Medicatie | Farmacotherapie bij ouderen: maatwerk vereist

Elyne De Baetselier1, Katrin Mulkens2

1Universiteit Antwerpen, Center for Research and Innovation in Care, Nurse and Pharmaceutical Care
2 Universitair Ziekenhuis Antwerpen

Medicatie Meesterlijk, een webinarreeks geïnitieerd door NuPhaC en het Centre for Research and Innovation in Care (UAntwerpen), draait nog steeds op volle toeren. Het doel is om de kennis over farmacotherapie en farmaceutische zorg bij verpleegkundigen te verdiepen. Netwerk Verpleegkunde publiceert regelmatig een samenvatting van een inspirerende sessie. Hieronder vind je enkele belangrijke boodschappen uit de webinar van Dr. Katrin Mulkens (geriater, UZA), die relevant zijn voor iedereen die betrokken is bij de (poly)farmacie van ouderen.

Geneesmiddelengebruik bij ouderen vraagt om een individuele aanpak omdat het verouderingsproces sterk verschillend kan zijn per persoon. De gemiddelde 80-jarige bestaat namelijk niet. Bovendien maken de fenomenen symptoommaskering, symptoomomkering of symptoomarmoede het stellen van een juiste diagnose en het evalueren van medicatie-effecten en neveneffecten complexer bij ouderen.

Veranderingen in de farmacokinetiek spelen een grote rol. Door een toename van vetmassa en afname van vochtmassa stijgt de concentratie van wateroplosbare geneesmiddelen (zoals lithium) sneller, terwijl vetoplosbare middelen (zoals benzodiazepines) langer in het lichaam blijven. Ook de verminderde leverdoorbloeding en verhoogde doorlaatbaarheid van de bloed-hersenbarrière beïnvloeden de werking van medicatie.

De meest relevante farmacokinetische verandering is de achteruitgang van de nierfunctie. Ouderen zijn gevoeliger voor elektrolytenstoornissen zoals hyponatriëmie of hyperkaliëmie, en lopen sneller risico op uitdroging, zeker op warme zomerdagen. Hypertensie, diabetes en veroudering van de nier zelf verergeren dit. Daarom is het cruciaal om bij het opstarten van medicatie de nierfunctie te controleren, zeker bij geneesmiddelen met een nauwe therapeutische range. De lijst van middelen die dosisaanpassing vereisen bij nierinsufficiëntie is lang, met o.a. ACE-remmers, diuretica, Aminoglycosiden, Aciclovir, (Lis)diuretica, Dabigatran, Rivaroxaban, Dapagliflozine, Metoclopramide, Allopurinol, Atenolol, Bisfosfonaten, Digoxine, Fluoroquinolones, Metformine en Lithium.

Ook de farmacodynamische kwetsbaarheid van ouderen is groot. Vooral geneesmiddelen die inwerken op het centraal zenuwstelsel (zoals opioïden, antidepressiva, antipsychotica) en het cardiovasculair stelsel vragen extra voorzichtigheid. Ze verhogen het risico op vallen, vooral bij nachtelijke toiletbezoeken in combinatie met bloeddrukverlagende middelen zoals alfablokkers. Tools zoals de STOPP-Fall-lijst kunnen helpen bij het inschatten van valrisico.

Wat ook niet mag vergeten worden is de verhoogde gevoeligheid voor hypo- en hyperthermie, zeker bij gebruik van antipsychotica die hier een versterkend effect op hebben. Verder is het risico op anticholinerge nevenwerkingen (zowel cerebrale als niet-cerebrale) bij ouderen ruim verhoogd door hun voorkomen bij meerdere types medicatie, zoals antipsychotica, tricyclische antidepressiva, antiparkinsonmiddelen en urologische spasmolytica. De ARS-lijst en ACB-calculator kunnen helpen bij het inschatten van anticholinerge belasting.

Verder is er het gevaar van een voorschrijfcascade, waarbij bijwerkingen verkeerd geïnterpreteerd worden als nieuwe aandoeningen en telkens nieuwe medicatie wordt opgestart. Een voorbeeld is het voorschrijven van Oxybutinine na urineverlies door Donepezil, wat kan leiden tot acute verwardheid.

Tot slot kunnen atypische bijwerkingen tot levensbedreigende situaties leiden zoals het ontstaan van hyponatriëmie bij gebruik van antidepressiva. Dit induceert een nog grotere sufheid en traagheid resulterend in een verkeerdelijke verhoging van de dosis antidepressivum door de voorschrijver met finaal epilepsie of bewustzijnsverlies.

Conclusie: Medicatie bij ouderen vereist maatwerk, met bijzondere aandacht voor de nierfunctie, verhoogde gevoeligheid voor bijwerkingen, valrisico en therapie-ontrouw. Regelmatige evaluatie en open communicatie met de patiënt zijn essentieel.

Zin om je kennis in farmacotherapie te verdiepen? Check dan de aankomende webinars via deze link.


Onder hypnose: het gebruik van hypnose bij patiënten met prikangst

Prikangst veroorzaakt bij kinderen vaak stress, weerstand en negatieve zorgervaringen. Ook voor verpleegkundigen is het uitvoeren van naaldprocedures in die context belastend. Tijdens mijn opleiding verpleegkunde merkte ik hoe moeilijk het is om angst bij kinderen weg te nemen. Dat bracht me ertoe om in mijn bachelorproef te onderzoeken of hypnose een haalbare, niet-farmacologische ondersteuning kan zijn in de verpleegkundige praktijk.

Context

Lange tijd stond ik sceptisch tegenover hypnose. Pas tijdens de coronaperiode, toen ik de tijd had om me erin te verdiepen, ontdekte ik hoeveel internationaal wetenschappelijk onderzoek al bestaat naar de effecten ervan bij pijn en angst. Dat inzicht deed mijn beeld kantelen.

Dat onderzoek toont aan dat hypnose en hypnotisch taalgebruik angst en pijn tijdens medische handelingen kunnen verminderen. Toch blijft hypnose in Vlaanderen weinig ingebed in de verpleegkundige praktijk. Ze is geen erkende verpleegkundige techniek en komt nauwelijks aan bod in het reguliere opleidingsaanbod. Vanuit die vaststelling besloot ik dit thema centraal te stellen in mijn bachelorproef.

