangrijke stakeholders zoals NETWERK VERPLEEGKUNDE in het proces begeleid om een beroepskwalificatie basisverpleegkundige op te maken. Die beroepskwalificatie ligt aan de basis van de domeinspecifieke leerresultaten (DLR’s) basisverpleegkunde die de onderwijsinstellingen hebben opgemaakt in samenwerking met AHOVOKS en VLHORA.

De hogescholen zijn eveneens hun curricula aan het aanpassen aan de bijkomende competenties en verpleegkundige handelingen die door zowel de Europese als federale wetgeving voorgeschreven werden. Daarbij worden ook de DLR’s van de VVAZ herbekeken. Partners uit het werkveld en andere stakeholders zullen vanuit het werkveldperspectief een beroepskwalificatie opmaken voor de VVAZ, eveneens gebaseerd op het federale beroepscompetentieprofiel[1] en volgens de Europese regelgeving[2].

Kwaliteit, transparantie en mobiliteit

Nog tot 4 maart 2026 hebben de Europese lidstaten de tijd om de opleiding van de verpleegkundige verantwoordelijk voor de algemene zorg (VVAZ) aan te passen. De bacheloropleiding zal dus afgestemd moeten worden, enerzijds op de richtlijn uit 2005 en anderzijds op nieuw vooropgestelde kennis en vaardigheden uit Europese wetgeving. “Nu is het de beurt aan de VVAZ”, zegt Inge. “VLHORA gaat samen met de vertegenwoordigers van de hogescholen van start om de DLR’s te herbekijken en aan te passen om vast te leggen wat elke verpleegkundige precies moet kennen en kunnen om het beroep uit te oefenen. Voor opleidingen is dat essentieel: het vormt de basis om curricula op te bouwen, lessen te structureren en studenten klaar te stomen voor de praktijk. Als opleidingen niet afgestemd zijn op actuele competentie-eisen, riskeren studenten vaardigheden te missen die ze later nodig hebben in het werkveld. Bovendien leidt een duidelijk profiel ertoe dat alle afgestudeerden hetzelfde minimale niveau halen, ongeacht waar ze hun diploma behaalden. Dat verhoogt de kwaliteit, transparantie en mobiliteit binnen de zorgsector.”

De hogescholen zullen vanaf academiejaar 2025-2026 hun curriculum hebben aangepast. Zo weten studenten, docenten, werkgevers en verpleegkundigen precies wat van hen verwacht wordt. “We willen de verwachtingen in het onderwijs en de praktijk perfect op elkaar afstemmen. De zorgsector heeft mensen nodig op elk niveau”, benadrukt Inge. “Door duidelijke profielen te creëren, kan iedereen binnen zijn capaciteiten als zorgverstrekker aan de slag en maken we het beroep aantrekkelijker. Ook op het werkveld zullen aanpassingen noodzakelijk zijn, maar als de integratie van al de voorziene veranderingen goed wordt geïmplementeerd zal dit de kwaliteit van de zorg naar een hoger niveau tillen.”

[1] Federale Raad voor Verpleegkunde. (2024). Beroeps- en competentieprofiel van de verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg. Goedgekeurd op 10 september 2024.

[2] Europese Unie. (2005). Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties. Publicatieblad van de Europese Unie, L 255, 30.9.2005, p. 22–142

Waarom deze opsplitsing?

Europese richtlijnen schrijven duidelijk voor welke competenties een verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg moet hebben. België hinkte lange tijd achterop en moest een inhaalbeweging maken om de opleidingen conform de Europese normen te hervormen. Sinds het schooljaar 2023-2024 is de vroegere HBO5-opleiding dan ook officieel omgevormd tot het graduaat basisverpleegkunde. Studenten die deze opleiding volgen, behalen een niveau 5-diploma in de Vlaamse kwalificatiestructuur. De eerste basisverpleegkundigen studeren dus in juni 2026 af. Daarnaast werd in 2016 de bacheloropleiding uitgebreid naar vier jaar, met een stevige focus op klinisch leiderschap, evidencebased practice en complexe zorgsituaties.

Ook speelt de krapte op de arbeidsmarkt mee. Door meerdere instapniveaus aan te bieden hoopt men meer studenten warm te maken voor een carrière in de zorg. “Door duidelijke instap- en doorgroeipaden te voorzien, versterken we de aantrekkelijkheid van het beroep”, zegt Inge. “Niet iedereen kan of wil meteen een vierjarige bachelor volgen. Met het graduaat houden we de drempel lager, zonder in te boeten aan kwaliteit. En wie later wil doorgroeien, kan via brugopleidingen alsnog VVAZ of verpleegkundig specialist worden. We moeten af van het idee dat iedereen alles moet kunnen. Differentiatie maakt dat we elk profiel het meest optimaal inzetten volgens sterktes en capaciteiten.”

Wat zijn de taken van een VVAZ?

