Resultaten kwaliteitsbevraging: wat vinden bewoners echt belangrijk?
Hoe ervaren bewoners en hun familieleden het leven in een woonzorgcentrum? Welke kleine dingen geven hen een gevoel van veiligheid, respect en verbondenheid? Waar wringt het soms? Voor het eerst in bijna tien jaar werd dat in Vlaanderen opnieuw grootschalig bevraagd. De resultaten schetsen een dubbel beeld. Thema’s als veiligheid, respect en privacy scoren hoog. Op relationeel vlak is nog werk aan de winkel. Juist op die relationele en betekenisvolle domeinen kunnen verpleegkundigen het verschil maken.
De bevraging kwam er in nauwe samenwerking tussen de sector, het beleid en een partnerschap tussen het Vlaams Instituut voor Kwaliteit van Zorg (VIKZ), de Vlaamse Ouderenraad en Expertisecentrum Dementie Vlaanderen. Meer dan 8.000 bewoners en 11.000 naasten vulden een vragenlijst in over thema’s als privacy, respect, sociale relaties en zinvolle tijdsbesteding. “Belangrijk was dat niet alleen cijfers verzameld werden, maar dat woonzorgcentra er ook echt mee aan de slag kunnen”, legt Kathleen Leemans, coördinator residentiële ouderenzorg en palliatieve zorg bij het VIKZ, uit. “Daarom hebben we per vraag een belangrijkheidscriterium toegevoegd: bewoners en familieleden gaven niet alleen hun ervaring aan, maar ook hoe belangrijk ze dat vonden. Zo kan een woonzorgcentrum makkelijker prioriteiten stellen.”
Bewoners konden de vragen zelfstandig of met hulp van een vrijwilliger invullen. Deze vrijwilligers werden door Vlaamse Ouderenraad gerekruteerd via de Seniorenverenigingen en grondig getraind en begeleid. Daarnaast werd voor elke bewoner ook een naaste of een familielid bevraagd. Om ook bewoners met cognitieve problemen aan bod te laten komen, liep een pilootproject met observaties door zorgkundigen en verpleegkundigen, onder andere bij mensen met dementie. “Zo proberen we zoveel mogelijk perspectieven te vatten, met de stem van de bewoner centraal”, benadrukt Kathleen.
Cijfers met betekenis
De scores tonen zowel sterktes als pijnpunten. Privacy, veiligheid en respect scoren hoog: meer dan negen op de tien bewoners ervaren die aspecten positief. Dat zijn bemoedigende signalen. Tegelijk zijn er duidelijke knelpunten. Bijna de helft van de bewoners zegt nooit of zelden een goede vriend(in) te hebben onder medebewoners. Vier op de tien voelt geen persoonlijke band met medewerkers. En 39 procent kan zijn tijd niet altijd zinvol invullen. “Die cijfers leggen bloot dat wonen en leven vaak nog te weinig aandacht krijgen”, zegt Kathleen. “De nadruk ligt in veel centra nog sterk op zorg en medische taken. Ook personeelstekorten kunnen meespelen. In enkele centra zijn de scores duidelijk beter. Dat toont dat het wel degelijk anders kan.”
Kleine gebaren, groot verschil
Voor verpleegkundigen ligt hier een belangrijke opdracht. Volgens Kathleen gaat het vaak om kleine, betekenisvolle daden. “Een hand op de schouder, toestemming vragen voor je een kamer binnenkomt, of oprecht vragen hoe het gaat: zulke details geven bewoners het gevoel gezien en gerespecteerd te worden. Ze dragen bij aan een persoonlijke band die vaak belangrijker is dan we denken.”
Ook bij zinvolle tijdsbesteding kunnen verpleegkundigen het verschil maken. Het gaat niet alleen om groepsactiviteiten, maar juist om het betrekken van bewoners bij alledaagse taken. “Een bewoner die altijd graag de strijk deed, kan ingeschakeld worden om mee te helpen. Iemand met groene vingers kan in de moestuin werken. Zulke kleine activiteiten sluiten aan bij de identiteit van de bewoner en geven betekenis.”
Participatie als sleutel
De bevraging is ingebed in een bredere kwaliteitscirkel. “We werken volgens de PDCA-logica: meten, terugkoppelen, bespreken en verbeteren”, legt Kathleen uit en ze illustreert met een voorbeeld uit de evaluatiegesprekken met de woonzorgcentra. “Zo gaven verpleegkundigen zelf aan dat ze te weinig tijd hadden voor bewoners. Dat signaal kwam overeen met de bevraging. Samen met de directie bekeken ze de uurroosters en de taakverdeling. Door enkele verschuivingen kregen verpleegkundigen meer ruimte om aandacht te besteden aan bewonerscontact. Dat illustreert hoe de stem van bewoners, naasten en medewerkers samenkomt in een kwaliteitsverbetering.”
Leren van elkaar
De resultaten van de bevraging zijn publiek beschikbaar op Zorgkwaliteit.be. Elk woonzorgcentrum dat deelnam, kan zijn eigen rapport raadplegen, maar ook vergelijken met andere voorzieningen. “Dat opent mogelijkheden om van elkaar te leren”, zegt Kathleen. “Een team kan zien waar het sterk scoort en waar het achterblijft, en inspiratie opdoen bij collega’s in de regio. Ook voor verpleegkundigen kan dat motiverend zijn: je ziet dat verbeteringen haalbaar zijn.”
Op beleidsniveau bleven de resultaten niet onopgemerkt. “Departement Zorg en de koepelorganisaties werken mee om woonzorgcentra te ondersteunen. Het gaat erom niet alleen de tekorten aan te pakken, maar ook de sterktes verder te ontplooien.” Daarom ijveren de projectpartners en de Vlaamse overheid ervoor dat de metingen in de toekomst worden verdergezet, om zo de woonzorgcentra de kans te geven om verbeteracties op te volgen.
Voor verpleegkundigen betekent dit vooral dat hun rol verder erkend en ondersteund wordt. “Zij zijn de dagelijkse brug tussen bewoners, familie en beleid. Elke kleine actie van een verpleegkundige kan bijdragen aan meer kwaliteit van leven. Deze bevraging maakt dat zichtbaar en geeft teams concrete handvatten om verder te groeien.”
Stap voor stap naar een ouderenvriendelijk ziekenhuis
In een ziekenhuis wil je iedereen verwelkomen, maar de ene patiënt heeft natuurlijk andere noden dan de andere. 75-plussers maken er een aanzienlijk deel van de populatie uit en riskeren blijvend functieverlies. Verandering in de inrichting en werking van het ziekenhuis kunnen dit beïnvloeden. De Inspiratiegids Ouderenvriendelijk Ziekenhuis geeft handvatten om zorg beter af te stemmen op kwetsbare ouderen.
Een KCE-rapport uit 2017[1] voorspelde dat ouderen in 2025 goed zouden zijn voor 28 procent van de ziekenhuisopnames en 46 procent van het aantal verpleegdagen. Goed de helft van de verblijvende patiënten zouden dus oudere zorgvragers zijn. Zijn ziekenhuizen daarop voorbereid? Is hun infrastructuur en inrichting erop afgestemd en wordt er genoeg rekening gehouden met ouderdomsverschijnselen en onderliggende aandoeningen bij het opmaken van behandelplannen? Wanneer ouderen functieverlies lijden tijdens en na hun ziekenhuisopname, riskeren ze afhankelijkheid, een langere opnameduur, opname in een woonzorgcentrum, toename van zorg in de thuissituatie en een verhoogde kans op sterfte.
Een aanpak op maat kan de gevolgen op lange termijn beperken. Daarom is Kenny De Cuyper, zorgmanager (psycho)geriatrie bij ZAS, lid van de werkgroep Ouderenzorg NETWERK VERPLEEGKUNDE en één van de trekkers van de Inspiratiegids Ouderenvriendelijk Ziekenhuis. Zijn engagement voor een menselijke ouderenzorg gaat jaren terug: “De Belgische wetgeving uit 1968 en de Ziekenhuiswet uit 2007 beschrijven niet hoe ouderenzorg eruit hoort te zien wat de inrichting, processen, … betreft. Het Koninklijk Besluit bepaalt enkel dat elk ziekenhuis met een dienst voor acute geriatrie een zorgprogramma moest hebben om erkend te blijven. Naast de acute afdeling omvat het zorgprogramma nog vier elementen, namelijk de interne en externe liaison geriatrie, de consultatie en een ambulante dienstverlening via het geriatrisch dagziekenhuis. In 2014 werden beperkte aanpassingen gedaan aan de wetgeving, maar niet om de dagelijkse werking ouderenvriendelijker te maken. Daarom trok ik met een collega uit het Jessa Ziekenhuis naar Breda, om te horen hoe ze het in Nederland anders aanpakten.”
