Van ligduur naar zorgcontinuïteit: de impact van kortere ziekenhuisopnames

Ziekenhuisopnames worden al jaren korter. Meer ingrepen gebeuren in dagzorg, patiënten keren sneller terug naar huis en zorgtrajecten verlopen steeds efficiënter. Die evolutie riep evenwel vragen op in het zorgveld zelf. Wat betekent sneller ontslag voor de kwaliteit en veiligheid van zorg? Leidt een korter verblijf tot meer heropnames, of blijft het systeem overeind? Vanuit die bezorgdheid vroeg het zorgveld aan het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) om die impact te onderzoeken. Het antwoord is tegelijk geruststellend en uitdagend. Kortere ziekenhuisopnames leiden niet tot meer heropnames of sterfte. Maar wie alleen die conclusie bekijkt, mist een belangrijk deel van het verhaal.

Begin 2026 publiceerde het KCE het rapport Leiden een stijging van dagopnames en een korter ziekenhuisverblijf tot meer heropnames en overlijdens[1]? Ziekenhuizen verkorten hun ligduur niet toevallig. Ze reageren op een groeiende zorgvraag, aanhoudende personeelstekorten en beleidskeuzes die inzetten op een efficiënter gebruik van middelen. Tegelijk stelde het zorgveld zich vragen bij de gevolgen van die evolutie. Ziekenhuizen en beleidsinstanties wilden weten of kortere opnames geen ongewenste neveneffecten hebben op de kwaliteit en veiligheid van zorg. Vanuit die concrete bezorgdheid startte het KCE dit onderzoek.

De cijfers tonen hoe uitgesproken die trend is. Waar in 2008 nog 58 procent van de geplande heelkundige ingrepen in dagopname gebeurde, steeg dat aandeel in 2022 tot bijna 66 procent. De gemiddelde verblijfsduur na een operatie daalde in dezelfde periode van zes naar vijf dagen. “Die beweging zien we al jaren”, zegt KCE-onderzoeker Koen Van den Heede. “Ze past binnen een bredere evolutie waarbij ziekenhuizen zorgtrajecten anders organiseren en patiënten sneller naar huis laten gaan. Uiteraard alleen waar dat veilig kan.” Precies die vraag, of snelheid geen risico’s inhoudt, stond centraal in het onderzoek.

Onderzoek met een heel brede scope

Het KCE analyseerde ruim 25 miljoen ziekenhuisopnames tussen 2008 en 2022. Daarbij maakten de onderzoekers een onderscheid tussen geplande heelkundige ingrepen in dagziekenhuizen en klassieke hospitalisaties voor medische aandoeningen en operaties. Ze focusten op twee kernuitkomsten: ongeplande heropnames en sterfte binnen de 30 dagen na ontslag. Om evoluties doorheen de tijd correct te vergelijken, corrigeerden ze voor factoren zoals leeftijd en comorbiditeiten. “Dat brede cijfermateriaal zegt veel over wat er in en kort na het ziekenhuis gebeurt,” zegt Koen, “maar nog niet over wat zich daarna in de zorgketen afspeelt.”

Het huidige rapport vormt dan ook het eerste deel van een tweeluik. “In dit eerste luik brengen we algemene tendenzen in kaart en onderzoeken we of kortere opnames samenhangen met negatieve ziekenhuisuitkomsten. In het tweede deel, dat we eind 2026 willen publiceren, verruimen we die blik. Dan kijken we expliciet naar mogelijke verschuivingen richting spoeddiensten, huisartsen, thuisverpleging, mantelzorgers en andere spelers in de ambulante zorg, en naar eventuele kostverschuivingen binnen het bredere zorgsysteem.”

Geen negatieve impact op ziekenhuisuitkomsten

De belangrijkste conclusie van dit eerste deel van het rapport is duidelijk: gemiddeld genomen leiden kortere ziekenhuisopnames niet tot meer heropnames of sterfte. Op nationaal niveau blijven die cijfers stabiel of dalen ze zelfs licht. Bij geplande ingrepen in dagziekenhuizen bleef het percentage ongeplande heropnames rond één procent. Bij klassieke hospitalisaties voor geplande heelkundige ingrepen lag dat cijfer hoger, rond drie procent, maar ook daar zagen de onderzoekers geen stijgende trend. Sterfte binnen de dertig dagen na ontslag bleef uiterst laag en stabiel, rond 0,05 procent. “Dat resultaat is belangrijk”, verklaart Koen. “Het toont aan dat de verkorting van ziekenhuisopnames geen negatieve impact heeft op de uitkomst voor de patiënt.”

Die evolutie is mogelijk door medische en organisatorische innovatie. Zorgverleners werken met minder invasieve technieken, verbeteren pijn- en anesthesiebeheer en starten sneller met mobilisatie en revalidatie. Ook verpleegkundigen spelen daarin een sleutelrol, onder meer in observatie, educatie en ontslagvoorbereiding. Koen: “Dat klinkt allemaal heel positief, toch moeten we alert zijn voor de risico’s die deze verschuiving met zich meebrengt.”

Gemiddelden vertellen niet het hele verhaal

Die geruststellende cijfers vragen om nuance. Gemiddelden zeggen weinig over individuele situaties. Bij oudere en kwetsbare patiënten blijft het risico op ongeplande heropnames hoog, ook al zien we doorheen de tijd geen verslechtering. Koen: “Bij 85-plussers daalt de ligduur, terwijl heropnames en sterfte na ontslag stabiel blijven of zelfs licht afnemen. Dat is positief, maar tegelijk blijft het niveau van ongeplande heropnames hoog, rond negen à tien procent. Dat vraagt blijvende waakzaamheid, zeker bij ontslagvoorbereiding. Net voor deze groep moet je extra zorgvuldig afwegen of sneller ontslag wenselijk is. Soms is een extra nacht in het ziekenhuis gewoon de beste keuze.”

Ook de context buiten het ziekenhuis speelt een rol. Sociale factoren blijven vaak onder de radar in administratieve data, terwijl ze in de praktijk doorslaggevend zijn. Wie alleen woont of weinig ondersteuning heeft, loopt meer risico om thuis in de problemen te komen. Die elementen blijven grotendeels buiten beeld in dit eerste deel van het onderzoek.

Daarnaast bestaan er duidelijke verschillen tussen ziekenhuizen, los van de verkorting van de ligduur. De algemene tendens is helder: kortere opnames leiden niet automatisch tot slechtere uitkomsten. Dat betekent evenwel niet dat kwaliteit van zorg overal gelijk is. “Uit een onderzoek van de KU Leuven [2] weten we dat ongeplande heropnames sterk verschillen tussen ziekenhuizen, zelfs na correctie voor patiëntkenmerken. Dat wijst eerder op verschillen in kwaliteitsbeleid en zorgorganisatie. Transparantie blijft daarom essentieel om die verschillen zichtbaar te maken en gericht aan te pakken. Alleen zo vermijd je dat beleidskeuzes gebaseerd worden op gemiddelden die de realiteit op afdelingen onvoldoende weerspiegelen.”

Zorg verschuift, complexiteit concentreert

De verkorting van ziekenhuisopnames verandert niet alleen waar zorg plaatsvindt, maar ook wie in het ziekenhuis blijft. Ingrepen met een lager risico verschuiven naar dagziekenhuizen of ambulante trajecten, waardoor vooral patiënten met hogere medische risico’s en complexere zorgnoden opgenomen blijven. “De patiënten die wel blijven, vragen gemiddeld intensievere zorg”, zegt Koen. “We zien een duidelijke concentratie van complexiteit, met meer instabiele patiënten en een hogere zorgzwaarte.”

Tegelijk schuift zorg sneller door naar de eerste lijn en de thuissituatie. Huisartsen, thuisverpleegkundigen en kinesitherapeuten nemen patiënten vroeger over, vaak met complexere zorgvragen. Ook mantelzorgers krijgen sneller verantwoordelijkheid, terwijl niet elke patiënt op een sterk netwerk kan rekenen. “De hypothese is duidelijk: zorg verschuift”, aldus Koen. “In het tweede deel van het onderzoek willen we dat ook concreet aantonen.”