De VVAZ krijgt in de nieuwe regelgeving een breder pakket aan taken en beheerst volgende competenties:

Klinisch leiderschap

  • zelfstandig klinische inschattingen maken in complexe situaties
  • structureren en aansturen van zorgteams

Complexe zorg

  • complexe ADL-zorg bieden, zoals bij multipele comorbiditeiten

Consulten en voorschrijven

  • advies verlenen en eenvoudige voorschriften uitschrijven
  • uitvoeren van verpleegkundige consulten

Delegatie

  • taken toewijzen aan bekwame helpers of mantelzorgers en toezicht houden

Kritische reflectie

  • coördineren van zorgtrajecten en verpleegplannen
  • evalueren en bijsturen van zorgtrajecten


Kansen en opportuniteiten zoeken in nieuwe wetgeving

Een warm onthaal en ondersteunende begeleiding van nieuwe medewerkers zijn cruciaal voor een goede integratie van de nieuwkomers op de werkvloer. Begeleidingsverpleegkundigen spelen daarin een centrale rol. Zij moeten volop met de nieuwe wetgeving aan de slag en verwelkomen in 2026 de eerste nieuwe zorgprofielen op de werkvloer. Hoe pakken ze dat aan? Dat bekijken we met Gitte Van Gestel en Veerle Stalmans van de werkgroep Begeleidingsverpleegkundigen van NETWERK VERPLEEGKUNDE.

Een recente studie toont aan dat een goede begeleiding loopt van de eerste werkdag tot twaalf à achttien maanden later. Zo werk je aan de integratie van nieuwe mensen in het team en in de zorginstelling. Hoe dat volgens de recente wetgeving moet gebeuren, is voor velen nog onduidelijk. Ook voor de begeleidingsverpleegkundigen die de nieuwkomers en studenten verwelkomen en ondersteunen tijdens hun eerste dagen op de werkvloer. “De nieuwe zorgladder verpleegkunde is een zeer positieve evolutie”, zegt Veerle Stalmans, begeleidingsverpleegkundige in het Ziekenhuis aan de Stroom (ZAS). “We hebben iedereen nodig, in zijn eigen sterkte en volgens ieders talenten. Maar het mag geen hiërarchisch gegeven worden. Zorg verlenen is teamwerk. Het zal sowieso tijd vragen om de wetgeving om te zetten in de praktijk, maar ik ben ervan overtuigd dat het een meerwaarde zal bieden.” Dat beaamt ook Gitte Van Gestel, begeleidingsverpleegkundige bij Bethanië GGZ: “Momenteel krijg je een verpleegkundige verantwoordelijk voor de algemene zorg (VVAZ) die meer coachend opgeleid is en zit je met een werkvloer die daar nog niet helemaal op afgestemd is. Dat moet grondig bekeken worden.”

Iedereen meenemen in het verhaal

Begeleidingsverpleegkundigen werken niet op een eiland. Het ondersteunen van nieuwe medewerkers en van studenten is de verantwoordelijkheid van iedereen en gebeurt samen met de collega’s van de verschillende afdelingen, mentoren en vooral ook met de scholen. Net in die samenwerking met de opleidingsinstellingen zien zowel Gitte als Veerle opportuniteiten. “Zo stemmen we de verwachtingen van de opleidingen, de studenten en de stageplaatsen op elkaar af in functie van wat de nieuwe zorgladder verwacht”, zegt Gitte. “Ik pleit ervoor dat het werkveld en de scholen hierover goed overleggen zodat ze van elkaar weten waar ze mee bezig zijn. Dat heeft enkel voordelen, want je leert elkaar beter kennen en begrijpen. Je denkt samen na over vragen, zoals bijvoorbeeld de definitie van complexe zorg, de rollen van de VVAZ en de basisverpleegkundige, de gestructureerde zorgteams, … Dat is een verrijkende, verbindende oefening.”

De wetgeving zal een nieuwe manier van werken met zich meebrengen. Dat zal er geen van hiërarchie zijn, wel een van verantwoordelijkheid voor de patiënt. “Soms geven studenten aan dat ze dit niet willen”, vertelt Veerle. “Maar de regie van de zorg in handen nemen en een band opbouwen met je patiënt is ook coördineren en verantwoordelijkheid opnemen. Het gaat niet om wat je naar wie delegeert, wel om hoe je met collega’s en zorgvragers omgaat. Delegeren staat niet gelijk aan loslaten, wel aan het overzicht bewaren en ondersteunen waar nodig. Je rol als verpleegkundige is zoveel meer dan achter een laptop zitten. Elke seconde bij de patiënt moet en kan je invullen door te communiceren. Daar zie ik opportuniteiten voor de VVAZ, want het is een competentie waarvoor je enerzijds aanleg moet hebben en die je anderzijds kan aanleren op de schoolbanken en op de werkvloer. Slechts enkelingen zijn hier een natuurtalent in.”

Klaar voor nieuwe zorgprofielen?

In 2026 zullen de eerste basisverpleegkundigen actief zijn op de werkvloer. “Dat is niet lang meer”, zegt Veerle. “De prioriteiten van veel verpleegkundigen en zorginstellingen liggen momenteel elders. Financiering, personeelstekorten, welke diensten blijven open: het zijn vragen die zorgverleners en directies meer bezighouden dan de nieuwe zorgprofielen die er binnenkort bijkomen. Als begeleidingsverpleegkundige heb je de belangrijke taak om aan te voelen wat wel of niet goed loopt. Je luistert naar je collega’s, pikt dingen op en pakt de zaken aan. Daarbij is het belangrijk om informatie op een correcte, transparante en toegankelijke manier door te geven.”