Internationale voorbeelden
Het Nederlandse programma baseerde zich sterk op het Canadese model van het Senior Friendly Hospital. Daar werden zo vroeg als 1986 al Regionale Geriatrische Zorgprogramma’s gelanceerd, die focussen op opleiding, onderzoek en standaardisering van praktijkvoering om beter aan te sluiten bij behoeften van ouderen met multiple en complexe problemen. Het implementeren van Seniorvriendelijke Ziekenhuiszorg was een initiatief om de gezondheid en het welzijn van ouderen te optimaliseren tijdens hun ziekenhuisopname, en om tijdig en veilig de transitie van zelfstandig naar begeleid wonen in de maatschappij te ondersteunen.
Zo werd een seniorvriendelijk kader uitgewerkt dat ziekenhuizen hielp om een organisatiebrede aanpak van kwaliteitsverbetering in zorg voor kwetsbare ouderen te ontwikkelen. Dat kader steunde op zeven leidende principes en vijf fundamenten: organisatorische ondersteuning, zorgprocessen, empathische omgeving, ethiek in klinische zorg en onderzoek, en de fysieke omgeving (infrastructuur en inrichting).
Het Nederlandse model definieerde veertien kwaliteitsaspecten waarover ziekenhuizen zelf rapporteerden en die in een checklist voor plaatsbezoeken werd gegoten. De resultaten werden vanaf 2013 per ziekenhuis online gepubliceerd. Zo kon je als oudere kiezen voor een ziekenhuis met een goede score. In 2019 werd dit systeem stopgezet om de registratielast voor ziekenhuizen te verlichten.
Geen audit, wel inspiratie
Na een bezoek aan het ziekenhuis in Breda en het onderzoeksbureau dat hen adviseerde, werd besloten stakeholders te verzamelen in een discussieplatform. Organisaties zoals het Expertisecentrum Dementie, de Vlaamse Ouderenraad, de Federale Adviesraad voor Ouderen, het Vlaams Expertisecentrum Mantelzorg, de Belgische Vereniging voor Geriatrie en Gerontologie en enkele Waalse spelers werden uitgenodigd om een breder draagvlak te creëren met wetenschappelijke onderbouwing. Kenny: “Het enthousiasme was evident, maar tegelijk gaven ziekenhuizen aan dat ze niet nog een bordje aan de deur wilden: een extra audit was niet het doel. Wel streefden we ernaar inspirerende praktijken samen te brengen, door ouderen en zorgprofessionals rond de tafel te krijgen.”
Onder de begeleiding van Zorgnet-Icuro vonden vanaf 2017 werkgroepen met verschillende ziekenhuizen plaats om de internationale kaders te vertalen naar een Belgische ziekenhuiscontext, verbinding te zoeken en sterke bruggen te bouwen tussen organisaties en verenigingen. Met seniorenadviesraden in alle provincies werden ook de ouderen zelf gehoord. Het kader Senior Friendly Hospital gaf de groep meer praktijkgerichte verdieping. Uiteindelijk leidde dit tot tien thema’s, wetenschappelijk onderbouwd en met uitspraken van ouderen gebundeld in een gids waarmee een ziekenhuis kan heroriënteren met specifieke aandacht voor ouderen. Die inspiratiegids werd ingekanteld in de werking van de Belgische Vereniging voor Geriatrie en Gerontologie, die tijdens zijn jaarlijkse Wintermeeting aandacht besteed aan interessante cases.
Zelf aan de slag
In de inspiratiegids vind je verschillende aandachtspunten, van meubilair en verlichting tot een cliëntenraad. In totaal zijn tien thema’s opgenomen in de inspiratiegids, gekaderd met wetenschappelijke literatuur en verrijkt met bedenkingen en aanvullingen door de senioren. “Een belangrijke is afgestemde zorg”, haalt Kenny aan. “Dat betekent bijvoorbeeld dat afspraken bij verschillende artsen op dezelfde dag plaatsvinden. Zo hoef je slechts één keer naar het ziekenhuis te komen, om zowel je cardioloog als je diabeteseducator te zien en tegelijk een afspraak te maken bij de geriater. Minder gedoe, minder stress.”
Een aanbeveling in het thema opname- en ontslagbeleid is om de observatie en het opnamegesprek aan te passen aan de noden en wensen van kwetsbare ouderen en hun mantelzorgers. Geen algemene anamnese, wel een gesprek dat hun zorgnoden in kaart brengt. “Ook beleidsparticipatie is essentieel voor een ouderenvriendelijk ziekenhuis, want kwetsbare ouderen en mantelzorgers kunnen vanuit hun ervaringen een belangrijke bijdrage leveren aan het beleid. Dat gaat van de patiënt informeren tot de oudere die actief mee beslissingen neemt in een cliëntenraad.”
De ouderen die input gaven voor de inspiratiegids bieden ook eenvoudig te implementeren verbeterpunten aan. Een kwetsbare oudere wordt vaak geconfronteerd met polypathologie waarbij tijdens zijn opname verschillende disciplines aan zijn bed komen. Een centraal aanspreekpersoon – meestal de verpleegkundige – geeft de patiënt en zijn mantelzorger vertrouwen, coördineert de zorg en delegeert vragen naar andere disciplines. Daarnaast is het belangrijk dat de verschillende disciplines herkenbaar zijn.
“Geef de kwetsbare oudere bovendien het gevoel dat ze niet tot last zijn”, benadrukt Kenny. “Zet daarvoor in op non-verbale en verbale communicatie om te tonen dat je bereid bent tegemoet te komen aan hun fundamentele zorgbehoeften. Kwetsbare oudere patiënten observeren de zorgverlening en vormen zich een beeld over wat een professionele houding betekent en hoe zorg wordt gegeven. Op basis daarvan bepalen ze zelf wat volgens hen haalbaar is voor de zorgverleners.”
Naast de inspiratiegids ontwikkelde de werkgroep ook een toolkit op basis van Toronto-checklist uit het Canadese model. Zo wordt een ziekenhuis in vijf stappen ouderenvriendelijker. Stel een werkgroep ouderenvriendelijk ziekenhuis (OVZ) samen, voer een ouderenvriendelijke zorg (OVZ) zelfevaluatie door, bereid de kernboodschappen voor, geef prioriteit aan één werkpunt en creëer een actieplan. Deze toolkit kan iedereen online consulteren. “Zo hopen we elk ziekenhuis in Vlaanderen te inspireren om ouderen centraal te zetten. Dat zal in de toekomst steeds noodzakelijker zijn.”
[1] Van de Voorde Carine, Van den Heede Koen, Beguin Claire, Bouckaert Nicolas, Camberlin Cécile, de Bekker Piet, Defourny Noémie, De Schutter Harlinde, Devos Carl, Gerkens Sophie, Grau Cai, Jeurissen Patrick, Kruse Florien Margareth, Lefèvre Mélanie, Lievens Yolande, Mistiaen Patriek, Vaandering Aude, Van Eycken Elisabeth, van Ginneken Ewout. Benodigde ziekenhuiscapaciteit in 2025 en criteria voor aanbodbeheersing van complexe kankerchirurgie, radiotherapie en materniteit. Health Services Research (HSR). Brussels. Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE). 2017. KCE Reports 289A. DOI: 10.57598/R289AS.
Leerlabs betrekken jongeren bij ouderenzorg
De Belgische bevolking verzilvert en dat brengt uitdagingen met zich mee. Zo liggen in het ziekenhuis ook buiten de geriatrische afdelingen steeds meer 75-plussers. Geertje Geeraerts, docent basisverpleegkunde aan Sint-Norbertus Verpleegkunde Metropool in Antwerpen, vertelt: “We hebben heel wat zorg- en verpleegkundigen nodig die thuis zijn in ouderenzorg. Niet alleen in het technische, maar ook het psychosociale, de omgang met de familie en samenwerken met het team. Net die tak van de zorg moeten we aantrekkelijker maken om kwalitatieve zorg te blijven bieden.”
