Meten is pas weten als het klopt

De Functional Independence Measure (FIM) is een veelgebruikt meetinstrument in de revalidatiezorg om functionele vooruitgang van patiënten in kaart te brengen. Toch verschilt de manier waarop het instrument wordt ingezet sterk van ziekenhuis tot ziekenhuis. In haar masteronderzoek ‘De Functional Independence Measure: Implementatie, Benchmarking en Succesfactoren in Revalidatiezorg’ onderzocht beleidsmedewerker Erika Louwagie hoe de FIM vandaag wordt toegepast in Vlaanderen en waarom benchmarking aan de hand van FIM-scores voorlopig moeilijk blijft.

Context

De revalidatiezorg in Vlaanderen omvat een brede en complexe patiëntenpopulatie, van orthopedische revalidatie tot ernstige neurologische aandoeningen. Betrouwbare meetinstrumenten zijn cruciaal om functionele vooruitgang zichtbaar te maken en kwaliteitsverbetering te ondersteunen. De Functional Independence Measure (FIM) is internationaal erkend en wordt in de meeste revalidatiesettings in de Vlaamse ziekenhuizen gebruikt, vaak in combinatie met andere methodes om een volledig beeld van het functioneren te krijgen.
Tot nu was er weinig zicht op hoe zorgverleners het instrument in de dagelijkse praktijk ervaren. Ook leeft de vraag of de FIM-scores naast individuele zorgopvolging ook kunnen dienen als basis voor benchmarking, binnen en tussen ziekenhuizen.

Methode

Erika Louwagie combineerde voor haar onderzoek een brede bevraging met diepte-interviews. Via vragenlijsten bevroeg ze Vlaamse revalidatieziekenhuizen en ziekenhuizen met een revalidatiedienst over het gebruik van de FIM, afnamemomenten, opleiding, knelpunten en succesfactoren. Daarbij was expliciet aandacht voor de ervaringen van verpleegkundigen, die het instrument vaak afnemen. Daarnaast interviewde ze leden van het management om zicht te krijgen op organisatorische keuzes, visie en ondersteuning. Zo bracht ze zowel de werkvloer als het beleids- en organisatieniveau in kaart.

Resultaten

Uit het onderzoek blijkt dat zorgverleners het motorische luik van de FIM als praktisch, betrouwbaar en haalbaar in de dagelijkse zorg ervaren. Het cognitieve luik blijkt minder geschikt voor complexe patiëntengroepen en leidt vaker tot interpretatieverschillen, waardoor het klinisch oordeel een belangrijke rol blijft spelen.

Daarnaast stelt Erika vast dat ziekenhuizen sterk verschillen in wanneer en door wie de FIM wordt afgenomen, en in de mate waarin zorgverleners hiervoor worden opgeleid. Die verschillen ondermijnen de objectiviteit en vergelijkbaarheid van resultaten en maken benchmarking vandaag moeilijk. De resultaten tonen ook aan dat implementatie sterk samenhangt met organisatorische factoren zoals managementbetrokkenheid, duidelijke procedures, opleiding en digitale ondersteuning.

Conclusie

De FIM is een waardevol instrument om functionele vooruitgang in de revalidatiezorg te meten, vooral op motorisch vlak. Tegelijk maakt het onderzoek duidelijk dat meten pas bijdraagt aan kwaliteitsverbetering wanneer het instrument goed ingebed is in de organisatie. Pas wanneer metingen objectief, consistent en goed ondersteund gebeuren, kan benchmarking een zinvolle volgende stap zijn. Verpleegkundigen spelen daarin een sleutelrol: zij nemen het instrument vaak af, beschikken over een uitgebreid patiëntbeeld en bepalen mee de kwaliteit en objectiviteit van de data. Alleen wanneer zij voldoende ondersteund worden en meetinstrumenten verankerd zijn in de dagelijkse werking, kan meten uitgroeien tot een hefboom voor betere zorg.

Erika Louwagie

Werkte eerst een aantal jaren in de praktijk als ergotherapeut en maakte na deze praktijkervaring de overstap naar beleidsmedewerker bij de Vlaamse overheid, Departement Zorg op de afdeling Eerste Lijn en Gespecialiseerde Zorg. Ze voerde haar onderzoek in het kader van een bijkomende masteropleiding Gezondheidswetenschappen met als specialisatie Management en Kwaliteitszorg.


Onder hypnose: het gebruik van hypnose bij patiënten met prikangst

Prikangst veroorzaakt bij kinderen vaak stress, weerstand en negatieve zorgervaringen. Ook voor verpleegkundigen is het uitvoeren van naaldprocedures in die context belastend. Tijdens mijn opleiding verpleegkunde merkte ik hoe moeilijk het is om angst bij kinderen weg te nemen. Dat bracht me ertoe om in mijn bachelorproef te onderzoeken of hypnose een haalbare, niet-farmacologische ondersteuning kan zijn in de verpleegkundige praktijk.