Communiceren, dus. Zowel Veerle als Gitte merken op dat de opleidingsinstellingen de nodige aandacht besteden aan communicatievaardigheden. Zij proberen onder meer bachelorstudenten al vanaf hun eerste stage-ervaringen mee te nemen in de nieuwe coördinerende rol die van de VVAZ verwacht wordt. “Je hoeft daar niet tot het vierde jaar mee te wachten”, zegt Gitte. “Ik laat vierdejaarsstudenten in de bachelor soms mee instaan voor het onthaal van nieuwe stagiairs en we betrekken hen in het kwaliteitsluik.”

Samen vooruit

Veerle en Gitte zien kansen in werkplekleren. “Met meer investeringen lijkt het me zinvol om verschillende functies samen te zetten die van elkaar leren en die leren samenwerken, zeker met het oog op het gestructureerde zorgteam. Ook simulatieonderwijs is een goed idee. Bovendien is het wetenschappelijk aangetoond dat dit werkt”, klinkt het. “Daarnaast zijn er ook oplossingen te vinden in de wetgevingen rond de bekwame helper en ADL (Activiteiten van het Dagelijkse Leven). We moeten uitzoeken wat mag en wat kan, en wat we kunnen loslaten en delegeren.”

Voor Veerle is het duidelijk: “We kunnen niet blijven verder doen zoals we bezig zijn. Er zijn niet genoeg zorgverleners om de demografische evolutie het hoofd te bieden. We hebben iedereen en ieders talenten en vaardigheden nodig. Alleen door het samen en met respect voor elkaar te doen, vorm je een team.” Dat teamwerk ziet Gitte ook tussen de zorginstellingen en de scholen. “We moeten elkaar helpen en niet elk in ons eigen hokje blijven. Laat ons theorie en praktijk samenbrengen. We zijn geen concurrenten en we hebben allemaal hetzelfde doel voor ogen: kwaliteitsvolle zorg voor de patiënt en het opleiden van bekwame verpleegkundigen. Die brug moeten we bovendien ook slaan op de werkvloer, tussen de verschillende generaties. Gen Z kijkt helemaal anders naar work-lifebalance en naar avond- en weekendwerk dan mensen die al langer aan het werk zijn, maar iedereen brengt kennis en expertise aan. We moeten samen evolueren.”

Welke beleidsaanbevelingen zijn nodig voor de begeleidingsverpleegkundige?

Om de functie van de begeleidingsverpleegkundige af te stemmen op de huidige en toekomstige noden, moet de overheid enkele inspanningen leveren:

  • In IFIC is een aparte functieomschrijving voor de begeleidingsverpleegkundige voorzien op schaal 14. Dit moet herzien worden volgens de voorwaarden in functie 16 ‘referentieverpleegkundige buiten de afdeling’.
  • Het mandaat, zoals nu beschreven, loopt op vijf jaar. Beleidsmatig en grondig vernieuwend werken vraagt een langetermijnvisie. Daarom moet het mandaat worden verlengd.
  • Tot nu toe is de functie van begeleidingsverpleegkundige beperkt tot de ziekenhuissector. Nochtans is een uitbreiding naar o.a. de ouderenzorg, thuiszorg, centra voor geestelijke gezondheidszorg en gehandicaptenzorg aan de orde. Het structureel en georganiseerd introduceren en begeleiden van starters kan ook hier een boost geven.
  • Vanuit het onderwijs een leidraad ter beschikking stellen voor kwaliteitsvolle stageplaatsen voor studenten.
  • Eén voltijdsequivalent per zorginstelling, onafhankelijk van de grootte van de zorginstelling is een onhaalbare kaart en dient dringend te worden opgetrokken.

“De begeleidingsverpleegkundige is de ambassadeur voor een job in de zorg”


Studenten mogen 650 uur per jaar werken: wat zijn de fiscale gevolgen?

Goed nieuws voor studenten die een centje willen bijverdienen. Sinds 1 januari 2025 mogen ze tot 650 uur per jaar onbelast bijklussen. Voorheen lag de grens op 475 uur. Een stevige sprong vooruit, zowel voor de student als voor de werkgever. Maar wat betekent dat voor de belastingen en voor het Groeipakket van de ouders? Advocaat en juridisch adviseur voor NETWERK VERPLEEGKUNDE Stany Ossieur licht de belangrijkste gevolgen toe voor student, werkgever en ouder. “Zolang je onder het plafond blijft, is er geen probleem.”

De verhoging van de studentenarbeid naar 650 uur was het eerste wetsvoorstel dat de nieuwe Arizona-regering goedkeurde. De bedoeling? Jongeren meer kansen geven om praktische werkervaring op te doen terwijl ze hun koopkracht versterken. “Steeds meer jongeren bekostigen vandaag (een deel van) hun studies en levensonderhoud zelf. Extra inkomsten zijn voor hen dus meer dan welkom. De verhoging van het aantal toegelaten werkuren maakt dit mogelijk”, vertelt Stany Ossieur, advocaat-bestuurder bij advocatenkantoor Advamo en adviseur voor de Juridische Adviesgroep van NETWERK VERPLEEGKUNDE. In 2023 en 2024 gold een tijdelijke maatregel van 600 uur per jaar. Toen die wegviel, zakte het maximum begin 2025 opnieuw naar 475 uur. De nieuwe regering trok dit recent op naar 650 uur.

