Borstkanker treft 1 op 9 vrouwen voor de leeftijd van 75 jaar

Een gesprek met Patrick Martens, directeur van het Centrum voor Kankeropsporing, en Koen Van Herck, arts-expert screeningsprogramma’s bij het Kankerregister.

Het bevolkingsonderzoek borstkanker geeft vrouwen van 50 tot en met 69 jaar de kans om elke twee jaar een kwaliteitsvolle screeningsmammografie te laten nemen. Qua dekking door mammografie scoort België redelijk goed en zitten we in de middenmoot in vergelijking met andere Europese landen. Het percentage gescreende vrouwen verschilt licht tussen de Belgische gewesten.

Preventie is in België een regionale bevoegdheid en dus zijn de programma’s voor borstkankerscreening regionaal georganiseerd: in Vlaanderen door het Centrum voor Kankeropsporing (CvKO), in Brussel door BruPrev en in Wallonië door het Centre Communautaire de Référence (CCR). Naast deze georganiseerde bevolkingsonderzoeken vinden ook opportunistische borstkankerscreenings plaats. Dit is wanneer een arts buiten het bevolkingsonderzoek een mammografie voorschrijft bij een vrouw zonder klachten. De totale dekking qua borstkankerscreening verschilt niet al te veel tussen de gewesten, al scoort Vlaanderen iets beter dan Brussel en Wallonië (zie tabel).

Percentage gescreende vrouwen Bevolkingsonderzoek Diagnostische mammografie (echte diagnose of opportunistische screening) Totaal
Brussels Gewest ± 11 % ± 42 % ± 53 %
Vlaams Gewest ± 50 % ± 15 % ± 65 %
Waals Gewest ± 6 % ± 47 % ± 53 %

Bron: Intermutualistisch Agentschap, IMA Atlas: https://atlas.ima-aim.be/databanken/?rw=1&lang=nl (geraadpleegd op 12/09/2022)

Grondige kwaliteitscontrole

In het Brusselse en het Waalse Gewest liggen de opportunistische screenings beduidend hoger dan in het Vlaamse Gewest. Dit is historisch te verklaren: vroeger waren alle screenings opportunistisch. In Brussel en Wallonië is die gewoonte gebleven, terwijl in Vlaanderen veel vrouwen zijn overgestapt naar de georganiseerde screening. Het grote verschil tussen een opportunistisch en bevolkingsonderzoek is de manier van opvolging en kwaliteitscontrole.

Bij het bevolkingsonderzoek worden zowel de betrokken artsen als de gebruikte toestellen onderworpen aan regelmatige controles van strenge kwaliteitscriteria. Ook gebeurt steeds een tweede lezing van elke mammografie door een centraal, onafhankelijk team van radiologen. Een mammografie binnen het bevolkingsonderzoek is gratis voor de vrouw en kan alleen om de twee jaar. Door de doorgedreven kwaliteitscontrole worden in Vlaanderen slechts 2 tot 5 procent van de deelneemsters doorverwezen voor verder onderzoek. Daardoor wordt onnodige onrust vermeden. Bij een opportunistische screening bepaalt de arts de frequentie van onderzoeken – dit leidt tot mogelijke overscreening – en wordt remgeld betaald. Ook is er geen verplichte tweede lezing en worden niet noodzakelijk dezelfde kwaliteitseisen gesteld.

In vergelijking met andere Europese landen bevindt België zich in de middenmoot. Vooral Nederland en Noord-Europese landen hebben een grotere dekkingsgraad (> 75%). De groep Belgische vrouwen die geen enkele screening deed in de laatste veertien jaar is dezelfde voor de drie gewesten, namelijk zo’n 15 procent. De drempel tot deelname is voornamelijk groter voor mensen in een sociaaleconomisch lagere klasse, mensen met een migratieachtergrond, met gezondheidsproblemen of met een beperking. Communicatie en cultuur spelen hierin een rol, alsook de toegankelijkheid van de eenheden. Deze mensen hebben behoefte aan een meer persoonlijke, individuele aanpak. Hierbij kunnen zorgverleners een belangrijke rol spelen om mee te sensibiliseren, aangezien zij vaak als vertrouwenspersoon optreden en ze dichter bij de persoon staan.

Meer informatie en video’s vind je op borstkanker.bevolkingsonderzoek.be.

Cijfers over borstkanker vind je op kankerregister.org.

Bronnen:

  • bevolkingsonderzoek.be/nl
  • Stichting Kankerregister (BCR). Cijfers over kanker, en Cancer Fact Sheets, Stichting Kankerregister, Incidentiejaar 2020, Brussel 2022. Zie https://kankerregister.org/Cijfers_over_kanker (geraadpleegd op 12/09/2022)


Verpleegkundige in de huisartspraktijk: proactieve zorg voor iedereen in de eerstelijn

De huisartspraktijken staan onder druk door een verschuiving van intramurale zorg naar de eerstelijnszorg. Huisartsen hebben nood aan ondersteuning en meer en meer wordt gedacht aan taakdelegatie en de integratie van verpleegkundige competenties in de huisartspraktijken.

De COVID-19-pandemie, de toename van het aantal patiënten binnen de chronische zorg en de noodzaak aan meer preventie heeft een aanzienlijke taakverzwaring in de huisartspraktijk tot gevolg. Daarnaast neemt het aantal huisartsen af en komen er meer duo-, groeps- of forfaitaire praktijken. Om de zorgkwaliteit te garanderen is een doelgerichte en vaak protocollaire aanpak nodig.

Integreren van verpleegkundige competenties

In 2016 ging het postgraduaat verpleegkundige in de huisartsenpraktijk (VIHP) van start. Het was een samenwerking tussen de vakgroep Verpleeg- en Vroedkunde, het Centrum Huisartsengeneeskunde van de Universiteit Antwerpen en de hogescholen Artesis Plantijn, Karel de Grote Hogeschool en Thomas More, Domus Medica en met financiële steun van de stad Antwerpen en de provincie Antwerpen.Intussen behaalden meer dan 120 verpleegkundigen het getuigschrift en werkt de meerderheid in huisartsenpraktijken. Het programma focust op het inzetten en ontwikkelen van specifieke verpleegkundige klinische en organisatorische competenties en vaardigheden binnen de huisartsenpraktijk.

De verpleegkundige werkt actief en autonoom in samenwerking met huisarts(en) en met oog op efficiënte en effectieve praktijkorganisatie voor wat betreft preventie, chronische zorg en psychosociaal welzijn. De verpleegkundige concentreert zich op het patiëntniveau met aandacht voor de specifieke context en op het populatieniveau van de praktijk. De opleiding voorziet in 240 uur klinische praktijk in een huisartsenpraktijk. De verpleegkundige werkt dan een syntheseproject uit. Dit project wil de kwaliteit van zorg verbeteren en borgen op basis van klinische richtlijnen of een verbetercyclus van een organisatorisch proces.

