“Laat mij helpen”: delegatie als wisselwerking binnen het team
De gewijzigde Wet op de Uitoefening van de Gezondheidszorgberoepen (WUG) leidt zorgorganisaties richting gemengde teams met verschillende verpleegkundige rollen, zorgkundigen en logistieke medewerkers. Dat vraagt meer coördinatie op de werkvloer en meer delegatie van taken. Alleen voelt dat voor veel verpleegkundigen nog onwennig. “Tot voor kort werd in bijna geen enkele verpleegkundige opleiding iets gezegd over leiderschap of delegeren”, zeggen Nele De Roo en Sabrina Nachtergaele, onderzoekers binnen de Arteveldehogeschool. Met hun onderzoek willen ze daar verandering in brengen.
Binnen de onderzoeksgroep ‘Leiderschap in de zorg’ onderzoeken Nele en Sabrina hoe delegerende en coördinerende vaardigheden concreet aangeleerd kunnen worden. Maar wat betekent delegeren eigenlijk, en wat vooral niet? “Delegatie is geen eenrichtingsverkeer”, verduidelijkt Nele. “Het gaat niet over de verpleegkundige die zegt wat de zorgkundige moet doen. Het gaat over wisselwerking: samen bekijken wie op dat moment het best geplaatst is om een taak veilig en kwaliteitsvol op te nemen, met de patiënt als kompas.”
Dat betekent ook dat delegeren in alle richtingen kan bewegen. “Een zorgkundige kan bijvoorbeeld aangeven: ‘Ik voel me hier niet veilig bij. Kan jij even overnemen?’ En de verpleegkundige kan dan terugkoppelen: ‘Prima, dan neem jij iets anders op om mijn takenpakket te verlichten.’ Die wederkerigheid maakt het verschil tussen taakverdeling en echte samenwerking”, vult Sabrina aan.
Vertrouwen als hefboom
Waarom blijft delegeren dan zo moeilijk? Nele wijst op meerdere drempels: onduidelijke rolafspraken, onzekerheid over bekwaamheden, een teamcultuur waarin feedback geven niet vanzelfsprekend is en onduidelijkheid over de eindverantwoordelijkheid. “Als je delegeert, blijf je eindverantwoordelijk. Dat maakt dat mensen soms liever alles bij zichzelf houden.” Net daarom zijn vertrouwen en communicatie cruciaal. In teams waar fouten bespreekbaar zijn en waar feedback geven normaal is, verloopt delegatie vlotter. Sabrina: “Als je weet dat collega’s terugkoppelen, en je durft te zeggen: ‘ik ben iets vergeten’ of ‘ik twijfel’, dan voelt die verantwoordelijkheid minder eenzaam.”
Checklist in plaats van handeling
In hun teamtrajecten zoeken Nele en Sabrina ook naar werkbare afspraken binnen het wettelijke kader. Zo werd op een afdeling met veel patiënten met katheters en infusen aan zorgkundigen gevraagd om op extra momenten te observeren met een checklist: wat is normaal, wat zijn alarmsignalen, wanneer schakel je een verpleegkundige in? “Een zorgkundige mag geen katheter aanbrengen,” zegt Sabrina, “maar kan wel snel afwijkingen opmerken en tijdig hulp vragen. Zo verhoog je de veiligheid en win je tijd.”
De voordelen van delegeren zijn duidelijk, maar wat als je het niet doet? Nele waarschuwt: “Dan dreigt missed care: basiszorg die verschuift naar ‘als er nog tijd is’. Bovendien verhoogt de werkdruk als je alles bij jezelf houdt. In de literatuur zien we dat dit vooral bij jonge verpleegkundigen het risico op overbelasting en burn-out vergroot.”
Spiegel voor het werkveld
Om teams gericht te ondersteunen ontwikkelde de onderzoeksgroep een delegeerscan: een zelfevaluatie die peilt naar vaardigheden zoals verantwoordelijkheid opnemen, communicatie en veilig coördineren. “De tool helpt je om je bewust te worden van je eigen vaardigheden om te delegeren”, zegt Sabrina.
De onderzoekers pleiten ervoor om delegeren vooral vanuit teams zelf te laten groeien. “Neem tijd om samen te bespreken: wat verwachten we van elkaar, wat kan hier wel, wat is een stap te ver?”, zegt Nele. “Dat verschilt per afdeling en samenstelling.” Sabrina ziet in zulke gesprekken vaak het kantelpunt: “Een verpleegkundige zei ooit: ‘Ik vind het lastig om jou die vervelende taak te geven.’ De zorgkundige antwoordde: ‘Alleen al dat jij dat benoemt, maakt dat ik het met meer goesting doe.’ Dat is vertrouwen bouwen in de praktijk.”
Hoe sterk zijn jouw delegerende vaardigheden? De scan helpt om dat te evalueren en ermee aan de slag te gaan. Interesse? Mail naar nele.deroo@arteveldehs.be.
Bron: Onderzoek Zorgkracht: de impact van taakverschuiving binnen de zorg – Onderzoeksgroep ‘Leiderschap in zorg’
Voel jij je soms ‘maar’ de verpleegkundige?