Die verschuiving maakt één zaak onmiskenbaar duidelijk: efficiëntie in het ziekenhuis is een schakel in een breder zorgcontinuüm. Het vraagt afstemming, duidelijke communicatie en gedeelde verantwoordelijkheid over zorglijnen heen. Gebeurt dat niet, dan verplaatst de druk zich eenvoudigweg van het ziekenhuis naar de rest van het zorgsysteem. Een vlot ontslag stopt niet aan de ziekenhuisdeur.”

[1] Bouckaert Nicolas, Savoye Isabelle, Zeevaert Renate, Devos Carl, San Miguel Lorena, Van den Heede Koen. Leiden een stijging van dagopnames en een korter ziekenhuisverblijf tot meer heropnames en overlijdens ?. Health Services Research (HSR). Brussel. Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE). 2026. KCE Reports 412AS. DOI: 10.57598/R412AS.

[2] Van Wilder A, Bruyneel L, Cox B, et al. Identifying high-impact-opportunity hospitals for improving healthcare quality based on a national population analysis of inter-hospital variation in mortality, readmissions and prolonged length of stay. BMJ Open 2025;15:e082489. DOI: 10.1136/bmjopen-2023-082489


“Laat mij helpen”: delegatie als wisselwerking binnen het team

De gewijzigde Wet op de Uitoefening van de Gezondheidszorgberoepen (WUG) leidt zorgorganisaties richting gemengde teams met verschillende verpleegkundige rollen, zorgkundigen en logistieke medewerkers. Dat vraagt meer coördinatie op de werkvloer en meer delegatie van taken. Alleen voelt dat voor veel verpleegkundigen nog onwennig. “Tot voor kort werd in bijna geen enkele verpleegkundige opleiding iets gezegd over leiderschap of delegeren”, zeggen Nele De Roo en Sabrina Nachtergaele, onderzoekers binnen de Arteveldehogeschool. Met hun onderzoek willen ze daar verandering in brengen.

Binnen de onderzoeksgroep ‘Leiderschap in de zorg’ onderzoeken Nele en Sabrina hoe delegerende en coördinerende vaardigheden concreet aangeleerd kunnen worden. Maar wat betekent delegeren eigenlijk, en wat vooral niet? “Delegatie is geen eenrichtingsverkeer”, verduidelijkt Nele. “Het gaat niet over de verpleegkundige die zegt wat de zorgkundige moet doen. Het gaat over wisselwerking: samen bekijken wie op dat moment het best geplaatst is om een taak veilig en kwaliteitsvol op te nemen, met de patiënt als kompas.”

Dat betekent ook dat delegeren in alle richtingen kan bewegen. “Een zorgkundige kan bijvoorbeeld aangeven: ‘Ik voel me hier niet veilig bij. Kan jij even overnemen?’ En de verpleegkundige kan dan terugkoppelen: ‘Prima, dan neem jij iets anders op om mijn takenpakket te verlichten.’ Die wederkerigheid maakt het verschil tussen taakverdeling en echte samenwerking”, vult Sabrina aan.

Vertrouwen als hefboom

Waarom blijft delegeren dan zo moeilijk? Nele wijst op meerdere drempels: onduidelijke rolafspraken, onzekerheid over bekwaamheden, een teamcultuur waarin feedback geven niet vanzelfsprekend is en onduidelijkheid over de eindverantwoordelijkheid. “Als je delegeert, blijf je eindverantwoordelijk. Dat maakt dat mensen soms liever alles bij zichzelf houden.” Net daarom zijn vertrouwen en communicatie cruciaal. In teams waar fouten bespreekbaar zijn en waar feedback geven normaal is, verloopt delegatie vlotter. Sabrina: “Als je weet dat collega’s terugkoppelen, en je durft te zeggen: ‘ik ben iets vergeten’ of ‘ik twijfel’, dan voelt die verantwoordelijkheid minder eenzaam.”

Checklist in plaats van handeling

In hun teamtrajecten zoeken Nele en Sabrina ook naar werkbare afspraken binnen het wettelijke kader. Zo werd op een afdeling met veel patiënten met katheters en infusen aan zorgkundigen gevraagd om op extra momenten te observeren met een checklist: wat is normaal, wat zijn alarmsignalen, wanneer schakel je een verpleegkundige in? “Een zorgkundige mag geen katheter aanbrengen,” zegt Sabrina, “maar kan wel snel afwijkingen opmerken en tijdig hulp vragen. Zo verhoog je de veiligheid en win je tijd.”

De voordelen van delegeren zijn duidelijk, maar wat als je het niet doet? Nele waarschuwt: “Dan dreigt missed care: basiszorg die verschuift naar ‘als er nog tijd is’. Bovendien verhoogt de werkdruk als je alles bij jezelf houdt. In de literatuur zien we dat dit vooral bij jonge verpleegkundigen het risico op overbelasting en burn-out vergroot.”

Spiegel voor het werkveld

Om teams gericht te ondersteunen ontwikkelde de onderzoeksgroep een delegeerscan: een zelfevaluatie die peilt naar vaardigheden zoals verantwoordelijkheid opnemen, communicatie en veilig coördineren. “De tool helpt je om je bewust te worden van je eigen vaardigheden om te delegeren”, zegt Sabrina.

De onderzoekers pleiten ervoor om delegeren vooral vanuit teams zelf te laten groeien. “Neem tijd om samen te bespreken: wat verwachten we van elkaar, wat kan hier wel, wat is een stap te ver?”, zegt Nele. “Dat verschilt per afdeling en samenstelling.” Sabrina ziet in zulke gesprekken vaak het kantelpunt: “Een verpleegkundige zei ooit: ‘Ik vind het lastig om jou die vervelende taak te geven.’ De zorgkundige antwoordde: ‘Alleen al dat jij dat benoemt, maakt dat ik het met meer goesting doe.’ Dat is vertrouwen bouwen in de praktijk.”

Hoe sterk zijn jouw delegerende vaardigheden? De scan helpt om dat te evalueren en ermee aan de slag te gaan. Interesse? Mail naar nele.deroo@arteveldehs.be.

Bron: Onderzoek Zorgkracht: de impact van taakverschuiving binnen de zorg  – Onderzoeksgroep  ‘Leiderschap in zorg’


Wat wil je nog?

Nathalie Moray is verpleegkundige tot in haar vezels. Tegelijk is ze doctor in de toegepaste economie, bio-ethicus en was ze jaren actief als onderzoeker, docent en leidinggevende. De voorbije drie jaar werkte ze opnieuw aan het bed van de patiënt, op de dienst hematologie van het UZ Gent. “Mijn kompas is altijd hetzelfde gebleven”, zegt ze. “Ik wil werken vanuit waarden en streef naar sociale impact. Ik wil bijdragen aan wat er echt toe doet.” Sinds januari 2026 staat ze met diezelfde gedrevenheid in een nieuwe functie als zorgmanager bij AZ Delta.

DE UITDAGING

Welke ethische uitdagingen zie jij binnen jouw domein? Welke boeien jou het meest?

Op haar afdeling begeleidt Nathalie mensen met ernstige bloedziekten. Sommigen kunnen nog genezen, anderen niet. Bij een groeiende groep blijft de toekomst jarenlang onzeker. “We zijn als samenleving geëvolueerd in hoe we naar palliatieve zorg kijken,” zegt ze, “maar toch blijft het lastig om de dood bespreekbaar te maken. Er is nog altijd veel schroom, zelfs bij zorgverleners.”

Dat is opvallend, zeker met alle medische vooruitgang. “Patiënten met ongeneeslijke aandoeningen leven langer dan vroeger. Maar juist daardoor wordt de nood om met hen over het levenseinde te praten vaak uitgesteld. Terwijl die gesprekken cruciaal zijn, niet alleen in de laatste weken, maar al veel vroeger. Wat wil je nog? Wat geeft je leven betekenis? Wie staat rondom jou?”

Haar passie ligt precies op dat snijvlak van zorg en zingeving. “In principe kan elke hulpverlener zo’n gesprek openen. Vaak zitten de ingangen voor zo’n gesprek gewoon in alledaagse momenten.”

Sommige patiënten komen voor zeer harde keuzes te staan. “Onlangs had een van onze patiënten de keuze tussen twee jaar extra overleven met ondersteunende therapie, of een zware behandeling met 35 procent kans op genezing en een groter risico op levensbedreigende complicaties. Dat zijn existentiële beslissingen. Ze verdienen tijd, veiligheid en een diepgaand gesprek. Hoe meer ruimte hiervoor is vroeg in het behandeltraject, hoe sterker we de zorgplanning kunnen afstemmen op de waarden en levensdoelen van de patiënt.”