Lagere sociale bijdragen

Elke tewerkstelling in België is onderworpen aan sociale zekerheidsbijdragen (RSZ-bijdragen). Zowel werknemer als werkgever dragen hun steentje bij, samen goed voor 38,07 procent van het brutoloon. Met die bedragen worden onder andere de ziekteverzekering, pensioenen en werkloosheidsuitkeringen uitbetaald. “Voor studentenarbeid gelden lagere tarieven”, licht Stany toe. “Het totaalbedrag van de sociale bijdragen bedraagt hier slechts 8,13 procent. Werkgevers betalen daarvan 5,42 procent, studenten zelf dragen 2,71 procent af op hun brutoloon.”

Die lagere bijdrage maakt studentenarbeid nog steeds een financieel interessante keuze, ook voor de werkgever. “Door de lage sociale bijdragen kunnen bedrijven voordeliger extra werkkrachten inzetten, zeker tijdens piekperiodes. Dit is een goede en snelle manier om kraptes op de arbeidsmarkt tijdelijk op te vangen. Bovendien krijgen jongeren zo de kans om al tijdens hun studies waardevolle werkervaring op te doen.” Met de ‘korting’ op de sociale bijdragen wil de regering werkgevers actief aanmoedigen om met jobstudenten te werken. Door de verhoging naar 650 toegelaten uren per jaar kunnen zowel studenten als werkgevers het systeem nog beter benutten.

Hou je uren en inkomen in de gaten

Voor studenten is het opletten geblazen. Wie meer dan 650 uur werkt, betaalt wel de volle pot aan sociale bijdragen. “Vanaf het 651ste uur ben je officieel een werkstudent en betaal je het normale tarief van 13,07 procent sociale bijdragen”, waarschuwt Stany. “Maar niet alleen de uren zijn van belang, ook je inkomsten tellen mee.”

Studenten die in 2025 op jaarbasis minder dan 15.585,71 euro verdienen, na afhouding van de sociale bijdragen, betalen geen belastingen. Wie meer verdient, betaalt belastingen op het deel van het inkomen boven die grens. Dat plafond wordt jaarlijks aangepast. Studenten die binnen de toegelaten inkomensgrens blijven, krijgen een belastingaanslag van 0 euro. Zo hoef je dus geen extra belasting op je loon te betalen. “Wie zijn uren en inkomsten niet goed opvolgt, kan onaangenaam verrast worden. Slim plannen blijft de boodschap.”

De impact op belastingen en kinderbijslag van ouders

Niet alleen studenten houden het best de plafonds in de gaten. Ook ouders kunnen financieel getroffen worden. Het belangrijkste aandachtspunt? Het Groeipakket, de moderne naam voor de kinderbijslag. Dit pakket wordt gefinancierd met inkomsten uit de sociale zekerheid. Tot het achttiende levensjaar van het kind is er geen probleem: het Groeipakket blijft sowieso behouden. Zodra de student meerderjarig is en meer dan 650 uur werkt als jobstudent, moet je uitkijken. De student mag vanaf dan nog maximaal 80 uur per maand werken onder een ‘gewoon’ contract, zoals een interim, flexi-job of contract van bepaalde of onbepaalde duur. Overschrijd je die limiet? Dan verliezen de ouders die maand het Groeipakket.

Daarnaast zijn de gevolgen ook voelbaar in de belastingen van de ouders. Per kind ten laste, zijnde een kind dat officieel bij je inwoont en financieel van jou afhankelijk is, geniet je als ouder van fiscale voordelen zoals lagere belastingen. “Als een student te veel verdient, wordt die niet langer als kind ten laste beschouwd”, beklemtoont Stany. “Daardoor riskeren ouders hogere belastingen te moeten betalen.”

Om fiscaal ten laste van de ouders te blijven, gelden maximale inkomensbedragen. Kinderen van een gehuwd of wettelijk samenwonend koppel mogen maximaal 8.545 euro bijverdienen, voor kinderen van alleenstaande ouders ligt de grens op 10.832,50 euro. Wie deze bedragen overstijgt, zadelt zijn ouders mogelijk op met hogere belastingen. “Het bedrag vanaf wanneer de ouders meer belastingen moeten betalen is dus sneller bereikt dan het bedrag vanaf wanneer jij als student belastingen moet betalen. Dit is iets om in de gaten te houden als student en als ouder.”

De keerzijde: meer druk op de sociale zekerheid

Hoe voordelig studentenarbeid ook kan zijn voor de verschillende betrokken partijen, Stany plaatst ook een belangrijke kanttekening: “Door de gunstige voorwaarden vloeien er minder inkomsten naar de sociale zekerheid. En dat terwijl er al een nijpend tekort is.”

De vergrijzing speelt hierin een niet te onderschatten rol. “We moeten almaar langer instaan voor medische zorgen, en langer en meer pensioenen uitbetalen. Meer studentenarbeid biedt op korte termijn zeker voordelen voor de arbeidsmarkt. Zo kunnen zorgstudenten de tekorten in de zorgsector opvangen. Maar op de lange termijn zet het de financiële draagkracht van ons sociale zekerheidssysteem verder onder druk.”

Wat met flexi-jobs?