In het voorjaar van 2024 lanceerde het Gouverneur Kinsbergencentrum samen met de Provincie Antwerpen de subsidieoproep ‘Leerlabs | Zorg in de buurt’, met als doel een betere aansluiting te creëren tussen onderwijs en de zorgsector. Geertje Geeraerts: “Ik geef les Verpleegkunde Metropool, voornamelijk vakken ouderenzorg, en kreeg de vraag van mijn campusdirecteur Tine Dehandschutter om te bekijken wat de mogelijkheden zijn van hybride leerlabs. Ik zag meteen de mogelijkheden van een coöperatief project en belandde al snel bij ZAS, onze grootste stagepartner. Samen met Bart Janssens, afdelingshoofd Gespecialiseerde Verpleegkundige Zorg en team professionalisering van ZAS, tekenden we drie trajecten uit onder de noemer ZOLLM – ZAS Open Leerlab Metropool. Na een pilootproject vorig academiejaar verankeren we die dit jaar verder met het kernteam, waar ook zorgmanagers geriatrie Kenny De Cuyper en Kristine Broeders deel van uitmaken.”
Jongeren en ervaren zorgverleners
Het leerlab draait om een hybride leeromgeving in situ – in dit geval in het Cadix ziekenhuis, het modernste ziekenhuis van het ZAS. Studenten, leerlingen lager en middelbaar onderwijs en actieve verpleegkundigen kunnen er terecht om de ouderenzorg te leren kennen of om hun vaardigheden aan te scherpen. Zo draait het eerste traject om interprofessioneel simulatieleren in een realistische setting. “Simulatieleren wordt al in de meeste hogescholen aangeboden, maar we gaan een stap verder door studenten te laten samenwerken met zorgkundigen en verpleegkundigen, en door het in een reële ziekenhuissetting te laten plaatsvinden. Zowel studenten van het Sint-Norbertus en de Karel de Grote Hogeschool als actieve zorgverleners leren veel bij uit deze simulaties, bijvoorbeeld over het gebruik van de CRM-principes volgens de methodiek van EuSim.”
Een tweede traject is het skillslab, waar medewerkers en studenten met levensechte modellen hun vaardigheden aanscherpen. Denk aan een diabetesvoet of lichaamsdelen met doorligwonden. “De modellen worden gevormd naar het voorbeeld van oudere zorgvragers met bijvoorbeeld een perkamenten huid of een arm met hele dunne aders. Studenten, maar ook zij-instromers of verpleegkundigen die na een lang ziekteverlof terugkeren, kunnen er de nieuwste technieken leren of opfrissen.”
Ook de jeugd wordt betrokken. Het derde traject is een (superhelden)route door Cadix, waar kinderen vanaf 10 jaar kennismaken met het moderne ziekenhuis. “Lokale scholen kunnen intekenen om met hun leerlingen de werking van een gesloten geriatrische afdeling te ontdekken. We laten hen reanimeren, een wonde verzorgen en zelfs een verouderingspak aandoen. We willen hen vooral verrassen en inspireren, hen prikkelen om voor een job in de zorg te kiezen.”
Met de drie trajecten spreekt het leerlab mensen van tien tot zestig jaar aan om ouderenzorg te leren kennen en geriatrische vaardigheden bij te spijkeren. “Er is lang gezegd dat we de ouderenzorg sexy moesten maken”, aldus Geertje. “Ik geloof dat we vooral moeten tonen hoe modern, vernieuwend en noodzakelijk de zorg is. In een ziekenhuis als Cadix gaat dat vanzelf. Samen met onze partners zetten we gedurende vier jaar onze schouders onder dit leerlab, in de hoop toekomstige zorgverleners te inspireren die kwalitatievere zorg verlenen. De ouderenzorg zal alleen exponentieel verder groeien. Daar ligt de toekomst en de uitdaging. Dit initiatief is misschien een druppel op een hete plaat, maar zonder die druppeltjes kom je nergens.”
Ouderenzorg vraagt uitzonderlijke talenten
De ouderenzorg vraagt vandaag meer dan ooit om klinisch inzicht, samenwerking en durf om anders te werken. In Elisabeth aan Zee in Oostende koos algemeen directeur Nele Mortier bewust voor een nieuw zorgmodel dat inspeelt op taakdifferentiatie. Zorgkundigen krijgen er meer verantwoordelijkheid en verpleegkundigen zetten hun expertise ten volle in. Met onder andere de wet rond Activiteiten van het Dagelijks Leven (ADL) als kader en door een zachte transitie, groeit een duurzaam model dat sterker maakt voor de toekomst.
Toen Nele Mortier na 23 jaar ervaring in een ziekenhuis de overstap maakte naar de ouderenzorg, merkte ze meteen hoe zwaar het werk van een wzc-verpleegkundige werd onderschat. “Jarenlang zag ik met lede ogen aan dat geriatrie en revalidatie niet als uitdagend genoeg werden beschouwd. De meeste verpleegkundigen kozen voor spoed, intensieve zorgen of heelkunde. Dat zijn uiteraard mooie disciplines, maar ze kregen meer aanzien dan geriatrie. Terwijl net in de ouderenzorg uitzonderlijke talenten nodig zijn”, steekt de directeur van woonzorgcentrum Elisabeth aan Zee van wal.
“De veranderingen bij bewoners zijn vaak traag en subtiel. Je moet die signalen tijdig oppikken, interpreteren en vertalen naar de arts, terwijl je daarbij rekening houdt met de complexiteit van meerdere aandoeningen en de ethische keuzes die met ouder worden gepaard gaan. Dat vraagt niet alleen klinisch inzicht, maar ook sterke communicatievaardigheden en veel oordeelsvermogen. Bovendien sta je er vaak alleen voor: er is geen specialist die je snel kan raadplegen. Jouw beslissing telt. In ons woonzorgcentrum gingen we daarom aan de slag met een nieuw zorgmodel dat deze vaardigheden in de verf zet.”
Van dubbel werk naar taakdifferentiatie
In het klassieke model staat één verpleegkundige in voor een hele afdeling van dertig bewoners. Basiszorg en verpleegtechnische handelingen lopen door elkaar. Als verpleegkundige moet je dus presteren op meerdere niveaus. Je verdeelt medicatie, neemt parameters af en doet complexe wondzorg, maar je staat ook mee in voor de hygiënische zorgen en mictietoeren. En dan hoop je maar dat er niets acuuts gebeurt, want dan komt de hele planning in het gedrang”, schetst Nele.
Het tekort aan verpleegkundigen maakt dit model stilaan onhoudbaar. “Wat begon als noodzaak tijdens de pandemie, werd voor ons een kans voor de lange termijn. We gooiden ons zorgmodel om en voerden een duidelijke taakverdeling in. Nu zijn de verpleegkundigen verantwoordelijk voor de verpleegkundige zorg op meerdere afdelingen, maar zorgkundigen staan er in voor de basiszorg. Daardoor kunnen verpleegkundigen hun expertise ten volle inzetten voor verpleegtechnische handelingen, observaties en overleg met artsen.”
De kracht van ADL en taakdelegatie
De taakdifferentiatie sluit nauw aan bij de wet rond Activiteiten van het Dagelijks Leven (ADL). Die wet beschrijft zeven handelingen die door iedereen – ook burgers zonder zorgopleiding – mogen worden uitgevoerd. Binnen Woonzorggroep GVO gebruiken we dit kader als aanvulling op de basiszorg. We hebben daarbij duidelijke keuzes gemaakt: zo laten we niet-zorgmedewerkers geen medicatie verdelen en geen complexe basiszorg uitvoeren.
In de praktijk werken zorgkundigen samen met ADL-ondersteuners, waardoor zij zelf meer verantwoordelijkheid krijgen en hun observaties ook echt meetellen. Verpleegkundigen winnen tegelijk aan focus: zij hoeven zich niet langer te verliezen in dubbele taken, maar kunnen hun klinisch inzicht en besluitvorming ten volle inzetten. “Taakdifferentiatie is geen afbouw van het verpleegkundig werk”, benadrukt Nele. “Integendeel: het versterkt elke discipline in haar eigenheid en kracht. We zien onze verpleegkundigen groeien en meer mandaat opnemen.”
Kleine stappen, grote verandering
Het hele veranderingsproces verliep bewust geleidelijk. “We kozen voor een zachte transitie”, zegt Nele. “Zorgkundigen namen stap voor stap nieuwe taken op, verpleegkundigen kregen meer autonomie en we stemden voortdurend af. Zelfs kleine verschuivingen brengen je dichter bij duurzame verandering. Het belangrijkste is dat iedereen zich veilig voelt bij de taken die hij of zij uitvoert.”
De meerwaarde van het nieuwe zorgmodel is duidelijk. Verpleegkundigen krijgen meer ruimte om hun expertise ten volle in te zetten, terwijl zorgkundigen meer waardering ervaren en hun observaties echt meetellen. Dat versterkt de samenwerking, vereenvoudigt de opvolging door artsen en maakt dat teams meer erkenning voelen. Hoofdverpleegkundigen en coördinatoren kunnen zich intussen focussen op coaching en projectmatig werken. Ook bewoners en families merken de voordelen van deze aanpak in de dagelijkse zorg.