DE TOOL: HET VERHAAL ACHTER DE DIAGNOSE

Welke methode vind je zelf bruikbaar om hiermee om te gaan?

Zelf zoekt Nathalie naar laagdrempelige manieren om dat gesprek te openen. “Het hoeft niet groots of zwaar te zijn. Soms gebruik ik een slechtnieuwsgesprek als aanleiding. Dan vraag ik gewoon: ‘Wat doet dat met je? Wat heb je nodig? Hoe zie je de komende periode?’ Daardoor ontstaat ruimte voor het verhaal achter de diagnose.”

Een van de methodieken die ze enorm waardevol vindt, is die van Amfora, een vzw die levensverhalen vastlegt van mensen in een palliatieve fase. “Zo’n levensverhaal vormt een soort geestelijk testament. De gesprekken worden gevoerd door vrijwilligers, maar wij reiken het aan. Dat vraagt moed: je kent de patiënt, maar het blijft spannend om te vragen: ‘Zou je je verhaal willen nalaten aan je geliefden?’ Soms zegt iemand nee, en dat is oké. Maar als het lukt, is het magisch.”

Ook de Wensambulance raakt haar: een initiatief dat mensen met een beperkte levensverwachting en hoge zorgbehoefte helpt om nog één keer iets bijzonders te doen: naar zee, naar huis, naar een plek die veel betekent. “Wanneer je daaraan kan voldoen, erken je de persoon in een fundamentele en zeer pure vorm.”

Volgens Nathalie kan een vroeg gesprek over wat iemand nodig heeft om het leven op zijn manier af te ronden, enorm veel in beweging zetten. “Als je daar tijdig mee begint, kunnen mensen veel meer uitklaren en uitspreken.” Tegelijk blijft ze realistisch. “Niet iedereen heeft daar een boodschap aan. Sommige mensen willen hun palliatieve fase niet benoemen, zelfs niet op het sterfbed. En ook dat is oké. Zolang zorgverleners eerlijke informatie geven over de gezondheidssituatie en risico’s, en blijven vragen hoe ze het best kunnen ondersteunen, is het aan de patiënt om te bepalen hoe die daarmee omgaat.

“Dat sluit perfect aan bij persoonsgerichte zorg. Op een bepaald moment heb je als individu het recht om te beslissen hoe je je leven eindigt; we hoeven daar niet betuttelend over te doen. Wie ben ik om iemand te zeggen wat nog mag of moet, in die laatste levensfase?”

Hoe ga je daarbij te werk?

Zingevingsgesprekken vergen iets van zorgverleners. “Je moet het durven,” zegt Nathalie. “Het vraagt ook sociale vaardigheden, maturiteit, oefening en een zekere kwetsbaarheid.” Ze wijst op het belang van ‘skilled companionship’: een balans tussen klinisch inzicht en relationele nabijheid. “We investeren veel in expertise en ‘skills’, maar te weinig in het relationele. Terwijl net dat de plek is waar excellentie besmettelijk wordt. Ik hoop dat het beleid echt inziet dat excellentie in gesprekken voeren, voelen wat voor iemand telt en daarop aansluiten, een kerntaak is van zorgorganisaties.”

Nathalie verwijst ook naar tools die helpen om ethische stress bespreekbaar te maken, zoals het model ‘Eerste Hulp bij Ethische Stress’ van Vitaz. “Het is geen stappenplan, maar een uitnodiging om samen te zoeken: wat knelt er en wat helpt ons vooruit? Ethisch reflecteren hoeft niet altijd formeel. Het mag klein, pragmatisch en alledaags zijn.”

Meer weten?

Amfora vzw – www.amfora.be

Eerste Hulp bij Ethische Stress – Vitaz (tijdschrift voor geneeskunde, 2023)

Hilde Ingels & Michel Morel, Eindelevensverhalen (Acco, 2022)

www.dewensambulance.be


Meten is pas weten als het klopt

De Functional Independence Measure (FIM) is een veelgebruikt meetinstrument in de revalidatiezorg om functionele vooruitgang van patiënten in kaart te brengen. Toch verschilt de manier waarop het instrument wordt ingezet sterk van ziekenhuis tot ziekenhuis. In haar masteronderzoek ‘De Functional Independence Measure: Implementatie, Benchmarking en Succesfactoren in Revalidatiezorg’ onderzocht beleidsmedewerker Erika Louwagie hoe de FIM vandaag wordt toegepast in Vlaanderen en waarom benchmarking aan de hand van FIM-scores voorlopig moeilijk blijft.

Context

De revalidatiezorg in Vlaanderen omvat een brede en complexe patiëntenpopulatie, van orthopedische revalidatie tot ernstige neurologische aandoeningen. Betrouwbare meetinstrumenten zijn cruciaal om functionele vooruitgang zichtbaar te maken en kwaliteitsverbetering te ondersteunen. De Functional Independence Measure (FIM) is internationaal erkend en wordt in de meeste revalidatiesettings in de Vlaamse ziekenhuizen gebruikt, vaak in combinatie met andere methodes om een volledig beeld van het functioneren te krijgen.
Tot nu was er weinig zicht op hoe zorgverleners het instrument in de dagelijkse praktijk ervaren. Ook leeft de vraag of de FIM-scores naast individuele zorgopvolging ook kunnen dienen als basis voor benchmarking, binnen en tussen ziekenhuizen.

Methode

Erika Louwagie combineerde voor haar onderzoek een brede bevraging met diepte-interviews. Via vragenlijsten bevroeg ze Vlaamse revalidatieziekenhuizen en ziekenhuizen met een revalidatiedienst over het gebruik van de FIM, afnamemomenten, opleiding, knelpunten en succesfactoren. Daarbij was expliciet aandacht voor de ervaringen van verpleegkundigen, die het instrument vaak afnemen. Daarnaast interviewde ze leden van het management om zicht te krijgen op organisatorische keuzes, visie en ondersteuning. Zo bracht ze zowel de werkvloer als het beleids- en organisatieniveau in kaart.

Resultaten

Uit het onderzoek blijkt dat zorgverleners het motorische luik van de FIM als praktisch, betrouwbaar en haalbaar in de dagelijkse zorg ervaren. Het cognitieve luik blijkt minder geschikt voor complexe patiëntengroepen en leidt vaker tot interpretatieverschillen, waardoor het klinisch oordeel een belangrijke rol blijft spelen.

Daarnaast stelt Erika vast dat ziekenhuizen sterk verschillen in wanneer en door wie de FIM wordt afgenomen, en in de mate waarin zorgverleners hiervoor worden opgeleid. Die verschillen ondermijnen de objectiviteit en vergelijkbaarheid van resultaten en maken benchmarking vandaag moeilijk. De resultaten tonen ook aan dat implementatie sterk samenhangt met organisatorische factoren zoals managementbetrokkenheid, duidelijke procedures, opleiding en digitale ondersteuning.

Conclusie

De FIM is een waardevol instrument om functionele vooruitgang in de revalidatiezorg te meten, vooral op motorisch vlak. Tegelijk maakt het onderzoek duidelijk dat meten pas bijdraagt aan kwaliteitsverbetering wanneer het instrument goed ingebed is in de organisatie. Pas wanneer metingen objectief, consistent en goed ondersteund gebeuren, kan benchmarking een zinvolle volgende stap zijn. Verpleegkundigen spelen daarin een sleutelrol: zij nemen het instrument vaak af, beschikken over een uitgebreid patiëntbeeld en bepalen mee de kwaliteit en objectiviteit van de data. Alleen wanneer zij voldoende ondersteund worden en meetinstrumenten verankerd zijn in de dagelijkse werking, kan meten uitgroeien tot een hefboom voor betere zorg.

Erika Louwagie

Werkte eerst een aantal jaren in de praktijk als ergotherapeut en maakte na deze praktijkervaring de overstap naar beleidsmedewerker bij de Vlaamse overheid, Departement Zorg op de afdeling Eerste Lijn en Gespecialiseerde Zorg. Ze voerde haar onderzoek in het kader van een bijkomende masteropleiding Gezondheidswetenschappen met als specialisatie Management en Kwaliteitszorg.