Integreren van verpleegkundige competenties

Een eerste overzicht van de zes academiejaren toont aan dat onderwerpen zoals de opvolging van diabetes en chronische nierinsufficiëntie behandelen en preventie in het algemeen ruim aan bod kwamen. Andere topics waren vaccinatiebeleid, preventieconsult rond SOA en SOI, baarmoederhalskankerscreening, astma en COPD, INR-opvolging, valpreventie, proactieve aanpak van kwetsbare ouderen met chronische aandoeningen en geriatrisch assessment. Een bijzonder synthesewerk was het uitwerken van een verpleegkundig triageconsult als antwoord op de probleemstelling van de vrije raadpleging in de huisartsenpraktijk . Een syntheseproject rond implementatie van voorafgaande zorgplanning in de huisartsenpraktijk maakte dit delicate thema zichtbaar in een solopraktijk. Opmerkelijk was het synthesewerk over het uitwerken en communiceren van een gedragen missie en visie, met een duidelijk stappenplan en verbetertraject om dit te bereiken binnen een praktijk in groei en vernieuwing.

Tijdens de klinische praktijk biedt de opleiding coaching om de verpleegkundige te integreren in de praktijk. Zorgsubstitutie en taakdelegatie naar een verpleegkundige is mogelijk, al vraagt dit inspanning van het hele team. Wanneer het project slaagt, kan een verpleegkundige heel wat voordelen bieden in de huisartspraktijk. De huisarts spitst zich zo meer toe op de kerntaken en de gestructureerde, interdisciplinaire samenwerking komt de zorgkwaliteit ten goede. “We kijken vanuit een andere bril waardoor we bijkomende info verkrijgen die waardevol is in de behandeling”, klinkt het bij een verpleegkundige. “Onze verpleegkundige huisbezoeken geven een andere kijk op de zorg en de noden van de patiënt. Vaak vertellen patiënten andere dingen die ze niet aan de arts vertellen. Ze beschouwen ons als laagdrempelig en vertellen net dat ietsje meer.” Ook huisartsen zijn positief: “Door samen te werken met verpleegkundigen ben ik rustiger geworden en dat heeft ook effect op de patiënten. Ik geloof opnieuw in de groei van de praktijk. Het is een meerwaarde en we verkregen een kwaliteitsverbetering en ontzorging.”

Peter Van Bogaert1,2, Lucky Botteldooren2, Roy Remmen3 , Anita Jorens4

  1. Hoogleraar Centre for Research and Innovation in Care, Vakgroep Verpleegkunde en Vroedkunde, Universiteit Antwerpen
  2. Coördinator postgraduaat “verpleegkundige in de huisartsenpraktijk”, Universiteit Antwerpen
  3. Huisarts, hoogleraar, Centrum Huisartsgeneeskunde, Vakgroep Family Medicine and Population Health, Universiteit Antwerpen
  4. Onderwijsondersteuner postgraduaat “verpleegkundige in de huisartsenpraktijk”, Universiteit Antwerpen


Een windje kan geen kwaad

Ieder van ons zou dagelijks gemiddeld tien tot twintig windjes laten. Winderigheid of flatulentie is dus niets om je voor te schamen. En toch doen we dat vaak. Tijd dus om uit te klaren waar dit natuurlijke proces in ons lichaam vandaan komt. En – nog beter – wat je eraan kan doen.

Wat is winderigheid?

Mensen happen dagelijks lucht binnen tijdens het eten of drinken. Daarnaast produceren onze darmbacteriën ook lucht wanneer ze voedingsstoffen afbreken. Bij dat proces komen gassen vrij, gemiddeld zo’n twee liter per dag[1]. En die gassen moeten ergens naartoe. Winderigheid is dus een volkomen natuurlijk proces in ons lichaam. Toch kan het ongemakken veroorzaken, zeker wanneer je de winden probeert in te houden. De ophoping van dat gas kan leiden tot een opgeblazen gevoel, krampen of een rommelige buik. Of gênante houdingen in sociale situaties.

Wat zijn de oorzaken?

Je kan flatulentie koppelen aan het eten of drinken van bepaalde voedingsmiddelen. Denk maar aan wit brood, frisdranken, zuivelproducten of bepaalde groenten zoals uien, bonen en kolen. Ook stress kan een rol spelen, net zoals te snel eten, veel praten tijdens het eten, niet goed kauwen, drinken met een rietje en roken. Eet dus rustig, praat niet met een volle mond en zit goed rechtop. Zo hap je minder lucht.

Waar komt de geur vandaan?

Het geproduceerde gas moet een uitweg vinden. Door de bewegingen van onze darmen ontstaat een grotere gasbel die moet ontsnappen. Vaak is dat subtiel en wordt het zelfs niet opgemerkt, soms komt er een ongelukkig geluidje en een geurtje aan te pas. De gassen in onze darmen hebben nochtans geen geur. Onze voeding en de zwavelverbindingen die het veroorzaakt in onze darmen, bepalen of een wind stinkt of niet. Een zure geur komt van een teveel aan koolhydraten, een ietwat rotte geur door teveel dierlijke eiwitten. Laten vegetariërs dan minder winden? Niet meteen. Plantaardige voeding is namelijk moeilijker voor onze darmen om te verteren.

Moet je meer of minder vezels eten?

Vezels zijn belangrijke bouwstoffen voor je lichaam. Ze houden je spijsvertering, je darmen en je bloedsuiker op punt. Het zijn voedingsstoffen die onverteerd bij je dikke darm aankomen en waar de bacteriën in je darm mee aan de slag gaan. Dit kan gas creëren. Zeker wanneer je plots meer vezels gaat eten. Al is dat zeker geen reden om vezels te schrappen uit je voeding. De Hoge Gezondheidsraad in België stelt minimaal 25 gram vezels per dag voor. Om cardiovasculaire aandoeningen, diabetes type 2, obesitas, bepaalde kankers en risico’s op infecties en ontstekingsziektes te beperken wordt zelfs 30 gram per dag aangeraden.

[1] https://www.gezondheidenwetenschap.be/gezondheid-in-de-media/wat-kan-je-doen-tegen-overdreven-winderigheid#article-detail-wrapper


Hoe ziet onze workforce in de toekomst eruit?

Zullen de zorgnoden van de bevolking in de toekomst nog wel in balans zijn met het aantal verpleegkundigen? Een rapport van de Planningscommissie van het medisch aanbod schetst de situatie voor 2043. De berekening werd gemaakt voor alle actieve verpleegkundigen en voor vier specifieke sectoren: ‘ziekenhuis’, ‘woonzorgcentrum’, ‘thuisverpleging’ en ‘maatschappij en gezondheid’.

Als uitgangspunt voor de toekomstprojecties in het rapport van de Planningscommissie werden de historisch geobserveerde trends[1] gehanteerd. Het aanbod aan verpleegkundigen houdt rekening met het aantal actieve verpleegkundigen, de instroom en de uitstroom. De zorgconsumptie is gebaseerd op het aantal individuen, op de structuur van de bevolking (leeftijdscategorie en geslacht) en op de gegevens van de ziekteverzekering.