Vooruitblik
“We worden geen mini-ziekenhuis”, besluit Nele. “Maar we moeten wel realistisch zijn: de zorgzwaarte neemt toe en de verblijfsduur wordt korter. Met dit model zijn we beter gewapend voor de toekomst. Misschien opent het zelfs de deur voor verpleegkundig specialisten die samen met de coördinerende en raadgevende artsen het medisch beleid mee vormgeven. Zo maken we de ouderenzorg blijvend aantrekkelijk voor verpleegkundigen.”
In de praktijk
Deze concrete acties liggen mee aan het succes van het nieuwe zorgmodel in Elisabeth aan Zee.
- Een draaiboek verpleging legt per dagdeel vast wie wat doet. Zo start de dag met een overdracht, worden kwetsbare bewoners systematisch eerst gezien en is duidelijk wanneer wondzorg, sondes of insuline plaatsvinden.
- Digitale dossiers vervangen papieren bundels. Lijsten met noodzakelijke handelingen en vlotte overdrachten zijn standaard.
- Een persoonlijk ontwikkelingsplan (POP) laat elke verpleegkundige inschatten waarin die beginner, gevorderd of expert is. Daaruit groeit een vormingstraject op maat.
- Een verpleeglokaal met medisch materiaal, computer en bureauruimte fungeert als vaste ontmoetingsplek voor huisartsen, compleet met postvakjes en info over bewoners die extra opvolging nodig hebben.
- Een verpleegkundig expertenteam komt om de twee maanden samen. Waar dat eerst louter informeren was, is het nu een groepsoverleg waarin kennisdeling en gelijke expertise centraal staan.
Insulineresistentie bij kinderen: zie het hele plaatje
Steeds meer kinderen kampen met overgewicht en obesitas. Eén op de drie kinderen met obesitas ontwikkelt insulineresistentie, een voorbode van type 2-diabetes en andere gezondheidsproblemen. Prof. dr. Inge Gies, diensthoofd van KidZ Health Castle en de dienst kinderendocrinologie in het UZ Brussel, legt uit wat insulineresistentie precies is, hoe je het kan herkennen en waarom een niet-stigmatiserende, preventieve aanpak zo belangrijk is.
De cijfers zijn zorgwekkend. Volgens Sciensano[1] heeft 19 procent van de Belgische kinderen overgewicht en 5,8 procent obesitas. “Bij adolescenten met obesitas stellen we in meer dan één op de drie gevallen een verhoogde insulinespiegel vast”, zegt prof. dr. Inge Gies. “Insulineresistentie betekent dat het lichaam minder goed reageert op insuline. De pancreas moet dan steeds meer insuline aanmaken om de bloedsuikerspiegel onder controle te houden. Daardoor stijgt het insulineniveau in het bloed en raakt de pancreas op termijn uitgeput. Dat verhoogt het risico op type 2-diabetes, leververvetting, hart- en vaatziekten en een versnelde puberteit. En hoewel type 2-diabetes bij jongeren onder de 18 jaar nu nog eerder zeldzaam is, zien we de eerste gevallen steeds vroeger optreden.”
Er spelen ook andere risicofactoren mee, zoals hormonale veranderingen tijdens de puberteit en een familiale voorgeschiedenis van diabetes of overgewicht. “Het hele plaatje is belangrijk. Kinderen die op jonge leeftijd al insulineresistent zijn, hebben meer kans op chronische aandoeningen later.”
Signalen opmerken voor vroegtijdige detectie
Insulineresistentie is van buitenaf moeilijk te zien, maar er zijn wel signalen waar verpleegkundigen op kunnen letten. Een belangrijk zichtbaar symptoom is een donkerbruine verkleuring in huidplooien zoals de nek, oksels of liezen (acanthosis nigricans). “Kinderen en ouders denken vaak dat het om vuil gaat dat niet weg te wassen is”, vertelt Inge. “Wanneer je dat als verpleegkundige bij een opname opmerkt, kan je op een respectvolle manier het gesprek openen. Vragen zoals ‘Heb je dit al lang?’ of ‘Komt dit in de familie voor?’, kunnen helpen om risico’s bespreekbaar te maken.”
Bij zulke signalen is verder onderzoek aangewezen, zoals een bloedafname en, zo nodig, aan te vullen met een orale glucosetolerantietest. “Verpleegkundigen zijn vaak de eersten die zo’n observatie doen. Dat maakt hen onmisbaar in een vroegtijdige detectie.”
Voeding als troost in een ziekenhuiscontext
Tijdens een opname ligt de focus vaak op de acute ziekte. Toch is het belangrijk om ook aandacht te hebben voor het bredere gezondheidsbeeld van het kind. “Op pediatrie zien we vaak dat kinderen getroost worden met koekjes, snoep of frisdrank. Dat is begrijpelijk, maar comfortfood zou eigenlijk gezond moeten zijn”, benadrukt Inge. “Het ziekenhuis is op dat vlak een belangrijke leerschool. Een kind dat algemeen gezonder is, herstelt vaak sneller bij infecties of na een operatie. Als verpleegkundige kan je daarin het verschil maken, bijvoorbeeld door ouders kleine tips te geven rond voeding en beweging in het dagelijkse leven.”
Gezonde voeding aanbieden is volgens Inge dan ook de norm in ziekenhuizen. “Als wij zelf frisdrank en ongezonde snacks op de kamer toelaten of serveren, geven we als zorginstelling een foute boodschap.”
Durf het gesprek aan te gaan, zonder oordeel
De boodschap is evenwel hoopvol: insulineresistentie is omkeerbaar. De sleutel ligt in communicatie, zonder met de vinger te wijzen. “Obesitas en insulineresistentie zijn ziektes. Niemand kiest ervoor”, benadrukt Inge. “Maar het is niet te laat, kinderen en hun ouders kunnen zelf iets doen om de risico’s te beperken en dat levert snel resultaat op. Als ze wat vermageren of hun gewicht stabiliseert, zie je relatief vlug dat de donkere verkleuringen verdwijnen. Dat motiveert. Pubers die eerder sjaals droegen om hun hals te verbergen, bloeien open als ze verbetering merken. Durf dus het gesprek aan te gaan, zonder oordeel en bied perspectief. Daarin speel je als verpleegkundige een cruciale rol.”
[1] S. Drieskens, R. Charafeddine, L. Gisle. Gezondheidsenquête 2018: Voedingsstatus. Brussel, België: Sciensano; Rapportnummer: D/2019/14.440/53.
Wat kan jij doen als verpleegkundige?
- Let op bruine verkleuring in huidplooien: dat kan wijzen op insulineresistentie.
- Ga het gesprek aan op een niet-stigmatiserende manier.
- Zie het hele plaatje: familiale context, voeding, beweging en mentale toestand.
- Geef kleine, concrete tips en verwijs waar nodig door.
- Gezonde voeding en beweging zijn ook belangrijk in de ziekenhuiscontext. Spreek mensen daarop aan.
Diabeteszorg en AI: toepassingen, valkuilen en de rol van verpleegkundigen
Artificiële intelligentie (AI) staat steeds vaker op de radar van zorgverleners. Ook binnen de diabeteszorg vinden deze toepassingen hun weg. Endocrinologe dr. Inge Van Boxelaer (AZ Sint-Lucas Gent) volgt de evolutie nauwgezet op. “Innovatie geeft mij energie. Niet iedereen heeft de tijd of reflex om nieuwe technologie te verkennen. Net daarom wil ik meehelpen om die drempel te verlagen. Hoe sneller personen met diabetes en zorgverleners ermee vertrouwd raken, hoe sneller we de zorg kunnen verbeteren.”
AI heeft het potentieel om de diabeteszorg slimmer, persoonlijker en laagdrempeliger te maken. Maar de realiteit vandaag is genuanceerder: de meeste tools staan nog in de kinderschoenen, en de meerwaarde is sterk afhankelijk van hoe en door wie ze gebruikt worden. Een van de best ingeburgerde toepassingen zijn de zogenaamde closed-loop insulinepompen voor mensen met type 1-diabetes. “Sommige systemen bevatten zelflerende algoritmes die het gedrag van de persoon met diabetes analyseren en daarop anticiperen”, legt Inge Van Boxelaer uit. “Op basis van patronen in glucosewaarden kunnen ze de insuline steeds preciezer doseren. Ook klassieke algoritmes doen nog steeds goed werk. Niet alles hoeft hightech te zijn om effectief te zijn.” Een andere AI-toepassing die aan terrein wint, is geautomatiseerde oogscreening. “Bij fundusfotografie, een routineonderzoek om retinopathie op te sporen, wordt steeds vaker AI ingeschakeld om afwijkingen te detecteren. Die technologie is goedgekeurd door de Food and Drug Administration (FDA) en ook in Europa. Dat verlaagt de drempel voor screening.”