Methode

Mijn onderzoek combineerde een literatuurstudie met een praktijkonderzoek. In dat praktijkluik verspreidde ik een online vragenlijst bij verpleegkundigen die werken met kinderen en regelmatig naaldprocedures uitvoeren. Daarnaast organiseerde ik een vorming over hypnose. Zowel voor als na de vorming stelde ik de deelnemers vragen over hun kennis, houding en bereidheid om hypnose toe te passen. In de vragenlijst peilde ik naar hun ervaringen met prikken bij kinderen, de emotionele belasting die dat met zich meebrengt en de technieken die zij vandaag al inzetten om angst te verminderen.

Resultaten

De resultaten tonen aan dat hypnose bij verpleegkundigen relatief onbekend is, maar zelden negatief wordt beoordeeld. Prikken bij kinderen wordt breed ervaren als stressvol, voor het kind, de ouders en de verpleegkundige. Tijdstekort, emotionele belasting en herhaalde negatieve ervaringen spelen daarbij een belangrijke rol. Hoewel verpleegkundigen al verschillende technieken inzetten, zoals afleiding of lokale verdoving, wordt hypnose gezien als een interessante aanvullende mogelijkheid. Na het volgen van de vorming nam de kennis over hypnose toe en evolueerde de houding duidelijk in positieve zin. Vooral hypnotisch taalgebruik, zoals angstverhogende woorden vermijden, werd als laagdrempelig en onmiddellijk toepasbaar ervaren. Tegelijk wijzen verpleegkundigen op structurele drempels, zoals te weinig opleiding, ondersteuning en een ontbrekend organisatorisch kader.

Conclusie

Mijn bachelorproef toont aan dat er bij verpleegkundigen een duidelijke openheid bestaat voor het gebruik van hypnose bij prikangst. Hypnose wordt niet gezien als een wondermiddel, maar als een waardevolle aanvulling binnen een bredere, trauma-arme zorgaanpak. Om deze techniek verantwoord te kunnen inzetten, zijn gerichte opleiding, begeleiding en structurele verankering in onderwijs en praktijk noodzakelijk.

Over de student

Ik ben Roel Van Hofstraeten (54), verpleegkundige op de spoedgevallendienst in Vitaz Sint-Niklaas en zijinstromer vanuit de horeca en journalistiek. Zorgen voor mensen loopt als een rode draad door mijn loopbaan. Mijn interesse in hypnose groeide uit een persoonlijke zoektocht naar minder angst en meer menselijkheid in de zorg, vooral bij kinderen met prikangst.

Meer weten? Kom naar de lezing op 12/5

Comfortzorg: hypnose als verpleegkundige techniek

Hypnose wordt vaak geassocieerd met iets “zweverigs” of magisch, maar in werkelijkheid is het een wetenschappelijk onderbouwde techniek die werkt met gerichte aandacht en diepe ontspanning. Het mysterieuze imago, vooral gevoed door podiumshows, doet geen recht aan de klinische waarde ervan. In de zorgcontext is hypnotherapie een erkende en effectieve methode voor pijnbeheersing, het verminderen van angst en stress, en het ondersteunen van gedragsverandering.

In deze vorming maak je kennis met wat hypnose echt is en hoe je deze techniek op een professionele en veilige manier kan toepassen binnen de comfortzorg. Je leert hoe hypnose ingezet kan worden bij patiënten met (prik-)angst en andere spanningsklachten, met respect voor hun autonomie en beleving. Daarnaast krijg je praktische, concrete handvatten aangereikt zodat je als verpleegkundige zelf met hypnose aan de slag kan gaan in je dagelijkse zorgpraktijk.

Praktische info

  • Datum
    12 mei 2026 van 19.30 uur – 22 uur
  • Prijs
    Leden: € 5 / niet-leden: € 15 / studenten: € 5
  • Plaats
    Campus Odisee/Sint-Carolus
    Hospitaalstraat 23
    9100 Sint-Niklaas
  • Inschrijven
    Via mail naar Waasland@netwerkverpleegkunde.be


“Waar is het hondje?”

Als thuisverpleegkundige kom je soms in situaties die spanning uitlokken. Een boze patiënt, een familielid dat kritiek uit of iemand die je letterlijk wegduwt. Dat roept vragen op: is dit grensoverschrijdend gedrag? En hoe ga je ermee om zonder jezelf te verliezen in de zorgrelatie? Volgens onderzoeker Tina Vandecasteele is er zelden één juist antwoord. “Zorgrelaties zijn complex. Er spelen altijd verschillende lagen mee: persoonlijke, organisatorische en maatschappelijke.”

Tina Vandecasteele, verpleegkundige, senior onderzoeker aan de VIVES Hogeschool en gastprofessor aan de UGent, onderzocht hoe verpleegkundigen en patiënten grensoverschrijdend gedrag ervaren. Daarbij kijkt ze niet alleen naar wat iemand doet, maar vooral naar hoe dat gedrag beleefd wordt. “In de klassieke, objectiverende benadering is agressie een vastomlijnd begrip: slaan, schelden, dreigen … In de subjectiverende benadering bekijken we de betekenis van gedrag. Wat maakt dat iemand iets als grensoverschrijdend ervaart en hoe komt die ervaring tot stand?”

Druk op verschillende niveaus

Zorgrelaties staan nooit op zichzelf. Ze worden beïnvloed door factoren op verschillende niveaus. Op microniveau spelen de dagelijkse leef- en werkomstandigheden, denk aan de werkdruk, emotionele belasting, morele stress of onduidelijke verantwoordelijkheden. Ook de organisatiecultuur – het mesoniveau – is bepalend, met factoren zoals gebrek aan overleg, feedback of ondersteuning. Op macroniveau werken bredere maatschappelijke tendensen, waaronder individualisering, prestatiedruk en digitalisering. “Al die lagen versterken elkaar”, zegt Tina. “Wie onder druk staat, kan sneller ervaren dat een grens wordt overschreden. Agressie is dus niet alleen een individueel probleem, maar ook een weerspiegeling van de context en de relatie waarin zorg vandaag plaatsvindt.”

Zorg verlenen raakt aan identiteit

In het onderzoek kwam ook naar voren dat erkenning een grote rol speelt. “Verpleegkundigen willen goed werk leveren, maar in een context met weinig tijd en middelen wordt dat moeilijk. Wanneer patiënten of familie dan kritiek uiten, raakt dat aan je professionele identiteit”, aldus Tina. “Sommigen ontwikkelen een soort pantser om zich te beschermen. Dat is begrijpelijk, maar het sluit ook verbinding uit. Vergeving – in de zin van afstand nemen van het voorval – helpt om professioneel te blijven handelen zonder de patiënt te veroordelen. De patiënt is niet moeilijk, maar heeft het moeilijk. Die nuance maakt een groot verschil in hoe we reageren.”