Context

Lange tijd stond ik sceptisch tegenover hypnose. Pas tijdens de coronaperiode, toen ik de tijd had om me erin te verdiepen, ontdekte ik hoeveel internationaal wetenschappelijk onderzoek al bestaat naar de effecten ervan bij pijn en angst. Dat inzicht deed mijn beeld kantelen.

Dat onderzoek toont aan dat hypnose en hypnotisch taalgebruik angst en pijn tijdens medische handelingen kunnen verminderen. Toch blijft hypnose in Vlaanderen weinig ingebed in de verpleegkundige praktijk. Ze is geen erkende verpleegkundige techniek en komt nauwelijks aan bod in het reguliere opleidingsaanbod. Vanuit die vaststelling besloot ik dit thema centraal te stellen in mijn bachelorproef.

Methode

Mijn onderzoek combineerde een literatuurstudie met een praktijkonderzoek. In dat praktijkluik verspreidde ik een online vragenlijst bij verpleegkundigen die werken met kinderen en regelmatig naaldprocedures uitvoeren. Daarnaast organiseerde ik een vorming over hypnose. Zowel voor als na de vorming stelde ik de deelnemers vragen over hun kennis, houding en bereidheid om hypnose toe te passen. In de vragenlijst peilde ik naar hun ervaringen met prikken bij kinderen, de emotionele belasting die dat met zich meebrengt en de technieken die zij vandaag al inzetten om angst te verminderen.

Resultaten

De resultaten tonen aan dat hypnose bij verpleegkundigen relatief onbekend is, maar zelden negatief wordt beoordeeld. Prikken bij kinderen wordt breed ervaren als stressvol, voor het kind, de ouders en de verpleegkundige. Tijdstekort, emotionele belasting en herhaalde negatieve ervaringen spelen daarbij een belangrijke rol. Hoewel verpleegkundigen al verschillende technieken inzetten, zoals afleiding of lokale verdoving, wordt hypnose gezien als een interessante aanvullende mogelijkheid. Na het volgen van de vorming nam de kennis over hypnose toe en evolueerde de houding duidelijk in positieve zin. Vooral hypnotisch taalgebruik, zoals angstverhogende woorden vermijden, werd als laagdrempelig en onmiddellijk toepasbaar ervaren. Tegelijk wijzen verpleegkundigen op structurele drempels, zoals te weinig opleiding, ondersteuning en een ontbrekend organisatorisch kader.

Conclusie

Mijn bachelorproef toont aan dat er bij verpleegkundigen een duidelijke openheid bestaat voor het gebruik van hypnose bij prikangst. Hypnose wordt niet gezien als een wondermiddel, maar als een waardevolle aanvulling binnen een bredere, trauma-arme zorgaanpak. Om deze techniek verantwoord te kunnen inzetten, zijn gerichte opleiding, begeleiding en structurele verankering in onderwijs en praktijk noodzakelijk.

Over de student

Ik ben Roel Van Hofstraeten (54), verpleegkundige op de spoedgevallendienst in Vitaz Sint-Niklaas en zijinstromer vanuit de horeca en journalistiek. Zorgen voor mensen loopt als een rode draad door mijn loopbaan. Mijn interesse in hypnose groeide uit een persoonlijke zoektocht naar minder angst en meer menselijkheid in de zorg, vooral bij kinderen met prikangst.

Meer weten? Kom naar de lezing op 12/5

Comfortzorg: hypnose als verpleegkundige techniek

Hypnose wordt vaak geassocieerd met iets “zweverigs” of magisch, maar in werkelijkheid is het een wetenschappelijk onderbouwde techniek die werkt met gerichte aandacht en diepe ontspanning. Het mysterieuze imago, vooral gevoed door podiumshows, doet geen recht aan de klinische waarde ervan. In de zorgcontext is hypnotherapie een erkende en effectieve methode voor pijnbeheersing, het verminderen van angst en stress, en het ondersteunen van gedragsverandering.

In deze vorming maak je kennis met wat hypnose echt is en hoe je deze techniek op een professionele en veilige manier kan toepassen binnen de comfortzorg. Je leert hoe hypnose ingezet kan worden bij patiënten met (prik-)angst en andere spanningsklachten, met respect voor hun autonomie en beleving. Daarnaast krijg je praktische, concrete handvatten aangereikt zodat je als verpleegkundige zelf met hypnose aan de slag kan gaan in je dagelijkse zorgpraktijk.

