Agressie tegen verpleegkundigen: uitdagingen en mogelijke oplossingen in een Europese context
Bastiaan Van Grootven, Nursing Science, Department Public Health, University of Basel; Department of Public Health and Primary Care, KU Leuven.
Context
De grote meerderheid van verpleegkundigen ervaarde al fysieke en/of verbale agressie op de werkvloer door zorgvragers of hun familieleden. Maar er zijn ook meer subtiele vormen van agressie, zoals pesten op het werk. Een recente studie observeerde dat een derde van de verpleegkundigen verbaal, emotioneel of fysiek geweld door collega’s ervaart. De cijfers lijken aan te tonen dat omgaan met agressie een deel van het verpleegkundig beroep is geworden. Het is een belangrijke bron van stress, met de intentie om te stoppen als verpleegkundige tot gevolg. Ook de kwaliteit van zorg lijdt eronder. Wat het probleem zo complex maakt, is dat verpleegkundigen er vaak niet durven over praten en dat agressie niet wordt gerapporteerd.
Doelstelling
Deze studie onderzocht in welke mate agressie bij verpleegkundigen voorkomt en welke programma’s, maatregelen of initiatieven er binnen Europa bestaan om dit probleem aan te pakken.
Samenvatting van de resultaten van de studie
Een vragenlijst werd beantwoord door vertegenwoordigers van 28 verpleegkundige organisaties, aangesloten bij de EFN (Europese Federatie van verenigingen voor verpleegkundigen). Zo’n 95 procent van deze verenigingen erkent dat agressie tegen verpleegkundigen een belangrijk probleem is in hun land. Ook de onderrapportage van agressieproblemen komt aan bod, net zoals het beschermen van daders van geweld door collega’s.
In 75 procent van de EU-landen bestaan trainingsprogramma’s voor verpleegkundigen en leidinggevenden. In slechts een aantal van deze landen is deze training geïmplementeerd op nationaal niveau. Vaak wordt dit regionaal of lokaal georganiseerd en op vrijwillige basis. Ze worden niet verplicht of aangemoedigd door werkgevers.
Daarnaast constateert de studie dat in 77 procent van de EU-landen richtlijnen van kracht zijn of wetgeving bestaat op nationaal of regionaal niveau om agressie tegen te gaan. In de meeste landen zijn deze richtlijnen recent geïmplementeerd. Een aantal EU-landen volgt agressie tegen hulpverleners op binnen een nationaal programma. Zo werden verschillende initiatieven geïdentificeerd om met agressie tegen hulpverleners om te gaan. Deze varieerden van opleidingsprogramma’s gericht op preventie en veiligheid, het investeren in bewaking of een samenwerking met de politie tot psychologische hulp en opvolging voor de betrokken hulpverleners.
Conclusie
Deze studie toont aan dat agressie tegen verpleegkundigen een prioritair probleem is. Agressie wordt in stand gehouden door een gebrekkig management binnen gezondheidszorgorganisaties en door (het gebrek aan) een beperkte wetgeving die veiligheid op het werk waarborgt. Om tot een oplossing te komen is er nood aan gecoördineerde interventies op verschillende niveaus. Ook opleidingsinstellingen kunnen een belangrijke rol spelen om verpleegkundigen en leidinggevenden voor te bereiden op en te wapenen tegen dit complexe probleem. Agressie zal jammer genoeg nooit helemaal afwezig zijn. Daarom is het belangrijk te investeren in hoe je kan omgaan met dit probleem. Dat zal zich waarschijnlijk vertalen in een beter welzijn van verpleegkundigen op het werk en een hogere retentie van verpleegkundigen binnen het beroep.
Bron: de Raeve P, et al. Workplace violence against nurses: challenges and solutions for Europe. Policy, Politics, & Nursing Practice 2023. 24(4): 255 – 264.
De veneuze punctie door de praktijkassistent: een update
Context
Uit een studie van de schaarse gepubliceerde literatuur rond de veneuze punctie blijkt dat wanneer er enkel bloedafnames gebeuren bij liggende patiënten er quasi geen risico is op complicaties bij patiënten in de huisartspraktijk. Een recente publicatie in de Journal of Clinical Medicine[1] gaat dieper in op die vraag.
Zo ging de studie na met enkele eenvoudige vragen en bij welke patiënten een veneuze toegangsweg bij een eerste poging gerealiseerd kan worden. Het ging hierbij om het plaatsen van een infuus, wat veel complexer is dan enkel bloed afnemen.