ChatGPT weet veel maar niet alles
In het dagelijkse contact met zorgvragers is het vooral generatieve AI die opduikt. ChatGPT en gelijkaardige chatbots worden steeds vaker ingezet om informatie op te zoeken over diabetes, voeding of medicatie. Inge: “Zorgvragers komen minder vaak met Google-printjes naar de consultatie, maar wel met vragen op basis van wat ChatGPT hen vertelde. Dat hoeft geen probleem te zijn. Ik zie het zelfs als een voordeel: ze zijn beter voorbereid, stellen gerichtere vragen en tonen meer betrokkenheid. Tegelijk moeten we hen erop wijzen dat AI het ook bij het verkeerde eind kan hebben.” Daar ligt een belangrijke rol voor verpleegkundigen. Wie bijvoorbeeld personen met diabetes begeleidt, merkt snel wanneer ze zich baseren op foutieve of onvolledige informatie. “AI klinkt vaak overtuigend, ook als het antwoord niet klopt. Zeker als het gaat over medicatie of therapieaanpassingen moeten zorgvragers erop gewezen worden dat ze altijd in overleg met hun zorgverlener beslissingen nemen.”
AI kan ook bijdragen aan betere therapietrouw. Denk maar aan chatbots die gedragsaanwijzingen geven of reminders sturen. Sommige apps combineren data uit glucosemeters, stappentellers, slaap- of stressmetingen en bieden op basis daarvan gepersonaliseerde inzichten. “De wetenschappelijke evidentie is voorlopig beperkt, maar het motiverende effect is reëel. Mensen worden zich bewuster van hun gedrag. De technologie maakt zichtbaar wat vroeger abstract bleef.”
Ondersteunend voor zorgverleners, nooit vervangend
Zelf maakt dr. Van Boxelaer vaak gebruik van AI-tools in haar werk, al benadrukt ze dat het vooral ondersteunend blijft. “Voor administratieve taken zoals samenvattingen of mails zie ik veel mogelijkheden. Voor medische informatie ben ik voorzichtig. Zelf gebruik ik liever tools zoals Perplexity of Open Evidence. Die geven hun bronnen mee, zodat je als zorgverlener kan inschatten of de informatie betrouwbaar is.”
Ook verpleegkundigen kunnen met die tools aan de slag, bijvoorbeeld bij de ontwikkeling van educatiemateriaal. “Wie zelf informatie opzoekt, moet weten waar die vandaan komt. AI-tools zijn alleen nuttig als je ze bewust gebruikt. En ze mogen de menselijke zorg nooit vervangen, alleen aanvullen.”
Bij het gebruik van AI duikt ook het privacyvraagstuk op. Zeker bij sensorrapporten of patiëntgegevens is het cruciaal om te anonimiseren. “Je mag nooit persoonlijke gegevens delen via AI-platformen, ook niet voor ogenschijnlijk onschuldige toepassingen. De beveiliging en verwerking van die data zijn vaak onduidelijk.” Voor verpleegkundigen ligt er dus een dubbele opdracht: enerzijds zorgvragers begeleiden in het verantwoord gebruik van AI, anderzijds zelf kritisch leren omgaan met deze technologie. “We hoeven AI niet blind te vertrouwen,” besluit Inge, “maar we kunnen het ook niet negeren. De technologie evolueert snel. Alleen wie ze begrijpt, kan ze correct inschatten en verstandig inzetten in de praktijk.”
Een open brief aan onze rots in de branding
Als iemand zich jarenlang met hart en ziel inzet voor betere zorg, dan mag dat al eens gezegd worden. En liefst luidop. Marleen De Pover is zo iemand: een drijvende kracht binnen de diabeteszorg in Vlaanderen. Deze brief is een warme dankjewel van de werkgroep Diabetesverpleegkundigen van NETWERK VERPLEEGKUNDE, voor haar niet-aflatende engagement, haar vuur, haar onmetelijke impact.
Lieve Marleen
Er zijn mensen die het verschil maken door zachtjes te duwen, subtiel te sturen, stilletjes hun sporen na te laten. Jij bent daar niet één van.
Dat is wellicht niet de introductie die je verwachtte, maar eerlijk is eerlijk. Jouw aanpak is – zacht uitgedrukt – lichtjes anders. Jij stormt binnen met vuur in de ogen, een plan onder de arm en een telefoon vol contacten. Jij bijt je vast in een idee en laat pas los als het er staat: een uitgekiend programma, een hartelijke ontvangst, inhoudelijke topkwaliteit en minstens 550 enthousiaste deelnemers.
We willen je met deze brief – of beter: met deze ode – bedanken. Niet enkel voor je jarenlange inzet binnen de werkgroep en als coördinator van het Diabetessymposium, ook voor alles wat je betekent voor de diabeteszorg in Vlaanderen. Want het symposium is jouw kindje, jawel. Jij bent de motor, de lijm en de pitbull die nooit loslaat. En dat bedoelen we in de liefste en best mogelijke zin.
Je bent meer dan een gedreven organisator. Je bent een educator pur sang. Iemand die collega’s inspireert, patiënten sterker maakt en samenwerking tussen disciplines niet alleen stimuleert, maar afdwingt als het moet. Want wie met jou werkt, voelt dat jij niet voor half werk gaat. Diëtisten, kinesitherapeuten, podologen, psychologen, redacteurs, … allemaal weten ze: als Marleen belt, neem je maar beter op. En liefst snel.
Wat jij daarnaast doet voor mensen met diabetes is al even indrukwekkend. Je leert hen niet alleen hoe ze moeten leven met diabetes, je maakt ook dat ze het kunnen. Jij gelooft in mensen. Je gelooft in educatie. En je gelooft dat goede zorg begint bij samenwerking en kennisdeling. Daarom ben jij zo’n belangrijke schakel in ons netwerk en ver daarbuiten.
Je vakkennis is onmiskenbaar. Je werkethiek onwaarschijnlijk. Toch zijn het vooral je warmte, je gedrevenheid, je eindeloze toewijding en drive die iedereen bijblijven. Jij gaat ervoor, altijd. En je neemt ons allemaal mee in je vaart.
Bedankt voor wie je bent en alles wat je doet. En vooral: blijf maar gewoon zo vurig je mooie zelf.
Namens de hele werkgroep Diabetesverpleegkundigen van NETWERK VERPLEEGKUNDE
Drukmeting in schoenen: onzichtbare risico’s zichtbaar maken
Bij mensen met diabetes zijn voetwonden vaak de stille voorbode van ernstigere problemen. Een betere opvolging van de drukverdeling in de schoen kan veel leed voorkomen. Prof. dr. Kevin Deschamps legt uit hoe drukmetingen functioneren, waarom ze relevant zijn in de diabetische voetkliniek en welke rol jij als verpleegkundige speelt in deze preventieve aanpak.
Professor Kevin Deschamps is verbonden aan de faculteit bewegings- en revalidatiewetenschappen van de KU Leuven. Hij heeft een achtergrond in de podologie en specialiseerde zich nadien in de biomechanische analyse van de voet en de onderste ledematen. Vandaag combineert hij academisch werk met klinische activiteiten binnen het UZ Leuven, waar hij onder meer personen met diabetes met voetproblemen opvolgt. Zijn expertise situeert zich op het snijvlak van biomechanica, zorgpraktijk en preventie.
“Diabetes tast op termijn verschillende systemen in het lichaam aan”, legt Deschamps uit. “De verhoogde bloedsuikerspiegel is toxisch voor zenuwen, bloedvaten en huidweefsel. Bij veel personen met diabetes leidt dat tot neuropathie, een verminderd gevoel in de voeten. Daardoor merken ze zelf niet wanneer er drukplekken ontstaan. Voeg daar een kwetsbare huid aan toe en je hebt het perfecte recept voor wonden die moeilijk genezen.”
Het zogeheten diabetisch voetsyndroom treft een groot aantal mensen. “De belastbaarheid van de huid neemt af, en het risico op ulcera, wonden die niet goed genezen, stijgt aanzienlijk. Daarom is vroegtijdige monitoring zo belangrijk. En precies daar komt drukmeting in beeld.”