Praktische info

  • Datum
    12 mei 2026 van 19.30 uur – 22 uur
  • Prijs
    Leden: € 5 / niet-leden: € 15 / studenten: € 5
  • Plaats
    Campus Odisee/Sint-Carolus
    Hospitaalstraat 23
    9100 Sint-Niklaas
  • Inschrijven
    Via mail naar Waasland@netwerkverpleegkunde.be


Verpleegkundige autonomie in de Belgische pers

Het wereldwijde tekort aan verpleegkundigen zet de zorgkwaliteit onder druk. Ook in België blijven duizenden vacatures open. Naast werkdruk speelt onderwaardering een grote rol in de erkenning van het beroep. Verpleegkundigen worden vaak gereduceerd tot uitvoerders, of tijdens crisissen tot helden, waardoor hun expertise en beslissingsruimte onderbelicht blijven. Media beïnvloeden hoe zij worden gepercipieerd, en dus ook beroepskeuze, identiteit en waardering. Onderzoek naar hun representatie is daarom nodig.

Methode en resultaten

Deze studie onderzocht hoe verpleegkundige autonomie wordt voorgesteld in Belgische kwaliteitskranten. Een taalkundig onderzoek, meer bepaald een ‘kritische discoursanalyse’, werd uitgevoerd op artikels uit De Tijd en De Standaard. Daarbij werd onderzocht hoe verpleegkundige autonomie en beeldvorming in de geselecteerde krantenartikels werden geconstrueerd via woordkeuze, taalgebruik en tekststructuur, en hoe deze constructies eventuele machtsverhoudingen zichtbaar maken of reproduceren.

Uit de analyse kwamen vier dominante perspectieven naar voren. Het eerste thema, ‘schijnautonomie’, toonde hoe verpleegkundigen wel meer taken krijgen, maar zelden beslissingsbevoegdheid of inspraak. Autonomie werd in de gebruikte taal gekoppeld aan efficiëntie en inzetbaarheid, niet aan beleidsmatige zeggenschap of klinisch leiderschap.

Het tweede thema, ‘discursieve uitsluiting’, verwees naar de structurele afwezigheid van verpleegkundige stemmen in de berichtgeving. Minder dan de helft van de 29 geïncludeerde artikels bevatte een direct of indirect citaat van een verpleegkundige; in de overige artikels blijven zij afwezig of worden ze collectief benoemd als deel van een ‘multidisciplinair team’. Artsen, beleidsmakers en managers domineerden de nieuwsberichten. Hierdoor blijft het verpleegkundig perspectief onderbelicht in publieke debatten over hun eigen beroep.

Een derde thema, ‘autonomie binnen structurele beperkingen’, legde bloot hoe verantwoordelijkheid toenam terwijl contextuele factoren zoals werkdruk, personeelstekort en ethische spanningen amper benoemd werden. Verpleegkundigen dragen zo een groeiende verantwoordelijkheid, terwijl ze opereren binnen een systeem dat hun autonomie tegelijkertijd beperkt.

Tot slot benadrukte het vierde thema ‘relationele en morele autonomie’ het dagelijkse, betrokken handelen van verpleegkundigen. Deze dimensies worden echter zelden erkend als professioneel of deskundig, en blijven vaak onzichtbaar als vorm van klinische en moreel gemotiveerde besluitvorming. Ook al kon dit onderzoek eveneens een beperkt aantal artikels vinden die verpleegkundigen voorstelden als deskundige en reflectieve actoren, deze representatie blijft jammer genoeg vooralsnog uitzonderlijk.

Conclusie

Verpleegkundige autonomie vereist structurele inspraak in beleid én zichtbaarheid in het publieke debat. Media zouden niet enkel beleidslijnen moeten bekrachtigen, maar ook de dagelijkse realiteit van de beroepspraktijk tonen. Hoewel het vakgebied wetenschappelijk en professioneel sterk is geëvolueerd, blijft de beeldvorming vaak hangen in achterhaalde clichés. Wie verpleegkundigen nog ‘heldinnen’ of ‘engelen’ noemt, miskent hun deskundigheid en beslissingsvermogen. Bewuste mediapraktijken en actieve betrokkenheid van verpleegkundigen kunnen hun werk en expertise beter zichtbaar maken voor het brede publiek.

Pratishtha Ojha is dialyseverpleegkundige bij Ziekenhuis Aan de Stroom (ZAS) en behaalde haar Master in de Verpleegkunde, afstudeerrichting verpleegkundig specialist, aan de Universiteit Antwerpen. Haar masterproef werd bekroond voor de meeste impact in het domein verpleegkunde, toegekend door het Netwerk Verpleegkunde en de FNBV.


Welke factoren zetten verpleegkundigen ertoe aan hun beroep te verlaten?

Het tekort aan verpleegkundigen in België heeft steeds meer invloed op onze gezondheidszorg. Dit onderzoeksproject wil een beter inzicht krijgen in de factoren die verpleegkundigen ertoe aanzetten hun beroep te verlaten, door ze te vergelijken met de literatuur.

Doelstelling

Het doel van dit onderzoek is om beter te begrijpen waarom verpleegkundigen hun job verlaten. Met die kennis kunnen er gerichte maatregelen genomen worden om verpleegkundigen langer in het beroep te houden.