In het rapport wordt gekeken naar het totale aantal verpleegkundigen, de absolute dichtheid en de gewogen dichtheid. De gewogen dichtheid biedt bijzonder interessante info, want dat cijfer geeft niet enkel een beeld van hoe het aantal zorgverleners evolueert ten opzichte van het bevolkingsaantal, maar toont ook aan hoe het aantal zorgverleners evolueert ten opzichte van de veranderende zorgconsumptie van deze bevolking.

  Totaal aantal verpleegkundigen Absolute dichtheid per 10.000 inwoners Gewogen dichtheid per 10.000 inwoners
‘18 ‘43 % ‘18 ‘43 % ‘18 ‘43 %
Alle actieve verpleegkundigen 76.707 97.967 +28 113,57 132,05 +16 113,57 104,69 -8
Sector Ziekenhuis 46.862 56.790 +21 69,38 76,55 +10 69,38 68,12 -2
Sector Woonzorgcentrum 14.258 19.580 +37 21,11 26,39 +25 21,11 16,00 -24
Sector Thuisverpleging 14.849 21.160 +43 21,98 28,52 +30 21,98 23,12 +5
Sector Maatschappij en Gezondheid 3.005 3.709 +23 4,45 5,00 +12 4,45 4,97 +12

Deze tabel geeft een overzicht van de evoluties voor alle actieve verpleegkundigen enerzijds en vier sectoren anderzijds. De cijfers gelden voor de Vlaamse Gemeenschap.

Conclusies

Kijken we naar het totale aantal verpleegkundigen, lijken de resultaten op het eerste zicht positief. In alle sectoren zal het aantal verpleegkundigen aanzienlijk toenemen. Jammer genoeg maken de gewogen dichtheden duidelijk dat de groei niet altijd voldoende is om de stijgende zorgvraag bij te benen. De toenemende behoefte aan verpleegkundige zorg door de Belgische bevolking komt onder meer door de aanwezigheid van de babyboomgeneratie. Zo geeft de daling van de gewogen dichtheden aan dat de sterke toename van het aantal actieve verpleegkundigen in de sector ‘woonzorgcentrum’ niet voldoende is om de toename van de toekomstige zorgbehoeften in te vullen. Hetzelfde geldt in de ziekenhuizen. Enkel in de sectoren ‘thuisverpleging’ en ‘maatschappij en gezondheid’ zal de toename van het aantal verpleegkundigen effectief volstaan om aan de zorgbehoeften van de toekomst te voldoen.

Vervolgonderzoek

De huidige conclusies zijn het resultaat van het basisscenario. Die geven een beeld van hoe de toekomst van het medisch aanbod voor verpleegkundigen eruitziet bij onveranderde omstandigheden en onder ongewijzigd beleid. In vier alternatieve scenario’s zal rekening worden gehouden met veranderende tendensen, zoals een herwaardering van het beroep, de instroom van studenten of taakverdeling. De conclusies van deze alternatieve scenario’s worden eind dit jaar gepubliceerd.

Raadpleeg het volledige rapport van de federale Planningscommissie via: overlegorganen.gezondheid.belgie.be/nl/documenten/hwf-verpleegkundigen-de-workforce-2043-basisprojecties-uitgaande-van-de-reele-instroom

[1] PlanKad Verpleegkundigen 2004-2018, Cel Planning van het Aanbod van de Gezondheidszorgberoepen, Dienst Gezondheidszorgberoepen en Beroepsuitoefening, Directoraat-generaal Gezondheidszorg, FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, februari 2021.


Uitsluiting van de stem van verpleegkundigen in besluiten en reacties op COVID-19: een internationaal perspectief

Context

Verpleegkundigen speelden en spelen een essentiële rol tijdens de pandemie. Deze grote groep zorgverleners heeft rechtstreeks, intensief en langdurig contact met COVID-19-patiënten. Uit onderzoek in Australië, Denemarken, Zweden en het Verenigd Koninkrijk blijkt dat verpleegkundigen in de media onthaald worden als helden, maar in de besluitvorming rond COVID-19 amper of niet gehoord worden. Er zijn daarnaast nauwelijks voorbeelden te vinden van hooggeplaatste verpleegkundigen die informatie delen met het publiek, hoewel andere gezondheidszorgactoren regelmatig mediabriefings van de regering konden bijwonen.

Doelstelling

Verpleegkundigen zijn hoogopgeleide en bekwame gezondheidswerkers, die veel tijd doorbrengen met patiënten en van groot belang zijn voor hun veiligheid. Daarom is het cruciaal dat verpleegkundigen een stem hebben in beslissingen op hoog niveau over de reactie op en de planning van de zorg tijdens een pandemie, zoals COVID-19. Met andere woorden, zowel voor de huidige gezondheidscrisis als voor toekomstige uitdagingen. Verpleegkundigen hebben een gespecialiseerde opleiding genoten, beschikken over een grondige kennis van gezondheidszorgsystemen, werken in een verscheidenheid aan gezondheidszorgomgevingen, zijn krachtige pleitbezorgers van patiënten en hebben een unieke kijk op de ervaringen van patiënten. Zij moeten actief betrokken worden bij de reactie op COVID-19, en bij de reactie op andere gezondheidsuitdagingen, om een doeltreffende besluitvorming, patiëntgerichte zorg van hoge kwaliteit en meer robuuste gezondheidszorgstelsels te waarborgen.

Wat moet er gebeuren?

De auteurs pleiten ervoor verpleegkundigen meer te waarderen en mondiger te maken. Met z’n allen moeten we de belangrijke rol erkennen die zij spelen, en waarborgen dat hun stem wordt gehoord en hun aanbevelingen worden opgevolgd, in plaats van genegeerd. Om hun stem te laten horen, moeten verpleegkundigen samenwerken om elkaar te waarderen, mondiger te maken en van elkaar te leren. Ze moeten acties ondernemen die systematische, organisatorische veranderingen opleveren wat betreft verpleegkundige vertegenwoordiging en leiderschapsposities in de adviesgroepen van de overheid en gezondheidszorgcommissies. Die acties zijn: verpleegkundigen actief betrekken bij de ontwikkeling van gezondheidsbeleid en -praktijken vergelijkbaar met andere groepen gezondheidswerkers; middelen aanreiken voor de verpleegkundige beroepsbevolking, waaronder opleiding, aanwerving, verloning en arbeidsomstandigheden; en passende en effectieve ondersteuning bieden voor het welzijn van verpleegkundigen. Een eensgezinde, op feiten gebaseerde stem van de verpleegkundigen is van cruciaal belang en vereist voortdurend inclusief onderzoek op lokaal, nationaal en internationaal niveau.

Conclusie

De auteurs geloven dat verpleegkundigen een essentiële rol kunnen en moeten spelen in de discussie over het beheer van en de reactie op de COVID-19-pandemie en andere toekomstige gezondheidscrisissen. Een verscheidenheid aan stemmen en expertise is noodzakelijk voor een doeltreffende besluitvorming in tijden van crisis, wat de collectieve actie en uiteindelijk de patiëntenzorg ten goede komt.