Drukplatformen versus in-shoe drukmeetsystemen
Drukmetingen bestaan in twee varianten. Enerzijds zijn er drukplatformen waarop je blootsvoets stapt of staat, vooral om de intrinsieke biomechanica van de voet te analyseren. Anderzijds zijn er zogenaamde in-shoe drukmeetsystemen: sensoren die in de schoen worden geplaatst om de druk tussen voet en zool te registreren tijdens het stappen. “In de context van mensen met diabetes zijn vooral die in-shoe systemen relevant”, aldus Deschamps. “Gezien hun kwetsbare huid raden we patiënten af om op blote voeten te lopen. Anderzijds is het ook juist belangrijk om te weten hoe goed de druk in de schoen verdeeld is.”
De technologie focust momenteel op verticale krachten. Schuifkrachten, die ook impact hebben op de huid, zijn voorlopig nog niet betrouwbaar meetbaar, maar daar komt volgens professor Deschamps snel verandering in.
Drukreductie als klinische doelstelling
De internationale richtlijn vandaag stelt dat bij patiënten met een hoog voet-risicoprofiel, piekdrukken onder de 200 kilopascal moeten blijven. Of dat er minstens een drukreductie van 25 procent gerealiseerd wordt in de plaatsen met de hoogste druk. “Dat is vergelijkbaar met hoe we ook streefwaarden hanteren voor de bloedsuikerspiegel”, legt Deschamps uit. “Drukreductie is meetbaar, objectief en gelinkt aan betere uitkomsten (preventie van wonden), zoals minder wonden of recidieven.”
Maar technologie alleen volstaat niet. “Ze moeten de schoenen en zolen minstens 80 procent van de tijd effectief dragen. Zonder therapietrouw haal je die betere klinische uitkomst helaas niet.” Drukmeting is bovendien niet enkel interessant voor wie leeft met diabetes. “Ook bij andere risicopersonen met bijvoorbeeld neurologische aandoeningen, reumatische voetproblemen of andere voetdeformiteiten, wordt die monitoring relevant. Zeker als er ondanks goed schoeisel en therapietrouw toch drukplekken blijven terugkomen.”
Verpleegkundigen volgen op de voet
Hoewel de metingen technisch uitgevoerd worden door podologen, bandagisten of orthopedische schoentechnici, ziet professor Deschamps een belangrijke rol weggelegd voor verpleegkundigen. “Zij zijn vaak de eersten die signalen opmerken. Wanneer iemand met diabetes voetwondes blijft ontwikkelen of systematisch klachten heeft over drukpijn, kunnen zij het verschil maken door risico’s vroegtijdig te detecteren en gericht door te verwijzen.”
In voetklinieken is multidisciplinaire samenwerking steeds vaker de norm, waarbij ook verpleegkundigen betrokken worden bij de evaluatie van hulpmiddelen. “Op termijn kunnen ze misschien zelfs bepaalde metingen afnemen, maar vandaag is vooral bewustwording en monitoring cruciaal.”
Technologie in beweging
De technologie staat niet stil. Nieuwe draadloze systemen maken de metingen gebruiksvriendelijker, sneller en minder belastend voor patiënt en zorgverlener. Binnenkort komen mogelijk ook sensoren op de markt die in kousen verwerkt zijn of zelfs schuifkrachten kunnen meten. Toekomstmuziek. Vandaag is drukmeting een cruciale tool bij complexe voetproblematiek. Voor personen met een verhoogd risico kan het zelfs een verschil maken tussen een gezonde voet en een amputatie. “Niet alles is zichtbaar aan de buitenkant”, besluit Deschamps. “Met de juiste technologie en samenwerking maken we onzichtbare druk tastbaar, en vooral behandelbaar.”
Elke stap telt: de impact van beweging op diabetes
Dat bewegen goed voor ons is, weet iedereen. Effectief de stap naar meer bewegen, is helaas een ander paar mouwen. Toch kan beweging voor mensen met diabetes een groot verschil maken. Waarom lichaamsbeweging zo belangrijk is en hoe jij patiënten ertoe kan motiveren, daarover hebben we het met dr. Annelies Thienpondt. Als stafmedewerker bewegen en langdurig stilzitten bij het Vlaams Instituut Gezond Leven, coördineert zij Bewegen Op Verwijzing.
“Bewegen Op Verwijzing bestaat intussen een kleine tien jaar”, legt Annelies Thienpondt uit. “Met het platform wil Gezond Leven mensen op een laagdrempelige manier aan het bewegen krijgen, met de hulp van een Bewegen Op Verwijzing-coach. Waar vroeger enkel artsen naar zo’n specifieke coach konden doorverwijzen, mogen vandaag verschillende hulpverleners een verwijsbrief opmaken, ook verpleegkundigen. De Bewegen Op Verwijzing-coach helpt om een beweegplan op maat te maken. Hoe beweeg je vandaag? Wat is het bewegingsaanbod in je buurt en wat spreekt je aan? Zo’n coach is geen personal trainer, maar een professional die mee nadenkt hoe bewegen haalbaar wordt. En het wordt gebruikt: in 2024 waren er in totaal bijna 20.000 consultaties.”
Bewegen werkt
Want dat beweging een positieve impact heeft op onze algemene gezondheid staat buiten kijf. Het vermindert de kans op kanker en dementie, verbetert je concentratie en geheugen en draagt bij aan een gezonder gewicht en betere bloeddruk. Zelfs op je mentaal welzijn heeft het een positieve impact. Ook specifiek voor mensen met diabetes type 1 en 2 bewijst onderzoek het belang van licht tot hoog intensieve beweging.
“Diabetes type 1 kan je niet voorkomen of genezen”, legt Annelies uit. “Toch heeft lichaamsbeweging bewezen voordelen voor het verloop van de ziekte. Uit onderzoek blijkt dat aerobe lichaamsbeweging (ook wel duursport genoemd) en spierversterkende oefeningen kunnen leiden tot een beter uithoudingsvermogen, een beter HbA1c-gehalte in het bloed en een kleiner risico op microvasculaire complicaties. Kortom, beweging verbetert je levenskwaliteit. Specifiek voor type 1 moet verder onderzoek de bewijskracht nog vergroten.”
Diabetes type 2 is een ander verhaal: “Daar zien we dat regelmatig en voldoende bewegen zowel preventief werkt, als het verloop van de ziekte kan vertragen. De bewijskracht hiervoor is al erg hoog. Bewegen helpt de bloedsuikerspiegel onder controle te houden. Zo toont onderzoek dat lichaamsbeweging een onmiddellijk gunstig effect op de bloedsuikerspiegel heeft. Zelfs korte periodes van lichaamsbeweging om de zittijd te onderbreken, kunnen de bloedglucosespiegels verlagen. Regelmatig bewegen heeft ook een positieve invloed op risicofactoren zoals cholesterol, bloeddruk, het functioneren van de bloedvaten en uithoudingsvermogen. Zo kan je het effect van lichaamsbeweging op het HbA1c-gehalte, je ‘suikerbarometer’, vergelijken met het effect van veel orale antidiabetica. Let op, want personen met diabetes mogen nooit hun medicatie zelfstandig afbouwen. Dit gebeurt altijd in overleg met de arts.”
Hoe begin je eraan?
Beweging kan zo eenvoudig of ingewikkeld zijn als je het zelf maakt. Om mensen met, en zonder, pathologie te motiveren tot meer beweging, werkt Gezond Leven met de Bewegingsdriehoek. Net als de voedingsdriehoek legt die toegankelijk uit hoe je dagelijkse leven eenvoudig gezonder wordt. In een gezonde bewegingsmix wissel je zitten, staan en bewegen af. “Elke stap telt”, stipt Annelies verschillende keren aan. “Omdat er wel degelijk een klein verhoogd risico is op cardiovasculaire complicaties tijdens het bewegen, raden we aan om geleidelijk te starten. In een gezonde bewegingsmix wissel je zitten, staan en bewegen af. Die beweging verdelen we in drie categorieën: licht, matig tot heel intensief.”
- Licht intensief bewegen doe je idealiter dagelijks: neem de trap, speel met je kinderen, sta recht om te bellen of verricht rustig huishoudelijk werk (bv. koken). Ook yoga en snooker zijn licht intensieve beweging. Zolang je ademhaling en hartslag niet versnellen, beweeg je in deze categorie.
- Dagelijks even matig intensief bewegen is tegelijk haalbaar en gezond. Je ademhaling en hartslag versnellen, maar je bent nog niet buiten adem en kan gewoon praten. Denk aan fietsen naar school of het werk (ook elektrisch), in de tuin werken, een wandeling maken of je ramen wassen.
- Hoog intensief bewegen wordt minstens één keer per week aangeraden. Je gaat zweten, ademt veel sneller en praten wordt al iets lastiger. Denk aan hardlopen, een partijtje basketbal spelen of fietsen alsof je de laatste trein gaat missen.