Methoden

Na een literatuurstudie over de redenen en factoren waarom verpleegkundigen hun beroep verlaten, werd een vragenlijst opgesteld. Die werd verspreid onder voormalige verpleegkundigen uit Franstalig België. Ze werkten in ziekenhuizen, woonzorgcentra, de thuiszorg of de eerstelijnszorg. De gegevens werden voornamelijk kwantitatief geanalyseerd met behulp van beschrijvende statistieken en gepaarde T-tests.

Resultaten

De resultaten toonden aan dat er een significant verschil was tussen de werktevredenheid van de respondenten aan het einde van hun eerste jaar als verpleegkundige, vergeleken met hun werktevredenheid aan het einde van hun eerste jaar in hun nieuwe beroep. Ook kwamen de redenen waarom ze het verpleegkundige beroep verlieten vaak overeen met wat er in de literatuur wordt beschreven als factoren die de intentie om het beroep te verlaten versterken. Verder gaf een groot deel van de deelnemers aan bereid te zijn om terug te keren naar het beroep van verpleegkundige, op voorwaarde dat er iets verandert aan de werkomstandigheden.

Conclusie

Dit onderzoek bevestigt dat de bekende redenen waarom verpleegkundigen twijfelen aan hun job, ook echt leiden tot het verlaten van het beroep. Deze factoren beter begrijpen en structurele oplossingen uitwerken, zou moeten leiden tot meer professionele tevredenheid bij verpleegkundigen. In sommige gevallen kan dit zelfs resulteren in meer mensen die terugkeren naar het beroep. Die werktevredenheid is belangrijk om onze gezondheidszorg goed te laten werken.

Over Lidwina Louviaux

Nadat ik mijn bachelor verpleegkunde behaalde aan de Haute École de Namur-Liège-Luxembourg (HENALLUX), volgde ik een specialisatie in oncologie aan de Haute École Léonard de Vinci in Brussel. Tijdens mijn werk in de oncologie begon ik een master in de volksgezondheidswetenschappen aan de UCLouvain. Voor mijn masterproef onderzocht ik waarom verpleegkundigen hun beroep verlaten. Momenteel werk ik als zorgcoördinator oncologie in het CHU UCL Namen.


Zelfmanagement bij jongeren met diabetes type 1 in de puberteit

In Vlaanderen hebben ruim 3.000 jongeren diabetes. Elk jaar krijgen meer dan 300 jongeren de diagnose diabetes type 1 (DMT1). Toch krijgen jongeren met DMT1 in onderzoek weinig aandacht. Met onze bachelorproef onderzochten we welke factoren hun zelfmanagement in de puberteit beïnvloeden. Ons doel: een hulpmiddel ontwikkelen dat hun levenskwaliteit en gezondheid op de lange termijn verbetert.

Context

Volgens het Vlaams Instituut Gezond Leven hangt gezondheid sterk af van ons gedrag. Voor jongeren met DMT1 is zelfmanagement daarom cruciaal. Lukt dat niet, dan kan dat lichamelijke, psychologische, sociale en maatschappelijke gevolgen hebben.

Zelfmanagement kost energie. Het vraagt niet alleen lichamelijke inspanning, maar is ook emotioneel zwaar. Pubers zitten bovendien in een drukke levensfase vol lichamelijke, mentale en sociale veranderingen. Krijgen ze in die periode ook nog de diagnose DMT1, dan beïnvloedt dat hoe goed ze hun ziekte begrijpen, hun therapie volgen en zelfstandig omgaan met hun zorg.

Methode

We onderzochten welke factoren zelfmanagement helpen of hinderen. Dat deden we met 23 wetenschappelijke artikels uit PubMed en Elsevier Science Direct en interviews met zorgverleners van het kinder- en volwassenenteam van het UZ Gent, een kinderendocrinoloog, een diëtist, een diabeteseducator en een psycholoog. De resultaten plaatsten we in het gedragswielmodel van het Vlaams Instituut Gezond Leven (drijfveren, competenties en context). We bekeken ook bestaande digitale hulpmiddelen zoals apps en slimme horloges, en maakten een stakeholdersanalyse, SWOT-analyse en visgraatdiagram. Tot slot koppelden we technieken voor gedragsverandering aan de gevonden knelpunten.

Resultaten

Jongeren met DMT1 krijgen vaak te maken met onbegrip en vooroordelen. Zichtbare hulpmiddelen zoals insulinepompen of sensoren kunnen schaamte oproepen en hun zelfvertrouwen verlagen. In de puberteit willen ze bij de groep horen en zelfstandig zijn. Botst dat met hun zelfmanagement, dan laten ze die taken soms liggen of vermijden ze sociale situaties.

Veel jongeren voelen ook druk om alles perfect te doen. Omdat hun hersenen nog in ontwikkeling zijn, kiezen ze sneller voor wat op korte termijn makkelijk of leuk is. Ze hebben meestal genoeg kennis en vaardigheden, maar vinden het lastig die in elke situatie toe te passen.