Naar het welzijn en de onderlinge samenwerking van verpleegkundigen is al heel wat onderzoek gevoerd, met aandacht voor attitude, kennis en tevredenheid. Over macht en beslissingsrechten is minder geweten. Voel jij je zeker in je schoenen bij de beslissingen die je op de werkvloer neemt? Een recent onderzoek bij verpleegkundigen in Saoedi-Arabië werpt nieuw licht op de uitdagingen rond verpleegkundige autonomie binnen interprofessionele teams. Verpleegkundigen ervaren vaak hiërarchische barrières die hun autonomie beperken. Uit diepte-interviews met veertien verpleegkundigen op verschillende diensten distilleerden de onderzoekers enkele duidelijke thema’s.
Autonomie binnen hiërarchieën
Protocollen hebben het voordeel van de duidelijkheid. Als gestandaardiseerde zorgpaden geven ze helderheid, veiligheid en juridische bescherming: “Het protocol vertelt me precies wat ik stap voor stap moet doen, maar patiënten passen niet altijd netjes in dat vakje. Soms weet ik wat het beste is, maar zitten mijn handen gebonden.” Dit weerspiegelt de frustratie die veel verpleegkundigen ervaren wanneer ze geen ruimte krijgen om hun oordeel te volgen. Daarnaast gaven ze aan dat ze vaak de escalatie in gang zetten, maar geen beslissingsbevoegdheid hebben als hogere niveaus van de hiërarchie betrokken raken: “Na mijn escalatie word ik aan de zijlijn gezet. Ik geef alle informatie, maar ik ben zelden onderdeel van de discussie over wat er daarna gebeurt.”
Wie eerst spreekt …
Een ander belangrijk aspect van de studie is hoe teamhiërarchieën de manier bepalen waarop verpleegkundigen invloed uitoefenen binnen interprofessionele bijeenkomsten. Volgens de geïnterviewden bepaalt de volgorde van spreken in teamvergaderingen wiens kennis wordt gewaardeerd. In de meeste gevallen openen artsen de discussies, waarbij de bijdragen van verpleegkundigen vaak reactief zijn. Zoals een hoofdverpleegkundige aangaf: “Tijdens de ronde spreekt de arts eerst, de assistent volgt, en tegen de tijd dat het aan ons is, is het plan al gevormd. Wij vullen gewoon de gaten in, we bepalen niet.” Zelfs ervaren verpleegkundigen voelden zich vaak gemarginaliseerd: “Zelfs na jaren van mezelf bewijzen word ik subtiel herinnerd dat we ‘slechts de verpleegkundigen’ zijn.”
Micro-autonomie en strategisch netwerken
Hoewel verpleegkundigen binnen de structuur vaak beperkt worden, ontwikkelen zij subtiele vormen van weerstand en micro-autonomie die hen in staat stellen om de zorg te verbeteren. Deze praktijken, zoals initiatief nemen voor een arts een beslissing goedkeurt, zijn essentieel voor de patiëntveiligheid. “Ik geef liever later uitleg over mijn acties dan de patiënt te zien verslechteren.” Deze micro-autonomie helpt verpleegkundigen om snel in te grijpen, zelfs als formele goedkeuring nog niet is gegeven.
Daarnaast beschrijven verpleegkundigen hoe zij informele netwerken gebruiken om hun stem gehoord te krijgen. Eén verpleegkundige legde uit: “Ik heb relaties opgebouwd met artsen die mijn oordeel respecteren. Als ik ze direct een bericht stuur, reageren ze snel. Het is niet het systeem omzeilen – het is het systeem laten werken voor de patiënt.”
De rol van de hoofdverpleegkundige
De hoofdverpleegkundige speelt een cruciale rol in het beschermen van de autonomie van verpleegkundigen. Ze fungeren als bemiddelaars en versterken de stem van verpleegkundigen binnen het team. Zoals een verpleegkundige zei: “Soms gaat het niet om wat je zegt, maar wie het zegt. Wanneer onze hoofdverpleegkundige mijn punt naar voren brengt, wordt het serieus genomen. Het is frustrerend, maar het werkt.” Deze bemiddeling is essentieel om een psychologisch veilige ruimte te creëren voor verpleegkundigen om hun oordeel te uiten.
Dit onderzoek toont hoe sterk verpleegkundigen staan wanneer hun expertise ruimte krijgt. Door samen te werken aan meer inspraak en gedeelde besluitvorming, versterken we niet alleen de verpleegkundige praktijk, maar ook de kwaliteit van zorg voor elke patiënt.
Bron: Khaled Al Abdulqader A, Ali SI, Alamoudi FA, Shaban M. Still just the nurse? A critical inquiry into nurses’ struggles for autonomy in interprofessional hospital teams. BMC Nurs. 2025 Oct 28;24(1):1340. doi: 10.1186/s12912-025-03967-0. PMID: 41152917; PMCID: PMC12570814.
Zelfmanagementondersteuning: een opportuniteit voor België
Door Katja Swinnen en Leia Vrancken, Hogeschool UCLL, R&E Health Innovation
In het voorjaar publiceerde de OESO het PaRIS-rapport (Patient Reported Indicator Surveys).1 In deze grootschalige internationale studie werd de kwaliteit van zorg geëvalueerd op basis van ervaringen van mensen met een chronische aandoening. Negentien landen namen deel, waaronder ook België.