Naast studentenarbeid breidt de nieuwe regering ook de flexi-jobs verder uit. “Flexi-jobs geven werknemers en gepensioneerden de kans om belastingvrij bij te verdienen”, legt Stany uit. “Op deze inkomsten betaal je geen belastingen of sociale bijdragen.” In 2023 waren flexi-jobs nog beperkt tot tien sectoren, zoals de horeca. In 2024 kwamen daar nog eens twaalf sectoren bij. De nieuwe regering Bart De Wever I maakte flexi-jobs vanaf 2025 mogelijk in alle sectoren die daarvoor kiezen. Elk paritair comité bepaalt zelf waar en in welke functies flexi-jobbers aan de slag kunnen, dus ook binnen de zorgsector.

Het maximumbedrag dat een flexi-jobber mag verdienen stijgt. Vanaf 2025 mag je tot 18.000 euro per jaar bijverdienen via een flexi-job. Dat is 6.000 euro meer dan voordien. Wie meer verdient dan dat plafond, betaalt alsnog belastingen. Werkgevers blijven ook bij flexi-jobs genieten van lagere sociale bijdragen.

Toch weerklinkt hier kritiek. “Wie bijklust in een flexi-job betaalt geen belastingen of sociale bijdragen maar bouwt wel sociale rechten op, zoals het recht op een werkloosheidsuitkering of pensioen. Die verlaagde bijdragen betekenen opnieuw minder inkomsten voor de staat. Bovendien bestaat het risico dat steeds meer werknemers flexi-jobs verkiezen boven reguliere arbeid, waardoor de structurele krapte op de arbeidsmarkt niet echt wordt opgelost”, besluit Stany.

Populairste sectoren voor studentenjobs

Cijfers van de RSZ tonen aan dat steeds meer studenten bijklussen naast hun studies. In 2023 hadden maar liefst 632.672 jongeren een studentenjob, tegenover 446.925 in 2013. De populairste sectoren waren:

  • Horeca: 211.446
  • Groot- en detailhandel: 151.603
  • Gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening: 71.827
  • Openbaar bestuur en defensie: 33.816
  • Kunst, amusement en recreatie: 31.673
  • Zakelijke dienstverlening: 27.072
  • Industrie: 25.507
  • Onderwijs: 18.458
  • Vrije beroepen en wetenschappelijke en technische activiteiten: 15.812
  • Bouwnijverheid: 12.652


De verpleegkundige functies in IFIC

Het Instituut voor Functieclassificatie of IFIC vzw bestaat al sinds 2002 en staat in voor de ontwikkeling en implementatie van nieuwe functieclassificaties binnen bepaalde non-profitsectoren. Die classificaties vormen op hun beurt de basis voor nieuwe loonmodellen. Door de recente wijzigingen aan de Wet op de Uitoefeningen van de Gezondheidszorgberoepen (WUG) zijn heel wat functies binnen IFIC aan een herziening toe. Hoe gaat dat in zijn werk en wat brengt de toekomst?

De nieuwe wetgeving brengt niet alleen voor het zorgpersoneel, maar ook voor het functietapijt van de gezondheidszorgberoepen in IFIC heel wat veranderingen met zich mee. Functies worden ingeschaald op basis van een grondige studie naar hoe die functie zich in het werkveld manifesteert. De basisverpleegkundige, de verpleegkundige verantwoordelijk voor de algemene zorg (VVAZ), de verpleegkundig specialist, de praktijkassistent, … allen zijn ze nieuw of onderhevig aan de wijzigingen beschreven in de WUG-wet en dus ook aan een actualisatie van de functiebeschrijvingen en de bijhorende weging binnen IFIC.  Jaarlijks plant IFIC via haar Classificatiecomité een onderhoud van een twintigtal functies. Dat omvat een wetenschappelijke analyse van de functie-inhoud.

Stéphanie Matte, directrice van IFIC vzw: “Op vandaag vond voor 42 bestaande of nieuwe functies een onderhoud plaats. In 2025 komen nog eens 22 functies aan bod. Het onderhoudsschema wordt opgesteld door IFIC in samenspraak met de sociale partners. Hiervoor kijken we naar de ontwikkelingen op het gebied van wet- en regelgeving, en op technologisch vlak. Van de eerste reeks herziene functies zijn een dertigtal aangepaste en door de sociale partners gevalideerde functiebeschrijvingen beschikbaar in een conceptversie op onze website. De loonschaal is nog niet vermeld, maar het is wel al een handig werkinstrument. Voor de officiële publicatie is het wachten op de uitkomst van de begrotingsbespreking om financiering voor de nieuwe functies en de functies die van categorie veranderen in een CAO te laten formaliseren. Let wel, het gaat slechts in een zeer kleine minderheid om categoriewijzigingen.”

Gert Van Hees, sectorverantwoordelijke federale non-profit bij het ACLVB en vanuit de liberale vakbond betrokken als sociale partner bij IFIC, vult aan: “Zo’n onderhoud gebeurde meer dan twee jaar geleden ook met de zorgkundigen. We gingen van vijf sectorgebonden naar één algemene functiebeschrijving voor zorgkundigen, onder meer omdat er in de WUG-wet ook maar één titel voor zorgkundige voorzien is. Dat bracht na de onderhoudsprocedure en weging een categoriewijziging met zich mee, van IFIC 11 naar IFIC 12. Ook medisch secretaris steeg op die manier een categorie.”