Doelstelling
De resultaten van het onderzoek zijn relevant voor de vraagstelling of de praktijkassistent een veneuze punctie kan uitvoeren. Daarbij wordt rekening gehouden dat praktijkassistenten nooit een infuus zullen plaatsen, maar enkel een bloedafname moeten doen. Dat is een groot verschil: bij het bloed prikken gebruikt men dunnere naalden, eventueel een vleugelnaaldje. Er zijn ook veel meer mogelijke prikplaatsen.
Een mislukte veneuze prik is vervelend voor de patiënt, maar houdt geen gevaar in. Wel moet de bloedafname steeds gebeuren bij een liggende patiënt, zodat een eventuele vasovagale syncope geen letsels met zich meebrengt.

Samenvatting van de resultaten
De auteurs van de studie ontwikkelden een set van vijf eenvoudige vragen, die aan de patiënt worden gesteld voor de bloedafname op basis van de A-DIVA schaal (Adult Difficult Intra Venous Access Scale). Die staat aanvullend mee in voor een vlotte prik. Elk ja-antwoord levert één punt op, een neen-antwoord nul punten.
Op basis van een multicenter onderzoek bij 3.689 patiënten in ziekenhuizen waarbij 90 procent van de prikken door verpleegkundigen werden gedaan en de overige 10 procent door artsen, kwam men tot de vaststelling dat bij de laagrisicogroep (A-DIVA score 0 of 1), bij 96 procent van de patiënten het prikken bij de eerste poging lukte. In deze laag risicogroep bevonden zich 2.619 patiënten of 73 procent van de onderzochte groep. Bij de groep met een gemiddeld risicoprofiel (A-DIVA score 2 of 3), lukte het bij 63 procent van de patiënten bij de eerste poging.
We moeten hierbij benadrukken, dat de resultaten voor een eenvoudige bloedafname wellicht nog veel beter zullen zijn omdat in deze cijfers ook het plaatsen van een infuus is opgenomen, wat een meer ingewikkelde interventie is. Bovendien geldt in de regel dat de veneuze punctie bij patiënten in de huisartspraktijk vlotter verloopt dan bij patiënten in het ziekenhuis omdat patiënten bij de huisarts vaak minder zwaar ziek zijn.
Bij wijze van voorzichtige extrapolatie van de gegevens uit deze studie naar de situatie van de praktijkassistent in de eerste lijn, kan men stellen dat de A-DIVA-schaal een nuttig instrument kan zijn om in te schatten of een veneuze bloedafname vlot zal verlopen.
Conclusie
Meer dan drie vierde van de patiënten zal bij een veneuze bloedafname bij de huisarts een A-DIVA-score van 0 of 1 hebben. Deze patiënten kunnen probleemloos door de praktijkassistent worden geprikt, met 96 procent kans op succes bij de eerste prik. Ook bij een score 2 kan na overleg met de huisarts de praktijkassistent de bloedafname doen. Vanaf een score 3 lijkt het aangewezen de bloedafname aan de huisarts toe te vertrouwen.
De A-DIVA-schaal kan op die manier helpen bij de organisatie van de taakverdeling in de huisartspraktijk. De hier voorgestelde aanpak berust op extrapolatie van gegevens uit de ziekenhuissetting, onderzoek ter zake in de huisartspraktijk wordt gepland.
[1] FHJ van Loon, LWE van Hooff, HD de Boer, et al. The modified A-DIVA Scale as a predictive tool for prospective identification of adult patients at Risk of a difficult intravenous access: a multicenter validation study. J .Clin. Med. 2019,8,144;doi:10.3390/jcm8020144
CHATGPT: Wat moeten we er als verpleegkundige mee?
Simon Malfait, departement verpleging UZ Gent; Vakgroep Maatschappelijke Gezondheidskunde, Universiteit Gent
Sinds de populariteit van ChatGPT stijgt in de maatschappij, wint het programma ook aan aandacht binnen de gezondheidszorg. Volgens het programma zelf biedt de chatbot beter aangepaste patiënteninformatie, betere verspreiding van informatie, continue beschikbaarheid, optimalere planning en organisatie, beter medicatiebeheer en symptoominschatting voor verpleegkundigen[i]. Momenteel wordt het vooral door studenten gebruikt om snel een paper in elkaar te steken. Maar hoe verstandig is dit allemaal?