De resultaten zijn op vele vlakken positief: België scoort goed op toegankelijkheid van zorg en vertrouwen in zorgverleners. Toch toont het rapport een belangrijke uitdaging. Veel landen, waaronder België, doen het minder goed op het vlak van zelfmanagementondersteuning (ZMO), de begeleiding van patiënten om zelf actief met hun aandoening om te gaan, keuzes te maken en problemen aan te pakken in het dagelijks leven. Het rapport toont dat in België 85 procent van de patiënten naar een huisartsenpraktijk gaan waar zelfmanagement voornamelijk wordt ondersteund door het geven van verbale informatie. Wanneer het gaat over geschreven informatie gaat dit nog maar over 51 procent. De percentages dalen drastisch bij gestructureerde ZMO-interventies, zoals het samen opstellen van doelen en actieplannen (31 procent), doorverwijzing naar zelfmanagementeducatie (16 procent), of behandeling door een zorgverlener die getraind is in patient empowerment (7 procent).
Nochtans is ZMO een cruciale factor voor een hogere kwaliteit van zorg. ZMO wordt beschouwd als een essentieel onderdeel van persoonsgerichte zorg. Patiënten die zich gesteund voelen in hun zelfzorg rapporteren hogere tevredenheid, meer levenskwaliteit en betere gezondheidsuitkomsten.2,3 Het PaRIS-rapport toont daarnaast aan dat ZMO het vertrouwen van patiënten verhoogt: zowel in zichzelf als in het zorgsysteem.
De resultaten vormen dus een wake-upcall voor België. Ons zorgsysteem is sterk gericht op acute en curatieve zorg, terwijl de groeiende groep chronisch zieken een andere benadering vraagt: één waarin verpleegkundigen en andere zorgverleners een sleutelrol spelen. Door hun nabijheid, communicatieve vaardigheden en holistische kijk op de mens, zijn verpleegkundigen bij uitstek geschikt om patiënten te ondersteunen in het versterken van hun eigen regie.
Bij Health Innovation, een expertisecentrum van Hogeschool UCLL R&E, wordt al enkele jaren sterk ingezet op dit thema. Binnen opleidingen en navormingen leren studenten en professionals hoe ze zelfmanagement kunnen ondersteunen in de praktijk, door motiverende gespreksvoering, gezamenlijke besluitvorming en patiëntenautonomie een centralere plaats te geven in het zorgproces. Hogeschool UCLL biedt hierdoor enkele belangrijke bouwstenen die het gebrek aan gestructureerde ZMO-interventies in België kan opvullen. Opleidingen in ZMO voor zorgverleners zijn geen luxe, maar een noodzakelijke investering om zorgverleners de tools te geven waarmee ze patiënten echt kunnen empoweren en de kwaliteit van chronische zorg duurzaam kunnen verbeteren.
Bronnen
- OECD. Does Healthcare Deliver? Results from the Patient-Reported Indicator Surveys (PaRIS). Paris; 2025.
- Timmermans L, Golder E, Decat P, Foulon V, Van Hecke A, Schoenmakers B. Characteristics of self-management support (SMS) interventions and their impact on Quality of Life (QoL) in adults with chronic diseases: An umbrella review of systematic reviews. Health Policy. 2023;135.
- Zimbudzi E, Lo C, Misso ML, Ranasinha S, Kerr PG, Teede HJ, et al. Effectiveness of self-management support interventions for people with comorbid diabetes and chronic kidney disease: A systematic review and meta-analysis. Systematic Reviews. 2018;7(1).
Een beroepsorganisatie geeft je vleugels
Dat een beroepsorganisatie je laat groeien hoef je niet van ons aan te nemen. Debra Jackson, een van de belangrijkste Australische verpleegkundige onderzoekers, somt in een artikel in het Journal of Advanced Nursing de vele voordelen op van een verpleegkundige beroepsorganisatie. Het geeft een stem aan de beroepsgroep, een gevoel van verbondenheid en een netwerk. Drie zaken die essentieel zijn voor je werkgeluk.
Debra Jackson ontving op International Nurses Day 2025 een Honorary Fellowship of the Royal College of Nursing. Bij ontvangst van de beurs bedacht ze aan wie ze haar carrière te danken heeft. Collega’s, leden van raden van bestuur en natuurlijk beroepsorganisaties waar ze lid van is. Jackson: “Door mijn lidmaatschap van beroepsorganisaties kreeg ik toegang tot mentorschap, kennis, netwerken, vriendschap, collegialiteit en een gedeeld doel.”
Thuiskomen
Jackson heeft het over een ‘sense of belonging’. Je op de werkvloer geïsoleerd voelen is zowel emotioneel als professioneel schadelijk voor verpleegkundigen. Door actief te zijn in een beroepsorganisatie kom je thuis. Het bevestigt je identiteit als verpleegkundige en zorgverlener en je voelt je trots over de gedeelde waarden. Deel zijn van iets dat groter is dan jijzelf of je organisatie, geeft betekenis. Het stimuleert solidariteit dwars door de verschillen en (fysieke) afstand tussen leden, en laat je connecteren met andere verpleegkundigen. Beroepsorganisaties zijn een anker in periodes van onzekerheid en verandering. Ze creëren doelbewust plaatsen waar leden gerespecteerd en gewaardeerd worden, en zich betrokken voelen.