Na de inschaling, de onderhandeling

In de praktijk heeft deze verhoging nog geen effect. Gert: “IFIC brengt de technische voorbereiding in orde, maar dit staat los van de effectieve uitvoering. Het is aan de sociale partners om uitvoering te geven aan de wijzigingen door de ondertekening van een CAO. Dat zal alleen maar kunnen als de overheden de nodige budgetten voorzien. En daar zit een complex politiek probleem. Omdat we met vier verschillende overheden praten, moeten we rekening houden met variaties in de budgetten en dus in de verloning. Wie draagt in het geval van de zorgkundigen de meerkost? Het gaat in de woonzorgcentra om een relatief grote groep, waardoor de regionale overheden meer financiële lasten dragen dan het federale niveau. In Franstalig België kon de residentiële ouderenzorg een beroep doen op een restbudget uit een vorig sociaal akkoord om zo het verschil tussen categorie 11 en 12 deels weg te werken. Op Vlaams, Brussels en federaal niveau is voor de verkiezingen over die budgettaire impact gepraat, zonder resultaat. Met de aanloop naar de politieke verkiezingen en de daaropvolgende regeringsvormingen is er meer dan een jaar verloren gegaan zonder mogelijkheid tot onderhandelen.”

Stéphanie Matte treedt hem bij: “De rol van IFIC beperkt zich tot het verstrekken van onderbouwde schattingen van de impact van een categorieverandering aan de sociale partners, maar het zijn de sociale partners die vervolgens contact opnemen met de autoriteiten.”

Basisverpleegkundige en VVAZ

De eerste basisverpleegkundigen studeren af in 2026. In welke categorie zal de basisverpleegkundige ondergebracht worden? “Het duurt dan één à twee jaar vooraleer de functie door het IFIC-team beschreven en ingeschaald is”, zegt Stéphanie. “We begrijpen de vraag om in de tussentijd een looncategorie aan hen toe te kennen, maar het is niet aan IFIC om daar een standpunt over in te nemen.”

“Het Classificatiecomité kent de aanpassingen aan de WUG. We weten wat voorzien is, maar we baseren onze inschaling niet meer alleen op het diploma, wel op de daadwerkelijke uitvoering van de functies op de werkvloer. Functies die nog niet actief zijn op het terrein kunnen we moeilijk analyseren en beschrijven”, licht Gert toe. “We moeten natuurlijk wel een beslissing nemen om de nieuw afgestudeerde basisverpleegkundigen een juiste loonschaal toe te kennen, maar hoe doe je dat als deze nog niet op het terrein aanwezig is? Daarnaast zit je met communautaire verschillen. In de Franstalige Gemeenschap heb je de ‘infirmier hospitalier’  (3,5-jarige HBO5-opleiding sinds 2016) en de ‘assistant en soins infirmier’ (nog niet opgestarte driejarige HBO5-opleiding), in Vlaanderen de basisverpleegkundige. We bekijken hoe dat moet aangepakt worden.” (Zie ook Netwerk Verpleegkunde 2025-4)

Hetzelfde scenario voorziet Gert voor de VVAZ die een coördinerende rol opneemt binnen het gestructureerde zorgteam. “Zal elke VVAZ aan taakdelegatie doen, zijn het maar enkelen in het team of wordt met een soort beurtsysteem gewerkt? Verder moeten we ook kijken naar het effect van twee aparte titels voor verpleegkundigen. Vroeger waren er twee opleidingen voor dezelfde titel. Moeten we het huidige loonverschil tussen HBO5-verpleegkundigen en de VVAZ behouden, wetende dat de oude HBO5-verpleegkundigen, bij wijze van overgangsmaatregel gelijkgesteld worden met de VVAZ en dat we op het terrein vaak vaststellen dat beide dezelfde taken uitvoeren? Als elke HBO5-verpleegkundige in dezelfde loonschaal als de VVAZ ondergebracht wordt, zal dit een gigantische meerkost met zich meebrengen. Net als veel werkgevers zijn ook vakbonden zoekende. Samen bereiden we ons goed voor binnen de vzw IFIC en stellen we een planning op voor het onderhoud van de verpleegkundige functies. De zorgladder en de WUG scheppen verwachtingen, maar zo werkt IFIC niet. Je mag niet enkel voortgaan op een titel. We beseffen bij IFIC dat het voor het zorgpersoneel een ingewikkeld landschap is en dat het verhaal nog niet geschreven is.”

Wat met specialisaties?

Naast de inschaling van de basisverpleegkundige en de VVAZ, zijn ook discussies gaande over de gespecialiseerde functies voor verpleegkundigen. De Federale Raad voor Verpleegkunde publiceerde ook al een advies hierover. Wat zal het gevolg zijn voor IFIC? “Eens daar beslissingen genomen worden, zullen we bekijken hoe we daar mee omgaan”, zegt Gert. “Het is niet uitgesloten dat daarbij met meer generieke functiebeschrijvingen zal worden gewerkt die de verschillende niveaus in de zorgberoepen weerspiegelen en waarin ook de verpleegkundig specialist een plaats moet krijgen.”

Dat vindt ook Stéphanie Matte: “De programmering van de beschrijving van de verpleegkundig specialist zal bepaald worden samen met de sociale partners. Dit zal afhangen van de ontwikkeling van deze functie in het werkveld. Hoe groter het aantal verpleegkundig specialisten, hoe sneller de functie zal omschreven worden want interviews met werknemers bedragen het grootste deel aan input voor een functiebeschrijving.”