Artificiële intelligentie (AI)
ChatGPT is een chatbot die zijn informatie haalt via verschillende algoritmes die grote hoeveelheden informatie verwerken. Deze informatie is door mensen gecreëerd. Met andere woorden, ChatGPT geeft ons snel, en mooier verwoord, wat we er zelf (historisch) hebben ingestoken. Onze grootste inzichten, maar ook onze domste fouten[ii]. Niet alles wat ChatGPT produceert is dus ook betrouwbaar.
Bias
Meer nog, niet enkel onze directe fouten neemt het systeem op, maar ook vooroordelen, stereotypen en verouderde ‘waarheden’. Net zoals Wikipedia[iii], zijn gender en ras niet gelijk verdeeld onder de schrijvers van bronnen waaruit geput wordt. Hierdoor krijgen we vaak stereotiepe beelden voorgeschoteld door AI, zoals een verpleegkundige die vrouwelijk en wit is, en nog steeds een kapje en een rok draagt[iv].
De uitdaging(en)
We moeten ons van deze twee grote beperkingen bewust zijn, zonder het concept van AI overboord te smijten. Want zelfs de grootste tegenstander ziet de voordelen van zo’n chatbot, om bijvoorbeeld en onder andere de administratieve last van verpleegkundigen te verlichten, zeker in. Hoe dan ook is de geest uit de fles en moeten we er mee leren omgaan. De twee beperkingen bieden tegelijk opportuniteiten en uitdagingen voor verpleegkundigen en het verpleegkundig onderwijs[v].
Kritisch en klinisch redeneren
Gezien ChatGPT teksten snel kan produceren, hebben we meer tijd om onze studenten verpleegkunde een kritische blik aan te leren. Geen eindeloos gezucht en gezweet meer om teksten te produceren die pas nadien kritisch onderzocht worden. We kunnen hierdoor sneller starten met meer focus op klinisch redeneren, wat het onderwijs en de transitie naar het werkveld alleen maar kan bevorderen.
Zorggelijkheid
Ook, omdat we ons nu bewust zijn van bias en ongelijkheid in de gezondheidszorg, kunnen we de algoritmes zo bijsturen dat al onze patiënten gelijkwaardige zorg ontvangen. Immers, (on)bewust zorgongelijkheid bestaat. Dit kunnen we doen door kritisch naar ons eigen werk en redeneringen te kijken en bijsturing te produceren. Telkens we dit doen, zal de tekstmassa bijgestuurd worden.
Conclusie
AI, en in het bijzonder ChatGPT, zijn een nieuwe ontwikkeling die we moeten omarmen. Op termijn zullen de voordelen voor onze beroepsgroep namelijk groot zijn, gezien we gedrukt gaan onder een hoge administratieve last Maar omdat het systeem fouten vertoont waarvan wij de oorzaak zijn, is het ook aan ons om dit door kritisch en klinisch te redeneren bij te sturen. Als we voldoende input blijven geven, zal AI ons werk verlichten ten goede van ons beroep en de patiënten waarvoor we zorgen.
[i] (ChatGPT, persoonlijke communicatie, 19 augustus, 2023)
[ii] Williams, D.P. (2023). Bias Optimizers, American Scientist, volume 111, 204-207.
[iii] Koerner, J. (2020). 21 Wikipedia Has a Bias Problem. :: Wikipedia@ 20.
[iv] Walker R, Dillard-Wright J, Iradukunda F (2023). Algorithmic bias in artificial intelligence is a problem-And the root issue is power. Nursing Outlook, 12, 71(5), Epub ahead of print.
[v] Allen, C., & Woodnutt, S. (2023). Guest editorial: Can ChatGPT pass a nursing exam? International Journal of Nursing Studies, 104522.
Depressie bij ouderen: de meerwaarde van een niet-medicamenteuze opvolging
Bastiaan Van Grootven, Nursing Science, Department Public Health, University of Basel; Department of Public Health and Primary Care, KU Leuven.
Context
Een op drie personen heeft een risico op het ontwikkelen van depressieve symptomen op oudere leeftijd. Een depressie beïnvloedt voornamelijk de kwaliteit van leven van een persoon en hun functioneren in het dagelijkse leven. Bij ouderen in het bijzonder kan een depressie, zelfs bij een succesvolle behandeling, gepaard gaan met een blijvende functionele beperkingen en een toegenomen kwetsbaarheid op geriatrische syndromen. Ook de behandeling van depressie bij ouderen is complexer. Studies tonen aan dat een medicamenteuze behandeling minder effectief is bij oudere dan bij jongere personen. Er is dus voornamelijk nood aan niet-medicamenteuze behandelingen en ondersteuning van de functionaleit van oudere personen met depressieve symptomen.