 

Bron: Rasmussen, B., Holton, S., Wynter, K., Phillips, D. J., David, J. L., Rothmann, M. J., … & Maben, J. (2022). We’re on mute! Exclusion of nurses’ voices in national decisions and responses to COVID‐19: An international perspective. Journal of advanced nursing, 78(7), e87.


Omgaan met kinderen tijdens het palliatief proces

Door middel van deze bachelorproef werd onderzocht of het een goed idee is om kinderen tussen 6 en 12 jaar tijdens het palliatief proces van een liefhebbende persoon te betrekken.

Context

Door een toenemende vergrijzing zal er steeds meer nood zijn aan palliatieve zorg. In het netwerk van de patiënt zijn vaak (klein)kinderen aanwezig die niet of nauwelijks worden betrokken bij palliatieve zorgen. Er zijn enkele mythes in de volksmond over kinderen en het palliatief proces: kinderen zijn te jong om verlies te ervaren en om te rouwen, kinderen zijn te jong om de dood te begrijpen, rouwende kinderen groeien op tot problematische volwassenen, kinderen rouwen slechts korte tijd en moeten over verlies heen geraken, … Het is nodig om kinderen juiste informatie mee te geven om te voorkomen dat ze hun fantasie gaan gebruiken. Want deze komt vaak niet overeen met de werkelijkheid. Hier wouden we graag verandering in brengen.

Carolien Verheyen, Elise Deproost, Kaat Van Gestel en Ellen Van Mol studeerden in juni 2022 af als bachelors verpleegkundigen aan Thomas More Hogeschool Turnhout. Er viel hun op dat de patiënt centraal staat en de betrokken personen van deze zorgvrager goed ondersteund worden, maar dat soms (klein)kinderen buiten het palliatief proces worden gehouden. Hun verpleegkundig hart zei dat ze hiermee aan de slag konden gaan.

Methode

We liepen alle vier stage in de thuiszorg. Dit maakt dat we met het maken van onze bachelorproef ook verder gingen in deze sector. Als eerste schreven we een literatuurstudie over de ontwikkelingsfasen, hechting, palliatieve zorg, … Later maakten we aan de hand van deze literatuurstudie een gepast product voor onze doelgroep. Om als verpleegkundige de barrière te doorbreken en zo het kind te bereiken, ontwikkelden we een brochure met uitleg over hoe ouders hun kind in dit proces kunnen betrekken. Verder staan er verschillende QR-codes in die verwijzen naar ons troostboekje en onze podcast.

In de brochure staat onder meer kort beschreven waarom je als ouder of andere liefhebbende persoon best wel het kind betrekt, worden de gevoelens en emoties van kinderen besproken, geven we enkele praktische tips mee en leggen we uit wat een podcast is. Hierdoor biedt het handvaten aan ouders en andere liefhebbende personen om het kind te begeleiden met het gebruik van de podcast en het troostboekje.

Om tot ons product te komen contacteerden we onder andere CODA, PNAT, Ispahan, referentieverpleegkundigen palliatieve zorg, enzovoort. We vergaarden veel informatie voor onze brochure. Naar het einde toe spraken we samen met enkele van deze experten in onze podcast en lieten we afwisselend kinderen hun verhaal doen.

Resultaten

Uit de verschillende informatie en onderzoeken die we gebruikten voor onze bachelorproef concluderen we dat ouders wel degelijk een belangrijke rol hebben bij het overbrengen van informatie naar hun kinderen. De verpleegkundige heeft dan weer een ondersteunende en motiverende rol naar de ouders toe. Ze leggen bijvoorbeeld ouders uit hoe informatie op een correcte manier kan overgebracht worden naar kinderen.

Ook wordt aangetoond dat het belangrijk is wie het nieuws vertelt, wat er wordt verteld en hoe het verteld wordt. De informatie die het kind meekrijgt, zal mee het verloop van het palliatief proces bepalen.

Verpleegkundigen en ouders kunnen efficiënter communiceren naar kinderen toe door tijd vrij te maken voor een gesprek met het kind. Tijdens het gesprek is het belangrijk dat de verpleegkundigen en/of ouders een empathische, actieve luisterhouding aannemen.

Slecht nieuws overbrengen naar kinderen toe is niet eenvoudig. Het is van groot belang dat het slecht nieuws wordt overgebracht naar het kind op een rustig moment en liefst door iemand die dicht bij het kind staat. Wanneer de boodschap wordt overgebracht dient dit op een directe, eerlijke en open manier te gebeuren. Geef het kind de tijd om het nieuws te laten binnenkomen en heb begrip voor de gevoelens en emoties.

Verder bestaan er al veel hulpmiddelen voor kinderen die informatie bevatten over ernstig ziek zijn, de dood en rouw, zoals boeken, muziek, educatieve spellen.

Conclusie

Kinderen betrekken bij palliatieve zorg is zeker een meerwaarde, maar enkel als het kind dit zelf wil. Door kinderen duidelijke en correcte info te geven op maat, voorkom je dat het ze hun eigen fantasie gaan gebruiken. Deze komt namelijk vaak niet overeen met de werkelijkheid, waardoor kinderen een verkeerd beeld kunnen krijgen over palliatief zijn en sterven.


Federale Toezichtscommissie van kracht: wat moet je weten?

Begin 2022 trad de nieuwe wet op de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg – of kwaliteitswet – gedeeltelijk in voege. Sinds 1 juli is de wet volledig van kracht. Om een correcte uitvoering ervan te garanderen is de Federale Toezichtscommissie opgericht. Onder minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid Frank Vandenbroucke kreeg deze commissie concreet vorm, met meer bevoegdheden en een versterkte structuur.

Het doel van de hernieuwde kwaliteitswet is duidelijk: kwaliteitsvolle zorg garanderen voor elke patiënt, en de belangen en rechten van elke patiënt te allen tijde beschermen. Toch blijkt dit in de praktijk niet altijd eenvoudig. Denk aan zorgverstrekkers die de dunne lijn van de euthanasiewet bewandelen of anderen die het niet zo nauw nemen met het toedienen van medicatie. Controlemechanismen en een duidelijk kader zijn dus cruciaal om een goede werking van de wet te waarborgen. “Daarom is de Federale Toezichtscommissie opgericht en heeft minister Vandenbroucke de bevoegdheden en dagelijkse werking ervan uitgebreid”, vertelt zijn kabinetschef Jan Bertels.

Tegen eind dit jaar wil de FOD Volksgezondheid de toezichtscommissie operationeel hebben. Door de opzet en werking van deze commissie verder te verfijnen, liep de goedkeuring van de wet vertraging op. Ook de wissel met de vorige legislatuur nam enige tijd in beslag. “We wilden de werkzaamheid van de commissie vrijwaren, vandaar waren er wijzigingen aan de initiële wet nodig. Dat vroeg natuurlijk opnieuw een afstemming binnen de regering om meer verantwoordelijkheden bij de commissie te leggen en tegelijk meer fondsen te voorzien.”