Conclusie

Zelfmanagement bij jongeren met DMT1 hangt af van veel persoonlijke en omgevingsfactoren. Om jongeren daarin te ondersteunen ontwikkelden wij ChroniConnect, een app met functies zoals:

  • Verkenner om nieuwe contacten te leggen.
  • Chats om rechtstreeks te praten met anderen.
  • DiaMessage om snel te communiceren over zelfmanagement.
  • CareCam waarmee je zelfzorgmomenten kan delen.
  • Communities om groepen rond een thema te verbinden.
  • Zelfreflectie om je eigen aanpak te bekijken en verbeteren.

ChroniConnect helpt jongeren om hun zelfmanagement vol te houden, zonder angst voor negatieve reacties. Ze vinden steun bij leeftijdsgenoten die hetzelfde meemaken, waardoor hun zelfvertrouwen groeit.

Over de studenten

Wij zijn zes afgestudeerde studenten Verpleegkunde van de Arteveldehogeschool:

Annelies: sterke communicator en administratief talent. Stond in voor de vlotte communicatie tussen alle partijen.

Helena: creatieve denker die buiten de lijntjes durft kleuren.

Elle: bracht originele ideeën aan door haar creatieve blik.

Noor: kritisch en analytisch, sterk in onderzoek en tekst. Coördineerde het team en hield het overzicht.

Mirjam: flexibel en oplossingsgericht. Hielp obstakels snel wegwerken.

Nicolas: passie voor innovatie, sterke spreker en meedenker in oplossingen.

Samen maakten we een bachelorproef die theoretisch onderbouwd is en tegelijk praktische meerwaarde biedt voor jongeren met diabetes type 1.


Een podium voor de verpleegkunde

Toen ik in september 2024 door het Kursaal van Oostende liep, merkte ik dat de Week van de Verpleegkundigen meer is dan enkel een plaats voor kennisoverdracht. Het is ook een warme ontmoetingsplek die de trots van het verpleegkundige beroep zichtbaar maakt. In mijn masterproef toonde ik hoe de Week tussen 1975 en 2024 zowel letterlijk als figuurlijk een podium vormde waarop de ontwikkeling en identiteit van verpleegkundigen zichtbaar werd.

Gesteund door de wind van hervorming na de wet op de verpleegkunde van 1974, blies Ghislaine Van Massenhove in 1975 nieuw leven in de ‘Dagen van de Verpleging’. Die kregen voortaan als de ‘Week van de Verpleegkundigen’ een frisse invulling. Het Nationaal Verbond van Katholieke Vlaamse Verpleegkundigen (N.V.K.V.V.) – vandaag NETWERK VERPLEEGKUNDE – had met de Week drie centrale doelstellingen voor ogen: kennisdeling, groepsvorming en maatschappelijke zichtbaarheid voor het verpleegkundige beroep. De eerste editie in Oostende lokte meteen 6.125 deelnemers, verspreid over vier dagen. In de jaren 1970 lag de nadruk sterk op patiëntgerichte zorg. Rond dat thema werd gebouwd aan een eigen kenniscultuur voor verpleegkundigen, met als doel een samenhangende en onafhankelijke beroepsgroep uit te dragen, zowel binnen de zorgsector als daarbuiten.

In de jaren 80 en 90 waaide de geest van de Witte Woede door de Week. Door besparingen in de zorgsector kwam het beroep steeds meer onder druk te staan en verpleegkundigen lieten voor het eerst massaal hun stem horen. Ook op het congres klonk die onvrede nadrukkelijk door. In de jaren 80 trok het evenement gemiddeld maar liefst 10.000 deelnemers, met een absoluut hoogtepunt in 1987, toen 11.460 verpleegkundigen naar Oostende afzakten. Door haar grootschalige omvang bood deze bijeenkomst het ideale platform voor verpleegkundigen om zich te tonen als veerkrachtige en gespecialiseerde professionals. Tegelijkertijd maakten ze van de congresweek gebruik om hun stem te laten horen richting het beleid, de ene keer voorzichtig, de andere keer juist luid en duidelijk.

Sinds het begin van de 21ste eeuw is de verpleegkundige beroepsgroep steeds diverser geworden. De Week speelde daarop in en groeide uit tot een plek waar nieuwe stemmen klonken en inclusie centraal stond. Verpleegkundigen van alle specialisaties en niveaus kregen er een stem als professionele deskundigen. Ook werd de congresweek steeds toegankelijker voor mensen met verschillende culturele en religieuze achtergronden. Sinds 2016 brengt de gezamenlijke lunch in de Erehal van het Kursaal deze diverse groep deelnemers nog dichter bij elkaar. Door het toevoegen van steeds meer gespecialiseerde studiedagen en de snelle verspreiding van informatie via het internet, is het aantal deelnemers wat afgenomen. Dit schommelt nu tussen de 3.000 en 4.000 per jaar. Ondanks de daling in het aantal deelnemers blijft de Week voor veel verpleegkundigen belangrijk, omdat ze al vijftig jaar een podium biedt aan een beroep dat historisch gezien lang in de schaduw stond.