Kinderverpleegkunde | Intensieve zorg op maat voor jongeren met obesitas

Ruim twee jaar is de zorg voor kinderen en jongeren met overgewicht en obesitas in België grondig versterkt. Dankzij de invoering van pediatrische multidisciplinaire obesitascentra (PMOC) en de volledige terugbetaling van dieetadvies wordt eerst maximaal ingezet op ambulante begeleiding. Voor jongeren bij wie dat traject onvoldoende blijkt, vormt het Zeepreventorium in De Haan een noodzakelijke volgende stap.

Kinderen en jongeren worden vandaag eerst opgevolgd via de huisarts, het CLB of Kind en Gezin en starten vervolgens in een PMOC. “Dat is een belangrijke verandering sinds de maatregel van december 2023”, verduidelijkt Inge Wuyts, maatschappelijk werker in het Zeepreventorium. “De bedoeling is om het ambulante traject maximaal te benutten. Soms dringt een intensievere begeleiding zich op en kan een doorverwijzing naar een residentieel revalidatiecentrum aangewezen zijn.”

Die doorverwijzing gebeurt via een uitgebreid aanmeldingsformulier met medische gegevens, maar ook met duidelijke doelstellingen voor het verblijf. “Het gaat niet alleen over gewicht”, benadrukt Axelle Beniest, verpleegkundige in een van de leefgroepen. “We werken rond fysieke conditie, therapietrouw, mentaal welzijn en de draagkracht van het gezin. Vaak lopen die doelen door elkaar en worden ze tijdens het traject bijgestuurd.”

Holistische aanpak in de praktijk

Het Zeepreventorium werkt volgens een uitgesproken multidisciplinaire aanpak. Jongeren krijgen wekelijks begeleiding door een psycholoog en diëtist en volgen meerdere bewegingssessies per week bij de kinesitherapeut. “Maar het stopt daar niet”, zegt Axelle. “Wij werken hier echt holistisch. Lichaam en geest beïnvloeden elkaar voortdurend. Als jongeren zich fysiek beter voelen, zie je vaak ook mentale vooruitgang en andersom.”

Verpleegkundigen maken integraal deel uit van die aanpak. Ze volgen medische parameters zoals bloeddruk en glycemie op, begeleiden medicatiegebruik en stemmen dagelijks af met de arts. “Veel jongeren komen hier met bijkomende aandoeningen zoals diabetes type 2 of hypertensie”, zegt Axelle.

Vertrouwen, educatie en ouders betrekken

“Het mooie aan onze job is dat je medische opvolging kan combineren met dagelijkse begeleiding in de leefgroep. Daardoor leer je jongeren echt kennen”, vertelt Axelle. Die nabijheid creëert ruimte voor educatie, zowel naar jongeren als naar hun ouders. “Wat een arts vertelt, komt niet altijd binnen. Als verpleegkundige kan je dat vertalen, herhalen en kaderen. Dat gaat over medicatie, maar evengoed over leefstijl, hygiëne of adviezen opvolgen van de diëtist.” Ook ouders worden actief betrokken. “Bij jongere kinderen is dat essentieel”, vult Inge aan. “Gezonde gewoontes moeten thuis verdergezet worden. Dat vraagt begeleiding, soms ook heropvoeding. Ouders hebben daar vaak nood aan.”

Duurzame verandering vraagt tijd

De slaagkansen van een residentieel traject laten zich niet vatten in snelle cijfers. Obesitas is een chronische aandoening en vraagt blijvende aandacht, ook na ontslag. “Vermageren op zich is nooit het doel, maar wel de gezonde levensstijl die jongeren levenslang moeten volhouden”, benadrukt Inge.

Die duurzaamheid zit volgens het team vooral in het aanleren van vaardigheden en inzicht. “Jongeren die hier vertrekken, hebben geleerd wat hun lichaam nodig heeft en hoe ze met moeilijke momenten kunnen omgaan”, zegt Axelle. “Ze kennen hun valkuilen beter en weten wanneer ze hulp moeten inschakelen.” Dat vertaalt zich niet altijd in een lineaire vooruitgang. Sommige jongeren keren later terug voor een kort opfristraject, bijvoorbeeld tijdens de overgang naar volwassenheid. “Dat zien we niet als falen”, benadrukt Axelle. “Integendeel: het toont dat jongeren weten waar ze terechtkunnen en verantwoordelijkheid nemen voor hun gezondheid.”

Beter voorkomen dan genezen

Thuisverpleegkundigen spelen voor deze doelgroep vooral een rol bij medicatieopvolging, bijvoorbeeld bij jongeren met diabetes. Toch zien Inge en Axelle ook een bredere preventieve rol. “Thuisverpleegkundigen kunnen al vroeg signalen oppikken en die doorspelen aan de huisarts.” Cruciaal daarbij is communicatie. “Open en duidelijke communicatie is de sleutel”, besluit Inge. “Als gezinnen zich begrepen voelen, haken ze minder snel af. En dat maakt uiteindelijk het verschil in langdurige zorg.”


Medicatie | Farmacotherapie bij astma en COPD: rol van inhalatietherapie en biologicals

Door Gianni Wijnants1,2,4 en Thérèse Lapperre3,5

 

1 Departement Verpleeg- en Vroedkunde, Centre for Research and Innovation in Care (CRIC), Faculteit Geneeskunde- en Gezondheidswetenschappen, Universiteit Antwerpen 
2
Nurse and Pharmaceutical Care (www.nuphac.eu)
3 Faculteit Geneeskunde- en Gezondheidswetenschappen, Universiteit Antwerpen
4 Universitair Ziekenhuis Antwerpen
5Afdeling Pneumologie, Universitair Ziekenhuis Antwerpen

Prof. dr. Thérèse Lapperre (Uantwerpen, UZA) verzorgde een webinar in de reeks Medicatie Meesterlijk, een initiatief van NuPhaC en Centre for Research and Innovation in Care, Uantwerpen, om de kennis over farmacotherapie en farmaceutische zorg bij verpleegkundigen te verdiepen. Kon je er niet bij zijn? Hieronder een samenvatting van de belangrijkste inzichten rond obstructieve longziekten, inhalatietherapie en nieuwe behandelmogelijkheden.

Obstructieve longziekten: niet one size fits all

Astma en COPD worden vaak in één adem genoemd, toch berusten ze op verschillende ziekteprocessen en vereisen ze een andere aanpak. Astma is een chronische inflammatoire aandoening van de luchtwegen met symptomen zoals wheezing, kortademigheid en hoesten. Astma wordt gekenmerkt door een verdikte luchtwegwand en een verhoogde reactiviteit van gladde spiercellen, klachten variëren in de tijd en zijn vaak uitgelokt door allergenen, virussen, sigarettenrook of inspanning. Het gaat hier dus om een heterogene aandoening waarbij niet elke astmapatiënt hetzelfde is. Bij astma streven we naar volledige symptoomcontrole, geen nachtelijke klachten, geen nood aan noodmedicatie en een normale longfunctie. 1

COPD daarentegen is meestal het gevolg van langdurige blootstelling aan schadelijke deeltjes of gassen, zoals tabaksrook. Hierbij raken de (kleine) luchtwegen en/of alveolen blijvend beschadigd wat leidt tot aanhoudende respiratoire symptomen en een beperkte luchtstroom. Voorkomen is hier beter dan genezen, want de schade is onomkeerbaar. Het behandeldoel is dan ook realistischer namelijk klachten verlichten, exacerbaties beperken en verdere achteruitgang van de longfunctie afremmen 2.