Jan Bertels

Uniforme controle

De Federale Toezichtscommissie vervangt de negen Provinciale Geneeskundige Commissies (PGC’s). Jan Bertels: “Op die manier stroomlijnen we de controle op de kwaliteitswet en vermijden we verschillende interpretaties ervan per provincie. Dit waarborgt ook de objectiviteit in de dossiers en creëert een uniforme aanpak over het hele land. Een onafhankelijke magistraat zal de toezichtscommissie voorzitten, bijgestaan door een multidisciplinair team met vertegenwoordiging van alle gezondheidszorgbeoefenaars en van de patiënten. Dat laatste is nieuw. Naast sanctionerend optreden, is het de bedoeling dat de Federale Toezichtscommissie ook proactief aan de slag gaat met bepaalde kwaliteitseisen en dus preventief handelt.”

Ondersteuning versterkt

De Federale Toezichtscommissie bestaat uit een Nederlandstalige en Franstalige kamer en kan ontdubbeld worden in functie van de werklast per landsdeel. Ook dat is een aanpassing van de initiële kwaliteitswet. Daarnaast kunnen de kamers werkgroepen van experten aanstellen om rond een specifiek thema dossiers uit te diepen en voor te bereiden. “We willen vermijden dat het federale orgaan een bottleneck wordt”, verduidelijkt Bertels. “In sommige dossiers is reactiesnelheid essentieel en die flexibiliteit moeten we ook op federaal niveau garanderen.” Om de werking van de toezichtscommissie verder te ondersteunen, werd de groep gezondheidsinspecteurs versterkt. Net zoals bij de PGC’s bouwen de gezondheidsinspecteurs de dossiers op. Ze werken deze uit volgens een bepaalde structuur, zodat de toezichtscommissie doeltreffend kan beslissen.

Gewaarborgde werking

Om een eventuele impasse te vermijden zolang de leden van de Federale Toezichtscommissie nog niet aangesteld zijn – de PGC’s zijn sinds 1 juli niet meer actief – blijven deze gezondheidsinspecteurs aan de slag. Wanneer er sprake is van een strafrechtelijk dossier, dan moet de betrokken ambtenaar het dossier gedetailleerd overmaken aan het parket. Gaat het om een dossier waarbij op termijn een verbetertraject moet opgestart worden met de zorgverlener, dan doen de inspecteurs nu al het voorbereidend werk, zoals mensen verhoren, dossier opmaken, … zodat de commissie dit in december kan behandelen. Bij ernstige dossiers – bij fysieke of psychische ongeschiktheid van de gezondheidszorgbeoefenaar of bij ernstige fouten met mogelijks zware gevolgen voor de patiënt – maakt de FOD Volksgezondheid die over aan de minister. Hij heeft op dit moment de bevoegdheid om bewarende maatregelen te nemen, om zo de patiënt en/of de volksgezondheid te beschermen.

“Sanctioneren is in sommige dossiers noodzakelijk. Toch willen we dit waar mogelijk nuanceren”, vult Bertels aan. “In bepaalde omstandigheden is inzetten op een verbetertraject een beter alternatief. Bijvoorbeeld, voor de verplichtingen die volgen uit de kwaliteitswet of de rechten van de patiënt wordt in eerste instantie steeds een verbetertraject met de zorgverstrekker opgestart. Daarnaast kan de Federale Toezichtscommissie ook beslissen een visum tijdelijk onder voorwaarden te stellen, in plaats van onmiddellijk definitief in te trekken. Denk bijvoorbeeld aan een gezondheidszorgbeoefenaar die een tijdlang enkel een consultatie mag houden als iemand extra aanwezig is. Het is essentieel dat alle betrokkenen gehoord worden in een specifiek dossier, inclusief de patiënt, en dat ze op de hoogte blijven van het verloop en een eventuele beslissing.”

Praktijkervaring en juridisch inzicht

Karel Op de Beeck, verpleegkundig manager zone kritieke zorgen aan het UZ Leuven, was een van de leden van de Provinciale Geneeskundige Commissie (PGC) Vlaams-Brabant. Gedurende zijn aanstelling analyseerde en adviseerde hij complexe dossiers rond uiteenlopende thema’s. Nu de PGC’s zijn opgeheven, blikt hij terug op een uitdagende en tegelijk boeiende rol die hem veel bijbracht. “Dat de provinciale commissies gefederaliseerd worden, zal zeker bijdragen tot een verdere professionalisering van de controle op kwaliteitsvolle zorg. De gelijkvormige aanpak op landniveau komt zorgverleners en zorgvragers ten goede”, beaamt Karel. “Tegelijk wil ik benadrukken dat wij op provinciaal niveau ook het verschil maakten. Het was de taak van de PGC om de volksgezondheid te bevorderen of schade eraan te vermijden. Dat hield bijvoorbeeld in dat we konden optreden wanneer bepaalde quarantainemaatregelen niet of onvoldoende nagevolgd werden. Al ging het merendeel van onze casussen over het (on)wettig uitoefenen van het gezondheidszorgberoep of over de competenties van de gezondheidszorgbeoefenaar. Kan een bepaalde zorgverlener zijn of haar beroep nog uitvoeren wanneer die zelf verslaafd is aan medicatie? Of is het toegelaten dat iemand op zijn of haar website beweert medische problematieken te kunnen behandelen via niet-medische handelingen, zoals hypnose?”

De PGC fungeerde vaak als schakel met het gerecht: ofwel bracht de PGC het gerecht op de hoogte, ofwel kwam de vraag vanuit het gerecht zelf. Veel voorkomende dossiers draaiden rond het ontbreken van de vereiste opleiding of expertise, rond een klacht van een patiënt, familielid of de werkgever naar aanleiding van een ‘foutieve’ handeling van de zorgverlener, of rond de bekwaamheid van de zorgverlener. Bijvoorbeeld: een (psychiatrische)-verpleegkundige die beticht wordt van ongewenst seksueel gedrag, een thuisverpleegkundige die onzorgvuldig werk zou leveren, een ambulancier met een verslavingsprobleem, een psychotherapeut die eigenlijk geen therapeut is, … “Specifiek in de dossiers rond de verdediging van verpleegkundigen, vroedkundigen of ambulanciers die al dan niet terecht werden aangeklaagd, kon ik van betekenis zijn. Een grondige praktijkervaring en gedegen kennis van de wetgeving zijn voor mij allebei cruciaal om die rol op te nemen. Ik volgde zelf de opleiding tot juridisch en gerechtelijk expert binnen NETWERK VERPLEEGKUNDE. Die expertise is nodig om te kunnen oordelen over bepaalde dossiers. Wanneer is een lijn overschreden? Wat is wettelijk toegelaten en wat is een strafbaar feit? Ook al werden we bijgestaan door een gezondheidsinspecteur, het helpt als je de wet begrijpt en kan interpreteren om de feiten te evalueren. De uitspraken van de PGC waren steeds naar eer en geweten genomen. Zij werden afgetoetst met de wetgeving en geëvalueerd door een team van experten. Daarnaast zijn het humane aspect en de intermenselijke reactie ook zeer belangrijk. Samen met de leden van de PGC analyseerden we de dossiers grondig om te begrijpen wat zich in de hoofden van de betrokkenen afspeelde. De meeste dossiers waren sterk emotioneel geladen, ook aan dit aspect werd veel aandacht besteed. Ik ben benieuwd hoe ze met dit aspect op federaal niveau zullen omgaan.”