Nona Vinken (°2003)

In juli 2025 studeerde ik af als historica aan de KU Leuven. Voor mijn thesis onderzocht ik de geschiedenis van de Week van de Verpleegkundigen (1975-2024), aan de hand van archiefmateriaal en interviews met enkele getuigen. Hiervoor behaalde ik een 17/20.


Werkgereedheid van startende verpleegkundigen niet altijd optimaal

Pas afgestudeerde verpleegkundigen verlaten vaak snel het werkveld. Dit onderzoek toont aan dat de mate waarin ze zich klaar voelen voor de werkvloer, een significante invloed kan hebben op hun latere jobtevredenheid, en zo mee dit hoge verloop van starters kan verklaren.

Methode en resultaten

In de studie volgden we een groep jonge verpleegkundigen tijdens hun overgang van school naar werk. Via drie bevragingen (bij het afstuderen, enkele maanden later en opnieuw aan het einde van hun eerste werkjaar) werd gemeten hoe ‘werkklaar’ zij zich voelden. De vragenlijst peilde naar vier aspecten: persoonskenmerken, organisatorisch inzicht, technische competentie en sociale intelligentie.

Uit de resultaten bleek de gemiddelde werkgereedheid die startende verpleegkundigen ervaren eerder matig te zijn, en bovendien nauwelijks toe te nemen tijdens het eerste werkjaar. De component sociale intelligentie (communicatie, samenwerken, hulp vragen…) scoorde daarbij algemeen het laagst.

Deze resultaten zijn een eerste indicatie dat de huidige schoolopleidingen, alsook onboardingprogramma’s tijdens het eerste werkjaar, ineffectief zijn om de ervaren werkgereedheid van startende verpleegkundigen te optimaliseren, en zich wellicht ook onvoldoende richten op versterking van sociale competenties.

Een ander opmerkelijk resultaat: wie een groei doormaakte in werkgereedheid tijdens het eerste werkjaar, scoorde significant hoger op jobtevredenheid, wat op lange termijn dan weer een invloed kan hebben op de retentie van zorgpersoneel. Dit resultaat onderstreept het belang dat werkgereedheid wel degelijk heeft in het licht van de schaarste op de arbeidsmarkt en war on talent.

Conclusie

Gelet op de vaststelling dat de huidige werkgereedheid van startende verpleegkundigen eerder matig scoort, en bovendien dat een hogere score op diezelfde werkgereedheid zou kunnen leiden tot een hogere jobtevredenheid, hoeft het geen betoog dat meer investeren in de optimalisatie van werkgereedheid een belangrijke strategie kan zijn om jonge starters aan boord te houden. Investeren in hun ontwikkeling is dus investeren in de toekomst van ons zorgsysteem.

Daan De Malsche is master in de verpleegkunde (2023, UGent) en beëindigt momenteel een bijkomende master in de Toegepaste Economische Wetenschappen. Onder leiding van Simon Malfait (klinisch professor en zorgmanager UZ Gent) en Veerle Duprez (directeur verpleging UZ Gent) deed hij een masterproefonderzoek naar de overgang van school naar werk voor startende verpleegkundigen.


Implementatie van een intensieve zorgen-dagboek voor patiënten

Inleiding

Een opname op intensieve zorgen (IZ) heeft een grote impact op lichaam en geest. Een periode van sedatie en beademing, maar ook ernstig ziek zijn en delier, laten een lege ruimte na in het geheugen van de patiënt. Naasten kijken machteloos toe. Niet enkel geheugenstoornissen, maar ook spierzwakte, angst en depressie, en stoornissen in denk- en communicatievermogen kunnen zich voordoen. Onderzoek wijst uit dat een dagboek een hulpmiddel kan zijn bij de verwerking van de ingrijpende periode op IZ.

Methode en resultaten

Zowel patiënten als naasten kunnen langdurige gevolgen ervaren ten gevolge van de overlevingsstrijd op IZ. Gevolgen kunnen zich op fysiek, cognitief en psychisch vlak voordoen, ook wel het Post-Intensive Care Syndrome (PICS) genoemd. Preventie van PICS bestaat uit verschillende maatregelen met betrekking tot fysiek herstel, delier, familieparticipatie en doeltreffende communicatie. Een IZ-dagboek kan hierbij een belangrijke meerwaarde bieden. Het lezen van een correcte weergave van de gebeurtenissen reduceert de impact van geheugenverlies en waanvoorstellingen, helpt traumatische gebeurtenissen verwerken, en resulteert in het verminderen van psychologische gevolgen als angst, depressie en PTSS. Ook mondelinge communicatie en begrip van medische informatie worden bevordert a.d.h.v. het IZ-dagboek.