Inhalatietherapie

Bij obstructieve longziekten draait de behandeling grotendeels om wat en vooral hoe patiënten inademen. Inhalatiemedicatie is de hoeksteen van de therapie, met middelen die rechtstreeks werken waar het probleem zich bevindt, in de luchtwegen. De belangrijkste groepen zijn de kort en langwerkende β₂-agonisten (SABA/LABA), kort en langwerkende muscarine-antagonisten (SAMA/LAMA) en inhalatiecorticosteroïden (ICS). Kortwerkende β₂-agonisten (SABA) zoals salbutamol verlichten snel maar worden volgens de huidige GINA-richtlijnen niet meer als monotherapie aanbevolen omdat ze de onderliggende inflammatie niet behandelen en bij overgebruik risico’s meebrengen zoals paradoxale bronchospasmen met exacerbaties en risico op gewenning.1

Bij mild astma wordt een combinatie van ICS en een langwerkende β₂-agonist (LABA), zoals formoterol in één inhalator (bv. Inuvair®) gebruikt als noodmedicatie. Bij matige vormen wordt dit ook als onderhoud toegepast (MART-principe: Maintenance and Reliever Therapy). 1,3-4 β₂-agonisten relaxeren het bronchiale gladde spierweefsel terwijl ICS luchtweginflammatie en exacerbaties verminderen maar vereisen correcte inhalatietechniek en therapietrouw. Naast de β₂-agonisten zijn er de muscarine-antagonisten. Kortwerkende vormen (SAMA) zoals ipratropium en langwerkende vormen (LAMA) zoals tiotropium blokkeren de muscarinereceptoren en zorgen eveneens voor relaxatie van de luchtwegen. Bijwerkingen zijn een droge mond en risico op verergering van urineretentie of glaucoom. Bij COPD vormen LABA/LAMA de standaardbehandeling om symptomen te verlichten en exacerbaties te voorkomen. Bij frequente opstoten kan toevoeging van ICS aan LABA/LAMA, samen triple-therapie genoemd, effectief zijn, vooral als er tevens sprake is van verhoogde bloed eosinofielen. ICS kan echter ook het risico op pneumonie bij COPD verhogen, zeker bij oudere patiënten. 2,5

Bij frequente exacerbaties kan azithromycine (500 mg, driemaal per week; of dagelijks 250 mg) bovenop inhalatietherapie het risico op opstoten verminderen bij zowel astma als COPD door een vermoedelijke antivirale, antibacteriële en immuunmodulerende werking. 6-7

Het belang van inhalatietechniek

Ademen gaat vanzelf maar inhaleren niet, en juist daar loopt het regelmatig mis. Een geneesmiddel verliest zijn waarde als het de longen nooit bereikt. Het succes van inhalatietherapie hangt dus niet alleen af van het geneesmiddel maar ook van het toestel en de inhalatietechniek. Dosisaerosolen (MDI) vragen een goede coördinatie tussen indrukken en rustig inademen. Zonder voorzetkamer of juiste techniek belandt een groot deel van de dosis in de keel in plaats van in de longen. Poederinhalatoren (DPI) activeren pas bij een krachtige inademing wat ze minder geschikt maakt voor patiënten met beperkte inspiratoire kracht. De soft mist inhaler (SMI) vormt een tussenoplossing met een langere zwevende mist die meer tijd geeft om correct te inhaleren. Verneveling wordt vooral toegepast bij ernstige opstoten in het ziekenhuis of wanneer het gebruik van andere toestellen niet mogelijk is. 8-12

“De meest duurzame inhalator is diegene die de patient correct gebruikt,” aldus prof. Lapperre. Een juiste techniek kost niets, maar bespaart veel. Educatie is daarom onmisbaar bij de start van therapie, na elke verandering en bij elke controle. Patiënten hebben nood aan duidelijke uitleg, een demonstratie en de kans om de techniek zelf te oefenen en herhalen. Leg stap voor stap het juiste gebruik uit: kin omhoog, volledig uitademen, daarna krachtig of juist rustig inademen afhankelijk van het type inhalator, mondstuk goed omsluiten en vervolgens 5 tot 10 seconden de adem vasthouden zodat het geneesmiddel optimaal inwerkt. Bij gebruik van ICS is het spoelen van mond en keel essentieel om schimmelinfecties en heesheid te voorkomen. Ook onderhoud is belangrijk, een DPI moet droog worden bewaard en een voorzetkamer moet wekelijks 30 minuten worden gereinigd in water met afwasmiddel en vervolgens aan de lucht worden gedroogd. 13-14

Nieuwe ontwikkelingen: biologicals

Voor patiënten met ernstig astma ligt de oplossing dieper in het immuunsysteem en zijn biologicals beschikbaar die zich richten op specifieke ontstekingsroutes (bv. anti-IgE, anti-IL-5, anti-IL-4/13, of TSLP-remmers). Biologicals verminderen de luchtweginflammatie, het aantal exacerbaties en de nood aan systemische corticosteroïden. Xolair®/omalizumab blokkeert IgE en wordt ingezet bij allergisch astma. Nucala®/Mepolizumab, Fasenra®/benralizumab en Cinqaero®/reslizumab richten zich op interleukine-5 (IL-5),  en verminderen eosinofiele ontsteking. IL-5 is een stof die verantwoordelijk is voor de aanmaak en overleving van eosinofielen, dit zijn ontstekingscellen die schade aan de luchtwegen veroorzaken. 15-16

Dupixent®/dupilumab blokkeert IL-4 en IL-13, cruciale cytokines in type 2-inflammatie. IL-4 en IL-13 zijn twee boodschapperstoffen die zorgen voor zwelling, slijmvorming en overgevoeligheid van de luchtwegen. Het meest recente middel, Tezspire®/tezepelumab, grijpt nog vroeger in op de ontstekingscascade door TSLP, een zogenoemd ‘alarmin’ te blokkeren. Hierdoor kan het ook effect hebben bij patiënten waarbij de klassieke T2 ontstekingsmarkers minder duidelijk aanwezig zijn. Biomarkers zoals bloed-eosinofielen of uitgeademde FeNO helpen bij selectie. 14-15 Bij ernstig COPD zijn de eerste studies met biologicals die inwerken op IL-5, IL-4/IL-13 en IL-33 veelbelovend maar de toepassing blijft voorlopig beperkt en terugbetaling in België is er nog niet. 17

Referenties

  1. Global Initiative for Asthma – GINA. News 2025. https://ginasthma.org/news/
  2. 2025 GOLD Report – Global Initiative for Chronic Obstructive Lung Disease – The global strategy for Diagnosis, Management and Prevention of COPD. https://goldcopd.org/2025-gold-report/
  3. Singh D, Corradi M, Bindi E, et al. Relief of methacholine-induced bronchospasm with extrafine beclomethasone dipropionate/formoterol in comparison with salbutamol in asthma. Pulm Pharmacol Ther. 2012;25(5):392-398.
  4. Papi A, Corradi M, Pigeon-Francisco C, Baronio R, Siergiejko Z, Petruzzelli S, et al. Beclometasone-formoterol as maintenance and reliever treatment in patients with asthma: a double-blind, randomised controlled trial. Lancet Respir Med. 2013;1(1):23-31.
  5. Pascoe S, Barnes N, Brusselle G, Compton C, Criner GJ, Dransfield MT, et al. Blood eosinophils and treatment response with triple and dual combination therapy in chronic obstructive pulmonary disease: analysis of the IMPACT trial. Lancet Respir Med. 2019;7(9):745-756.
  6. Gibson PG, Yang IA, Upham JW, Reynolds PN, Hodge S, James AL, et al. Effect of azithromycin on asthma exacerbations and quality of life in adults with persistent uncontrolled asthma (AMAZES): a randomised, double-blind, placebo-controlled trial. Lancet. 2017;390(10095):659-668.
  7. Albert RK, Connett J, Bailey WC, Casaburi R, Cooper JAD, Criner GJ, e.a. Azithromycin for Prevention of Exacerbations of COPD. New England Journal Of Medicine. 24 augustus 2011;365(8):689–98.
  8. Newman SP. Principles of metered-dose inhaler design. Eur Respir Rev. 2005;14(94):102-108.
  9. Kaur I, Singh H, Bhandari R, Kaur S, Arora S, Singh B, et al. Inhalation therapy: An update. Expert Opin Drug Deliv.2015; Epub ahead of print.
  10. Terzano C. Pressurised metered dose inhalers and add-on devices: which combination for which patient? Pulm Pharmacol Ther. 2001;14(5):351-366.
  11. Newman SP. Inhaler treatment options in COPD. Respir Care. 2005;50(9):1177-1190.
  12. Pitcairn G, Reader S, Pavia D, Newman SP. Deposition of corticosteroid aerosol in the human lung by metered-dose inhaler: Influence of actuator design. J Aerosol Med. 2005;18(3):264-272.
  13. Hagedoorn P, de Boer A, Frijlink HW. Het belang van inhalatietechnologie voor een optimale luchtwegbehandeling. Ned Tijdschr Allergie Astma. 2016;16(4):130.
  14. Alle inhalatoren – MyPuff [Internet]. MyPuff. 2025. https://www.mypuff.be/nl/puff/
  15. Brusselle GG, Koppelman GH. Biologic therapies for severe asthma. N Engl J Med. 2022;386(2):157-171.
  16. Lambrecht BN, Hammad H. The immunology of asthma. Nat Immunol. 2015;16(1):45-56.
  17. Polverino F, Sin DD. Type 2 airway inflammation in COPD. Eur Respir J. 2024;63(5):2400150.