Doelstelling
Deze studie onderzocht het effect van interventies die als doel hadden de functionaliteit te ondersteunen bij oudere personen met een depressie. Eerder uitgevoerde studies over dit onderwerp werden op een systematische manier in kaart gebracht in een literatuurstudie.
Samenvatting van de resultaten van de studie
De literatuurstudie identificieerde vijftien experimentele studies, waarbij depressie gemeten werd als majeure depressie of de aanwezigheid van depressieve symptomen. De participanten waren voornamelijk vrouwen tussen 65 en 78 jaar. Acht studies evalueerden het effect van cognitief-gedragstherapeutische interventies. Voornamelijk probleemgeoriënteerde therapie resulteerde in een betere functionaliteit bij depressieve personen. Er was geen duidelijke evidentie voor het gebruik van selectieve serotonine-heropnameremmers in twee studies. Drie studies evalueerden het effect van fysieke inspanning (bijvoorbeeld uithoudings-en krachtoefeningen) en observeerden een positief kortetermijneffect op het dagelijkse functioneren. Casemanagement door een verpleegkundige gespecialiseerd in psychiatrische zorg, een pscyholoog of een sociaal werker had volgens drie studies een positief effect op het dagelijkse leven. De duur van de interventies varieerde tussen acht en vierentwintig weken.
Conclusie
Cognitief-gedragstherapeutische interventies, fysieke activiteit en casemanagement hebben potentieel een positief effect op het dagelijkse functioneren van oudere personen met een depressie. Het aantal studies dat deze effecten onderzocht was beperkt waardoor er geen sterke aanbeveling kan worden gemaakt.
Gevolgen voor de praktijk
De behandeling van een depressie bij een oudere persoon is complex. Daarom moet voornamelijk worden nagedacht over de gevolgen op hun functionaliteit. Niet-medicamenteuze therapie lijkt een belangrijke bijdrage te leveren aan de zorg voor deze patiëntengroep. De opvolging van deze patiënten door een verpleegkundige gespecialiseerd in geestelijke kwetsbaarheden in samenwerking met een psycholoog kan een belangrijke meerwaarde betekenen bovenop de standaardtherapie.
Bron: Wassink-Vossen S, et al. Effectiveness of late-life depression interventions on functional limitations: A systematic review. International Journal of Mental Health Nursing 2022. 31: 823 – 842.
Kunnen gesprekken met artificiële intelligentie de zorg ondersteunen?
Bastiaan Van Grootven, Nursing Science, Department Public Health, University of Basel; Department of Public Health and Primary Care, KU Leuven.
Context
Artificial intelligence (AI) kan de opkomst van digitale gezondheidstechnologie ondersteunen. Chatbots maken gebruik van AI om menselijke interacties na te bootsen. De meest recente technologie gaat al veel verder dan de klassieke chatbots op een webpagina en kan naast geschreven tekst ook audiovisuele gesprekken simuleren. Momenteel wordt nagedacht over verschillende toepassingen in de zorg, waaronder educatie aan patiënten, het ondersteunen van zelfzorg en het ondersteunen van training aan verpleegkundigen. Er bestaat wel nog heel wat onzekerheid over de kwaliteit van de AI-gesprekken.
Doelstelling
Deze studie onderzocht de kwaliteit van informatie afkomstig van AI-gesprekken en zocht naar de effectiviteit van zorginterventies die AI gebruikten. Eerder uitgevoerde onderzoeken over dit onderwerp werden op een systematische manier in kaart gebracht in een literatuurstudie.
Samenvatting van de resultaten van de studie
In het totaal werden de resultaten uit 21 studies geanalyseerd. Artificiële intelligentie werd voornamelijk gebruikt voor educatie aan patiënten over gezondheid en voor cognitieve gedragstherapeutische interventies. De gesprekken werden in verschillende studies als zinvol en aanvaardbaar bevonden. Een aantal studies rapporteerden weliswaar dat sommige gesprekken met AI als ‘onnatuurlijk en koud’ ervaren werden. Wanneer AI als interventie toegepast wordt, lijkt het voornamelijk gezondheidspromotie te ondersteunen zoals een toename in fysieke activiteit, een grotere consumptie van fruit en groenten, en een reductie van alcoholinname. Mogelijks ondersteunt het ook een afname van depressieve symptomen of angst. In de helft van de studies werd de opvolging door AI-interventies en gesprekken ondersteund door hulpverleners.