Steun van gelijkgestemden
De vele uitdagingen waar je als verpleegkundige tegenaan botst, onderlijnen het belang van een sterk netwerk, ook buiten je werkplek. In een beroepsorganisatie ontwikkel je banden met anderen die dezelfde waarden en aspiraties hebben, relaties die je steun en kameraadschap kunnen bieden. Loopt de samenwerking op je werkplek niet goed? Dan kan net de steun van je beroepsorganisatie essentieel zijn om je hoopvol, productief en professioneel verbonden te blijven voelen. Zo heb je het gevoel de teugels in handen te houden, ook als de wereld lijkt tegen te werken.
Samen bereik je meer
Alleen ga je sneller, samen ga je verder: dat geldt zeker in de zorg. Een beroepsorganisatie geeft je een platform om te spreken. Niet als individu, maar als een groep met een verenigde stem. Die collectieve kracht is essentieel om verandering te realiseren. Een individuele stem kan bewustzijn creëren, maar pas door gecoördineerde, gezamenlijke belangenbehartiging kunnen structurele kwesties zoals veilige bezetting, gelijkheid en beroepsuitoefening effectief worden aangepakt.
Verpleegkundig burgerschap
Jackson heeft het in haar artikel ook over ‘nursing citizenship’, te vertalen als verpleegkundig burgerschap. Dat belichaamt de ethische verantwoordelijkheid en professionele trots die je als verpleegkundige hebt wanneer je zowel in je eigen werk evolueert, als in het bredere gezondheidszorgsysteem en zo de verpleegkundige gemeenschap vooruithelpt.
Door deel te nemen aan commissies, vakgroepen en professionele bijeenkomsten draag je bij aan praktijknormen en oefen je invloed uit op het gezondheidsbeleid. Zo versterk je ook een collectieve identiteit. Lidmaatschap biedt de kans om gelijkgestemde collega’s te ontmoeten en professionele verantwoordelijkheid vorm te geven. Zo functioneren beroepsorganisaties zoals NETWERK VERPLEEGKUNDE als essentiële platforms waar verpleegkundigen samen de ontwikkeling en integriteit van hun vak bevorderen.
De economische waarde van verpleegkunde: investeren loont
Verpleegkundigen: zijn ze een kostenpost of een investering? Hoewel verpleegkundigen de ruggengraat van de gezondheidszorg vormen, worden ze vaak als overhead gezien eerder dan een economische meerwaarde. Daar wil de American Nurses Association (ANA) verandering in brengen. Samen met onderzoekers van onder andere de University of Michigan zetten ze een ambitieus onderzoeksproject op poten: Reimagining the Economic Value of Nursing[1]. Het doel? Aantonen dat investeren in verpleegkundigen niet alleen leidt tot betere patiëntenzorg, maar ook tot economische winst voor zorginstellingen.
Centraal in dit project staat het Nursing Human Capital Value Model, een economisch model dat verpleegkundigen benadert als menselijk kapitaal. Kort samengevat: wanneer je investeert in de ontwikkeling, ondersteuning en beloning van verpleegkundigen, leidt dat tot hogere zorgkwaliteit, meer tevreden patiënten en lagere kosten op de lange termijn. Om dit model te onderbouwen, vond in april 2024 een bijeenkomst (summit) plaats met verpleegkundig leidinggevenden, economen, zorgbestuurders en beleidsmakers. Zij werkten samen aan meetmodellen die de toegevoegde waarde van verpleegkundigen zichtbaar kunnen maken. Naast de economische meerwaarde werd ook benadrukt dat investeringen in verpleegkunde niet alleen de zorg voor patiënten verbeteren, maar ook de tevredenheid en het welzijn van de verpleegkundigen verhogen. Zo zijn ze niet alleen zorggevers, maar ook de aanstokers van innovatie en genereren ze meer inkomsten.
Een nieuwe manier van denken
De inzichten uit de summit zijn vervolgens vertaald naar de zogeheten INVEST Study, een grootschalige enquête onder Chief Nursing Officers. Deze vragenlijst verzamelt gegevens over investeringen in verpleegkundig personeel en brengt die in verband met operationele resultaten zoals verloop, ziekenhuisopnames, patiënttevredenheid en financiële prestaties. Hiermee ontstaat een datagedreven beeld van hoe verpleegkundige inzet zich vertaalt naar concrete waarde voor organisaties.
Wat opvalt in het voorlopige rapport, is de brede consensus over de noodzaak van een nieuwe manier van denken. De klassieke benadering – waarin verpleegkundigen worden gezien als ‘personeelskosten’ – voldoet niet meer. In plaats daarvan zou verpleegkundige inzet moeten worden erkend als een strategische investering die rendement oplevert. Verpleegkundigen die de nieuwste kennis en tools tot hun beschikking hebben, kunnen patiënten capabel en efficiënt verzorgen, waardoor er minder complicaties ontstaan en patiënten snel en gezond weer naar huis kunnen. Toch blijkt uit het rapport ook dat veel zorginstellingen worstelen met het verzamelen en gebruiken van de juiste data. Return-on-investmentberekeningen worden zelden toegepast op verpleegkundige functies, en besluitvorming gebeurt nog vaak op basis van aannames in plaats van bewijs.
Wat brengt de toekomst?
Het onderzoek komt met duidelijke aanbevelingen: stimuleer leiderschap dat de waarde van verpleegkundigen uitdraagt, verbeter de toegang tot relevante data en ontwikkel beleid dat verpleegkundige inzet zichtbaar beloont. Uiteindelijk draait het niet alleen om geld, maar om het besef dat goede zorg begint bij goed ondersteunde zorgprofessionals. De boodschap is helder: wie investeert in verpleegkundigen, investeert in de toekomst van de zorg.