Eigen schuld, dikke bult?

Ann Tanghe begon in 1990 als opvoedkundige in het Zeepreventorium. “Zowel de plek – een helende omgeving aan zee – en de doelgroep – kinderen met revalidatienoden – trokken me aan”, vertelt ze. Vier jaar later richtte ze er de obesitaswerking op. Vandaag is ze er algemeen directeur. “Ik geloof in wat deze setting kan betekenen. Kinderen kunnen hier niet alleen genezen, maar ook op adem komen.”

De uitdaging

Welke ethische uitdagingen zie jij binnen jouw domein? Welke boeien jou het meest?

“Toen we in 1994 met kinderen met obesitas begonnen te werken, heerste er nog sterk de idee: eigen schuld, dikke bult”, zegt Ann. “Er werd amper erkend dat het om een complexe aandoening gaat. De boodschap aan die kinderen was: beweeg meer, eet minder. Punt.” Voor Ann voelde dat fundamenteel onjuist. “Ik kon er als psycholoog niet bij dat we wel revalidatie boden voor longproblemen of diabetes, maar niet voor
deze groep.”

Intussen groeit bij professionals het besef dat obesitas een ernstige, complexe aandoening is, waarbij de verantwoordelijkheid niet zomaar bij het kind ligt. “Maar zelfs nu is het vingerwijzen niet verdwenen”, benadrukt Ann. “Toen bleek dat het diabetesmedicijn Ozempic® ook gewichtsverlies bevordert, ontstond meteen de discussie of mensen met obesitas dat middel wel verdienen. Alsof het een keuze is.” Volgens Ann heeft obesitas weinig te maken met wilskracht en alles met genetica, de context en weerbaarheid van kinderen. Het gaat vaak om psychologisch kwetsbare kinderen die onvoldoende ‘nee’ kunnen zeggen tegen alles wat op hen afkomt: lekkernijen, schermen, sociale druk – verleidingen waar elk kind gevoelig voor is. Onze samenleving zit vol prikkels die de problematiek versterken. “Als we kinderen vroeg leren gezonder leven, besparen we hen op lange termijn veel leed.”

Toch gaat ethiek in haar werk verder dan het tegengaan van stigma. “Wij zijn een gespecialiseerd revalidatiecentrum voor kinderen van 0 tot 18 jaar, met heel diverse aandoeningen – van diabetes, astma en mucoviscidose tot chronische vermoeidheid of brandwonden. We kunnen evenwel niet iedereen helpen. Wat doe je als meerdere kinderen tegelijk aankloppen met complexe noden? Wie help je eerst? En wie valt buiten de hulpverlening? We werken in de derde lijn, dus wie hier komt, legde al een lange weg af in de eerste en tweede lijn en heeft complexe revalidatienoden. Het is onmogelijk om te zeggen dat het ene probleem erger is dan het andere. En als wij nee zeggen, is er vaak geen vangnet meer.”

De tool: het opnameoverleg

“We beslissen nooit alleen over opnames, wel in een multidisciplinair opnameoverleg”, vertelt Ann. “Daar delen we de verantwoordelijkheid over de besluitvorming. De eerste vraag is: kan dit kind bij ons terecht? Zo niet, waar dan wel? Of onder welke voorwaarden zou het hier wel kunnen slagen? Wat is nodig om dat mogelijk te maken?”

Zo meldde zich onlangs een meisje aan met spina bifida – een aandoening waarvoor het Zeepreventorium klassiek geen revalidatie aanbiedt. “Het doel van dat meisje was glashelder: zelfstandig leren sonderen voor ze naar het eerste middelbaar ging. Aan zo’n specifieke – en heel waardevolle – doelstelling kunnen wij wel werken, ook al valt die buiten onze klassieke scope. We lieten onze verpleegkundigen bijscholen, want sondage is een handeling die ze niet vaak uitvoeren en die soms onzekerheid oproept. Ook het hele team werd meegenomen in de wenselijkheid van dit doel. Na zes weken kon het meisje het zelf.”

Hoe ga je daarbij te werk?

Zo’n traject vraagt veel van de medewerkers. “Je moet als team durven afwijken van het stramien.” Voor Ann is de ethische kernvraag: “Kunnen wij dat kind nu iets bieden waar het verder mee kan? En zo ja, hoe maken we dat mogelijk?”

“In sommige gevallen kunnen we effectief niks bieden. Kinderen met een zuiver psychologische of psychiatrische problematiek, bijvoorbeeld, vallen vaak buiten de scope, zeker omdat ze niet zouden gedijen in een drukke leefgroep. We trekken de grens bij wat wij kunnen bieden versus wat het kind nodig heeft, en communiceren daar vooraf helder over met ouders: hier stopt het en nu moeten we doorverwijzen. Soms kan het toch, zelfs bij een psychiatrische problematiek – als we de kans krijgen om samen te ontdekken wat het kind wel kan. Kinderen uitsluiten van onze hulp door rigide criteria, dat zou pas onethisch zijn.”


Hervorming van de Waalse verpleegkundeopleiding lokt discussie uit

Vanaf september 2026 verdwijnt ook in Wallonië de klassieke opleiding HBO5 verpleegkunde (‘brevet infirmier’). De regering van de Federatie Wallonië-Brussel transformeert de opleiding naar een driejarig traject tot ‘assistant en soins infirmiers’, wat overeenkomt met de basisverpleegkundige in Vlaanderen. Daarmee volgt ze het Vlaamse voorbeeld, waar de HBO5-opleiding in 2023 al werd omgevormd tot het graduaat basisverpleegkunde. De Algemene Unie van Verpleegkundigen van België (AUVB) steunt de hervorming, maar verzet zich tegen een aanpassing van de functietitel.

Sinds 1960 bestaan in België twee trajecten om verpleegkundige te worden: de bacheloropleiding en de HBO5-opleiding. Die laatste leidt in Wallonië naar de functietitel  ‘infirmier hospitalier’ en is sterk praktijkgericht, met veel stages voor een snelle inzetbaarheid op de werkvloer. De opleiding over de taalgrens werd in 2017 met een half jaar verlengd, naar 3,5 jaar, om te voldoen aan de eisen om door Europa erkend te worden. Dat leidt tot veel onduidelijkheden, zowel in het onderwijs als op de werkvloer. Een structurele hervorming, waarbij de opleiding wordt omgezet naar die van de basisverpleegkundige of ‘assistant en soins infirmiers’, lijkt de beste optie om te voldoen aan de regelgeving. Tegelijkertijd biedt het een duurzame oplossing voor de zorgsector en helpt het de verschillen in ons land weg te werken.

In de voetsporen van Vlaanderen

Vlaanderen sprong twee jaar geleden al mee op de kar. Sinds het academiejaar 2023-2024 hervormde Vlaanderen de HBO5-opleiding tot de driejarige graduaatsopleiding basisverpleegkunde. Daarmee voldoet de opleiding opnieuw aan de Europese erkenningsvoorwaarden en ontstaat een duidelijker onderscheid tussen de twee verpleegkundige profielen: de basisverpleegkundige (na de driejarige graduaatsopleiding) en de verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg of VVAZ (na de vierjarige bacheloropleiding).

De bedoeling is dat de VVAZ meer autonomie krijgt in complexe en gespecialiseerde zorg, terwijl basisverpleegkundigen een deel van de verpleegkundige activiteiten opnemen binnen mindere complexe zorg. Dit moet leiden tot meer continuïteit, een duidelijkere taakverdeling en een sterker onderscheid tussen de professionele rollen. De eerste Vlaamse basisverpleegkundigen studeren in juni 2026 af.