Daarnaast speelt het team een cruciale rol. “Teams delen niet alleen taken, maar ook percepties. Als één collega iemand een ‘lastige patiënt’ noemt, kan dat mee beïnvloeden hoe collega’s deze persoon benaderen. Die sociale dynamiek bepaalt mee hoe grensoverschrijdend gedrag wordt ervaren. Hierin spelen dynamieken rond professionele socialisatie.”

Van oordeel naar inzicht

Vandecasteele pleit voor nieuwsgierigheid en begrip. “We hoeven niet alles te kunnen oplossen, maar we kunnen wel proberen te begrijpen.” Ze besluit met een anekdote van een herkenbare situatie. “Een patiënt werd net overgebracht van thuis naar het ziekenhuis, op zich al een ingrijpende gebeurtenis. De ambulanciers hadden zijn hond opgesloten in het toilet om veilig te kunnen werken. Bij aankomst was de man woedend, waardoor veel zorgverleners hem uit de weg gingen. Tot iemand rustig zei: ‘Ik merk dat u erg kwaad bent.’ Alleen die erkenning deed de spanning zakken. De man legde uit dat hij bang was dat zijn hond opgesloten zou blijven. Toen de verpleegkundige iemand kon verwittigen om voor het dier te zorgen, verdween ook zijn woede. Sindsdien gebruiken collega’s de vraag ‘Waar is het hondje?’ als leuze bij agressie: wat zit er achter dit gedrag? Zo zie je, agressie is zelden enkel gedrag. Het is communicatie in een moeilijke context.”

Communicatie als sleutel

De onderzoeksgroep formuleerde op basis van de bevindingen enkele aanbevelingen voor de praktijk:

  • Blijf in dialoog.
    Spreek in de ik-vorm, niet in de wij-vorm. Zo vermijd je een ‘wij tegen zij’-gevoel en blijf je gelijkwaardig communiceren.
  • Luister actief.
    Neem je tijd, maak oogcontact en laat de patiënt uitspreken. Alleen door echt te luisteren, hoor je wat iemand bedoelt en niet enkel wat hij zegt.
  • Benoem emoties.
    Een eenvoudige zin als “Ik merk dat u boos bent” kan spanning doen zakken en ruimte creëren voor gesprek.
  • Zoek de betekenis achter gedrag.
    Achter woede schuilen vaak angst, pijn of machteloosheid. Stel open vragen en erken de onderliggende zorg.
  • Reflecteer
    Sta stil bij wat het gedrag met jou doet. Vermoeidheid of frustratie kleuren hoe je situaties ervaart.
  • Vermijd olie op het vuur.
    Vermijd bedreigingen of verwijten, maar benoem wat moeilijk is en hoe je ermee wil omgaan.
  • Zoek steun.
    Deel ervaringen met collega’s en bespreek incidenten samen. Teams die open praten over emoties, versterken hun weerbaarheid.


Hartfalen | Nieuwe richtlijn hartfalen en uitkomst RIZIV-consensusvergadering

De nieuwe richtlijn hartfalen zet de toon voor een meer geïntegreerde zorgaanpak, waarin educatie, opvolging en multidisciplinaire samenwerking centraal staan. Ook tijdens de recente RIZIV-consensusvergadering werd bevestigd dat veel heropnames vermijdbaar zijn als patiënten beter begrijpen wat hartfalen precies betekent en hoe ze hun medicatie correct innemen.

Chronisch hartfalen is geen eenduidige diagnose maar een complex klinisch syndroom, met uiteenlopende symptomen en een onderliggende structurele of functionele aandoening van het hart. De consensusvergadering bevestigde dat vooral de ziekenhuisopnames wegen op de gezondheidskosten, terwijl net daar winst te boeken valt door een betere organisatie van de transmurale zorg. Voor patiënten maakt educatie een wereld van verschil: wie begrijpt waarom medicatie strikt genomen moet worden en welke alarmsignalen belangrijk zijn, herkent sneller verergering en vraagt op tijd hulp. Toch blijkt uit de praktijk dat dit inzicht vaak ontbreekt.

Educatie als hoeksteen van zorg

In de nieuwe richtlijn krijgt educatie een prominentere plaats dan voorheen. Vandaag gebeurt die vooral in ziekenhuizen door gespecialiseerde hartfalenverpleegkundigen. In de eerste lijn bestaat echter nog geen nomenclatuurnummer voor hartfaleneducatie, in tegenstelling tot diabeteseducatie. Dat vormt een drempel voor bredere implementatie.

“Als we de richtlijn willen uitvoeren zoals bedoeld, dan is deze taak bij uitstek in veilige handen van verpleegkundigen”, zegt huisarts Miek Smeets, actief binnen HeartsConnect, het Lerend Netwerk Hartfalen. “Waar diabeteseducatie ook door diëtisten kan gebeuren, zien we bij hartfalen een andere complexiteit. Daarom zijn er opleidingen voor eerstelijnsverpleegkundigen tot hartfalen educator die jaarlijks worden georganiseerd in verschillende regio’s en een postgraduaat hartfalen voor ziekenhuisverpleegkundigen. Daarnaast loopt aan de Universiteit Antwerpen een navorming hartfalen voor verpleegkundigen in de huisartsenpraktijk.

Nood aan een gestructureerd zorgtraject

Zowel de richtlijn als het consensusrapport onderstrepen het belang van een gestructureerd zorgpad voor hartfalen. Waar diabetes al jaren met een zorgtraject werkt, is dat voor hartfalen nog niet het geval. Nochtans toont internationale literatuur aan dat multidisciplinaire zorg, gecombineerd met educatie en opvolging, leidt tot minder heropnames en een betere levenskwaliteit.

“Dit stond ook in 2008 al op de agenda, en opnieuw tijdens de consensusvergadering”, zegt Miek. “We weten wat werkt, alleen is het beleid nog niet mee. Idealiter krijgt elke patiënt een gestructureerd, patiëntgericht opvolgplan mee naar de eerste lijn. Zo kan de zorg naadloos worden overgenomen.” In grotere ziekenhuizen belt de hartfalenverpleegkundige patiënten al na ontslag op en overlopen ze samen de medicatie. Het maakt volgens studies niet uit of dat telefoontje van een arts of verpleegkundige komt, zolang de opvolging verzekerd is.