Karel Op de Beeck

Casus euthanasie

Een van de casussen die Karel Op de Beeck behandelde in de Provinciale Geneeskundige Commissie ging over een patiënt die de nodige documenten in orde had gebracht om in de toekomst euthanasie te laten uitvoeren. Toen de huisarts euthanasie effectief ter sprake bracht, was de patiënt dementerend en niet meer wilsbekwaam. Nochtans was dit moment vooraf overeengekomen met de patiënt. Een verpleegkundige van het woonzorgcentrum waar de patiënt verbleef, heeft dit voorval gerapporteerd aan de PGC. Het uitvoeren van euthanasie bij een wilsonbekwame persoon is tegen de wet op euthanasie. “Dit was inderdaad een terecht punt”, zegt Karel. “Bovendien speelde in deze casus ook een ethisch geschil in verband met kwaliteit van leven. De verpleegkundige gaf aan dat de persoon in kwestie eigenlijk niet ongelukkig was. De familie daarentegen vond dat de patiënt geen zinvol leven meer had. Dit is een bijzonder moeilijke discussie waarbij je als bemiddelaar ook tegen je persoonlijk ethisch kader botst. Toch moet je je houden aan de wet en die ten gronde toepassen. In dit geval ging het om de euthanasiewet, de patiëntenrechtenwet en de wet op de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen. Ook in deze casus lieten we alle betrokkenen aan het woord en legden we met de verschillende partijen een traject af (familie, huisarts, verpleegkundige, hoofdverpleegkundige, directie). We lieten de betrokkenen hun standpunten, waarden en emoties met elkaar delen, waardoor dialoog en wederzijds begrip aanwezig bleef. Daarnaast wonnen we binnen de PGC het advies in van euthanasie-expert prof. dr. Wim Distelmans. In deze casus mocht de euthanasie op juridische basis niet doorgaan, waardoor we een medische fout voorkomen hebben. Met onze acties hebben wij ook bekomen dat de kring rond de patiënt goede zorg is blijven leveren en dat blijft de primaire doelstelling van de PGC en binnenkort van de Federale Toezichtscommissie.”


“De arbeidsmarkt brandt, de zorg heeft nu acties nodig”

In gesprek met Vlaams Zorg- en Welzijnsambassadeur Candice De Windt

Op 1 maart 2022 nam Candice De Windt de fakkel over van Lon Holtzer als Vlaamse Zorgambassadeur. En dat vindt ze best grote schoenen om te vullen. Zeker nu haar titel en werkdomein uitgebreid worden naar Vlaamse Zorg- en Welzijnsambassadeur. Een ambitieus project om de opleidingen en jobs in deze sectoren te ondersteunen en te promoten. Een uitgebreid takenpakket dat Candice De Windt met veel plezier en goesting aanpakt.

Als nieuwe Vlaamse Zorg- en Welzijnsambassadeur volgt Candice De Windt Lon Holtzer op, die op 1 april met pensioen ging. Ze krijgt de taak de sector aantrekkelijker te maken en zo mee instroom te creëren en het probleem van te weinig werkkrachten in zorg en welzijn mee te helpen oplossen. Vandaag staan namelijk zo’n 6.000 vacatures open, waarvan 40 procent voor verpleeg- en zorgkundigen. Maar niet enkel in die functies zijn er grote tekorten. “Ook in de kinderopvang, jeugdhulp en de zorg voor personen met een handicap zijn meer mensen nodig”, zegt Candice De Windt. “Daarom hebben we de titel en het werkdomein uitgebreid.”

Candice studeerde in 1997 af als verpleegkundige. Ze weet dus goed hoe het er op de werkvloer aan toe gaat. Toch vindt ze het uiterst belangrijk om voeling te houden met het ruime werkterrein. “En dat los ik nu op door zeer veel praktijk- en werkbezoeken af te leggen. Ik draai dan een dag mee bij organisaties, instellingen en op afdelingen. Dat draagt bij aan de geloofwaardigheid van mijn nieuwe functie, maar geeft me ook nieuwe inzichten om mijn job uit te oefenen en naar oplossingen te zoeken. Wat zijn de ervaringen van onze zorgvragers? Waar liggen de zorgverleners wakker van? Waar lopen ze tegenaan? Hoe kan ik helpen? Dat contact met het werkveld is dus van groot belang. Het laat me toe om een goed beeld te vormen van wat leeft bij de zorgvragers, de zorgverleners, de directies, …”

Zorg vertrouwen schenken

De instroom van mensen die kiezen voor een job in de zorg- en welzijnssector is gestegen met 30 procent. Een belangrijke verdienste van haar voorgangster, daar is Candice De Windt van overtuigd. “Maar zelfs al blijven we volop inzetten op de aantrekkelijkheid van onze sector, het zal niet genoeg zijn om de tekorten die er nu al zijn en die nog verder zullen ontstaan op te vangen. We schatten dat er tegen 2030 dan 6 à 8 procent te weinig mensen zullen zijn, zelfs al stijgt de instroom nog eens met 30 procent.” Daarom zal de nieuwe Zorg- en Welzijnsambassadeur ook focussen op het beperken van de uitstroom. En dat heeft een rechtstreekse link met jobtevredenheid. We weten dat inzetten op talenten, op eigenaarschap, op betrokkenheid heel sterk doorwegen en hier heeft de zorgorganisatie een belangrijke rol. “Zeker nu de babyboomers massaal met pensioen gaan. Waar je vroeger slechts enkele keren per jaar een pensioenfeest had, vinden ze nu bijna wekelijks plaats. Het is met andere woorden essentieel om ook te investeren als bestuursorgaan, als management in een fijne, waarderende en stimulerende werkomgeving om het menselijke kapitaal dat reeds aanwezig is, te houden.”

Om die uitstroom tegen te gaan vindt De Windt ook de professionalisering belangrijk. Vaak beseffen mensen niet hoe ze zowel verticaal als horizontaal kunnen doorgroeien binnen de zorg. “Er zijn zoveel specialisaties en mogelijkheden, waardoor er bijvoorbeeld ook alternatieve of aangepaste jobs zijn voor zij die zwaar fysiek werk niet meer aankunnen. Ik pleit ook voor meer administratieve vereenvoudiging met minder registreerwerk. Zo’n 30 procent van de tijd van verpleegkundigen gaat naar administratie. In Nederland staat een zorgplan gelijk aan de realisatie ervan. Zijn er afwijkende waarden of problemen, dan wordt het genoteerd. Al weet ik niet of Vlaanderen hier klaar voor is. We handelen soms nog te veel uit wantrouwen waardoor we sterk inzetten op registraties. We moeten onze zorg meer vertrouwen schenken en vergoedingen en registraties van elkaar loskoppelen. De zorg mag niet gestraft worden voor de 0,1 procent die er de kantjes vanaf loopt. In die vereenvoudiging zal technologie ook een belangrijke rol spelen. Er zijn al mooie projecten met wearables en met apps. Denk maar aan woonzorgcentra die het gebruiken om bewegingen te detecteren in de kamers. Slaapt de bewoner nog, dan gaat de zorgverlener niet binnen zodat de persoon niet wakker wordt. Dat is een goed voorbeeld van hoe data zorg ondersteunt. We moeten mensen meer meenemen in dat technologieverhaal en dat begint al in de opleiding.”