Ook Wallonië volgt nu die koers en zet vanaf 2026-2027 de opleiding tot ‘infirmier hospitalier’ om in de driejarige opleiding tot ‘assistant en soins infirmiers’ (AeSI), vrij vertaald als verpleegkundig assistent.

Discussie over de benaming

De benaming van het nieuwe profiel, vandaag ‘assistant en soins infirmiers’ (AeSI) staat ter discussie. Er wordt overwogen om, net als in Vlaanderen, de term basisverpleegkundige te gebruiken. De AUVB reageerde hier formeel op in een brief aan viceminister-president Valérie Glatigny. De organisatie steunt de inhoudelijke hervorming, maar pleit voor het behoud van de wettelijk vastgelegde functietitel ‘assistant en soins infirmiers’.

Volgens de AUVB suggereert de term basisverpleegkundige dat de drager van die titel gelijkstaat aan een verpleegkundige met een bachelordiploma. Dat is volgens hen juridisch en inhoudelijk onjuist. De Wet op de Uitoefening van de Gezondheidszorgberoepen (WUG) bepaalt expliciet dat de ‘assistent en soins infirmiers’ een beoefenaar van de verpleegkunde is en dus niet gelijkgesteld is aan een verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg (VVAZ).

Een naamswijziging zou volgens de AUVB alleen maar verwarring zaaien bij zorgvragers, artsen en zorgteams. Ze vrezen ook nieuwe discussies over takenpakketten en verloning. De koepelorganisatie wijst erop dat die eenduidigheid belangrijk is om duidelijkheid en vertrouwen in het zorgsysteem te behouden.


Voel jij je soms ‘maar’ de verpleegkundige?

Naar het welzijn en de onderlinge samenwerking van verpleegkundigen is al heel wat onderzoek gevoerd, met aandacht voor attitude, kennis en tevredenheid. Over macht en beslissingsrechten is minder geweten. Voel jij je zeker in je schoenen bij de beslissingen die je op de werkvloer neemt? Een recent onderzoek bij verpleegkundigen in Saoedi-Arabië werpt nieuw licht op de uitdagingen rond verpleegkundige autonomie binnen interprofessionele teams. Verpleegkundigen ervaren vaak hiërarchische barrières die hun autonomie beperken. Uit diepte-interviews met veertien verpleegkundigen op verschillende diensten distilleerden de onderzoekers enkele duidelijke thema’s.  

Autonomie binnen hiërarchieën

Protocollen hebben het voordeel van de duidelijkheid. Als gestandaardiseerde zorgpaden geven ze helderheid, veiligheid en juridische bescherming: “Het protocol vertelt me precies wat ik stap voor stap moet doen, maar patiënten passen niet altijd netjes in dat vakje. Soms weet ik wat het beste is, maar zitten mijn handen gebonden.” Dit weerspiegelt de frustratie die veel verpleegkundigen ervaren wanneer ze geen ruimte krijgen om hun oordeel te volgen. Daarnaast gaven ze aan dat ze vaak de escalatie in gang zetten, maar geen beslissingsbevoegdheid hebben als hogere niveaus van de hiërarchie betrokken raken: “Na mijn escalatie word ik aan de zijlijn gezet. Ik geef alle informatie, maar ik ben zelden onderdeel van de discussie over wat er daarna gebeurt.”

Wie eerst spreekt …

Een ander belangrijk aspect van de studie is hoe teamhiërarchieën de manier bepalen waarop verpleegkundigen invloed uitoefenen binnen interprofessionele bijeenkomsten. Volgens de geïnterviewden bepaalt de volgorde van spreken in teamvergaderingen wiens kennis wordt gewaardeerd. In de meeste gevallen openen artsen de discussies, waarbij de bijdragen van verpleegkundigen vaak reactief zijn. Zoals een hoofdverpleegkundige aangaf: “Tijdens de ronde spreekt de arts eerst, de assistent volgt, en tegen de tijd dat het aan ons is, is het plan al gevormd. Wij vullen gewoon de gaten in, we bepalen niet.” Zelfs ervaren verpleegkundigen voelden zich vaak gemarginaliseerd: “Zelfs na jaren van mezelf bewijzen word ik subtiel herinnerd dat we ‘slechts de verpleegkundigen’ zijn.”

Micro-autonomie en strategisch netwerken

Hoewel verpleegkundigen binnen de structuur vaak beperkt worden, ontwikkelen zij subtiele vormen van weerstand en micro-autonomie die hen in staat stellen om de zorg te verbeteren. Deze praktijken, zoals initiatief nemen voor een arts een beslissing goedkeurt, zijn essentieel voor de patiëntveiligheid. “Ik geef liever later uitleg over mijn acties dan de patiënt te zien verslechteren.” Deze micro-autonomie helpt verpleegkundigen om snel in te grijpen, zelfs als formele goedkeuring nog niet is gegeven.

Daarnaast beschrijven verpleegkundigen hoe zij informele netwerken gebruiken om hun stem gehoord te krijgen. Eén verpleegkundige legde uit: “Ik heb relaties opgebouwd met artsen die mijn oordeel respecteren. Als ik ze direct een bericht stuur, reageren ze snel. Het is niet het systeem omzeilen – het is het systeem laten werken voor de patiënt.”

De rol van de hoofdverpleegkundige

De hoofdverpleegkundige speelt een cruciale rol in het beschermen van de autonomie van verpleegkundigen. Ze fungeren als bemiddelaars en versterken de stem van verpleegkundigen binnen het team. Zoals een verpleegkundige zei: “Soms gaat het niet om wat je zegt, maar wie het zegt. Wanneer onze hoofdverpleegkundige mijn punt naar voren brengt, wordt het serieus genomen. Het is frustrerend, maar het werkt.” Deze bemiddeling is essentieel om een psychologisch veilige ruimte te creëren voor verpleegkundigen om hun oordeel te uiten.

Dit onderzoek toont hoe sterk verpleegkundigen staan wanneer hun expertise ruimte krijgt. Door samen te werken aan meer inspraak en gedeelde besluitvorming, versterken we niet alleen de verpleegkundige praktijk, maar ook de kwaliteit van zorg voor elke patiënt.

Bron: Khaled Al Abdulqader A, Ali SI, Alamoudi FA, Shaban M. Still just the nurse? A critical inquiry into nurses’ struggles for autonomy in interprofessional hospital teams. BMC Nurs. 2025 Oct 28;24(1):1340. doi: 10.1186/s12912-025-03967-0. PMID: 41152917; PMCID: PMC12570814.


Gezondheidsvaardigheid is een mensenrecht

Gezondheidsinformatie was nog nooit zo overvloedig aanwezig als vandaag. Via websites, apps, patiëntportalen, wearables, sociale media en AI-tools worden burgers en zorgverleners overspoeld met berichten en adviezen. Maar informatie is niet hetzelfde als inzicht. Welke vaardigheden heb je dan wel nodig in deze snel digitaliserende wereld? Hoe krijgen we iedereen mee? Hoogleraar gezondheidsbevordering Stephan Van den Broucke schetst het belang en de uitdagingen.

“Zorgprofessionals worden voortdurend geconfronteerd met digitale informatie. Ze registreren data, interpreteren digitale signalen, begeleiden patiënten in hun zoektocht naar betrouwbare bronnen en helpen desinformatie te ontkrachten. Hun rol verschuift van louter zorgverlener naar digitale gids”, zegt Stephan Van den Broucke. Hij is hoogleraar aan de Université catholique de Louvain en werkt al bijna veertig jaar rond health promotion. Zo stond hij mee aan de basis van de eerste Europese Health Literacy Survey, het onderzoek dat gezondheidsvaardigheden voor het eerst op grote schaal in kaart bracht.