Telemonitoring als extra hulpmiddel

De consensusvergadering besteedde ook aandacht aan niet-invasieve telemonitoring, waarbij parameters zoals gewicht, bloeddruk en klachten worden opgevolgd. Dat laat toe om sneller bij te sturen en heropnames te vermijden. Toch is de eerstelijn vaak niet betrokken in deze systemen. “Een testproject van het Wit-Gele Kruis in Turnhout en Herentals toont dat het anders kan”, vertelt Miek. “Daar combineert men telemonitoring en digitale zorg met een huisbezoek van de thuisverpleegkundige. Zo zie je de volledige context van de patiënt.” Dergelijke projecten bewijzen dat telemonitoring beter werkt wanneer iemand opvolgt, contact maakt en tijdig ingrijpt. Ook hier speelt de verpleegkundige een sleutelrol.

Multidisciplinair samenwerken

Hartfalen treft vooral oudere patiënten met meerdere zorgverleners rond zich. De consensus benadrukt dat samenwerking tussen huisarts, cardioloog, verpleegkundige, apotheker en kinesitherapeut geen luxe is maar noodzaak. “Alle bouwstenen zijn er voor een zorgpad hartfalen”, besluit Miek. “Nu is het nog wachten op beleid.”

Tot die structurele verankering er komt, blijft de praktijk bepalend. Door patiënten wegwijs te maken, medicatie-inname op te volgen, beweging te stimuleren en transmurale afstemming te versterken, helpen verpleegkundigen heropnames voorkomen en bouwen ze mee aan warme, duurzame hartfalenzorg.


Medicatie | Wat elke verpleegkundige moet weten over ‘deprescribing’: van kennis naar actie in de dagelijkse praktijk

Door Degefaye Zelalem Anlay 1-3 & Kristel Paque1,2,4

1Centre for Research and Innovation in Care (CRIC), Universiteit Antwerpen, België

2Nurse and Pharmaceutical Care (www.nuphac.eu)

3End-of-Life Care Research Group, Vrije Universiteit Brussel en Universiteit Gent, Brussel, België

4HAST, HBO5 Verpleegkunde, Hasselt, België

In het complexe zorglandschap van vandaag zijn verpleegkundigen meer dan alleen zorgverleners. Ze zijn klinische toezichthouders, pleitbezorgers voor patiënten en wegwijzers binnen het zorgsysteem. Een domein waarin hun rol steeds belangrijker wordt, maar vaak ondergewaardeerd, is deprescribing: het geplande en begeleide proces van het verlagen van de dosis of het stoppen van geneesmiddelen die mogelijk schade veroorzaken of geen voordelen meer bieden [1]. Deprescribing betekent niet dat zorg wordt onthouden, maar draait om het optimaliseren van de behandeling. Het volgt een gestructureerd proces dat bestaat uit het opstellen van een volledige medicatielijst, het beoordelen van de risico’s en voordelen van elk geneesmiddel, het identificeren van kandidaat-geneesmiddelen voor stopzetting en het implementeren van een plan met voortdurende monitoring op ontwenningsverschijnselen of verslechtering van de klinische toestand [2]. Dit proces kan reactief zijn – als reactie op bijwerkingen of interacties – of proactief, gepland samen met de patiënt voordat problemen ontstaan. Toch wordt in veel zorginstellingen deprescribing pas overwogen nadat schade is opgetreden [3].

Ondanks de toenemende beschikbaarheid van bronnen die uitleggen wanneer en hoe medicatie af te bouwen [4], blijft deze praktijk slecht geïntegreerd in de dagelijkse klinische zorg [5]. Dit is vooral zorgwekkend voor oudere volwassenen, die vaak meerdere geneesmiddelen gebruiken. Naarmate de gezondheidstoestand evolueert en leeftijdsgebonden veranderingen de stofwisseling van medicatie beïnvloeden, kunnen geneesmiddelen die ooit geschikt waren, ineffectief of zelfs schadelijk worden.

De voordelen van deprescribing zijn aanzienlijk. Het verminderen van het aantal geneesmiddelen kan bijwerkingen verminderen, interacties tussen geneesmiddelen beperken, kosten verlagen en de therapietrouw verbeteren. Het kan de kwaliteit van leven verhogen door de last van onnodige behandelingen te verlichten.

Hoewel alle onnodige geneesmiddelen in aanmerking komen voor deprescribing, krijgen bepaalde geneesmiddelen, vastgelegd via expertconsensus, prioriteit vanwege hun hogere risicoprofiel en de complexiteit bij het beoordelen van hun geschiktheid. Voorbeelden zijn benzodiazepines, antipsychotica, statines, tricyclische antidepressiva, protonpompremmers, anticholinergica, cholinesteraseremmers, opioïden en selectieve serotonineheropnameremmers (SSRI’s) [6]. Voor veel van deze geneesmiddelen zijn inmiddels richtlijnen voor deprescribing gepubliceerd die geraadpleegd kunnen worden om kennis en vaardigheden te vergroten. Bronnen zoals de website Deprescribing.org bieden evidence-based richtlijnen, trainingsmateriaal en patiëntenbrochures ter ondersteuning van het deprescribingproces [1]. Het Belgisch Centrum voor Farmacotherapeutische Informatie (BCFI) biedt daarnaast een e-learningmodule over afbouwen van medicatie aan [7].

Verpleegkundigen, als onmisbare en veelzijdige zorgverleners, bevinden zich in een unieke positie om deprescribing-initiatieven te bevorderen. Afhankelijk van hun bevoegdheden kunnen verpleegkundigen potentieel ongepaste medicatie (potentially inappropriate medications, PIM’s) identificeren, bijwerkingen monitoren, de coördinatie met voorschrijvers ondersteunen en patiënten en hun families betrekken bij gedeelde besluitvorming. Hun frequente contact met patiënten en holistische perspectief stelt hen in staat subtiele veranderingen in de gezondheidstoestand op te merken. Bijvoorbeeld, als een verpleegkundige observeert dat een patiënt verward is, duizelig wordt of vaker valt – mogelijk door een sederend of anticholinerg geneesmiddel – dan moet dit worden gedocumenteerd en onmiddellijk worden gemeld aan de voorschrijvende arts. Dit opent de deur naar een medicatiebeoordeling en mogelijk deprescribing. Verpleegkundigen kunnen ook gesprekken initiëren met de patiënt en hun familie om zorgen, voorkeuren en doelen met betrekking tot medicatiegebruik te verkennen. Zo zorgen ze ervoor dat behandelplannen aansluiten bij de veranderende behoeften en waarden van de patiënt.