Conclusie
In een onderzoekssetting met gemotiveerde participanten lijkt AI een aanvaardbare en effectieve tool voor gezondheidspromotie en de ondersteuning van het welzijn. Al komt het gesimuleerde gesprek nog niet voldoende ‘menselijk’ over.
Gevolgen voor de praktijk
De resultaten tonen aan dat AI gezondheidspromotie kan ondersteunen. De vraag is of de technologie al voldoende matuur is voor implementatie in de gezondheidszorg: de patiënten in de studies waren studievrijwilligers en de gesprekken werden niet altijd als ‘natuurlijk’ ervaren. Het is momenteel nog niet duidelijk hoe dit zich naar echte de patiëntenzorg zou vertalen.
Bron: Li Y, et al. Feasibility and effectiveness of artificial intelligence-driven conversational agents in healthcare interventions: A systematic review of randomized controlled trials. International Journal of Nursing Studies 2023. 143:104494.
Verpleegkundige innovatie in woonzorgcentra reduceert het aantal opnames in ziekenhuizen
Bastiaan Van Grootven, Nursing Science, Department Public Health, University of Basel; Department of Public Health and Primary Care, KU Leuven
Zorg voor ouderen in woonzorgcentra is complex. Deze kwetsbare personen hebben naast ondersteuning in hun dagelijkse activiteiten ook psychosociale zorgnoden. De zorgcontext kenmerkt zich daarnaast ook door schaarste in middelen en personen. Door deze combinatie lopen kwetsbare ouderen een verhoogd risico op een ziekenhuisopname door een val, infectie, of delirium. Een bijkomende investering in de kennis en competenties van verpleegkundigen werkzaam in woonzorgcentra zou het aantal complicaties kunnen verminderen, en dus ook de ziekenhuisopnames.
Context
In Zwitserland werd het INTERCARE-model uitgewerkt om verpleegkundigen te ondersteunen om kwaliteit van zorg te verbeteren binnen de woonzorgcentra. Het INTERCARE-programma ondersteunde verpleegkundigen in het uitvoeren van een multidimensioneel assessment bij een bewoner, het implementeren van protocollen en vroegtijdige zorgplanning, het gebruik van data ter ondersteuning van kwaliteitsverbetering en het optimaliseren van de samenwekring met de huisarts. Om dit te verwezenlijken werd een verpleegkundige (deels) vrijgesteld om te focussen op deze rol.
Doelstelling
De INTERCARE-studie evalueerde of het aantal ziekenhuisopnames kon worden gereduceerd bij bewoners in een woonzorgcentrum door een investering in de kennis en competenties van verpleegkundigen op basis van het INTERCARE-model.
Samenvatting van de resultaten van de studie
Het INTERCARE-model werd geëvalueerd in elf woonzorgcentra door middel van een experimenteel studiedesign. Data van 942 bewoners werd gedurende drie jaar verzameld. De gemiddelde leeftijd van de bewoners was 85 jaar. In het totaal werden 224 bewoners opgenomen in het ziekenhuis. De voornaamste redenen voor een opname waren een val (een derde van alle opnames), gastro-intestinale klachten, een infectie, en een cardiovasculair probleem). Door het INTERCARE-model werd het risico op een ziekenhuisopname met de helft gereduceerd.
Conclusie
Een bijkomende investering in de kennis en competenties van verpleegkundigen na hun opleiding resulteerde in een sterke reductie van de kans op een ziekenhuisopname bij bewoners in woonzorgcentra.
Gevolgen voor de praktijk
Internationale studies stelden al vast dat het aantal ziekenhuisopnames gereduceerd kan worden door een bijkomende investering in het aanstellen van een verpleegkundig specialist. Het INTERCARE-model toont aan dat een gelijkaardige verbetering mogelijk is door te investeren in de bestaande bestaffing. Een belangrijke voorwaarde hiervoor is dat een verpleegkundige deeltijds vrijgesteld kan worden om deze rol op te nemen. Door te investeren in verpleegkundige competenties kan op een structurele manier worden gewerkt aan kwaliteit de kwaliteit van zorg binnen een woonzorgcentrum.
Bron: Zúñiga F, Guerbaai RA, et al. Positive effect of the INTERCARE nurse-led model on reducing nursing home transfers: A nonrandomized stepped-wedge design. Journal of the American Geriatrics Society 2022. 70(5):1546-1557.