Instroom kan anders en beter

Met de opleiding komen we meteen bij het andere hete hangijzer terecht: de instroom. Die moet fors omhoog en dat kan door het anders en beter aan te pakken. “Enerzijds beter omdat we elkaar binnen onderwijs te sterk beconcurreren waardoor studenten niet altijd juist georiënteerd worden en afhaken. Ik begrijp dat scholen hun eigen opleidingen promoten, maar we moeten breder leren kijken naar waar de student maximaal tot ontplooiing kan komen. Het is ook uiterst belangrijk dat de stage in het vierde bachelorjaar vergoed wordt. Anderzijds moeten we ook focussen op andere instroom. We zetten sterk in op de zijinstroom. Zo komt vandaag al 8 procent van de instroom via 25-plussers die zich heroriënteren. Daar bestaan degelijke betaalde trajecten voor, maar het zal niet genoeg zijn om de zorg overeind te houden. Daarom bekijken we de mogelijkheid om mensen met een andere etnische achtergrond, zoals mensen die gevlucht zijn voor de oorlog in Oekraïne, in te zetten. Economische migratie zal ook helpen. Als mensen naar ons land komen om hier te werken, moeten ze die kans krijgen, maar we mogen niet actief gaan rekruteren. Het ethische aspect is belangrijk, want er is nergens een overschot aan zorghanden. Die economische migratie kost ook veel centen en we moeten afwegen of we die ook niet beter inzetten voor uitbreiding van de trajecten in Vlaanderen.”

Om de instroom te verhogen heeft De Windt al enkele projecten lopen. Zo komt er naar scholen toe een uitgebreide communicatie- en brandingcampagne. “De zorg heeft iets nodig zoals STEM-onderwijs zodat we talent voor zorg en welzijn snel kunnen spotten, ook in het ASO. Daarom wil ik een soort 2.0 van de ‘Ik ga ervoor’-campagne opzetten tegen volgend schooljaar.” Daarnaast is de Zorg- en Welzijnsambassadeur ook bezig met een intakeplatform dat de vele wegen naar opleidingen voor verpleegkundigen, zorgkundigen, opvoeders en kindbegeleiders bundelt en faciliteert. “Dat zijn vandaag de jobs met de grootste knelpunten. Er bestaan allerlei opleidingen, maar wie betaalt wat en wat zijn de voorwaarden? Dat willen we bundelen vanuit het standpunt van de student, van 18-jarigen tot 60-plussers. We willen hen informeren en toeleiden naar de juiste opleiding en er inleefdagen aan koppelen. Zo zien ze meteen wat de job inhoudt en komen ze ook in aanraking met andere zorgberoepen.” In januari 2023 moet het platform actief zijn.

Iedere verpleegkundige telt

De brandingcampagne zal ook bijdragen aan een betere beeldvorming van zorgberoepen. “Ik vind het jammer wanneer zorgverleners me vertellen dat hun kinderen niet in de zorg mogen stappen. Ik doe mijn uiterste best om de zorg- en welzijnssector aantrekkelijker te maken, maar ik ben ook maar alleen. We moeten allemaal zorgambassadeur zijn. Het is een gedeelde verantwoordelijkheid.” Om de zorg een beter imago te geven denkt De Windt ook aan bijvoorbeeld combijobs en flexibeler omgaan met de werkroosters. “Waarom zouden we de samenwerking tussen zorg en welzijn niet stimuleren door combijobs toe te laten? Een ziekenhuisverpleegkundige die na haar uren nog bijspringt bij een thuisorganisatie, bijvoorbeeld. Al besef ik dat daar aanzienlijke drempels voor in de weg staan, zoals de arbeidswetgeving. Geef de mensen in de zorg ook autonomie over hun work-lifebalance en ga flexibel om met de werkuren. Ik hoor vaak van gescheiden verpleegkundigen dat ze in de week dat de kinderen niet bij hen zijn, gerust 60 uur willen werken en in de week dat ze kinderen opvangen 20 uur. Laat hen aan zelfroostering doen, onder begeleiding van de hoofdverpleegkundige die een kader vastlegt.”

Candice De Windt gaat nog een stapje verder. “Ik besef dat dit ook niet evident is, maar we moeten af van het idee ‘wij zijn verpleegkundigen en wij zijn de enigen die mogen en kunnen verpleegkundige handelingen stellen’. Verpleegkunde is veel meer dan het uitvoeren van een aantal handelingen, laat ons de sterkte van ons beroep niet verengen en laat ons open kijken naar toekomstbestendige samenwerking. De opleiding verpleegkunde is een mooi en breed traject. De job gaat van preventieve zorg tot palliatieve zorg. We moeten loskomen van dat vastgeroeste denkpatroon, want het doet de zorg geen goed.” Samen met de federale taskforce werkte De Windt mee aan een toekomstgericht functiemodel dat vandaag, morgen en overmorgen stand zal houden in de zorg. Daarin is voor HBO5 een volwaardige rol weggelegd. “Ik wil het misverstand de wereld uit dat we HBO5 willen afschaffen. Dat is niet zo. We hebben alle verpleegkundigen en sterke profielen op alle niveaus nodig. HBO5 is dan ook opgenomen als een volwaardig profiel. De rol van de bachelor verpleegkundige zal wel veranderen. Zij zal meer in de cockpit zitten en de zorgcontinuïteit garanderen. We zullen ook evolueren naar gemengde teams waar verpleegkundigen van alle niveaus samenwerken, en we moeten ook nadenken over nieuwe profielen in onder meer de eerstelijnszorg waar momenteel wordt nagedacht over een graduaatsopleiding tot praktijkassistent ter ondersteuning van de huisarts. In Vlaanderen is over het functiemodel al een consensus en nu is het wachten op de volgende federale stap. Dat zal hopelijk niet lang meer duren want de arbeidsmarkt brandt. De zorg heeft het al zo moeilijk en nu moeten we nog concurreren met andere sectoren die economisch veel sterker staan. We hebben nood aan mensen die met passie en een intrinsieke motivatie voor een zorgjob kiezen en in dit klimaat riskeren we van hen te verliezen.”

Wie is Candice De Windt?

  • Studeerde verpleegkunde aan de KaHo Sint-Lieven in Aalst.
  • Behaalde een masterdiploma verplegingswetenschappen aan de KU Leuven.
  • Werkte 14 jaar aan Odisee hogeschool, eerst als lector dan als directeur gezondheidszorg en vervolgens als directeur onderwijs en onderzoek.
  • Was sinds augustus 2020 tot haar aanstelling als Zorg- en Welzijnsambassadeur raadgever hoger onderwijs voor Vlaams minister van Onderwijs Ben Weyts.