Gezondheidsvaardigheden gaan over het vermogen om informatie te vinden, begrijpen, inschatten en toepassen. Digitale gezondheidsvaardigheden volgen dezelfde logica, maar de omgeving waarin dit gebeurt, is volledig veranderd. Waar gezondheidsinformatie vroeger via brochures of consulten werd verspreid, verloopt ze nu hoofdzakelijk digitaal. “Mensen zoeken niet alleen actief informatie op”, verduidelijkt Stephan. “Digitale informatie komt spontaan naar je toe, gestuurd door algoritmes en sociale media. Artificiële intelligentie legt daar nog een extra laag bovenop. Wie iets wil weten, praat steeds vaker met een virtuele assistent in plaats van zelf websites te doorzoeken. Dat maakt het niet eenvoudiger: je moet weten welke vragen je stelt, welke info ontbreekt en hoe betrouwbaar de bron is.” Digitale gezondheidsvaardigheid gaat dus veel verder dan handig zijn met een computer of tools. Ze raakt aan inzicht, communicatie, kritische reflectie en klinisch oordeel. En dat geldt evenzeer voor zorgverleners als voor patiënten.

Zorgprofessionals in de frontlinie van digitale desinformatie

Zorgprofessionals speelden altijd al een sleutelrol in het vertalen en verduidelijken van medische informatie. Die rol wordt in het digitale tijdperk nog belangrijker. In elke zorgsetting duiken patiënten op met vragen gebaseerd op wat ze online gelezen hebben: een TikTokfilmpje, een Facebookgroep, een AI-chatbot of een blogpost met grote impact. De pandemie toonde hoe krachtig digitale desinformatie kan zijn, zelfs bij mensen die ogenschijnlijk goed geïnformeerd zijn.

“Je moet vandaag niet alleen medische informatie kunnen uitleggen,” zegt Stephan, “maar ook begrijpen hoe digitale informatiestromen werken, welke vertekeningen erin kunnen zitten en hoe je patiënten helpt om informatie te interpreteren. Dat vraagt kritische vaardigheden, empathie en kennis van de digitale context.”

Digitale gezondheidsvaardigheden raken daarmee rechtstreeks aan kwaliteit en veiligheid van zorg, aan klinisch redeneren en aan gezamenlijke besluitvorming, waarin zorgprofessionals een gidsfunctie vervullen. Dat impliceert ook dat ze zelf vlot en veilig met digitale systemen kunnen werken. Wie weinig vertrouwen heeft in digitale tools, loopt sneller vast of interpreteert informatie fout, met impact op de zorgkwaliteit.

Digitale gezondheidsvaardigheden als kerncompetentie
De mate waarin digitale gezondheidsvaardigheden in opleidingen zijn ingebed verschilt, maar de evolutie is duidelijk. Communicatie vormt al jaren een kernonderdeel van opleidingen in de zorg. De laatste jaren komt daar expliciet aandacht bij voor het herkennen van beperkte gezondheidsvaardigheden en voor heldere, participatieve informatieoverdracht. Nu schuiven ook digitale vaardigheden steeds verder naar voren.

Stephan vergelijkt het met matroesjkapopjes. Binnen communicatie zitten gezondheidsvaardigheden, en binnen gezondheidsvaardigheden zitten de digitale vaardigheden. Parallel groeien modules rond e-health, digitale zorgtoepassingen en het gebruik van systemen zoals telemonitoring en patiëntportalen. De uitdaging wordt om die werelden te verbinden, zodat digitale tools deel worden van klinisch redeneren en communicatie.

“Traditioneel zijn we goed in het meten van problemen”, oppert hij. “We weten intussen wie moeite heeft met digitale informatie. De uitdaging is nu structureel werken aan oplossingen: digitale gezondheidsvaardigheden opnemen in basisopleidingen, navormingen en interprofessionele trainingen, zodat zorgprofessionals zich daar niet alleen doorheen moeten worstelen.”

Organisatiebrede verantwoordelijkheid

In een zorgcontext doen we al jaren inspanningen om digitale informatie begrijpelijk over te brengen. Maar vaak blijft dat afhankelijk van persoonlijke motivatie. “We moeten streven naar organisational health literacy”, beklemtoont Stephan. “Een ziekenhuis kan ervoor kiezen om gezondheidsvaardigheden, inclusief de digitale component, tot beleidsprioriteit te maken. Dat vertaalt zich in duidelijke communicatieprincipes, taalondersteuning, begrijpelijke digitale tools, opleidingen en aandacht voor toegankelijkheid. Het verschuift de verantwoordelijkheid van individuen naar de organisatie. Voor zorgprofessionals betekent dat een stevige ruggensteun: ze hoeven niet telkens zelf materiaal te ontwikkelen of systemen uit te testen. Een gedeeld kader bevordert kwaliteit en consistentie”

Gezondheidsvaardigheid als mensenrecht

Internationale organisaties zoals de WHO, de Europese Commissie en recent ook de Raad van Europa schuiven gezondheidsvaardigheden nadrukkelijk naar voren. Tijdens een bijeenkomst in Rome werd het zelfs benoemd als een mensenrecht: iedereen heeft recht op correcte, bruikbare en begrijpelijke gezondheidsinformatie. Die visie maakt duidelijk waar het soms fout loopt. Wie beperkte digitale vaardigheden heeft, geraakt steeds moeilijker door het zorgsysteem. Afspraken verlopen digitaal, informatie wordt complexer, en patiëntenportalen zijn niet altijd toegankelijk voor iedereen.

Volgens Stephan dreigen we zo een tweesporenmaatschappij te creëren. “Wie digitaal mee is, vindt de weg”, waarschuwt hij. “Wie dat niet kan, ervaart steeds meer drempels. Zorgprofessionals hebben een cruciale rol: zij zien waar patiënten vastlopen en kunnen individueel en organisatorisch signaleren waar ondersteuning nodig is.”

Een moving target, sleutelspelers in de zorg

Digitalisering verandert sneller dan ooit. Waar informatie vroeger op websites stond, verschuift ze nu naar sociale media en AI-interfaces. Algoritmes worden verfijnder en sturen informatie steeds sterker. Daarmee verandert ook wat digitale gezondheidsvaardigheid betekent. Toch is Stephan hoopvol. Er komen nieuwe meetinstrumenten, trainingen en organisatiecriteria. De bereidheid om te investeren groeit. “Het blijft een uitdaging,” zegt hij, “maar we kunnen het niet aan toevalligheden overlaten. Wie dicht bij de patiënt staat, ziet waar informatie fout loopt en kan mee richting geven aan hoe organisaties omgaan met digitale informatie. Zonder deze sleutelspelers kunnen we de digitale kloof niet dichten.”

Digitale gezondheidsvaardigheden in de praktijk: 7 concrete tips

  1. Start bij het digitale vertrekpunt van de patiënt
    Breng in kaart hoe vertrouwd iemand is met digitale toepassingen. Een eenvoudige vraag zoals “Hoe heb je deze informatie gevonden?” geeft snel inzicht en helpt je om je uitleg af te stemmen.
  1. Verken digitale informatie samen
    Neem online informatie, apps of portalen samen door. Bespreek wat relevant is, waar nuance nodig is en hoe de informatie past binnen het zorgtraject. Zo groeit inzicht en vertrouwen.
  1. Stimuleer kritisch omgaan met informatie
    Moedig patiënten aan om zichzelf enkele basisvragen te stellen:
  • Wie deelt deze informatie?
  • Waar komt ze vandaan?
  • Worden bronnen of experts vermeld?Een kort gesprek volstaat vaak om dat denkproces op gang te brengen.
  1. Communiceer helder en stap voor stap
    Gebruik duidelijke taal in e-mails, digitale instructies en patiëntportalen. Beperk informatie per scherm of per stap. Dat verhoogt de begrijpelijkheid en het gebruiksgemak.
  1. Koppel digitale tools aan zorgdoelen
    Leg bij telemonitoring, apps of patiëntportalen uit welke informatie wordt opgevolgd en wat dat betekent voor de zorg. Dat maakt digitale toepassingen concreet en relevant voor de patiënt.
  1. Ga zorgvuldig om met online vragen en twijfels
    Vragen gebaseerd op sociale media of AI-tools komen steeds vaker voor. Door die vragen ernstig te nemen en samen te duiden, versterk je het vertrouwen en het klinische gesprek.
  1. Deel signalen binnen je organisatie
    Merk je dat patiënten op dezelfde digitale drempels botsen? Geef die signalen door. Structurele oplossingen ontstaan wanneer ervaringen vanop de werkvloer samenkomen.

Digitale gezondheidsvaardigheden versterken zit vervat in dagelijkse zorg. Met gerichte aandacht ondersteun je patiënten en verhoog je de kwaliteit van zorg.