[1] American Nurses Credentialing Center. (z.d.). Economic value of nursing. American Nurses Association. https://www.nursingworld.org/ancc/nursing-research/economic-value-of-nursing/
“Het is ingewikkeld”: over de complexiteit van verpleegkundig werk en arbeidsverdeling
Om de best mogelijke kwaliteit te garanderen, moet verpleegkundige zorg goed georganiseerd worden. Maar hoe ga je als verpleegkundige het meest efficiënt om met je taken in de tijd en met de collega’s die je ter beschikking hebt? Die vraag staat centraal in het onderzoek ‘Entanglement of nursing care’.
Traditioneel wordt bij het verdelen van verpleegkundig werk gekeken welke taken gedelegeerd kunnen worden aan minder duur en lager opgeleid personeel, om de schaarse middelen zo gericht mogelijk in te zetten. Een principe dat goed werkt in veel sectoren, maar verpleegkundig werk is een combinatie van cognitieve, emotionele, organisatorische en fysieke arbeid. De verschillende taken kunnen niet zomaar per domein verdeeld worden. Alle activiteiten zijn met elkaar verbonden, zelfs eenvoudige zorgactiviteiten. Dat draagt bij aan de complexiteit. Als verpleegkundige lijkt je dat vast vanzelfsprekend, maar het is moeilijk de vinger te leggen op de oorzaak van die complexiteit.
Verpleegkundig werk bestaat zowel uit zichtbare, formele taken, als onzichtbare, zachte elementen. Wanneer de verpleegkundige arbeid ‘task-focused’ wordt behandeld, dan worden taken verdeeld zonder rekening te houden met het grotere geheel. Werk je ‘patient-focused’, dan vertrek je van de noden van de patiënt bij het verdelen van taken. Ook deze methode gaat eerder uit van gefragmenteerde zorgactiviteiten dan van verschillende lagen van complexiteit. Daarnaast is er ook een ‘labour-focused’ conceptualisatie waarbij verpleegkundigen de hoofdrolspelers zijn die cognitieve, emotionele, organisatorische en fysieke arbeid combineren. Je kan die arbeid wel als afzonderlijke types presenteren, maar ze zijn onderling verbonden en afhankelijk. Ze zijn met andere woorden verstrengeld.
Verstrengelde taken
Verstrengeling of ‘entanglement’ is een begrip uit de kwantumfysica. Het betekent dat deeltjes zodanig met elkaar interageren dat de kwantumtoestand van elk deeltje van de groep niet onafhankelijk van de toestand van de anderen kan worden beschreven. Het gaat dus om taken die in relatie staan tot elkaar en elkaar zo zeer beïnvloeden dat ze niet los van elkaar gezien kunnen worden. Deze ‘entanglement’ moet meegenomen worden bij de werkverdeling.
Een voorbeeld: hygiënische zorg toedienen wordt als weinig complex beschouwd. Je kan deze activiteit evenwel niet los zien van andere, zoals spreken met de patiënt en vitale signalen observeren. Die taken worden als emotionele en fysieke arbeid gecategoriseerd. Ze kunnen afzonderlijk worden uitgevoerd, maar de aard van de activiteiten verandert fundamenteel, waardoor een ‘gemakkelijke’ taak, zoals helpen bij persoonlijke hygiëne, een complex samenspel wordt van zorgactiviteiten. Traditioneel bepaalt de complexiteit van een afzonderlijke taak wie ze uitvoert, maar neem daar het briefen van de verschillende taken naar een collega in mee en het delegeren van taken levert maar weinig efficiëntiewinst op.
Het concept verstrengeling benadrukt dat VVAZ op alle aspecten van hun job moeten uitblinken, door de zorgvraag te bepalen, de complexiteit van de vereiste inspanning in te schatten en zorg uit te besteden en op te schalen wanneer ze dat nodig achten. Ook overdrachten en controles komen op hun takenlijst. Om de kwaliteit van zorg te blijven garanderen is verder onderzoek naar de ideale mix van vaardigheden en de beste samenstelling van een team verpleegkundigen noodzakelijk.
Raadpleeg het volledige onderzoek.
Bron
Dewi Stalpers, Lisette Schoonhoven, Chiara Dall’Ora, Jane Ball, Peter Griffiths, ‘Entanglement of nursing care’: A theoretical proposition to understand the complexity of nursing work and division of labour, International Journal of Nursing Studies, Volume 163, 2025, 104995, ISSN 0020-7489, https://doi.org/10.1016/j.ijnurstu.2025.104995.
Bijna vier op de tien verpleegkundigen combineert meerdere jobs
Ondanks de lange shifts en hoge werkdruk combineren opvallend veel verpleegkundigen hun hoofdjob met een tweede job, binnen de zorg of in een andere sector. Uit het onderzoek ‘Multiple job holding and its influencing factors among Belgian nurses[1]’ blijkt dat vooral financiële motieven hen daartoe aanzetten. We nemen je mee in de belangrijkste bevindingen en conclusies.
Hoe werd het onderzoek gevoerd?