Biedt nieuw preventief middel tegen migraine hoop?

Voor zij die er geen last van hebben, wees gezegend. Migraine is een vervelende, sluipende compagnon in het leven, die vaak (onverwacht) roet in het eten strooit. Effectieve medicatie vinden blijft voor velen een lange zoektocht. Voor patiënten met therapieresistente chronische migraine is er nu misschien wat licht aan het einde van de tunnel.

Ongeveer één op zeven mensen wereldwijd hebben er last van en het komt drie keer vaker voor bij vrouwen dan bij mannen. Migraine heeft een grote impact op het dagelijkse leven van de getroffen persoon en is de meest voorkomende oorzaak van verminderd functioneren bij vrouwen tussen 15 en 49 jaar. Het is niet zomaar hoofdpijn. Om te spreken van migraine heeft een patiënt minimaal vijf aanvallen met volgende kenmerken:

  • Zonder behandeling houdt de hoofdpijn 4 à 72 uur aan.
  • Je hebt van minstens 2 van deze symptomen last: matig tot intense hoofdpijn, meer hoofdpijn bij fysieke inspanning, hoofdpijn aan één kant of met een kloppend gevoel.
  • Je bent misselijk of moet braken tijdens de aanval of je bent gevoelig voor licht en/of geluid.

Voorafgaand aan de aanval kan je last krijgen van auraverschijnselen. Denk aan vlekken voor de ogen, lichtflitsen, gekleurde zigzaglijnen of aan moeite met spreken, verminderde kracht en gevoelsstoornis. Heb je tot 14 dagen hoofdpijn per maand, dan spreken we van episodische migraine. Migraine is chronisch vanaf 15 dagen hoofdpijn per maand waarvan minstens acht dagen migraine. Om dit te bepalen wordt de hoofdpijn gedurende drie maanden gemeten.

Meer hoofdpijn door medicatie

Zo snel mogelijk opstarten met pijnbestrijding is essentieel om een migraineaanval onder controle te krijgen. Toch biedt de beschikbare pijnmedicatie geen pasklaar antwoord voor elke patiënt. Klassieke pijnstillers zoals paracetamol, aspirine en niet-steroïdale ontstekingsremmers, missen vaak hun doel. Sommige medicatie, zoals triptanen, kan niet gebruikt worden bij mensen met een hoge bloeddruk, een hart- of vaatziekte. Anderen krijgen dan weer net meer hoofdpijn door medicatie te nemen. Iets wat vaak voorkomt bij langdurig gebruik.

Preventieve aanpak

Als alternatief kan je preventieve medicatie nemen, die de ernst van een migraineaanval of het aantal vermindert. De bestaande preventieve middelen zijn vaak medicijnen die voor een andere aandoening ontwikkeld zijn en daardoor bijwerkingen kunnen veroorzaken. Sinds midden 2019 zijn in België drie nieuwe middelen geregistreerd voor migraineprofylaxe. Het gaat om de zogenaamde CGRP-remmers[1]: erenumab, fremanezumab en galcanezumab. Deze middelen worden eenmaal per maand of kwartaal geïnjecteerd. Ze zijn even effectief als de klassieke preventieve geneesmiddelen en werken dus niet zozeer beter, maar geven wel veel minder bijwerkingen. Omdat deze nieuwe medicatie duur is, wordt ze vooralsnog alleen vergoed voor een specifieke doelgroep: namelijk patiënten met therapieresistente chronische migraine. Ze moeten minstens acht migrainedagen per maand hebben en ten minste drie andere preventieve behandelingen hebben niet geholpen of werden slecht verdragen.

[1] CGRP: calcitonin gene-related peptide.

 

Bronnen:


Betrokkenheid van patiënten bij wetenschappelijke tijdschriften: een nieuwe weg voor het European Journal of Cardiovascular Nursing

Context

Vandaag staat de betrokkenheid van patiënten en gezinnen bij het gezondheidsbeleid hoog op de agenda. Er zijn bijvoorbeeld talrijke patiëntenorganisaties die deelnemen aan rondetafelgesprekken en hoorzittingen om de patiëntenervaring te verbeteren. Ook in wetenschappelijk onderzoek worden patiënten steeds meer als belangrijke stakeholders beschouwd. Zo wordt het betrekken van patiënten als Patient Research Partners steeds populairder. Ze komen ook frequenter aan het woord in wetenschappelijke tijdschriften.

Probleemstelling

Ontwikkelingen in de geneeskunde en de gezondheidszorg zijn nog te vaak gericht op de zorgverlener of de onderzoeker in plaats van op de patiënt. Niettemin klinkt de vraag om over te stappen op persoonsgerichte zorg steeds luider. Patiënten stellen het zo: “Er mag geen beslissing over mij worden genomen, zonder mij”.

Initiatieven

In navolging van best practices uit het veld ondernam het European Journal of Cardiovascular Nursing drie acties. Ten eerste vervoegt een patiëntvertegenwoordiger de redactieraad. Zo zal in het bestuur het perspectief van de patiënt meer weerklank krijgen. Ten tweede zullen samenvattingen van wetenschappelijk onderzoek gepubliceerd worden op een gemakkelijk te begrijpen en grafisch aantrekkelijke manier. Die lekensamenvattingen worden ook verspreid via websites en publicaties van patiëntenorganisaties. Ten slotte komt er een nieuwe sectie in het wetenschappelijke tijdschrift: Patient Perspectives. Hier worden patiënten of familieleden uitgenodigd om een bijdrage voor het tijdschrift te schrijven waarin zij hun visie geven over een specifiek onderzoeksartikel dat in het tijdschrift verscheen.

Implicaties voor de praktijk

Door patiënten te betrekken in het wetenschappelijke proces treedt een verschuiving op van passieve onderzoeksobjecten naar actieve participanten. Het actief betrekken van patiënten creëert bewustzijn bij de onderzoekers om aandacht te besteden aan wat belangrijk is voor deze zorgvragers. Onderzoekers hebben de neiging resultaten en conclusies te rapporteren volgens medische uitkomsten zoals mortaliteit en morbiditeit. Voor patiënten zijn uitkomsten zoals kwaliteit van leven en door de patiënt gerapporteerde ervaringen even belangrijke aspecten bij de presentatie van wetenschappelijke onderzoeksresultaten.

Het vertalen van medische en gezondheidsinformatie naar patiënten en families kan bovendien de gezondheidsvaardigheden van patiënten verbeteren en de informatie-asymmetrie tussen zorgverleners en zorgvragers weg te werken. Een recente studie toonde aan dat patiënten met hartfalen en met een lage gezondheidsvaardigheid meer dan een twee keer meer risico op overlijden hebben dan patiënten met voldoende geletterdheid. Slechte gezondheidsvaardigheden werden ook geassocieerd met een hoger gemiddeld aantal ziekenhuisopnames.