Toch melden zorgprofessionals, waaronder verpleegkundigen, verschillende barrières bij het implementeren van deprescribing. Deze barrières omvatten beperkte tijd voor medicatiebeoordelingen, gebrek aan financiële stimulans, het ontbreken van nationale richtlijnen en de lage prioriteit die deprescribing in veel zorginstellingen krijgt, ondanks het belang ervan. Hoewel verpleegkundigen nauw samenwerken met patiënten voelen ze vaak dat ze weinig invloed hebben op beslissingen rond voorschrijven en afbouwen van medicatie, wat de integratie van deprescribing in de dagelijkse praktijk belemmert [5]. Deze kloof is opvallend omdat verpleegkundigen een cruciale rol kunnen spelen als actieve deelnemers aan deprescribing-initiatieven – dus niet als toeschouwers, maar als drijvende krachten van verandering. Door een proactieve rol op te nemen, kunnen zij bijdragen aan de integratie van deprescribing in de dagelijkse zorg en de verschuiving van een reactieve benadering naar een toekomstgerichte praktijk die de patiëntveiligheid en -uitkomsten verbetert [8].

Referenties

  1. deprescribing.org. What is Deprescribing? [Available from: https://deprescribing.org/what-is-deprescribing/.
  2. Scott IA, Hilmer SN, Reeve E, et al. Reducing inappropriate polypharmacy: the process of deprescribing. JAMA Intern Med. 2015;175(5):827-34.
  3. Wright DJ, Scott S, Buck J, et al. Role of nurses in supporting proactive deprescribing. Nurs Stand. 2019;34(3):44-50.
  4. Anlay DZ, Paque K, Van Leeuwen E, et al. Tools and guidelines to assess the appropriateness of medication and aid deprescribing: An umbrella review. Br J Clin Pharmacol. 2024;90(1):12-106.
  5. Anlay DZ, Peremans L, Cohen J, et al. Deprescribing for nursing home residents with limited life expectancy: A qualitative study to identify barriers and enablers for healthcare professionals. Geriatric Nursing. 2025;62:1-11.
  6. Farrell B, Tsang C, Raman-Wilms L, et al. What are priorities for deprescribing for elderly patients? Capturing the voice of practitioners: a modified delphi process. PLoS One. 2015;10(4):e0122246.
  7. Belgisch Centrum voor Farmacotherapeutische Informatie (BCFI). Goed en veilig gebruik van geneesmiddelen: deprescribing; [cited 2025 Jul 14]. Available from: https://www.bcfi.be/nl/chapters/1?frag=9991233&matches=deprescribing [
  8. Hart L, Berrou I. 463 Understanding the role of nurses in deprescribing medicines for older people: A systematic review. Int J Pharm Pract. 2023;31(Supplement_1):i18-i9.


Verpleegkundige autonomie in de Belgische pers

Het wereldwijde tekort aan verpleegkundigen zet de zorgkwaliteit onder druk. Ook in België blijven duizenden vacatures open. Naast werkdruk speelt onderwaardering een grote rol in de erkenning van het beroep. Verpleegkundigen worden vaak gereduceerd tot uitvoerders, of tijdens crisissen tot helden, waardoor hun expertise en beslissingsruimte onderbelicht blijven. Media beïnvloeden hoe zij worden gepercipieerd, en dus ook beroepskeuze, identiteit en waardering. Onderzoek naar hun representatie is daarom nodig.

Methode en resultaten

Deze studie onderzocht hoe verpleegkundige autonomie wordt voorgesteld in Belgische kwaliteitskranten. Een taalkundig onderzoek, meer bepaald een ‘kritische discoursanalyse’, werd uitgevoerd op artikels uit De Tijd en De Standaard. Daarbij werd onderzocht hoe verpleegkundige autonomie en beeldvorming in de geselecteerde krantenartikels werden geconstrueerd via woordkeuze, taalgebruik en tekststructuur, en hoe deze constructies eventuele machtsverhoudingen zichtbaar maken of reproduceren.

Uit de analyse kwamen vier dominante perspectieven naar voren. Het eerste thema, ‘schijnautonomie’, toonde hoe verpleegkundigen wel meer taken krijgen, maar zelden beslissingsbevoegdheid of inspraak. Autonomie werd in de gebruikte taal gekoppeld aan efficiëntie en inzetbaarheid, niet aan beleidsmatige zeggenschap of klinisch leiderschap.

Het tweede thema, ‘discursieve uitsluiting’, verwees naar de structurele afwezigheid van verpleegkundige stemmen in de berichtgeving. Minder dan de helft van de 29 geïncludeerde artikels bevatte een direct of indirect citaat van een verpleegkundige; in de overige artikels blijven zij afwezig of worden ze collectief benoemd als deel van een ‘multidisciplinair team’. Artsen, beleidsmakers en managers domineerden de nieuwsberichten. Hierdoor blijft het verpleegkundig perspectief onderbelicht in publieke debatten over hun eigen beroep.

Een derde thema, ‘autonomie binnen structurele beperkingen’, legde bloot hoe verantwoordelijkheid toenam terwijl contextuele factoren zoals werkdruk, personeelstekort en ethische spanningen amper benoemd werden. Verpleegkundigen dragen zo een groeiende verantwoordelijkheid, terwijl ze opereren binnen een systeem dat hun autonomie tegelijkertijd beperkt.

Tot slot benadrukte het vierde thema ‘relationele en morele autonomie’ het dagelijkse, betrokken handelen van verpleegkundigen. Deze dimensies worden echter zelden erkend als professioneel of deskundig, en blijven vaak onzichtbaar als vorm van klinische en moreel gemotiveerde besluitvorming. Ook al kon dit onderzoek eveneens een beperkt aantal artikels vinden die verpleegkundigen voorstelden als deskundige en reflectieve actoren, deze representatie blijft jammer genoeg vooralsnog uitzonderlijk.

Conclusie

Verpleegkundige autonomie vereist structurele inspraak in beleid én zichtbaarheid in het publieke debat. Media zouden niet enkel beleidslijnen moeten bekrachtigen, maar ook de dagelijkse realiteit van de beroepspraktijk tonen. Hoewel het vakgebied wetenschappelijk en professioneel sterk is geëvolueerd, blijft de beeldvorming vaak hangen in achterhaalde clichés. Wie verpleegkundigen nog ‘heldinnen’ of ‘engelen’ noemt, miskent hun deskundigheid en beslissingsvermogen. Bewuste mediapraktijken en actieve betrokkenheid van verpleegkundigen kunnen hun werk en expertise beter zichtbaar maken voor het brede publiek.