Na afloop van een literatuurstudie omtrent PICS en de werking van een IZ-dagboek, werd een IZ-dagboek ontworpen dat gedurende tien weken in gebruik werd genomen op IZ in het AZ Oostende. Hierbij mochten zowel naasten als verpleegkundigen en paramedici in het dagboek schrijven voor de kritiek zieke patiënt. Vervolgens werden ervaringen en feedback van de participanten teruggekoppeld aan de hand van een vragenlijst. De bekomen feedback werd in acht genomen om het dagboek verder te verfijnen tot een waardig instrument, en verder te implementeren op de werkvloer.

Conclusie

Zowel zorgverleners als naasten zijn positief over het concept van een IZ-dagboek. Het biedt een vorm van steun en houvast tijdens een ingrijpende periode. Het feit dat een patiënt gesedeerd is, lijdt aan geheugenverlies of delier, zet aan tot het neerschrijven van zijn verhaal. Wanneer de patiënt bij bewustzijn is spenderen naasten liever tijd aan de zijde van de patiënt, en verkiest men een alternatief om thuis te schrijven. Onzekerheid wat te schrijven, vragen in verband met het beroepsgeheim en angst voor de reactie van de patiënt zijn drempels tot schrijven in het dagboek. Hierbij kunnen vooraf opgestelde schrijftips hulp bieden. Ook tijdsgebrek bij het zorgpersoneel en de grote emotionele impact bij naasten vormen barrières om in het dagboek te schrijven. Psychologische begeleiding tijdens en na een opname kan hierbij een grote meerwaarde bieden. Verder is een papieren versie van het IZ-dagboek makkelijk te hanteren en kostenefficiënt. Het wordt op de kamer van de patiënt gehouden waar het toegankelijk is voor alle betrokkenen. Ook de mogelijkheid om foto’s toe te voegen draagt bij om van het dagboek een kostbaar instrument te maken.

De ondersteuning van zorgverleners aan patiënten en naasten is van onschatbare waarde. Zelfs een korte boodschap in het IZ-dagboek kan helpen bij het verwerken van de ingrijpende periode op afdeling intensieve zorgen.

Adeline Bultynck

22 jaar en een enthousiaste IZ-verpleegkundige. Trots kijk ik terug op mijn bachelorproef die niet enkel bij verpleegkundigen en docenten een indruk naliet, maar die ik ook op een congres mocht voorstellen omwille van het belang aan het psychisch welzijn bij patiënten en naasten.


Marketing als medicijn tegen agressie in de zorg

Dit onderzoek verkent de oorzaken, vormen en gevolgen van destructief gedrag door zorgvragers in de gezondheidszorg en onderzoekt hoe marketingstrategieën kunnen bijdragen aan preventie en beheersing van deze actuele problematiek.

Methodologie

Dit onderzoek combineert een literatuurstudie met kwalitatief onderzoek. In de literatuurstudie analyseerde ik bestaande kennis over destructief gedrag door zorgvragers en effectieve preventiestrategieën. Daarnaast werden 15 diepte-interviews afgenomen met zorgverleners, agressie-experts en specialisten in zorgmarketing. De inzichten uit de interviews werden geanalyseerd en vergeleken met de literatuur om tot een conceptueel framework met gerichte aanbevelingen te komen.

Resultaten

Destructief gedrag omvat een breed scala aan gedragingen, waaronder fysieke en verbale agressie, micro-agressie en seksueel ongewenst gedrag.

De oorzaken van agressie tegenover zorgverleners zijn onder te verdelen in persoonlijke, omgevings- en gedragsfactoren. Persoonlijke factoren zoals consumentisme maken dat zorgvragers steeds hogere verwachtingen hebben, wat tot frustratie en agressie kan leiden bij teleurstelling. Daarnaast zijn er veranderende machtsverhoudingen tussen patiënt en zorgverlener, waardoor autoriteit minder vanzelfsprekend wordt geaccepteerd. Omgevingsfactoren zoals hoge werkdruk, communicatieproblemen en lange wachttijden spelen eveneens een grote rol. Bovendien kan destructief gedrag van anderen aanstekelijk werken, waardoor agressie zich binnen zorginstellingen verspreidt.

De impact van destructief gedrag op zorgverleners is aanzienlijk. Zij ervaren verhoogde stress, angst voor de werkplek, burn-out en in sommige gevallen zelfs posttraumatische stress. Dit leidt tot een verhoogde uitstroom van personeel, wat de werkdruk verder doet stijgen en een negatieve invloed heeft op de zorgkwaliteit. Niet alleen zorgverleners, maar ook zorginstellingen en andere zorgvragers ondervinden hier de gevolgen van.

Belangrijke maatregelen zijn training en educatie voor zorgverleners om destructief gedrag te herkennen en ermee om te gaan. Daarnaast zijn meldpunten essentieel om incidenten te rapporteren en te analyseren. Een sterker veiligheidsbeleid met politie- en bewakingsondersteuning kan bijdragen aan een veiligere zorgomgeving. Verder is persoonsgerichte communicatie, gecombineerd met nudging-technieken, nuttig om zorgvragers subtiel aan te moedigen tot gepast gedrag. Tot slot biedt publieke bewustwording een kader dat ingezet kan worden voor langdurige communicatiecampagnes via massamedia en influencers om tot effectieve gedragsverandering over te gaan.