Tussen november 2022 en maart 2023 verspreidde het onderzoeksteam een online vragenlijst onder Nederlandstalige verpleegkundigen die werkzaam zijn in Vlaanderen, zowel binnen de publieke als de private sector. De vragen peilden onder andere naar hun werksituatie, jobtevredenheid en de redenen waarom ze al dan niet twee jobs combineren.
Wat blijkt?
Uit de antwoorden van 924 verpleegkundigen blijkt dat 38,3 procent vandaag al meerdere jobs combineert. Nog eens één op de vijf overweegt het. Meer dan de helft – zo’n 56,3 procent – heeft een bijbaan in de zorgsector, gevolgd door het onderwijs (14,8 procent) en de horeca (8,3 procent).
Opvallend is dat bijna 43 procent van de verpleegkundigen met een tweede job zelfstandig aan de slag is. Dat kan te maken hebben met de Belgische arbeidswetgeving die de arbeidstijd van voltijdse werknemers beperkt tot 50 uur per week. Ruim een kwart van de respondenten werkt dan weer onder een flexibel of tijdelijk statuut. De helft onder hen doet dat via een flexi-job. Alleen, binnen de zorg mag dat enkel in ondersteunende functies zoals schoonmaak of administratie. Veel verpleegkundigen klussen dus bij in niet-verpleegkundige jobs, terwijl net daar een personeelstekort is.
Verder blijkt dat mannen significant vaker meerdere jobs combineren dan vrouwen. In veel gezinnen nemen vrouwen meestal het grootste deel van de zorg voor de kinderen voor hun rekening. Daardoor hebben ze minder tijd om extra jobs op te nemen. Ook blijken verpleegkundigen met een masterdiploma sneller een tweede job te kiezen. Voor hen is het een manier om hun competenties bij te schaven of door te groeien naar een nieuwe rol.
Waarom combineren verpleegkundigen meerdere jobs?
Verpleegkundigen combineren jobs om twee redenen: ze voelen zich daartoe gedwongen (pushfactoren) of ze worden ertoe aangetrokken (pullfactoren). Uit het onderzoek blijkt dat vooral de eerste groep overheerst: 64,2 procent doet het uit noodzaak.
Financiële redenen wogen het zwaarst door, goed voor meer dan de helft van alle motieven. Deze groep geeft aan dat het loon uit hun hoofdjob niet volstaat om comfortabel te leven. Veel verpleegkundigen voelen zich daarom genoodzaakt extra werk te zoeken. Dat heeft een prijs: wie uit noodzaak meerdere jobs combineert, ervaart meer stress, minder werkplezier en een lagere betrokkenheid, wat ook de kwaliteit van de zorg onder druk zet.
Bij iets meer dan een derde spelen positieve motieven (pullfactoren). Zij zien een tweede job als een kans op professionele groei, een verbreding van hun horizon, meer afwisseling of autonomie.
Wat kunnen we doen?
De onderzoekers pleiten voor gerichte beleidsmaatregelen om ‘multiple job holding’ terug te dringen. Denk aan een correct basisloon voor meer financiële zekerheid. Of duidelijke loopbaanpaden, met kansen op groei en ontwikkeling binnen de eigen functie. Ten slotte roepen ze op om het beroep van verpleegkundige te herwaarderen. Zo versterken we niet alleen de werktevredenheid en het welzijn van verpleegkundigen, maar ook de stabiliteit en kwaliteit van de zorgsector in het algemeen.
[1] Senne Vleminckx, Anke Sevenans, Manal Bouchatta, Ive Verbeeck, Erik Franck, Filip Haegdorens, Multiple job holding and its influencing factors among Belgian nurses: A cross-sectional study, Health Policy, Volume 155, 2025, 105288, ISSN 0168-8510, https://doi.org/10.1016/j.healthpol.2025.105288.
Behoeftegebaseerde zorg in woonzorgcentra: een antwoord op het stille lijden
Wat als we ouderenzorg niet langer laten sturen door diagnoses, maar vertrekken vanuit de unieke behoeften van elke bewoner? Dit vormde de kern van de studie ‘Need-based care in nursing homes: from evidence to integration in caregivers’ clinical decision-making’ van Katrin Gillis, verpleegkundige van opleiding en onderzoekster aan de Universiteit Antwerpen en Odisee-hogeschool. Haar research toonde aan dat behoeftegebaseerde zorg niet alleen het mentale welzijn van mensen met dementie verbetert, maar ook de stress bij zorgverleners verlicht.
Onderzoekster Katrin Gillis evalueerde het welbevinden van mensen met dementie in 24 verschillende woonzorgcentra. Ze stelde vast dat 90 procent van hen gedrags- of gemoedsveranderingen vertoonde. Deze veranderingen zijn vaak een signaal dat de persoon zich niet goed voelt. “Door de hoge werkdruk prijkt emotionele steun vaak onderaan de prioriteitenlijst. Bovendien verloopt het klinische besluitvormingsproces, wat in woonzorgcentra als een gedeeld teamproces kan beschouwd worden, niet optimaal”, stelt Katrin. “Angst, onrust en depressieve klachten worden te snel afgedaan als ‘normale’ symptomen van dementie, terwijl dat niet altijd het geval is. Hoewel we ons vaak bewust zijn van de signalen van mensen met dementie en hun onderliggende noden en verlangens, reageren we er te weinig op. Dit gebrek aan respons vormt een grote uitdaging.”