Pratishtha Ojha is dialyseverpleegkundige bij Ziekenhuis Aan de Stroom (ZAS) en behaalde haar Master in de Verpleegkunde, afstudeerrichting verpleegkundig specialist, aan de Universiteit Antwerpen. Haar masterproef werd bekroond voor de meeste impact in het domein verpleegkunde, toegekend door het Netwerk Verpleegkunde en de FNBV.


Verzekeringen | Zekerheid in elke zorgsituatie

Een fout is snel gebeurd: een bril die valt, een zetel die beschadigd raakt of een misverstand tijdens het toedienen van zorg. Als verpleegkundige kunnen de gevolgen groot zijn, zowel menselijk als financieel. Daarom biedt NETWERK VERPLEEGKUNDE haar leden ook in 2026 een krachtige beroepsaansprakelijkheidsverzekering (BA) en een aanvullende bescherming met gewaarborgd inkomen en (optioneel) uitgebreide rechtsbijstand.

Als verpleegkundige heb je het leven van je zorgvrager in handen, maar even goed zijn hoorapparaat, een fles vruchtensap of belangrijke medicatie. Dat loopt niet altijd goed af. Ogenschijnlijk kleine incidenten leiden soms tot dure claims. Een verpleegkundige maakte het mee bij het uitnemen van een hoorapparaat: het toestel viel, was onherstelbaar beschadigd en moest volledig vervangen worden. Door de BA-verzekering via NETWERK VERPLEEGKUNDE werd deze schade volledig vergoed, zonder vrijstelling. De verpleegkundige hoefde dus geen enkele extra kost te dragen.

Via NETWERK VERPLEEGKUNDE geniet je opnieuw van een sterk groepstarief met uitgebreide polisvoorwaarden die ongewijzigd blijven voor 2026–2027. De verzekering is beschikbaar voor alle verpleegkundigen: zorgkundigen, basisverpleegkundigen, VVAZ, hoofdverpleegkundigen, zelfstandigen en coördinatoren. In loondienst of als zelfstandige. Zelfstandigen kunnen bovendien kiezen voor een formule met uitgebreide rechtsbijstand, bijvoorbeeld bij RIZIV-geschillen of onenigheid binnen groepspraktijken.

Wanneer het ernstiger wordt

Soms gaat het om meer dan materiële schade. Word je beschuldigd van een medische fout of kom je terecht bij de Federale Toezichtcommissie? Dan heeft dat impact op je reputatie en je gemoedsrust. Rechtsbijstand is dan onmisbaar.

Eén van de casussen toont hoe ver dat kan gaan. Een verpleegkundige diende – zonder het te weten – een lege vaccinatiespuit toe die een collega als grap had klaargelegd. De verpleegkundige werd opgeroepen bij de Federale Toezichtcommissie. Door de gekoppelde rechtsbijstand kreeg ze ondersteuning van een gespecialiseerde advocaat, zonder bijkomende kosten.

Extra bescherming bij uitval

Voor zelfstandige thuisverpleegkundigen liggen de risico’s hoger. Door een ongeval, een acute aandoening of langdurige ziekte kan je volledige inkomen plots wegvallen. De verzekering gewaarborgd inkomen vangt dat op met een vaste dagvergoeding, zodat je financiële stabiliteit hebt tijdens je herstelperiode. Zo voorkom je dat een periode van arbeidsongeschiktheid leidt tot financiële problemen.

Of je nu in loondienst werkt of zelfstandig verpleegkundige aan de slag gaat: een BA-verzekering is geen luxe, wel een noodzakelijke vorm van bescherming. Door de voordelige premies, uitgebreide voorwaarden en optie tot gewaarborgd inkomen en rechtsbijstand, krijgen leden van NETWERK VERPLEEGKUNDE toegang tot een solide vangnet dat meegroeit met hun verantwoordelijkheden. Belangrijk om weten: de verzekering komt enkel tussen als je aansluiting in orde is op het moment van het incident.

Nieuwe categorieën vanaf 2027

Veranderingen in het zorglandschap vragen dat de verzekeringsmaatschappijen mee evolueren om een optimale dekking te bieden. Daarom werd vanaf 2027 een herstructurering van het aanbod onderhandeld met de nodige instanties. De uitgebreide polisvoorwaarden en interessant groepstarief blijven ongewijzigd. Daarnaast werden ook de voorwaarden van de polis rechtsbijstand aangepast, zowel voor het bediendestatuut als het zelfstandigenstatuut, elk met een ongewijzigd tarief.

Categorie Omschrijving Premie 2027
Cat. 1 – Bedienden Zorgkundigen, basisverpleegkundigen en verpleegkundige algemene zorg (VVAZ), inclusief specialisaties. €75
Cat. 2 – Zelfstandig verpleegkundige Incl. zelfstandig gespecialiseerde verpleegkundige (VVAZ, wondzorg, … ) €95
Cat. 3 – Zelfstandigen met uitgebreide rechtsbijstand Rechtsbijstand o.a. bij RIZIV-geschillen en  geschillen in groepspraktijken. €230
NIEUWE VANAF 2027
Cat. 4 – Verpleegkundig specialist in loondienst
€95
NIEUWE VANAF 2027
Cat. 5 – Zelfstandige verpleegkundig specialist
€125
NIEUWE VANAF 2027
Cat. 6 – Zelfstandige verpleegkundig specialist met uitgebreide rechtsbijstand
Zelfstandige verpleegkundig specialisten met uitgebreide rechtsbijstand voor o.a. bij RIZIV-geschillen en  geschillen in groepspraktijken. €245


“We willen blijven zorgen, maar niet op deze manier”

Belgische zorg- en hulpverleners lopen een hoog tot zeer hoog risico op burn-out. Dat blijkt uit de nationale welzijnsbevraging Be.well.pro. Een andere opvallende vaststelling? De helft van de ondervraagden kan zich niet voorstellen hun job tot aan het pensioen vol te houden. Driekwart wil dat nochtans wel, op één voorwaarde: het werk moet anders georganiseerd worden. Interessante cijfers die een boeiend beeld geven van de zorgsector van nu.

Hoe gaat het vandaag echt met de mensen die onze zorg- en welzijnssector dragen? Dat was de centrale vraag van de nationale welzijnsbevraging Be.well.pro, een initiatief van de FOD Volksgezondheid en wetenschappelijk uitgewerkt door Sciensano. Tussen 13 januari en 23 maart 2025 vulden bijna 35.000 zorg- en hulpverleners de vragenlijst volledig in, een respons die zelden gezien wordt in dit soort studies. De resultaten geven een genuanceerd en tegelijk onmiskenbaar urgent beeld van een sector. Daarin blijven motivatie en maatschappelijke betrokkenheid torenhoog, maar worden de grenzen van werkbaarheid steeds scherper voelbaar.