De toekomst van IFIC

IFIC staat voor heel wat werk door de recente wetswijzigingen en de nieuwe profielen. Is het model klaar voor de toekomst? “De tijd zal veel duidelijk maken, maar het is een evoluerend en dynamisch model dat zich aanpast aan de realiteit. Daarnaast voldoet IFIC met objectieve criteria ook aan de Europese vereisten rond transparantie bij de vaststelling van lonen. Of het nu al dan niet een model voor de toekomst is, hangt af van hoe de regeringen op de verschillende niveaus naar de financieringsmechanismes na het onderhoud van de functies zullen kijken”, zegt Stéphanie nog. “Loon en de aantrekkelijkheid van zorgberoepen zijn met elkaar verbonden. Bij de invoering van IFIC koos 85 procent van de personeelsleden ervoor hun oude loonschaal op te geven omdat IFIC voordeliger was. Toch is loon slechts een deel van het verhaal, maar die andere aspecten heeft IFIC niet in de hand. Die maken deel uit van de gesprekken met de sociale partners, de sector, de overheid, …”

Gert besluit: “Hoe dan ook lijkt het ons een positieve zaak om de zorgladder meer te weerspiegelen in het functietapijt van IFIC en zo een robuust, harmonieus en toekomstbestendig model op te stellen.”

Wat vindt NETWERK VERPLEEGKUNDE?

Volgens NETWERK VERPLEEGKUNDE zijn specialisatie en differentiatie in het werkveld de weg vooruit. Ook voor de verpleegkundige is het interessanter wanneer de verloning bepaald wordt door diens functie en niet door de dienst waarop hij/zij werkt. Er is nood aan variatie binnen de verpleegkundige competenties op de verschillende diensten. Daarom ijveren we als beroepsorganisatie voor een verloningssysteem in functie van verworven competenties die daadwerkelijk ingezet worden op de werkvloer. Op die manier loont het als verpleegkundige om je te specialiseren en om extra taken en verantwoordelijkheden op te nemen.

Om die reden vraagt NETWERK VERPLEEGKUNDE het aantal verpleegkundige functies in IFIC te reduceren tot zes functies. Opgelet, dit buiten de hiërarchische functies zoals verpleegkundig ziekenhuishygiënisten, hoofdverpleegkundigen en zorgmanagers  gerekend.

  1. Verpleegkundig specialist (nieuwe functie)
  2. Referentieverpleegkundige buiten de dienst (6161) (bestaande functie)
  3. Referentieverpleegkundige binnen de dienst (6166) (bestaande functie)
  4. Verpleegkundige Verantwoordelijk Algemene Zorg (behoud loononderscheid HBO5 en bachelor)
  5. Basisverpleegkundige (nieuwe functie)
  6. Zorgkundige (bestaande functie)

Vandaag telt IFIC 221 functies. Jaarlijks worden er een twintigtal onderworpen aan een onderhoudsprocedure. Dit vinden wij te log. Het reikt onvoldoende oplossingen aan om de omschrijvingen van functieprofielen af te stemmen op de diversiteit in het werkveld. Dat creëert een gevoel van gebrek aan erkenning en leidt tot discussies, terwijl IFIC eenvoudiger en minder belastend kan voor alle betrokkenen.

Zie ook de functiewijzer.


Beperking werkloosheidsuitkering als zwarte wolk boven zorgopleidingen

Op het moment van schrijven van dit magazine ligt een plan van de regering op tafel om de werkloosheidsuitkering in de tijd te beperken, tot maximaal twee jaar. Dat kan een impact hebben op heel wat knelpuntberoepen, waarvoor langdurig werklozen een aanzienlijke instroom vertegenwoordigen. Ook voor de verpleegkunde. Enkele regeringspartijen meldden in de pers dat studenten die nu al een opleiding tot een knelpuntberoep volgen, hun werkloosheidskering zullen behouden als die opleiding langer dan twee jaar duurt. Toch is nog niets beslist en maakt Vlaams Zorg- en Welzijnsambassadeur Candice De Windt zich alvast zorgen. En ze is niet alleen.

De voorbije jaren zijn veel inspanningen geleverd om meer instroom te creëren voor zorgopleidingen. Die inzet werpt zijn vruchten af. Momenteel zitten de opleidingen goed vol. Maar voor hoelang nog? De federale regering wil de duur van de werkloosheidsuitkeringen beperken tot maximum twee jaar. Dat kan dramatische gevolgen hebben volgens Vlaams Zorg- en Welzijnsambassadeur Candice De Windt. Die vrees leeft ook bij Zorgnet-Icuro. Margot Cloet duidde het probleem in De Zevende Dag (23/3/2025). “Mensen volgen een opleiding voor de zorgsector terwijl ze werkloos zijn. Die opleiding neemt drie tot vier jaar in beslag. Als de uitkering beperkt wordt tot twee jaar, vrezen we dat de instroom drastisch zal dalen. Net nu er zoveel handen nodig zijn”, klonk het.