Om de eerste stappen naar meer bewegen te zetten, zijn hulp en motivatie geen overbodige luxe. Daar komt Bewegen Op Verwijzing in beeld. “Mensen ervaren heel wat drempels om te beginnen bewegen. Ze krijgen beweegmomenten niet ingepland of weten niet goed waar te beginnen. Mensen met diabetes geloven dat ze fysiek niet sterk genoeg zijn om te bewegen, omdat ze bewegen vaak associëren met twee uur aerobics. De coaches van Bewegen Op verwijzing gaan samen met hen op zoek naar de ideale mix. Misschien zwemmen ze graag? Misschien kunnen ze meer beweging in hun dagelijkse leven integreren? Of willen ze toch liever naar een groepsles? Met een persoonlijk beweegprogramma op maat is het makkelijker om te beginnen en vol te houden.” Het doel van Bewegen Op Verwijzing is dat je na enkele sessies bij de coach zelfstandig aan de slag kan met je beweegplan en kan volhouden.
Een eerste drempel is natuurlijk al de weg vinden naar Bewegen Op Verwijzing. Wanneer ze aangespoord worden door vrienden of familie om meer te bewegen, leggen mensen dat vaak naast zich neer. Als ook een hulpverlener hen hierop wijst, gaan ze er makkelijker op in, zeker als je dat officieel maakt met een verwijsbrief. “Als verpleegkundige kan je dus een belangrijke rol spelen om mensen met diabetes in beweging te krijgen. Zo kan je eenvoudig en snel een verwijsbrief opstellen via onze website (www.bewegenopverwijzing.be). Daarop vind je ook de contactgegevens van Bewegen Op Verwijzing-coaches in de buurt.”
Enkele eenvoudige tips
Wil je jouw patiënten ook zelf in beweging krijgen? Motiveer hen dan om geleidelijk te beginnen en de aerobe lichaamsbeweging op een laag tot matig niveau te starten: bijvoorbeeld met yoga of door dagelijks de trap te nemen. Daarna kunnen ze langer en intensiever gaan trainen. “Door haalbare doelen te stellen is de kans bovendien groter dat iemand blijft bewegen. We hoeven niet allemaal topsporters te worden. Met kleine aanpassingen en zelfs zonder te zweten kan je al een positief effect hebben, ook op je bloedsuikerspiegel”, aldus Annelies.
Mensen met diabetes raadt Annelies aan om hun bloedsuikergehalte voor en na elke inspanning te meten. Om een te lage bloedsuikerspiegel te voorkomen als gevolg van de inspanning, moet de insulinedosis verminderd worden en moet je voor, tijdens en na de lichaamsbeweging koolhydraten eten. Kies voor continue monitoring om bloedglucoseniveaus in realtime te controleren tijdens de training. Daarnaast is het raadzaam maximaal twee dagen tussen twee trainingssessies te laten om de bloedsuikerspiegel onder controle te houden en krijgen. Schokabsorberende schoenen en regelmatig je voeten op wonden controleren is vooral belangrijk bij personen met perifere neuropathie. “Mensen met diabetes raden we bovendien altijd aan om bij de huisarts te gaan wanneer ze willen beginnen sporten. Als verpleegkundige kan je Bewegen Op Verwijzing voorstellen aan de arts, want ook huisartsen kunnen een verwijsbrief opstellen en hun patiënten extra motiveren om in beweging te komen. Elke stap telt.”
Nuttige links
Wil je meer achtergrondinformatie over lichaamsbeweging bij de preventie en de behandeling van ziektes zoals diabetes? Via deze link lees je een samenvatting van het bewijs dat beweging helpt bij 32 ziektes en krijg je diagnosespecifieke aanbevelingen voor lichaamsbeweging bij die ziektes.
Stel zelf je verwijsbrief op via deze link.
Glucosemonitoring bij niet-diabetespatiënten
Een glucosesensor is onmisbaar voor mensen met diabetes. Ook de gewone sporter ontdekt dit hulpmiddel nu. Vier op de tien Vlamingen gebruiken digitale tools om hun gezondheid te monitoren, zo blijkt uit de jongste Digimeter. Meer en meer onder hen vinden nu ook de weg naar de glucosesensor om hun bloedsuikerspiegel op te volgen, in navolging van topsporters die zo energiedips proberen te voorkomen. Volgens gezondheidsprofessionals is de winst die met deze tool te rapen is voor hobbysporters minimaal, en is het effectiever om breed op gezondheid in te zetten en bijvoorbeeld toegevoegde suikers te schrappen. Zij raden een eenvoudig eetdagboek aan, in plaats van een glucosesensor of andere digitale tools.
Van pijn naar comfort: een belofte in de praktijk
Pijn is niet altijd zichtbaar. Zeker bij mensen met een verstandelijke of meervoudige beperking is het verschil tussen pijngedrag of ander gedrag niet altijd duidelijk. Dat weten Dennis Boonen en zijn collega’s van Leieborg maar al te goed. Als pediatrisch en pijnverpleegkundige zoekt Dennis elke dag naar manieren om meer comfort te bieden. Niet pas nadat iemand pijn heeft, liefst ervoor. “We willen vermijden dat zorgmomenten traumatisch worden ervaren. Door comfort centraal te stellen, voorkomen we vaak leed.”
Leieborg is een residentiële voorziening nabij Deinze voor kinderen, jongeren en volwassenen met een verstandelijke of meervoudige beperking. Een bijzondere doelgroep vergt bijzondere zorg: zowel fysiek als emotioneel. Een deel van die zorg neemt pijnverpleegkundige Dennis Boonen voor zijn rekening. Samen met een sterk multidisciplinair team stelt hij comfort, veiligheid en levenskwaliteit centraal. Pijnherkenning en -preventie zijn daarbij een dagelijkse prioriteit.
Het idee van comfort als uitgangspunt pikte Dennis op tijdens het PROSA-congres in Maastricht. Daar hoorde hij kinderarts Stefan Friedrichsdorf spreken over de Comfort Promise. De belofte luidt: ‘We will do everything possible to prevent and treat pain, including the pain of needles, for every child, every time’[1]. Die zin bleef hangen. Dennis: “Ik dacht: wat als we die visie ook toepassen op volwassenen met een verstandelijke beperking? Want onze bewoners hebben vaak een mentale leeftijd van ongeveer vijf tot zes jaar, al zitten ze in een volwassen lichaam. In hun beleving zijn medische handelingen dus vaak even verwarrend en beangstigend als voor jonge kinderen.[2]”
Zes pijlers voor comfortgerichte zorg
In Leieborg vormt de Comfort Promise de basis voor een zorgaanpak die comfort en stressreductie centraal stelt bij medische handelingen. Deze belofte omvat zes concrete pijlers die het team stap voor stap integreert in de dagelijkse praktijk.
1. Pijnstilling vooraf
Lokale verdovende zalf, zoals Emla, gebruiken is in Leieborg standaard geworden bij prikmomenten. Daardoor voelt de cliënt amper iets van het prikje wat de kans op angst of trauma’s reduceert.[3] Al vraagt het wel een aangepaste logistiek. Dennis: “De prikplek wordt voor het slapengaan al aangeduid. ‘s Ochtends, minstens een uur voor het prikken, brengt de nachtverpleegkundige de zalf aan op de prikplek. Daardoor is de huid verdoofd voor de handeling. Ook verloopt het prikken efficiënter en houden we zo de nuchtertijd voor de bewoners beperkt. Dat is heel belangrijk, bijvoorbeeld voor mensen met epilepsie. Duidelijke afspraken zijn essentieel.”
2. Comfortabele positionering
Tijdens medische handelingen wordt veel aandacht besteed aan de houding van de cliënt.[4] In plaats van op een harde onderzoekstafel te liggen, worden ze ondersteund in een comfortabele positie, zoals op schoot of in een knuffelhouding. Dit helpt om spanning te verminderen en creëert een gevoel van veiligheid. “Ook hier komt creativiteit bij kijken. Een cliënt van 80 kilo neem je niet zomaar op schoot. Een zachte omarming tegen de borst van een vertrouwde begeleider kan veel verschil maken.”
3. Communicatie op maat
Communiceren met personen met een ernstige verstandelijke of meervoudige beperking is niet altijd evident. Eenvoudige, herkenbare taal, duidelijke gebaren en een rustige benadering vormen de basis. Het one voice-principe is hiervoor de sleutel. Daarbij spreekt slechts één persoon tijdens de medische handeling, bij voorkeur een vertrouwde stem voor de cliënt.