We spraken met Vincent De Prez, wetenschappelijk medewerker bij Sciensano, die samen met collega’s Robrecht De Schreye en Bart Peeters mee verantwoordelijk was voor de uitwerking, validatie en analyse van de bevraging.

Ongeziene blik op hele zorg- en welzijnslandschap

Dat Be.well.pro zo breed werd opgezet, is volgens Vincent een belangrijke stap vooruit. “Voor het eerst bevroegen we 41 verschillende beroepsgroepen”, zegt hij. “Van verpleegkundigen, artsen en zorgkundigen tot maatschappelijk werkers, opvoeders, ergotherapeuten, psychologen en medewerkers in de sociale hulpverlening. Dat maakt dit rapport uniek in België.”

De schaal van de studie vergde een grondige voorbereiding. De vragenlijst werd opgebouwd op basis van internationaal gevalideerde schalen, zoals de Burnout Assessment Tool (BAT) van professor Hans De Witte, en vooraf getest in een pilootfase met duizenden deelnemers. “We wilden geen losse flodder, maar een solide wetenschappelijke nulmeting”, verduidelijkt Vincent. “Die laat toe om toekomstige evoluties te monitoren, al is het nog onzeker of en wanneer een herhaalde bevraging volgt.”

Een op de twee niet tot aan het pensioen

Een van de meest in het oog springende resultaten: slechts 49 procent van de respondenten ziet zichzelf in de huidige job blijven tot aan het pensioen. Vincent nuanceert: “Je kan dat op twee manieren bekijken. Het slechte nieuws is dat de helft twijfelt. Het goede nieuws is dat de andere helft het wel ziet zitten. Bovendien, als je mij als dertiger vraagt of ik mijn huidige job tot aan mijn pensioen wil blijven doen, kan ik daar ook niet met zekerheid op antwoorden. Het belangrijkste is eigenlijk wat uit de vervolgvraag komt. Namelijk driekwart wil blijven, als het werk aangepast wordt. Dat toont dat het probleem niet ligt bij gebrek aan motivatie. De sector zit vol mensen die willen blijven bijdragen. Maar ze botsen op een werkomgeving die dat vaak onmogelijk maakt.”

De pijnpunten zijn duidelijk te situeren in drie domeinen: werkdruk en tijdsdruk, onvoldoende autonomie of inspraak in organisatie van het werk en tot slot, een verstoorde werk-privébalans. “De intrinsieke motivatie is sterk aanwezig”, oppert Vincent. “Maar motivatie alleen compenseert geen structurele werkdruk.”

Werk-privébalans: een belangrijk alarmsignaal

Uit de bevraging blijkt dat 68,6 procent van de zorgverleners een negatieve impact van het werk op het privéleven ervaart. Voor beroepsgroepen met structureel onregelmatige uren, zoals verpleeg- en zorgkundigen, is de balans extra kwetsbaar. “Dat zien we ook terug in de cijfers rond burn-out”, vult Vincent aan. “12,5 procent van de bevraagden heeft een risico op burn-out. Maar is dat nu hoog of laag? Als je dat in absolute cijfers zou uitdrukken, is 12,5 procent van 35.000 respondenten meer dan 3.500 personen die eigenlijk een substantieel risico ervaren. Niet min, toch?” Vooral jongere zorgverleners (25-44 jaar) lopen verhoogd risico. “Dat verbaast mij niet”, zegt Vincent. “Veel zorgverleners staan in levensfases waarin de druk op meerdere fronten hoog is: jonge kinderen, mantelzorg voor ouders, financiële onzekerheid. Combineer dat met onregelmatige uren, overuren, wisselende diensten of emotioneel belastende situaties, en je krijgt een cocktail die mensen uitput.”

Sociale steun, autonomie en waardering: de stille motoren

Een van de lichtpunten in het rapport is de hoge mate van ervaren teamsteun. Dat lijkt een belangrijke beschermfactor. “Collegiale steun werkt als buffer”, verklaart Vincent. “Voorgaand onderzoek toont aan dat teams waarin mensen zich gedragen en gehoord voelen, minder risico lopen op burn-out. Maar steun van collega’s kan een slecht georganiseerde werkstructuur niet volledig compenseren.”

Wat ook blijk uit internationaal onderzoek is dat zorgverleners die meer autonomie ervaren – inspraak in uurroosters, werkwijze, caseload of taakverdeling – duidelijk beter scoren op welzijn. Zo toonde de WHO-studie, The Mental Health of Nurses and Doctors (MeND) survey, aan dat hogere autonomie bij artsen in heel Europa samenhangt met minder psychologische klachten. Voor verpleegkundigen daarentegen blijft autonomie een pijnpunt. “De cijfers kunnen die vergelijking niet rechtstreeks maken”, waarschuwt Vincent, “maar het is wel zo dat autonomie en waardering vaak samenhangen met minder stress.”

De vertaalslag is nu aan de sector

Be.well.pro is bedoeld als startpunt voor de sector. Sciensano koos er bewust voor de resultaten neutraal te presenteren. “Wij reiken de cijfers aan. Maar het zijn de beleidsmakers, werkgevers en beroepsverenigingen die ze moeten vertalen naar concrete acties.” En laten we vooral niet vergeten: uit de resultaten blijkt ook dat zorg- en hulpverleners heel wat positieve elementen ervaren in hun job. De meeste respondenten voelen sociale steun, ervaren zingeving en halen motivatie uit hun rol. “We horen geen roep om minder zorg”, besluit Vincent “We horen een roep om zorg te kunnen blijven geven, op een manier die menselijk en houdbaar is. Dat is de uitdaging voor de komende jaren.”

Bronnen

Welzijnswijzer be.well.pro: Be.well.pro: https://www.health.belgium.be/nl/www.bewellpro.be/resultaten

The Mental Health or Nurses and Doctors (MeND) survey: https://www.who.int/europe/publications/i/item/WHO-EURO-2025-12709-52483-81031


Zelfmanagementondersteuning: een opportuniteit voor België

Door Katja Swinnen en Leia Vrancken, Hogeschool UCLL, R&E Health Innovation

In het voorjaar publiceerde de OESO het PaRIS-rapport (Patient Reported Indicator Surveys).1  In deze grootschalige internationale studie werd de kwaliteit van zorg geëvalueerd op basis van ervaringen van mensen met een chronische aandoening. Negentien landen namen deel, waaronder ook België.