Conclusie

Dit onderzoek toont aan dat een interdisciplinaire aanpak nodig is om destructief gedrag effectief te beheersen. Door marketingprincipes te combineren met psychologische en organisatorische strategieën kunnen zorginstellingen beter inspelen op de uitdagingen van destructief gedrag en zo bijdragen aan een veiligere en respectvollere zorgomgeving.

Ik ben Anke Raskin, een ambitieuze en leergierige 24-jarige student. Na mijn Bachelor Bedrijfsmanagement en Master Handelswetenschappen in marketingmanagement, verdiep ik me momenteel in de Educatieve Master Economie aan de UHasselt. Daarnaast doe ik waardevolle praktijkervaring op als jobstudent binnen de marketingsector. Ik geloof sterk in levenslang leren en ben altijd op zoek naar nieuwe uitdagingen en groeikansen.


Cultuursensitieve zorg: percepties en uitdagingen

Dit proefschrift onderzoekt cultuursensitieve zorg vanuit zorgverleners en mantelzorgers, en ontwikkelt een educatieve module om cultureel bewustzijn bij verpleegkundestudenten te vergroten. Demografische trends zoals vergrijzing en diversiteit veranderen de zorg in België. De huidige gefragmenteerde zorgmodellen botsen op beperkingen, maar cultuursensitieve zorg kan oplossingen bieden. De implementatie ervan kent evenwel uitdagingen.

Inhoud

In dit proefschrift werden kwalitatieve onderzoeksmethoden toegepast om inzicht te krijgen in de perceptie, implementatie en uitdagingen van cultuursensitieve zorg. De bevindingen tonen dat zorgverleners cultuursensitieve zorg vaak vanuit een taakgerichte benadering benaderen, waarbij stereotiepe opvattingen en een beperkt begrip van cultuur domineren. Hierdoor wordt cultuur gereduceerd tot religieuze praktijken of een checklist van praktische acties, vaak zonder rekening te houden met het eigen culturele referentiekader of impliciete vooroordelen. Dit kan leiden tot onzekerheid bij zorgverleners, othering en soms zelfs discriminerend gedrag.

Mantelzorgers met een migratieachtergrond ervaren een gebrek aan gepaste zorg in een systeem dat onvoldoende structurele ondersteuning biedt. Mantelzorgers ervaren cultuurinsensitieve zorg en structurele hiaten in het zorgsysteem, wat hun rol extra belast. Dit benadrukt de noodzaak naar gepaste zorg en meer ondersteuning voor mantelzorgers met een migratieachtergrond.

Het proefschrift ontwikkelde en evalueerde een educatieve lesmodule, gericht op verpleegkundestudenten, om culturele en zelfreflectieve vaardigheden te versterken. De module, die onder andere zelfbewustzijn, ongelijkheid en discriminatie bespreekt, toonde een positieve impact op het bewustzijn van studenten. Dergelijke trainingen zijn nodig om toekomstige zorgverleners voor te bereiden op het werken in een diverse samenleving. Naast technische vaardigheden moet gezondheidszorgonderwijs meer aandacht besteden aan relationele en empathische aspecten van zorg.

Vier thema’s kwamen naar voren als overkoepelende resultaten: ‘caring and uncaring encounters’, het optionele karakter van cultuursensitieve zorg, othering en discriminatie in de zorg, en structurele hiaten in de zorg. Het proefschrift pleit voor een geïntegreerde aanpak waarin cultuursensitieve zorg niet optioneel is, maar een fundamenteel onderdeel in zorg en onderwijs. Dit vereist leiderschap vanuit managementniveaus en een beleidsmatige aanpak om discriminatie tegen te gaan. Relationele zorg kan meer aandacht krijgen binnen de zorgverleners en zorgorganisaties kunnen zorgverleners actief ondersteunen bij het bieden van gepersonaliseerde, cultuursensitieve zorg.

Conclusie

Concluderend is cultuursensitieve zorg noodzakelijk in een superdiverse samenleving. Het moet structureel worden ingebed in zowel de gezondheidszorg als het onderwijs. Alleen door bewustwording te vergroten, discriminatie te bestrijden en ondersteuning te bieden aan mantelzorgers en zorgverleners, kan een inclusieve en kwalitatieve zorgstandaard worden bereikt.

Ann Claeys (BA Verpleegkunde, MA Gerontologie, PhD) werkte in ouderenzorg en is docent-onderzoeker aan Erasmushogeschool Brussel. Haar doctoraat aan de VUB richtte zich op culturele competenties in de zorg. Ze publiceerde artikelen, valorisatiepapers en boeken, waaronder over cultuursensitieve zorg.