Virtual reality tijdens wordzorg als effectieve strategie in het managen van pijn
Bastiaan Van Grootven, Nursing Science, Department Public Health, University of Basel; Department of Public Health and Primary Care, KU Leuven.
Context
Wondzorg kan veel pijn en angst veroorzaken. Bepaalde groepen zijn hier bijzonder gevoelig aan, bijvoorbeeld personen met zware brandwonden of kinderen met angst. Virtual reality (VR) kan worden gezien als een afleidingsinterventie die inspeelt op de affectieve pijnperceptie, zoals bijvoorbeeld angst en anticipatie op pijn. VR is een veelbelovende strategie omdat het auditieve en visuele stimuli combineert als optimale afleiding. Bij kortdurig gebruik heeft het bovendien weinig tot geen bijwerkingen. Langdurig gebruik zou wel kunnen resulteren in duizeligheid of misselijkheid.
Doelstelling
Deze studie onderzocht de imact van VR-interventies op pijn en angst tijdens wondzorg van patiënten met een brandwonde in het ziekenhuis. Eerder uitgevoerde studies over dit onderwerp werden op een systematische manier in kaart gebracht in een literatuurstudie.
Samenvatting van de resultaten van de studie
Deze literatuurstudie onderzocht de gegevens van zeventien eerdere studies. De meeste daarvan werden uitgevoerd bij kinderen en adolescenten. VR reduceerde de pijn als de technologie ‘immersive’ was. Dit wil zeggen: als de patiënt actief in interactie moest gaan met de VR-wereld, zoals een opdracht doen. Passieve interventies waarbij de patiënten enkel waarnemen hadden geen effect. Dit wordt gezien als het equivalent van tv-kijken. Er was onvoldoende informatie om te ondezoeken of VR ook een effect had op angst, en er was onzekerheid of er een effect was op het verbeteren van de revalidatie.
Conclusie
De VR-interventies werden voornamelijk onderzocht bij kinderen met brandwonden. Het lijkt effectief te zijn in het reduceren van de pijn als patiënten een actieve opdracht moeten uitvoeren in de VR-wereld. Passieve interventies zijn niet voldoende om een sterk effect te bekomen.
Gevolgen voor de praktijk
Afleidingsinterventies, bijvoorbeeld het gebruik van muziek of een film, zijn al erkend als strategieën om om te gaan met pijn en angst. Deze studie toont aan dat actievere vormen door middel van VR-technologie een sterker effect hebben. Een mogelijke verklaring is dat sensorische prikkels minder worden waargenomen. De technologie lijkt voornamelijk bestudeerd bij kinderen en adolescenten en kent naast wondzorg ook nog toepassingen bij oncologische zorg, mond- en tandzorg, en intraveneuze zorg. Bij volwassenen wordt het voornamelijk ingezet bij revalidatie. VR lijkt dus een waardevolle bijdrage te kunnen leveren aan de kwaliteit van zorg. Indien het ook de opnameduur in een ziekenhuis kan reduceren, dan is het bovendien ook een kosteneffectieve strategie. Momenteel is er nog niet voldoende informatie beschikbaar om deze conclusie te maken.
Bron: Czech O, et al. Virtual reality intervention as a support method during wound care and rehabilitation after burns: A systematic review and meta-analysis. Complement Ther Med 2022. 68: 102837
Even ademen: Mindfulness voor verpleegkundigen reduceert stress
Bastiaan Van Grootven, Nursing Science, Department Public Health, University of Basel; Department of Public Health and Primary Care, KU Leuven.
Context
Verplegen is ongetwijfeld een zwaar beroep, zowel fysiek als mentaal. Meer dan de helft van de verpleegkundigen vertonen symptomen van stress, angst, depressie en burn-out. Voor velen vertaalt zich dit naar een negatieve work-lifebalance wat resulteert in een gedaalde betrokkenheid op het werk. Het gevolg: verpleegkundigen verlaten het beroep. Mindfulness is een effectieve manier om met stress om te gaan, waarbij je bewust aanwezig probeert te zijn in het hier en nu; je observeert wat je doet, ziet, voelt, zonder te oordelen. Het leunt dicht aan bij meditatie en yoga waarbij je ook bewust in het nu probeert te zijn, maar mindfulness kan je tijdens de shift en bij elke handeling toepassen.