Dennis legt uit: “Stel je een tandartscontrole voor bij een cliënt met een ernstige verstandelijke beperking. Als drie zorgverleners tegelijk over hem heen hangen, allemaal met een mondmasker aan, en ze praten door elkaar, dan weet de cliënt niet wie hij moet volgen. Dat kan heel angstaanjagend zijn. Daarom spreken we vooraf af wie het woord neemt. Die persoon, vaak een vaste begeleider, begeleidt de cliënt stap voor stap met rustige uitleg en geruststelling. De anderen zwijgen en focussen puur op hun technische taak.”
4. Persoonlijke afleiding
Ook afleidingstechnieken helpen om de aandacht van de cliënt weg te leiden van de medische handeling. Dit varieert van luisteren naar hun favoriete muziek tot een geliefd voorwerp vasthouden. “We bevragen alle leefgroepen over de interesses en voorkeuren. Door deze in te zetten voor of tijdens een behandeling, wordt de ervaring minder stressvol. Al is het zoeken naar wat werkt. Sommige van onze bewoners worden wel eens te enthousiast bij hun lievelingsmuziek. Dan komt er van prikken ook niets meer in huis”, lacht Dennis.
5. Keuzevrijheid
Cliënten krijgen idealiter, waar en wanneer mogelijk, de regie over hun zorgproces. Ze mogen aangeven wanneer ze klaar zijn voor een handeling of even willen pauzeren. Dennis: “Bij cliënten die het niet zelf kunnen aangeven, spelen wij hun advocaat aan het bed. Als het niet comfortabel is en het is medisch mogelijk, dan beslissen wij: niet nu, niet onder deze omstandigheden.”
6. Positieve herinneringen creëren
“Een patiënt die muisstil ligt is niet per se vrij van angst. Integendeel”, benadrukt Dennis. “Bevriezen is een copingreactie die niet minder ernstig is dan de meer opvallende fight of flight reacties. Dat mogen we niet vergeten. Hier hebben we extra aandacht voor. We onthouden negatieve ervaringen, dus zetten we alles op alles om er iets positiefs van te maken. Door goede ervaringen verminderen we de angst voor toekomstige handelingen.[5],[6]” Als aanvulling op deze pijler maakt men in Leieborg ook gebruik van ondersteunende tools zoals de Buzzy en de Shotblocker om pijnprikkels minder hard te laten binnenkomen.
Geen standaardaanpak
In Leieborg wonen mensen met heel uiteenlopende profielen. De ene reageert heftig bij ongemak, de andere sluit zich net helemaal af. Pijn blijft daardoor vaak of te lang onder de radar. “Het is soms puzzelen”, zegt Dennis. “Heeft iemand pijn? Is het frustratie, heimwee, overprikkeling? We willen niet gissen, maar ook niet te snel ingrijpen met medicatie.” Daarom ging Leieborg op zoek naar een objectieve manier om pijn te meten. Bestaande schalen voldeden niet: ze waren te algemeen, te eenzijdig of vroegen voorkennis die je bij een wisselende ploeg niet altijd hebt.[7] Samen met UGent en UZ Gent ontwikkelden ze daarom zelf een schaal: de VOPS-MB – Vlaamse Observationele Pijnschaal voor personen met een Meervoudige Beperking.[8]
De VOPS-MB is geen one size fits all. Integendeel: voor elke cliënt wordt een geïndividualiseerde versie opgemaakt. Dat gebeurt via een uitgebreide anamnese met het team en de ouders of familie. Zij kennen hun kind meestal het best en zijn dus de belangrijkste partner. Wat zijn de signalen die kunnen wijzen op pijn? Is het die ene blik, dat wiebelen met de voeten, het fronsen, de stiltes?
De schaal bestaat uit tien kenmerken per persoon. Die worden minstens zes keer per dag kort geobserveerd, liefst tien keer of meer. Tijdens het onderzoek ter validatie testten we de interbeoordelaarsbetrouwbaarheid met en zonder voorkennis. De schaal werkt dus ook voor nieuwe collega’s, tijdelijke krachten of in een veranderende zorgcontext, bijvoorbeeld tijdens een ziekenhuisopname. ” Het invullen duurt amper een minuut en de opbrengst is groot. “We zien snel of het gaat om pijn, of om iets anders. Dat maakt het zorgplan veel gerichter en voorkomt onnodige medicatie.[9] Bovendien helpt het ons chronische pijn beter op te volgen: is de aanpak nog correct, moeten we bijsturen?” Momenteel wordt de VOPS-MB in 25 Vlaamse voorzieningen gebruikt.
Awwie maakt het werk lichter
De eerste versies van de VOPS-MB zaten nog in een Excelbestand, maar dat bleek op termijn te omslachtig. Daarom bouwde Leieborg, samen met een IT-partner, een app: Awwie. Die maakt het mogelijk om snel en eenvoudig observaties in te voeren en de pijnscores te visualiseren. De app zit momenteel in een testfase en de eerste reacties zijn heel positief. Binnenkort volgt de officiële lancering tijdens het derde Pijnsymposium op 16 oktober in Leieborg te Deinze.
Niet minder pijn, maar meer comfort
Tot slot wil Dennis nog iets benadrukken: “De benadering van Leieborg draait niet enkel om minder pijn, maar ook om meer comfort. We willen af van het idee dat pijn normaal is, dat het erbij hoort. Als we comfort als uitgangspunt nemen, zijn we automatisch bezig met preventie, met vertrouwen, met veiligheid. En dat komt alle zorg ten goede.”
Die visie wil Dennis het liefst met anderen delen. Daarom engageert hij zich voor een nieuw platform: het Comfort Netwerk voor personen met een verstandelijke beperking. Het doel is een echt lerende gemeenschap te vormen die comfort in de zorg centraal stelt. Zorgverleners die lid worden van het Comfort Netwerk krijgen gratis toegang tot nieuwsbrieven, het jaarlijkse symposium en de Awwie-app. “Het gaat over een duurzaam engagement”, besluit Dennis. “We willen samen leren, samen verbeteren, en vooral samen bouwen aan een warmere zorg voor mensen die daar extra gevoelig voor zijn.”
[1] What are children most afraid of when coming to the hospital or clinic ? • Friedrichsdorf S, Eull D, Weidner C, Wilke, C; Children Are Afraid of Needle Pokes. Journal of Things We Already Knew. 2018:(1)1:1-518
[2] Reducing the pain of childhood vaccination: an evidencebased clinical practice guideline. CMAJ : Canadian Medical Association journal 2010 Dec 14;182(18):E843-55.
[3] 25 % of adults have needle phobia. Taddio A, Chambers CT, Halperin SA, et al.
[4] To reduce pain at the time of injection, do not place children in a supine position during vaccination (grade E recommendation, based on level I evidence). Taddio A, Appleton M, Bortolussi R, Chambers C, Dubey V, Halperin S, et al. Reducing the pain of childhood vaccination: an evidence-based clinical practice guideline. CMAJ : Canadian Medical Association journal 2010 Dec 14;182(18):E843-55. • Use of Restraint Never Supportive: Restraining children for procedures makes them feel ashamed, humiliated, powerless Karlson K, Darcy L, Enskär K: The Use of Restraint is Never Supportive (Poster) Nordic Society of Pediatric Hematology/Oncology (NOPHO) 34th Annual meeting 2016 and 11th Biannual Meeting of Nordic Society of Pediatric Oncology Nurses (NOBOS). May 27 – 31, 2016, Reykjavik, Iceland
[5] Memory of previous painful experience has great influence on pain experience during subsequent procedures Versloot J, Veerkamp JSJ, Hoogstraten J: Children’s self-reported pain at the dentist. Pain 2008. 137:389-94
[6] Inadequate pain management during childhood immunizations: the nerve of it. Clin Ther 2009;31(Suppl 2):S152-67.) Taddio A, Appleton M, Bortolussi R, Chambers C, Dubey V, Halperin S, et al.
[7] Ricour, C., Desomer, A., Dauvrin, M., Devos, C., & KCE. (2022). KCE Report 361As. Hoe de toegang tot de gezondheidszorg verbeteren voor personen met een verstandelijke handicap?
[8] Lust, E., Deconinck, H., Berteloot, P., Malfait, S., & Boonen, D. (2025). Optimalisatie en validatie van de Vlaamse Observationele Pijnschaal bij Meervoudige Beperkingen (VOPS-MB) voor personen met een Meervoudige Beperking: een multidisciplinaire benadering. Tijdschrift Voor Geneeskunde. https://doi.org/10.47671/tvg.81.24.135
[9] Parents expect pain to be relieved : Forgeron PA, Finley GA, Arnaout M.