Indicatieve cijfers

Exacte cijfers over het aantal mensen met een werkloosheidsuitkering die vandaag een zorgopleiding volgen zijn niet meteen voor handen. Het is namelijk een diverse groep, met instroom via de VDAB met behoud van de werkloosheidsuitkering, maar ook via betaalde trajecten zoals FEBI en project 600. Uit de studentenstatistieken van het academiejaar 2024-2025 (uit de Vlhora-telling) blijkt alvast dat heel wat ‘oudere’ studenten instromen. Uiteraard zal ook hier een opsplitsing tussen studenten met en zonder werkloosheidsuitkering bestaan, maar die is moeilijk te maken. Volgens de VDAB startten in 2024 minstens 835 studenten aan de opleiding verpleegkunde met een werkloosheidsuitkering. Het is dus duidelijk dat er potentieel heel wat extra druk op de instroom in de zorgopleidingen komt, moest dit voorstel goedgekeurd worden. De stemming gebeurt mogelijks nog voor Pasen, de invoering van het systeem – indien goedgekeurd – kan al tegen de zomer een feit zijn.

Potentiële impact op veel graduaatsopleidingen

De zorgsector houdt zijn hart vast, met het aankondigen van dit voorstel. “Al zijn we lang niet de enige sector waar de instroom hierdoor serieuze klappen kan krijgen”, benadrukt Candice De Windt. “De twee jaar is bepaald op basis van de duurtijd van graduaatsopleidingen. Alleen gaat men er daarbij vanuit dat iemand die een werkloosheidsuitkering krijgt op zijn eerste dag met een uitkering al aan de opleiding begint. Die veronderstelling is simpelweg fout. Ik vrees dat dus heel wat graduaatsoplossingen geïmpacteerd kunnen worden door dit voorstel.”

Intussen wordt volop verder aan het opleidingsaanbod gesleuteld, om nog betere aansluiting te vinden bij de kandidaat-studenten. Zo staat onder meer een nieuw graduaat praktijkassistent klaar en is het graduaat basisverpleegkunde in volle hervorming. “De vlotte toegang tot deze opleidingen afsluiten op deze manier is echt nefast en moeten we vermijden”, besluit Candice.


Hoe ziet het landschap van de Belgische gezondheidszorg eruit?

Ons land zit complex in elkaar. Verschillende niveaus, overheden en instanties met elk hun eigen taken en bevoegdheden moeten op elkaar inspelen en samenwerken. Maar hoe zit dat nu precies? De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft een Health Systems and Policy Monitor (HSPM), een platform met een gedetailleerde, actuele beschrijving van de gezondheidszorg voor elk land. Ook voor het ingewikkelde, kleine België[1].

Kwalitatieve, betaalbare gezondheidszorg is een recht voor elke burger. Als inwoner van ons land ben je verplicht aangesloten bij een ziekenfonds en betaal je sociale bijdragen. Zo draag je bij aan de werking en financiering van het systeem en is 99 procent van je gezondheidszorguitgaven gedekt. De organisatie van die gezondheidszorg is verdeeld tussen de federale overheid en de deelstaten. Wie doet wat precies?

Het federale niveau

Op het vlak van gezondheidszorg heb je op het federale niveau enerzijds de Federale Overheidsdienst (FOD) Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu en anderzijds de FOD Sociale Zekerheid en het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten (FAGG). Zij ondersteunen en voeren het beleid uit. Tot de FOD Sociale Zekerheid behoren vervolgens het RIZIV en de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ). Op het federale niveau situeren zich ook enkele onderzoeksinstellingen, zoals het Federale Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE), Sciensano en de Hoge Gezondheidsraad. Zij voorzien de betrokken ministers van onderbouwd wetenschappelijk advies om beleidsbeslissingen op te baseren.

Welke bevoegdheden hebben deze federale diensten en instanties nu? Dat is onder meer de verplichte ziekteverzekering, de regulering van gezondheidsberoepen- en producten, de patiëntenrechten, de budgettering en programmering van ziekenhuizen, en nationale preventiecampagnes.

Het regionale niveau

Ook Vlaanderen, Wallonië, Brussel en de Duitstalige Gemeenschap hebben taken en verantwoordelijkheden op het vlak van gezondheidszorg. Voor Vlaanderen zitten die meer bepaald bij de Vlaamse Gemeenschap. Zij regelen de erkenning van zorgverleners en zorginstellingen, doen aan kwaliteitsbewaking in de eerstelijnszorg, ziekenhuizen, preventieve gezondheidszorg, thuiszorg, ouderenzorg, geestelijke gezondheidszorg, revalidatie en verslavingszorg. Ze bieden hulp aan bejaarden en zetten in op educatie en preventie.

Meer samenwerken

Geestelijke gezondheidszorg zit in ons land deels bij de federale overheid en deels bij de regionale overheden. Om beter af te stemmen en te overleggen rond dit thema en andere topics binnen de gezondheidszorg worden op regelmatige basis Interministeriële Conferenties (IMC) georganiseerd. Daarin zetelen ministers van alle beleidsniveaus in ons land. Ze overleggen er over gezamenlijke prioriteiten, beleidshervormingen en crisissituaties.

Het Belgische gezondheidszorgsysteem is dus complex, maar door duidelijke taakverdelingen en overlegorganen blijft het functioneren. Die samenwerking tussen de verschillende niveaus, overheden en instanties is cruciaal om iedereen in ons land toegang te geven tot kwaliteitsvolle zorg.

[1] Gerkens S, Merkur S. Belgium: Health system review. Health Systems in Transition, 2020; 22(5): pp.i–237.