Doelstelling
Deze studie onderzocht de impact van mindfulness op het psychologisch welzijn van verpleegkundigen. Eerder uitgevoerde studies over dit onderwerp werden op een systematische manier in kaart gebracht in een literatuurstudie.
Samenvatting van de resultaten van de studie
Deze literatuurstudie onderzocht de gegevens van elf eerder uitgevoerde studies. Deze studies werden uitgevoerd in het ziekenhuis, met verpleegkundigen werkzaam op intensieve zorgen, oncologie, en op algemene ziekenhuisafdelingen. In alle studies werd mindfulness aangeleerd door een coach, bijvoorbeeld tijdens een workshop. Tien van de elf studies toonden een positief effect op het welzijn van verpleegkundigen. Verpleegkundigen vertoonden minder stress, minder burn-out, meer zelfcompassie en waren meer mindful. Secondaire effecten waren minder symptomen van angst en depressie. Echter, een belangrijke bedenking is dat de kwaliteit van de studies variabel was.
Conclusie
Mindfulness is mogelijks een belangrijke strategie om om te gaan met de hoge stress binnen de gezondheidszorg. De resultaten moeten nog bevestigd worden in grotere studies.
Gevolgen voor de praktijk
Nu stress een kenmerk lijkt geworden te zijn van de verpleegkunde in de praktijk, is de vraag of welzijn geen integraal deel van het werkbeleid moet worden. Mindfulness lijkt daar mogelijks een antwoord op te bieden. Ook aanverwanten, zoals yoga en meditatie hebben in andere studies hun effect bewezen, gaande van minder stress, tot betere slaapkwaliteit en een hogere kwaliteit van leven. Nu we dergelijke interventies beginnen aan te bieden aan onze patiënten, is het misschien ook tijd om hun meerwaarde te ontdekken voor onszelf. Momenteel is het nog wachten op studies die de kosteneffectiviteit van deze interventies bij verpleegkundigen ondersteunt.
Bron: Sulosaari V, et al. The effectiveness of mindfulness-based interventions on the psychological well-being of nurses: A systematic review. Applied Nursing Research 2022. 64: 151565.
De implementatie van vroegtijdige zorgplanning voor oudere personen: structurele uitdagingen
Bastiaan Van Grootven, Nursing Science, Department Public Health, University of Basel; Department of Public Health and Primary Care, KU Leuven.
Context
De zorg voor oudere personen kenmerkt zich door een complexiteit van multimorbiditeit, kwetsbaarheid en diverse sociaal-psychologische noden en zorgvragen. Als gevolg worden oudere personen opgevolgd in de eerstelijnszorg, hebben ze af en toe nood aan acute zorg, en komen de meesten vroeg of laat in aanraking met residentiële zorg. Een zorgtransitie tussen settings (bijvoorbeeld een opname in het ziekenhuis) is vaak een kritiek punt waarbij er nood is aan informatie uit een andere setting om de zorg goed te kunnen plannen. Vroegtijdige zorgplanning is een effectieve interventie om met deze complexiteit om te gaan zodat de wensen, doelen en waarden van personen centraal staan in de zorg. In België is vroegtijdige zorgplanning voornamelijk geïmplementeerd onder de vorm van een ‘DNR’-code, maar het concept kan veel meer dan dit betekenen. In Signapore werd in nationaal programma voor vroegtijdige zorgplanning geïmplementeerd in de drie grote settings (ziekenhuis, eerstelijn en residentieel).
Doelstelling
Deze studie onderzocht de ervaringen van hulpverleners met de implementatie van vroegtijdige zorgplanning, om te onderzoeken wat de grote uitdagingen waren.
Samenvatting van de resultaten van de studie
107 hulpverleners participeerden in focusgroepdiscussies. Op het niveau van de hulpverleners was taal een belangrijke barrière. Op niveau van het implementatieproces ervaarden hulpverleners een gebrek aan training (een eenmalig trainingsprogramma was niet voldoende), vonden ze gesprekken rond vroegtijdige zorgplanning complex (dit werd als tijdrovend beschouwd), veel gesprekken werden niet geregistreerd in het online systeem of hulpverleners wisten niet hoe ze vroegtijdige zorgplanningsdocumenten moesten raadplegen. Op niveau van de context was er een gebrek aan bewustzijn rond vroegtijdige zorgplanning bij oudere personen (hulpverleners vonden dat veel patiënten er niet voor open stonden), en partnerships tussen zorgorganisaties werden als essentieel geacht om zorgplanning structureel te integreren. Binnen organisaties hadden leidinggevende een belangrijke rol. Dit ging over het uitspreken van steun, het creëren van een cultuur van vroegtijdige zorgplanning, het investeren in ondersteunende systemen, en het engageren van artsen.