Persoonlijke behoeftes van de bewoner
Volgens Katrin haar onderzoek moeten we voorbij de diagnose durven kijken. “Elk gedrag heeft een oorzaak, en die verschilt van persoon tot persoon. Door in te zoomen op iemands specifieke behoeften kunnen we gerichte zorg bieden.”
Een van de manieren om de effecten van behoeftegebaseerde zorg te onderzoeken was via een praktijkstudie met drie onderzoeksgroepen: de eerste groep bood twee keer per week consequent behoeftegebaseerde zorg aan, de tweede groep mocht zelf bepalen hoe ze die momenten invulden, en de derde groep leverde geen extra inspanningen.
Positief effect voor bewoner en medewerker
De resultaten waren treffend. “Wat ons als eerste opviel was een significante daling van pijnklachten in de eerste groep, en dat terwijl pijnreductie niet eens een focus was”, licht Katrin toe. “We vonden geen fysieke aanleiding, dus ging het wel degelijk om emotionele pijn. Bij diezelfde groep namen ook agitatie, agressie, symptomen van nachtelijke onrust en depressieve klachten af – symptomen waarvoor anders medicatie wordt voorgeschreven.”
Behoeftegebaseerde zorg werkt, zoveel is duidelijk met deze resultaten. De juiste aandacht en warmte kan al veel oplossen, als je de patiënt door en door kent. Wat heeft deze bewoner nodig en wat juist niet? Dit vergt tijd en overleg, maar de effecten liegen er niet om: bewoners bloeien open en zijn gelukkiger.
Ook de resultaten bij de medewerkers waren hoopgevend. “Je verwacht dat behoeftegebaseerde zorg meer tijd en inspanning vraagt van het personeel, maar we zagen geen stijging in de burn-outcijfers. Meer zelfs, de emotionele belasting daalde in de eerste twee testgroepen. De zorgverleners kregen meer gedaan in dezelfde tijd, maar ervaarden toch minder stress.”
Nood aan sterk leiderschap
Katrin beklemtoont dat behoeftegebaseerde zorg staat of valt met sterk leiderschap. “Het is aan de leidinggevende om de visie voor deze nieuwe aanpak te delen met het team, maar dit ook te faciliteren en zichtbaar te maken. Daarnaast is er ook klinisch leiderschap nodig van zorgverleners in het team zelf: alleen door samen te werken creëren ze de ruimte om te doen waarvoor ze in de eerste plaats voor dit vak kozen: bijdragen aan het welzijn van bewoners”, zegt Katrin.
Ook opleiding speelt hierin een sleutelrol. Een verpleegkundige is vaak niet of te weinig opgeleid om behoeftegebaseerde zorg toe te dienen. Katrin en haar team stelden vast dat alleen zorgverleners uit de eerste groep, die intensieve training kregen, zich competenter voelden. Maar dat was pas na vier maanden praktijkervaring. Conclusie: met opleiden alleen kom je er niet.
Raadpleeg het volledige onderzoek.
Bron
Gillis, K. (2024) Need-based care in nursing homes: from evidence to integration in caregivers’ clinical decision-making. [Doctoraatsproefschrift, Universiteit Antwerpen].
Het ‘post-anticonceptiesyndroom’ is geen officiële medische diagnose
Op sociale media lijkt stoppen met de pil vooral rozengeur en maneschijn. Naast de vele positieve getuigenissen, melden talloze vrouwen wereldwijd ook klachten als vermoeidheid, haaruitval en stemmingswisselingen. Die symptomen hebben een naam: het post-anticonceptiesyndroom. Dat lazen we in Het Nieuwsblad van 24 februari 2025. “Het is geen officiële medische diagnose”, reageert gynaecoloog Karen Hansen.
De hormoonmoeheid neemt toe en veel vrouwen zoeken naar alternatieve anticonceptiemethoden zonder hormonen. Aan de anticonceptiepil worden tal van nadelen toegeschreven. Toch zou stoppen met de pil niet alle vrouwen vrijer en blijer maken. Integendeel, tien tot twintig procent zou te maken krijgen met het post-anticonceptiesyndroom. Volgens sommigen is dat een vaak miskende diagnose. Maar volgens gynaecoloog Karen Hansen is het wel een groepering van klachten die sommige vrouwen ervaren nadat ze stoppen met de pil, “maar geen officiële medische diagnose”[1].
Hoe moet je dit nieuws interpreteren?
Toen de anticonceptiepil in de jaren zestig geïntroduceerd werd, ontketende ze een seksuele revolutie. Ze groeide snel uit tot de populairste anticonceptiemethode in Europa. De voorbije jaren kwam er steeds meer kritiek op de pil, door mogelijke nevenwerkingen en mogelijke gezondheidsrisico’s op termijn.
Door de pil vindt er geen eisprong meer plaats, waardoor je niet zwanger kan worden[2]. Nadat je stopt met de pil, kan het even duren voor je menstruele cyclus weer op gang komt.
- Studies tonen dat de cyclus in de eerste drie maanden ietsje langer is (gemiddeld 33 dagen in plaats van gemiddeld 29 dagen) en dat het bloedverlies minder is.
- In die periode is ook de vruchtbaarheid tijdelijk nog lager.
- De menstruele cyclus herstelt zich volledig binnen de zes maanden na het stopzetten van de pil[3].