De resultaten zijn op vele vlakken positief: België scoort goed op toegankelijkheid van zorg en vertrouwen in zorgverleners. Toch toont het rapport een belangrijke uitdaging. Veel landen, waaronder België, doen het minder goed op het vlak van zelfmanagementondersteuning (ZMO), de begeleiding van patiënten om zelf actief met hun aandoening om te gaan, keuzes te maken en problemen aan te pakken in het dagelijks leven. Het rapport toont dat in België 85 procent van de patiënten naar een huisartsenpraktijk gaan waar zelfmanagement voornamelijk wordt ondersteund door het geven van verbale informatie. Wanneer het gaat over geschreven informatie gaat dit nog maar over 51 procent. De percentages dalen drastisch bij gestructureerde ZMO-interventies, zoals het samen opstellen van doelen en actieplannen (31 procent), doorverwijzing naar zelfmanagementeducatie (16 procent), of behandeling door een zorgverlener die getraind is in patient empowerment (7 procent).

Nochtans is ZMO een cruciale factor voor een hogere kwaliteit van zorg. ZMO wordt beschouwd als een essentieel onderdeel van persoonsgerichte zorg. Patiënten die zich gesteund voelen in hun zelfzorg rapporteren hogere tevredenheid, meer levenskwaliteit en betere gezondheidsuitkomsten.2,3 Het PaRIS-rapport toont daarnaast aan dat ZMO het vertrouwen van patiënten verhoogt: zowel in zichzelf als in het zorgsysteem.

De resultaten vormen dus een wake-upcall voor België. Ons zorgsysteem is sterk gericht op acute en curatieve zorg, terwijl de groeiende groep chronisch zieken een andere benadering vraagt: één waarin verpleegkundigen en andere zorgverleners een sleutelrol spelen. Door hun nabijheid, communicatieve vaardigheden en holistische kijk op de mens, zijn verpleegkundigen bij uitstek geschikt om patiënten te ondersteunen in het versterken van hun eigen regie.

Bij Health Innovation, een expertisecentrum van Hogeschool UCLL R&E, wordt al enkele jaren sterk ingezet op dit thema. Binnen opleidingen en navormingen leren studenten en professionals hoe ze zelfmanagement kunnen ondersteunen in de praktijk, door motiverende gespreksvoering, gezamenlijke besluitvorming en patiëntenautonomie een centralere plaats te geven in het zorgproces. Hogeschool UCLL biedt hierdoor enkele belangrijke bouwstenen die het gebrek aan gestructureerde ZMO-interventies in België kan opvullen. Opleidingen in ZMO voor zorgverleners zijn geen luxe, maar een noodzakelijke investering om zorgverleners de tools te geven waarmee ze patiënten echt kunnen empoweren en de kwaliteit van chronische zorg duurzaam kunnen verbeteren.

Bronnen

  1. OECD. Does Healthcare Deliver? Results from the Patient-Reported Indicator Surveys (PaRIS). Paris; 2025.
  2. Timmermans L, Golder E, Decat P, Foulon V, Van Hecke A, Schoenmakers B. Characteristics of self-management support (SMS) interventions and their impact on Quality of Life (QoL) in adults with chronic diseases: An umbrella review of systematic reviews. Health Policy. 2023;135.
  3. Zimbudzi E, Lo C, Misso ML, Ranasinha S, Kerr PG, Teede HJ, et al. Effectiveness of self-management support interventions for people with comorbid diabetes and chronic kidney disease: A systematic review and meta-analysis. Systematic Reviews. 2018;7(1).


Gestructureerde equipe of gestructureerd zorgteam: wat is het verschil?

Sinds de nieuwe wetgeving duiken nieuwe termen op in de verpleegkunde en dat leidt hier en daar tot verwarring. Vooral de begrippen ‘gestructureerde equipe’ en ‘gestructureerd zorgteam’ worden door elkaar gehaald. Toch gaat het om twee verschillende vormen van samenwerking, met elk hun eigen regels en context.

Gestructureerde equipe: samenwerking met zorgkundigen

De gestructureerde equipe bestaat uit verpleegkundigen (VVAZ, HBO5 of basisverpleegkundigen) en zorgkundigen. Binnen dit kader kan een verpleegkundige bepaalde handelingen delegeren aan een zorgkundige, zoals voorzien binnen de grenzen van diens bevoegdheid. Dat mag enkel als:

  • de handeling op de officiële lijst voor zorgkundigen staat
  • de zorgkundige bekwaam is
  • er toezicht is door een verpleegkundige

Hierbij is belangrijk te vermelden dat toezicht niet gelijk staat aan fysiek toezicht. De samenwerking in een gestructureerde equipe is al jaren goed geregeld in de koninklijke besluiten van 2006, 2015 en 2019 en is vandaag volledig in werking. Je vindt ze in zowat elke zorginstelling: van ziekenhuizen tot woonzorgcentra en thuisverpleging. Opgelet, wanneer men geen handelingen delegeert aan zorgkundigen, is er dus ook geen gestructureerde equipe aanwezig in de betrokken zorginstelling of op de betrokken dienst.

Gestructureerd zorgteam: nieuw en multidisciplinair

Het gestructureerd zorgteam brengt een nieuwe manier van samenwerken tussen verschillende zorgberoepen. In zo’n team kan een verpleegkundige (VVAZ of HBO5) bepaalde handelingen toevertrouwen aan andere zorgprofessionals, zoals kinesitherapeuten, ergotherapeuten of diëtisten – maar niet aan zorgkundigen.

De wet van 18 mei 2024 maakt dit wettelijk mogelijk. De concrete lijst met handelingen die mogen worden gedelegeerd, is evenwel nog niet gekend. Daardoor werkt het gestructureerd zorgteam vandaag nog niet in de praktijk. Zodra die lijst gekend, gestemd en goedgekeurd wordt, en verschijnt in het Belgisch Staatsblad, wordt duidelijk welke taken verpleegkundigen mogen delegeren aan welke gezondheidszorgberoepen.

Zorginstellingen zullen zelf kunnen kiezen of ze met een gestructureerd zorgteam aan de slag gaan. Het is dus geen verplicht kader, maar een extra mogelijkheid om samenwerking te organiseren. Enkel wanneer verpleegkundigen effectief handelingen delegeren aan andere gezondheidszorgberoepen, is er sprake van een gestructureerd zorgteam. Beslist een zorginstelling of een dienst om dat niet te doen, dan blijven ze buiten dit kader werken.