Conclusie
De implementatie van vroegtijdige zorgplanning is complex en dient ondersteund te worden op verschillende niveaus.
Gevolgen voor de praktijk
De resultaten tonen aan dat vroegtijdige zorgplanning de goede wil van een verpleegkundige, afdeling of zelfs instelling overstijgt. De belangrijkste factoren voor een goede implementatie bevinden zich op het niveau van hoe we zorg organiseren. Dit vraagt een coördinatie op nationaal niveau, integratie van vroegtijdige zorgplanning in alle elektronische patiënten dossiers, structurele samenwerking met regionale zorgpartners, gedragenheid door professionele organisaties, en een sterk leiderschap binnen gezondheidszorgorganisatie die een visie kunnen vertalen in goede zorg.
Bron: Malhotra C, et al. Complexity of implementing a nationwide advance care planning program: results from a qualitative evaluation. Age and Ageing 2022. 51:10. doi: 10.1093/ageing/afac224
Ziekenhuiszorg aan huis: een blik op de toekomst
Bastiaan Van Grootven, Nursing Science, Department Public Health, University of Basel.
Context
De COVID-19-pandemie daagde zorgsystemen uit om alternatieve vormen van acute zorg aan te bieden. Het concept ‘hospital at home’ – het aanbieden van tijdelijke ziekenhuiszorg bij de patiënt thuis – kwam zo in een stroomversnelling. Hulpverleners gaan naar patiënten thuis voor de diagnostiek (bv. labo), dagelijkse zorg (bv. wondzorg), opvolging (bv. parameters) en behandeling (bv. intraveneuze medicatie). Dit concept is niet gelijk aan telemonitoring, waarbij een patiënt vanop afstand wordt gemonitored.
Doelstelling
Deze studie onderzocht de impact van ‘hospital at home’ bij patiënten met een chronische ziekte die zich aanmelden op de dienst spoedgevallen. Eerder uitgevoerde studies over dit onderwerp werden op een systematische manier in kaartgebracht in een literatuurstudie.
Samenvatting van de resultaten van de studie
De literatuurstudie identificeerde negen onderzoeken die werden uitgevoerd bij patiënten met hartfalen, COPD, neuromusculaire aandoeningen, en een doorgemaakt cardiovasculair accident. ‘Hospital at home’ resulteerde in een kleine reductie van ongeplande heropnames in het ziekenhuis (van 14.1% naar 11.1%), en in een grote reductie van opnames in kortverblijf of langdurige revalidatie (van 9.7% naar 0.6%). De zorg duurde gemiddeld vijf dagen langer bij de patiënt thuis. Er was geen verschil in sterftes, maar patiënten thuis hadden minder symptomen van angst en depressie.
Conclusie
De auteurs concluderen dat ‘hospital at home’ een veilig alternatief kan zijn voor ziekenhuiszorg bij patiënten met een chronische aandoening die zich aanmelden op spoed, en mogelijks de voorkeur kan krijgen gezien het lager aantal heropnames en minder nood aan langetermijnzorg. De auteurs konden door het opzet van deze studie niet achterhalen welke de beste manier is om ‘hospital at home’ aan te bieden.
Gevolgen voor de praktijk
De conclusies liggen in lijn met andere studies over ‘hospital at home’ bij patiënten met acute en oncologische aandoeningen. Het kan gelijkwaardige zorg bieden op een veilige manier waarbij patiënten mogelijks meer tevreden zijn en waarbij mogelijks de kost lager is. In contrast met deze studie vonden andere literatuurstudies een kortere zorgduur bij patiënten thuis. Om zulke programma’s binnen ons zorglandschap aan te bieden zijn er nog belangrijke knelpunten, bijvoorbeeld de selectie van de juiste patiënt, de organisatie van zorg over zorgsettings heen, en nomenclatuur voor dit type zorg. Hoewel in de Verenigde Staten al programma’s bestaan, is het in België nog wachten op pilootprojecten die de uitdagingen en oplossingen voor implementatie in kaart kunnen brengen.
Bron: Arsenault-Lapierre G, et al. Hospital-at-home interventions vs in-hospital stay for patients with chronic disease who represent to the emergency department. A systematic review and meta-analysis. Jama Network Open 2021. 4(6): e2111568.