In de overgangsperiode tussen pilstop en normalisatie van de cyclus, die individueel erg verschillend is, kunnen ongemakken optreden. Daar is pas de laatste jaren aandacht voor[4]. Ze worden sinds kort omschreven als het post-anticonceptiesyndroom, vooral door het boek ‘Beyond the pill’, uitgebracht in 2019[5].
Er is op dit moment weinig onderzoek naar de ongemakken die kunnen opduiken in de eerste maanden na pilstop. Zeker is dat ze spontaan verdwijnen.
Conclusie
Steeds meer vrouwen stoppen met de pil, omdat ze pilmoe zijn. Bij sommigen duurt het enkele maanden voor de menstruele cyclus zich helemaal herstelt. Die overgangsperiode kan gepaard gaan met ongemakken, die vanzelf verdwijnen. Het is geen aandoening. Of zoals gynaecoloog Karen Hansen het terecht stelt: het post-anticonceptiesyndroom is geen officiële diagnose.
Bron: Gezondheid & Wetenschap
[1] Van Horne K. ‘Niet iedereen voelt zich blijer na het stoppen met de pil’: gynaecologen over post-anticonceptiesyndroom. Het Nieuwsblad. 24 februari 2025.
[2] Allesoverseks.be (Sensoa). De pil.
[3] Nassaralla C, Stanford J, Daly K et al. Characteristics of the Menstrual Cycle After Discontinuation of Oral Contraceptives. J Womens Health. 2011;20:169-177.
[4] Niemann J, Schenk L, Stadler G et al. What happens when you stop using the combined contraceptive pill? A qualitative study protocol on consequences and supply needs for women who discontinued the combined contraceptive pill in Germany. BMJ Open. 2022; 12:e057089. doi: 10.1136/bmjopen-2021-057089.
[5] Brighton J. Beyond the Pill: A 30-Day Program to Balance Your Hormones, Reclaim Your Body, and Reverse the Dangerous Side Effects of the Birth Control Pill. New York City: HarperOne, HarperCollins Publisher; 2019.
Hoe kies je tussen wegwerpmateriaal en herbruikbaar medisch materiaal voor duurzame verpleegkunde?
Zorginstellingen zoeken manieren om ecologischer en duurzamer te werken, zeker met betrekking tot materialen die eenmalig gebruikt worden. Hoe kunnen ze dit anders aanpakken. Een nationale studie trekt methodologische lessen waarmee organisaties aan de slag kunnen.
Er werd een crosssectionele studie uitgevoerd in verschillende vestigingen van diverse ziekenhuizen. Dit werd gevolgd door een verkennende analyse van de duurzaamheid van veelgebruikte materialen voor de gezondheidszorg.
Methoden
Via een ziekenhuisenquête verzamelden de onderzoekers de inkoopgegevens van medische materialen voor eenmalig gebruik. Op basis van verbruik en kosten werden vijf medische materialen voor eenmalig gebruik geselecteerd. Daar werden met behulp van verschillende strategieën voor hergebruik duurzame alternatieven aan gekoppeld. Materialen voor eenmalig en voor hergebruik werden beoordeeld door middel van een verkennend literatuuronderzoek en een documentstudie op basis van vier parameters: duurzaamheid voor het milieu, veiligheid, kosten en efficiëntie.
Resultaten
Uit dit onderzoek kwam een pragmatische methode naar voren die gezondheidszorginstellingen handvatten biedt om milieuvriendelijke alternatieven te selecteren ter vervanging van wegwerpopties. Eerst werd een inventarisatie gemaakt van verbruikte medische materialen voor eenmalig gebruik. Vervolgens werden de materialen voor eenmalig gebruik geprioriteerd voor verder onderzoek op basis van criteria zoals kosten, volume van het materiaal, haalbaarheid en input van belanghebbenden. Daarna werden de geprioriteerde materialen voor eenmalig gebruik geanalyseerd, samen met hun alternatieven op basis van een levenscyclusanalyses of beschikbare informatie over hun verschillende levensfasen. Tot slot beoordeelden de onderzoekers de veiligheid, kosten en efficiëntie van het proces voor het (her)gebruik van medisch materiaal.
Conclusie
Deze pragmatische methode kan zorginstellingen begeleiden bij het maken van de meest duurzame keuzes van medische materialen en het bereiken van duurzaamheidsdoelen binnen hun instellingen en in het hele land.
Impact
Patiëntenzorg gaat gepaard met een groot verbruik van medische materialen voor eenmalig gebruik. Met een aanzienlijke impact op het milieu tot gevolg. Dit onderzoek ontwikkelde een pragmatische methode om zorginstellingen te begeleiden bij het maken van de meest duurzame keuzes met betrekking tot het gebruik van medische materialen voor eenmalig gebruik. Zorginstellingen, idealiter vertegenwoordigd door een team met verpleegkundigen en andere relevante professionals, kunnen deze methode gebruiken om het gebruik van medische materialen voor eenmalig gebruik te verminderen. Dit kan positieve resultaten opleveren voor de hele bevolking.
Vanderwee, K., Demarré, L., Malfait, S., Kieckens, E., De Waegemaeker, P., Duprez, V., & Fraeyman, N. (2024). How to choose between single-use and reusable medical materials for sustainable nursing: Methodological lessons learned from a national study. Journal of Advanced Nursing, 00, 1–14. https://doi.org/10.1111/jan.16255


